FORM NO. 3318-403 NL Rev A MODEL NR. 03802—50001 & HOGER MODEL NR.
Inhoundsopgave IDENTIFICATIE & BESTELLING 2 BEDIENINGSORGANEN 16 VEILIGHEIDS 4 OVERZICHT VAN GEBRUIKTE SYMBOLEN 7 GEBRUIKSHANDLEIDING Starten en stoppen Het inspuiten van het brandstofinjectie-systeem Automatische maai-regeling Het Selecteren van de maaiverhouding (snelheid messenkooien) Maaiverhouding (snelheid messenkooien) selectietabel Lampje Messenkooi-regeling De machine duwen of slepen Controlelampje Diagnostisch ACE-display Het controleren van de interlock-schakelaars Functies van elektromag
Veiligheid Training Voorbereiding 1. Lees de voorschriften aandachtig door. Maak uzelf vertrouwd met de bedieningsorganen en het juiste gebruik van de machine. 1. Draag altijd geschikt schoeisel en een lange broek tijdens het maaien. Bedien de apparatuur niet indien u blootsvoets bent of sandalen draagt. 2. Sta nooit toe dat de grasmaaier gebruikt wordt door kinderen of personen die niet vertrouwd zijn met deze voorschriften.
. 5. 6. Maaien op hellingen: • Maai nooit zijwaarts op hellingen van meer dan 5°, • Maai nooit klimmend op hellingen van meer dan 10°, • Maai nooit dalend op hellingen van meer dan 15°. Denk eraan dat er niet zoiets bestaat als een “veilige” helling. U moet bijzonder goed opletten als u op met gras begroeide hellingen rijdt.
Onderhoud en Opslag Geluids- en trillingsviveau 1. Geluidsniveau Zorg dat alle moeren, bouten en schroeven goed vastgedraaid zijn zodat er veilig met de apparatuur gewerkt kan worden. 2. Parkeer de apparatuur nooit in een gebouw terwijl er nog brandstof in de tank zit en waar de dampen in contact kunnen komen met open vuur of vonken. Deze machine heeft een equivalent continu Agewogen geluidsdrukniveau bij het oor van de bestuurder van: 82.
Overzicht van gebruikte symbolen Bijtende vloeiGiftige dampen stoffen, chemische of gassen, verbrandwonden aan stikking vingers of hand Elektrische schokken, elektrokutie Bekneld raken gehele lichaam van bovenaf Zijwaardse Zijwaardse beknelling vingers beknelling van of hand been Zijwaardse beknelling bovenlichaam Bekneld raken gehele lichaam Bekneld raken Afsnijden vingers Afsnijden van voet hoofd, bovenof hand lichaam en armen Afsnijden, Afsnijden voet, Afsnijden vingers gegrepen worden ronddraaie
Oogbescherming Veiligheidshelm Gehoorbescher- Gevaar, giftige verplicht verplicht ming verplicht stoffen Eerste hulp Spoelen met water Motor Overbrenging Vuur, open licht Hydraulisch systeem en roken verboden Remsysteem Koelvloeistof (water) Luchtinlaat Uitlaatgassen Druk Peilindicator Vloeistofpeil Filter Temperatuur Defect Startschakelaar/ Aan/starten mechanisme Inschakelen Uitschakelen Neerlaten hulpstukken Ophalen hulpstukken Afstand Sneeuwruimer, verzamelvijzel Claxon Batterij -
Motorkoelvloeistofdruk Motorkoelvloeistoffilter Motorkoelvloei- Motorinlaat/ stoftemperatuur verbrandingslucht Motorinlaat/ verbrandingsluchtdruk Motorinlaat/ luchtfilter Motor starten Motor stoppen n/min Motorisch defect Motortoerental/ frequentie Injectiepompje Elektrisch voor- Transmissieolie Transmissieolie- Transmissieoliedruk (starthulpmiddel) gloeien (hulptemperatuur middel starten bij lage temperaturen) Choke NH L F RP Defect transmissie Koppeling Neutraalstand Hoog Laag Vooruit Acht
Specificaties Motor: Peugeot, 4-cilinder, 4-takt, bovenliggende nokkenas, 116 kubieke inch (1,9 liter) verplaatsing, vloeistofgekoelde dieselmotor, 38 pk (28 kW); afgeregeld tot 2500 tpm hoog stationair; compressieverhouding 23,5:1, 3,27" (83mm) boring x 3,46" (88mm) slag. Automatisch gloeibougie/starter interlock-systeem. Heavy-duty, 2-staps los gemonteerd luchtfilter.
Vóór het gebruik LET OP Voordat u de machine afstelt of onderhoud hieraan gaat uitvoeren moet u de motor stoppen en de sleutel uit het contact verwijderen. ➀ HET CONTROLEREN VAN DE MOTOROLIE (Afb. 2 & 3) De capaciteit van het carter is 5 liter inclusief het filter. Afbeelding 2 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. Maak de vergrendeling van de motorkap los en open de motorkap. 2. Verwijder de peilstok uit de vuldop, veeg de peilstok schoon en steek hem terug in de vulpijp.
2. Verwijder de dop van de ontgassingstank en controleer het koelvloeistofpeil. Het peil moet tot of boven de markeringen in de ontgassingstank staan als de motor koud is. 3. Indien het koelvloeistofpeil te laag is, verwijdert u de dop van de ontgassingstank en voegt u een oplossing van water en (door Peugeot aanbevolen) antivries (Toro Onderdeel Nr.93-7213) toe in een 50/50 verhouding. GEBRUIK NIET UITSLUITEND WATER OF KOELVLOEISTOF OP ALCOHOL/METHANOL-BASIS. 4.
Klasse 1 Hydraulische Vloeistof (Aanbevolen voor omgevingstemperaturen die consistent onder 38°C liggen): ISO type 46/68 smerende hydraulische vloeistof Mobil Mobil Fluid 424 Amoco Amoco 1000 International Harvester Hy-Tran Texaco TDH Shell Donax TD Union OIl Hydraulic/Tractor Fluid Chevron Tractor Hydraulic Fluid BP Oil BP HYD TF Boron OIl Eldoran UTH Exxon Torque Fluid Conoco Power-Tran 3 Kendall Hyken 052 Phillips HG Fluid N.B.: De vloeistoffen binnen deze klasse kunnen door elkaar gebruikt worden.
15–23 liter hydraulische vloeistof. Bestel Nr. 44-2500 bij uw Officiële Toro Dealer. 1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maaieenheden zakken en stop de motor. 2. Reinig de plek rondom de vulnek en de dop van de hydraulische tank. Verwijder de dop van de vulnek. 3. Verwijder de peilstok van de vulnek en veeg deze schoon met een schone doek. Steek de peilstok in de vulnek; verwijder deze vervolgens en controleer het vloeistofpeil.
uur. De capaciteit is 2,3 liter. Kijk dagelijks of er lekkages zijn. 1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak. 2. Verwijder de controleplug van het ene uiteinde van de as en zorg ervoor dat de tandwielolie tot aan de onderkant van het gat staat. Indien het peil te laag staat, moet u de vuldop verwijderen en voldoende smeer bijvullen om het peil weer tot aan de onderkant van de vulgaten te brengen. HET CONTROLEREN VAN DE BANDENSPANNING De banden zijn voor het vervoer te hard opgepompt.
Bedieningsorganen Tractiepedaal (Afb. 9)—Dient voor de voortbeweging vooruit en achteruit. Trap de bovenkant van het pedaal in om vooruit te rijden en de achterkant van het pedaal om achteruit te rijden. De voortbewegingssnelheid is afhankelijk van de mate waarin het pedaal ingetrapt wordt. Voor de maximale voortbewegingssnelheid zonder belasting moet u het pedaal volledig intrappen terwijl de gashendel in de FAST/SNEL-positie staat.
Laadindicator (Afb. 10)—Licht op indien het laadcircuit van het systeem defect is. ➁ Aan/Uit-schakelaar (Afb. 10)—Wordt gebruikt in combinatie met de besturingshendel voor maaien, neerlaten/ophalen om de messenkooien te bedienen. Waarschuwingslampje Water-in-de-brandstof (Afb. 10)— Waarschuwt als er water in het brandstofsysteem zit. ➀ Waarschuwingslampje Laag Waterpeil (Afb. 10)—Waarschuwt dat het koelwaterpeil te laag staat. Maaihoogte Selectieknop (Afb.
① ① Afbeelding 14 1. 2. Stelhendel stoel Stelknop stoel Gebruikshandleiding LET OP Voordat u de machine af gaat stellen of onderhoudswerkzaamheden uit gaat voeren moet u de motor stoppen en de sleutel uit het contact verwijderen. STARTEN EN STOPPEN 1. Ga op de stoel zitten; houd uw voet van het tractiepedaal.
3. Laat de motor stationair draaien, of gedeeltelijk met behulp van de gashendel totdat de motor op temperatuur is. 4. Om te stoppen zet u alle bedieningsorganen in de NEUTRAALSTAND en activeert u de parkeerrem. Zet de gashendel weer terug in stationair, draai de sleutel naar de AFpositie (OFF) en verwijder de sleutel uit het contact. HET INSPUITEN VAN HET BRANDSTOFINJECTIE-SYSTEEM (Afb.
Het bereik van mogelijke snelheden van de messenkooien varieert van minimaal circa 500 tpm tot maximaal circa 1400 tpm. Zolang voor de gewenste maairesultaten een snelheid van de messenkooien nodig is die in dit bereik ligt, zal de machine de gewenste maairesultaten realiseren. Indien de voortbewegingssnelheid te laag of te hoog is voor de gewenste resultaten, zal het lampje van de Messenkooi-regeling (op het instrumentenpaneel) oplichten om te waarschuwen dat de gewenste maairesultaten niet gehaald worden.
2. Controleer de maaihoogte-afstelling op de messenkooien. Zoek de maaihoogte die het dichtst bij de huidige maaihoogte-afstelling ligt voor messenkoolen met 5 of 11 messen, aan de hand van bovenstaande tabel of aan de hand van de tabel onder de stoelplaat. Kijk in de tabel welke letter overeenkomt met die maaihoogte-instelling. 3. Verdraai de maaihoogte-selectieknop naar de letterstand die u in stap 2 gevonden hebt. 4.
LAMPJE MESSENKOOI-REGELING Het lampje voor de messenkooi-regeling dat zich bevindt op het instrumentenpaneel, dient om aan de bestuurder door te geven of de regelunit van de machine de gewenste resultaten kan realiseren. Indien de machine gebruikt wordt bij een voortbewegingssnelheid die te hoog of te laag is, is het mogelijk dat de regelunit van de machine niet in staat is de snelheid van de messenkooien in te stellen op de gewenste waarde voor de gewenste maairesultaten.
2. Sluit de bypass-klep voordat de motor gestart wordt. Draai de klep echter niet vaster dan 7–11 Nm als u hem weer sluit. BELANGRIJK: Als u de motor laat draaien terwijl de bypassklep open staat, raakt de transmissie oververhit. DIAGNOSTISCHE LAMPJES (Afb. 19) De RM-6700-D is uitgerust met twee diagnostische lampjes die aangeven of de elektronische regelunits al dan niet juist functioneren. Het diagnostische lampje voor de hoofd-regelunit (#1) bevindt zich op het stuurpaneel.
Alle input-schakelaars, output elektromagneten en relais moeten aangesloten zijn en correct functioneren om de elektronische regelunits in staat te stellen de machine naar wens te laten functioneren. De elektronische regelunit #1 bestuurt de vijf hoofd maai-eenheden. Elektronische regelunit #2 bestuurt de twee buitenste maai-eenheden.
kabelboom. Overlay-sjabloon #1 moet gebruikt worden voor connectie #1 en overlay-sjabloon #2 moet gebruikt worden voor connectie #2. N.B.: De rode tekst op het overlay-sjabloon verwijst naar de input-schakelaars en de groene tekst verwijst naar de outputs. 5. 6. Het “inputs displayed/inputs weergegeven” LED, onder in de rechter kolom van het Diagnostisch ACE, moet oplich-ten.
voorkomt. Indien het probleem van de machine aan één van deze functies te wijten is, moet u het elektrisch circuit doormeten met behulp van een volt/ohm-meter om te controleren dat er voor deze functies geen elektrische problemen zijn. Indien elke input-schakelaar in de juiste positie staat en correct functioneert, maar de output-LED’s niet correct oplichten, duit dit op een probleem in de elektronische regelunit. Indien dit zich voordoet, moet u contact opnemen met uw Toro Dealer voor assistentie.
zijn zodanig afgesteld dat ze eerder neergelaten worden dan de achterste maai-eenheden). Om vooruit te rijden en gras te maaien trapt u het tractiepedaal naar voren in. Houd een snelheid aan waarbij het controlelampje van de messenkooiregeling niet gaat branden. Vergroot of verminder uw snelheid geleidelijk om te verzekeren dat de juiste maairesultaten behaald kunnen worden.
Onderhoud Controlelijst dagelijks onderhoud 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. Werking interlockbeveiliging Werking remmen Motoroliepeil & brandstoffilter Vloeistofpeil koelsysteem Aftappen brandstof/waterafscheider Blokkeringsindicator luchtfilter Radiator & scherm v.w.b. afval Abnormaal motorgeluid1 Abnormale geluiden tijdens bediening Oliepeil hydraulisch systeem Hydraulische filterindicator2 Hydraulische slangen v.w.b. lekkages 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19.
Minimale aanbevolen onderhoudsbeurten Onderhoudsprocedure Smeren alle smeernippels Inspecteren luchtfilter, stofdop en keerring Controleren vloeistofpeil en aansluiting accu Onderhoudsbeurt Elke 50 uur Elke 100 uur Elke 200 uur Elke 400 uur Elke 800 uur ✓Vervangen motoroliefilter Vervangen slangen koelsysteem ✝Controleren ventilator en snaarspanning wisselstroomgenerator ✝Wielmoeren aandraaien ◆Luchtfilter onderhouden Brandstoffilter vervangen Brandstofleidingen en koppelingen controleren ✓Motortoer
HET SMEREN VAN DE LAGERS EN LAGERBUSSEN (Afb. 22–30) De machine heeft smeernippels die regelmatig gesmeerd moeten worden met Nr. 2 Smeervet op lithiumbasis voor algemene doeleinden. Als de machine onder normale omstandigheden gebruikt wordt, moeten alle lagers en lagerbussen na iedere 50 bedrijfsuren of onmiddellijk na iedere wasbeurt gesmeerd worden. 1. De smeernippels bevinden zich op de volgende plaatsen en in de volgende hoeveelheden: Draagframe en draaipunt van de maai-eenheid (2 elk) (Afb.
Afbeelding 28 Afbeelding 29 Afbeelding 30 30
LET OP Voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert of de machine afstelt, moet de motor stoppen en de sleutel uit de contactschakelaar verwijderen. ➀ ALGEMEEN ONDERHOUD LUCHTFILTER 1. Controleer of het luchtfilter beschadigd is, waardoor er mogelijkerwijze lucht weg kan lekken. Een beschadigd luchtfilter moet vervangen worden. 2. Voer onderhoud aan de luchtfilters uit als de indicator van het luchtfilter rood is (Afb. 31) of om de 400 uur (vaker in uiterst stoffige of smerige situaties).
C. Droog het filterelement drogen met behulp van warme stromende lucht (maximaal 71oC), of laat het element in de open lucht drogen. Gebruik geen lamp om het filterelement te drogen omdat dit het element kan beschadigen. Persluchtmethode A. Blaas perslucht van binnen naar buiten door het droge filterelement. Gebruik geen druk hoger dan 89kPa, om schade aan het filterelement te voorkomen. B.
BRANDSTOFSYSTEEM (Afb. 37 & 38) Brandstoftank Tap om de 800 bedrijfsuren of jaarlijks de brandstoftank af en maak deze schoon, afhankelijk van welk van deze situaties zich het eerst voordoet. De brandstoftank moet ook afgetapt en schoongemaakt worden indien het brandstofsysteem vervuild wordt of indien de machine gedurende langere tijd opgeslagen en niet gebruikt wordt. Gebruik schone brandstof om de tank schoon te spoelen.
1. Draai de bout los en draai de filterdop aan de onderkant van de filterbehuizing los. Verwijder de dop, de pakkingen, de O-vormige ring en het filter de behuizing. N.B.: let op de positie van de pakkingen en de O-vormige ring wanneer u deze uit de filterbehuizing verwijdert. 2. Installeer een nieuwe filter, pakkingen, een O-vormige ring en de afsluitdop van de filterbehuizing. 3. Injecteer het brandstofsysteem, zie Het inspuiten van het brandstofinjectiesysteem KOELSYSTEEM VAN DE MOTOR (Afb.
(Onderdeelnr. 93-7213). GEBRUIK NIET ALLEEN WATER IN HET KOELSYSTEEM. A. Om de 100 bedrijfsuren moet u de slangverbindingen controleren en aandraaien. Eventuele versleten slangen moeten vervangen worden. B. Om de 2 jaar moet het koelsysteem afgetapt en schoongespoeld worden. Vul antivries bij (zie Het Controleren van het Koelsysteem). V-SNAAR VAN DE MOTOR (Afb. 41) Controleer de conditie en de spanning van de V-snaar om de 100 bedrijfsuren. Vervang de snaar indien nodig. 1.
4. 5. Doe de dop weer op het reservoir. Start de motor en gebruik alle hydraulische bedieningsorganen om de hydraulische vloeistof gelijkmatig te verdelen over het gehele systeem. Controleer ook op lekkages. Zet daarna de motor af. ➁ Controleer het vloeistofpeil en voeg voldoende bij om het peil tot aan de FULL/VOL-markering op de peilstok te brengen. VUL NIET TEVEEL VLOEISTOF BIJ. HET VERVANGEN VAN HET HYDRAULISCH FILTER (Afb.
onderdelen, slijtage door weersinvloeden en chemische slijtage. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine opnieuw gebruikt. HET AFSTELLEN VAN DE TRACTIEAANDRIJVING VOOR DE NEUTRAALSTAND (Afb. 44) ➀ De machine mag niet “kruipen” wanneer het tractiepedaal niet ingedrukt wordt. Indien de machine wel kruipt, moet dit afgesteld worden. ➁ Afbeelding 44 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, zet de motor af en laat de maai-eenheden op de grond zakken.
1. Zoek de klep onder de stoel. 2. Draai de stelschroef op de klep los. Draai de klep met de wijzers van de klok mee om de buitenste maai-eenheden aan de voorkant langzamer te laten zakken. 3. Controleer de maaihoogte-afstelling door de maai-eenheden een aantal maal achter elkaar op te halen en neer te laten. Indien nodig stelt u opnieuw af. 4. Als de gewenste liftverhouding bereikt is draait u de stelschroef vast om de instelling vast te zetten. HET AFSTELLEN VAN DE BESTURINGSREMMEN (Afb.
4. Plaats de opvangbak onder de remnaaf aan de andere zijde van het wiel. 5. Verwijder de plug uit de onderkant van de naaf en laat de olie eruit lopen. 6. Als alle olie eruit gelopen is, zet u de plug weer terug in de naaf. 7. Vul SAE85W-140 wt. tandwielolie bij van een goede kwaliteit om het peil tot aan de bodem van de opening te brengen en installeer de plug weer. 8. Herhaal deze procedure bij de tandwielbehuizing aan de andere kant. ➀ Afbeelding 47 1.
zet de Aan/Uit (Enable/Disable) schakelaar in de Uit (Disable)positie. 2. Ontgrendel de stoel en haal hem omhoog om bij de bediening te kunnen komen. 3. Open de afdekplaat van de bediening en zet de maaihoogteselectieknop in positie “P”. N.B.: De snelheid van het wetten kan verhoogd worden door de maaihoogte-selectieknop in de richting van “A” te verzetten. Elke stand verhoogt de snelheid met 60 tpm.
10. Om de messenkooien af te stellen tijdens het wetten, zet u de messenkooien AF door de hendel voor het Neerlaten Maaien/Ophalen naar achter te halen; de Aan/Uit-schakelaar (Enable/Disable) in de Uit-positie te zetten en de motor AF te zetten. Als de afstellingen uitgevoerd zijn herhaalt u stappen 5–9. 12. Als u klaar bent met wetten, zet u de wetschakelaar weer op AF, laat u de stoel weer zakken en spoelt u al het wetmiddel van de maai-eenheden.