Operator's Manual

18
Gebruiksaanwijzing
Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie
de linker- en rechterzijde van het voertuig.
Veiligheid staat voorop
Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies en –stickers in
het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze
informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel
oplopen.
Bedieningsorganen
Gaspedaal
Het gaspedaal (Fig. 13) biedt de bestuurder de mogelijk-
heid de rijsnelheid van het voertuig te regelen. Als u het
pedaal intrapt, start u de motor. Trapt u het pedaal verder
in, dan verhoogt u de rijsnelheid. Als u het pedaal laat
opkomen, vermindert de snelheid van het voertuig en stopt
de motor. De maximumsnelheid vooruit is 22 km per uur.
1
m–6203
2
3
Figuur 13
1. Gaspedaal
2. Rempedaal
3. Parkeerrem
Rempedaal
Met het rempedaal kunt u het voertuig tot stilstand brengen
of de snelheid verminderen (Fig. 13).
Versleten of verkeerd afgestelde remmen kunnen
lichamelijk letsel veroorzaken.
Als de vrije slag van de rempedalen tot de vloer van
het voertuig minder dan 2,5 cm bedraagt, moeten
de remmen worden afgesteld of gerepareerd.
Voorzichtig
Parkeerrem
De parkeerrem is een klein plaatje bovenop het rempedaal
(Fig. 13). Steeds als de motor wordt afgezet, moet u de
parkeerrem in werking stellen om te voorkomen dat het
voertuig per ongeluk in beweging komt. Om de parkeerrem
in werking te stellen, moet u het rempedaal stevig intrappen
en voorwaarts rollen met de bovenkant van uw voet. Om de
parkeerrem buiten werking te stellen, moet u het gaspedaal
intrappen. Als u het voertuig op een steile helling parkeert,
moet u erop letten dat de parkeerrem in werking is gesteld.
Plaats blokjes achter de wielen om te voorkomen dat het
voertuig de helling afrolt.
Chokeknop
De chokeknop bevindt zich rechtsonder naast de bestuurders-
stoel. Om een koude motor te starten, moet u de chokeknop
uittrekken (Fig. 14). Nadat de motor is gestart, kunt u met
behulp van de choke de motor regelmatig laten lopen. Zodra
dit mogelijk is, zet u de chokeknop op Uit. Als de motor
warm is, hoeft de choke niet of nauwelijks te worden
gebruikt.
m–5371
1
2
Figuur 14
1. Choke 2. Schakelhendel
Schakelhendel
De schakelhendel heeft drie standen: vooruit, achteruit, en
neutraalstand (Fig. 14). U kunt de motor in elke van de drie
posities starten en laten lopen.
Opmerking: Als de keuzeschakelaar op Achteruit staat
wanneer het contactsleuteltje wordt omgedraaid, klinkt er
een zoemer om de bestuurder te waarschuwen.
Belangrijk Het voertuig moet altijd eerst tot stilstand
worden gebracht, voordat u schakelt.