Form No. 3417-132 Rev A Reelmaster® 7000-D tractie-eenheid met vierwielaandrijving Modelnr.: 03780—Serienr.: 400380001 en hoger Registreer uw product op www.Toro.com.
Belangrijk: Om de veiligheid en de prestaties Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen. Zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring. van deze machine te optimaliseren en een juist gebruik ervan te garanderen, moet u de inhoud van deze Gebruikershandleiding zorgvuldig lezen en volledig begrijpen. Als u deze bedieningsinstructies niet opvolgt of geen goede training krijgt, kan dit leiden tot letsel. Ga naar www.Toro.
De machine duwen of slepen ........................... 44 De machine transporteren ................................ 46 De krikpunten zoeken ....................................... 46 De bevestigingspunten zoeken......................... 46 Gebruikseigenschappen................................... 46 Tips voor bediening en gebruik ......................... 47 Onderhoud .............................................................. 48 Aanbevolen onderhoudsschema .........................
Veiligheid Onderhoud van de riem van de wisselstroomdynamo .................................... 69 Onderhoud hydraulisch systeem ......................... 70 Veiligheid van het hydraulische systeem........... 70 Controleer het peil van de hydraulische vloeistof......................................................... 70 Hydraulische vloeistof verversen ...................... 71 Hydraulische filters vervangen.......................... 71 Hydraulische slangen en leidingen controleren.........................
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. decal117-4765 117-4765 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Geen starthulpmiddelen gebruiken. decal117-4763 117-4763 1. Om de parkeerrem in te schakelen, moet u de rempedalen vastzetten met de vergrendelpen, de rempedalen intrappen en het pedaal inschakelen. 2.
decal98-4387 98-4387 1. Waarschuwing – Draag gehoorbescherming. decal93-6688 93-6688 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 2. Handen en voeten kunnen worden gesneden – Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen. decal125-8754 125-8754 decal110-9642 110-9642 1. Opgeslagen energie – Lees de Gebruikershandleiding. 2.
decal121-3884 121-3884 1. Motor – Afzetten 2. Motor – Voorgloeien 3. Motor – Starten decal125-4605 125-4605 decal112-5019 112-5019 1. Aandrijving stoel, 10 A 6. Geleverd vermogen, 10 A 2. 7. Bedieningspaneel, 2 A Werkverlichting, 10 A 3. Motor, 10 A 8. Geleverd vermogen, 7,5 A 4. Aansteker, 10 A 9. Bedieningspaneel, 2 A 5. InfoCenter, 2 A 10. Motor voorgloeien, 60 A decal93-6681 93-6681 1. Ledematen kunnen worden gesneden/geamputeerd – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.
decalbatterysymbols Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu. 1. Risico van explosie 2. Niet roken. Geen open vuur of vonken 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. decal130-1651 130-1651 1. Lees de Gebruikershandleiding voor meer informatie over het onderhoud van de machine 8 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7.
decal120-1683 120-1683 4. Waarschuwing – Parkeer niet op een helling; stel de parkeerrem in werking, laat de maai-eenheden neer, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u de machine verlaat. 2. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding voordat u de 5. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. machine gaat slepen. 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding, gebruik deze machine uitsluitend als u hierin getraind bent. 3.
decal120-1686 120-1686 (Aanbrengen op onderdeelnr. 120-1683 voor CE) Opmerking: Deze machine voldoet aan de tests die de statische breedte- en lengtestabiliteit meten en die standaard zijn in de sector. De maximale aanbevolen hellingshoek wordt vermeld op de sticker.
Montage Losse onderdelen Gebruik onderstaande lijst om te controleren of alle onderdelen zijn geleverd. Procedure 1 2 Hoeveelheid Omschrijving Gebruik Geen onderdelen vereist – De steunrollen instellen. Waarschuwingssticker 1 De waarschuwingssticker vervangen om te voldoen aan de CE-eisten.
1 2 De steunrollen instellen De waarschuwingssticker vervangen om te voldoen aan de CE-eisten Geen onderdelen vereist Procedure Benodigde onderdelen voor deze stap: Afhankelijk van de breedte van de maai-eenheden die u op de tractie-eenheid wilt monteren, dient u de steunrollen als volgt af te stellen: 1 Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de motor uit en verwijder het sleuteltje.
g012629 Figuur 6 1. Beugel van CE-vergrendeling 2. Bout en moer g200373 Figuur 4 1. Motorkapvergrendeling 2. Verwijder de 2 popnagels waarmee de motorkapvergrendeling aan de motorkap is bevestigd (Figuur 5). 5. Lijn de ringen uit met de openingen aan de binnenzijde van de motorkap. 6. Bevestig de beugels en de ringen met de popnagels aan de motorkap (Figuur 6). 7. Haak de sluiting op de vergrendelbeugel van de motorkap (Figuur 7). g012630 Figuur 7 g012628 Figuur 5 1.
g012631 Figuur 8 1. Bout 3. Arm van de vergrendelbeugel 2. Moer 9. De bout stevig aandraaien, maar de moer niet. g003320 Figuur 9 4 1. Contragewicht 6. De maai-eenheden monteren Benodigde onderdelen voor deze stap: 1 Slanggeleider voorzijde (rechts) 1 Slanggeleider voorzijde (links) Alle maaidekken worden geleverd met de gazoncompensatieveer gemonteerd op de rechterkant van het maaidek.
g003967 Figuur 11 1. Andere lip op draagframe E. g031275 Figuur 12 2. Stangbeugel 1. 2. 3. 4. Monteer de stangbeugel aan de lippen op het maaidek met de slotbouten en de moeren (Figuur 11). Op maaidek nummer moet u de linkerslanggeleider aan de voorzijde van de lippen op het maaidek bevestigen bij het terugplaatsen van de stangbeugel (Figuur 13). Maai-eenheid Maai-eenheid Maai-eenheid Maai-eenheid 1 2 3 4 5. Maai-eenheid 5 6. Messenkooimotor 7.
Opmerking: Als u de maaidekken monteert of verwijdert, dient u ervoor te zorgen dat de R-pen is gemonteerd in het gat van de veerstang, naast de stangbeugel. Anders moet de R-pen worden geplaatst in de opening in het uiteinde van de stang. 7. Vergroot de stuuruitslag van de achterste maaidekken door de 2 afstandsstukken, inbusbouten, en flensborgmoeren (Figuur 15) te verwijderen van de draagframes van de achterste maaidekken (maaidekken 2 en 3); zie Figuur 12. g015976 Figuur 16 1.
g003948 Figuur 19 1. Ketting van hefarm g015977 Figuur 17 3. Borgpen 2. Kettingbeugel 1. Borgpen 13. 15. Opmerking: Bij het maaien op schuine oppervlakken wordt een vast stuurbereik aanbevolen. Smeer schoon vet op de sleufas van de motor van de messenkooi. 16. Ga als volgt te werk bij de montage van de achtermaaidekken als de maaihoogte hoger dan 19 mm is. Smeer olie op de O-ring van de motor van de messenkooi en plaats deze op de flens van de motor. 17.
maaihoogte of de agressiviteit van de maaistand gewijzigd wordt. 5 6 De gazoncompensatieveer afstellen De kickstandaard van het maaidek gebruiken Geen onderdelen vereist Procedure Benodigde onderdelen voor deze stap: De gazoncompensatieveer (Figuur 21) zorgt ervoor dat het gewicht van de voorste naar de achterste rol wordt verplaatst. Dit voorkomt dat er een golfpatroon in de grasmat ontstaat, ook wel bekend als 'bobbing'.
8 Vloeistofniveaus controleren Geen onderdelen vereist Procedure 1. Controleer het peil van het smeermiddel van de achteras voordat de motor voor het eerst wordt gestart, zie (bladz. ). 2. Controleer het peil van de hydraulische vloeistof voordat de motor voor het eerst wordt gestart, zie (bladz. ). 3. Controleer het motoroliepeil voor- en nadat de motor voor de eerste keer wordt gestart, zie (bladz. ). g004144 Figuur 23 1. Kettingbeugel 3. Kickstandaard van maaidek 2.
Algemeen overzicht van de machine Bedieningsorganen Rempedalen De 2 pedalen (Figuur 25) bedienen de afzonderlijke remmen op de wielen ter ondersteuning van het draaien en ten behoeve van een betere tractie bij het rijden op hellingen. Pedaalvergrendeling g004552 Figuur 24 1. Hoogtelat 4. Gaten gebruikt voor het instellen van de hoogte van de groomer (HOG) 2. Stelschroef voor maaihoogte 5. Ongebruikt gat Om de pedaalvergrendeling in werking te stellen (Figuur 25), koppelt u de pedalen met de borgpen.
messenkooien starten en tot stilstand brengen als de messenkooien in de maaistand zijn gezet. De maaidekken kunnen niet worden neergelaten als de maai-/hefhendel in de transportstand staat. Om te stoppen, laat u het tractiepedaal opkomen en weer terugkeren in de middelste stand.
Aansluitpunt U kunt het aansluitpunt (Figuur 28) gebruiken voor de stroomvoorziening van optionele elektrische accessoires van 12 V. g015076 Figuur 29 1. Voorste wethendel 2. Achterste wethendel g010239 Figuur 28 1. Aansluitpunt 3. Zakhouder 2. Ventilator met achteruitstand 4. Urenteller De stoel instellen. Instelhendel lengterichting Gebruik de hendel om de stoel naar voren en naar achteren te verschuiven (Figuur 30). Zakhouder Gebruik de zakhouder (Figuur 28) voor opslagdoeleinden.
g020650 Figuur 31 g033323 Figuur 30 1. Gewichtsmeter 2. Gewichtinstelhendel 4. Instelhendel bestuurdersstoel 5. Instelknop armsteun 1. Controlelampje 3. Middelste knop 2. Rechterknop 4. Linkerknop • Linkerknop, knop toegang tot menu/terug – druk op deze knop om naar de menu's van het InfoCenter te gaan. De knop dient om het huidige menu te verlaten. 3. Afstelhendel voor en achter • Middelste knop – gebruik deze knop om naar Gewichtinstelhendel beneden door menu's te bewegen.
Verklaring van pictogrammen in het InfoCenter (cont'd.) Verklaring van pictogrammen in het InfoCenter (cont'd.
De menu's gebruiken Druk in het hoofdscherm op de menuknop om naar het InfoCenter menusysteem te gaan. U gaat naar het hoofdmenu.
* Alleen gebruikerstekst wordt vertaald. De schermen fouten, onderhoud en diagnostiek hebben betrekking op onderhoud. De titels worden weergegeven in de ingestelde taal, maar de menu-items zijn in het Engels. 2. Scroll in het INSTELLINGENMENU met de middelste knop naar beneden tot het BEVEILIGDE MENU en druk op de rechterknop (Figuur 33A).
contactschakelaar op UIT zetten en dan terug op AAN om deze optie te activeren en op te slaan. Instelling automatisch stationair aanpassen 1. Scroll in het instellingenmenu naar beneden tot u de functie Auto Stationair ziet. 2. Druk op de rechterknop om de instelling voor automatisch stationair draaien te wijzigen; de mogelijke opties zijn 8, 10, 15, 20, 30 seconden of UIT. Scroll in het instellingenmenu naar beneden tot u de functie Aantal messen ziet 2.
Gebruiksaanwijzing • Stal de machine of het brandstofvat nooit in de buurt van een open vuur, vonken of een waakvlam zoals die van een boiler of een ander apparaat. Opmerking: Bepaal vanuit de normale • Probeer de motor niet te starten als u brandstof bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. hebt gemorst; voorkom elke vorm van open vuur of vonken totdat de brandstofdampen volledig zijn verdwenen.
Gebruik zomerdieselbrandstof (nr. 2-D) bij temperaturen boven -7 °C en winterdieselbrandstof (nr. 1-D of nr. 1-D/2-D-mengsel) bij temperaturen beneden -7 °C. Opmerking: Gebruik van winterdieselbrandstof bij lage temperaturen biedt een lager vlampunt en een lager stolpunt. Dit vergemakkelijkt het starten en vermindert de kans dat de filters verstopt raken.
De banden worden in de fabriek opzettelijk te hard opgepompt. U moet daarom voor gebruik wat lucht laten ontsnappen om de luchtdruk te verminderen. De luchtdruk in de banden moet tussen 0,83 en 1,03 bar zijn. Controleer de bandenspanning elke dag. VOORZICHTIG Als de motor heeft gelopen, kan de hete koelvloeistof, die onder druk staat, ontsnappen indien de radiateurdop wordt verwijderd. Dit kan brandwonden veroorzaken. • Verwijder de radiateurdop nooit als de motor loopt.
• • • • • • • • de machine abnormaal begint te trillen. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt. Verminder uw snelheid en wees voorzichtig als u een bocht maakt of wegen en voetpaden oversteekt met de machine. Verleen altijd voorrang. Schakel de aandrijving van de maai-eenheid uit en stop de motor voordat u de maaihoogte wijzigt (tenzij u deze kunt aanpassen vanuit de bestuurderspositie).
over de rand komt, of als de rand instort. Zorg voor een veilige afstand tussen de machine en een gevarenzone. Spoor gevaren onderaan de helling op. Indien er gevaren zijn, maait u de helling met een loopmaaimachine. Laat de maai-eenheden indien mogelijk neer op de grond wanneer u de machine op een helling gebruikt. Als u de maai-eenheden omhoog brengt op hellingen, kan de machine onstabiel worden. Wees uiterst voorzichtig met grasopvangsystemen of andere werktuigen.
4. Druk op de gashendel-snelheidsschakelaar om het motortoerental op STATIONAIR – HOOG in te stellen. 5. Laat de maaidekken neer op de grond met de joystick. 6. Druk de aftakasschakelaar in om de maaidekken klaar te maken voor gebruik. 7. Til de maaidekken van de grond met de joystick. 8. Rij de machine naar het maaigebied en laat de maaidekken zakken. 9. 10.
Motorwaarschuwingen – roetopbouw Niveau Foutcode Niveau 1: Motorwaarschuwing g213866 Motorvermogen Aanbevolen actie De computer vermindert het motorvermogen tot 85% Voer zo snel mogelijk een geparkeerde regeneratie uit, zie Geparkeerde regeneratie (bladz. 38) De computer vermindert het motorvermogen tot 50% Voer zo snel mogelijk een herstel regeneratie uit, zie Herstel regeneratie (bladz.
InfoCenter bestuurdersadviezen en motorwaarschuwingen – asopbouw (cont'd.) Niveau Niveau 3: Motorwaarschuwing Advies of foutcode Vermindering van het toerental Motorvermogen Aanbevolen actie Geen De computer vermindert het motorvermogen tot 50% Geef het DPF een onderhoudsbeurt, zie Onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en roetfilter (bladz.
Soorten DPF-regeneratie DPF-regeneratie terwijl de machine in bedrijf is: Soort regeneratie Wanneer Proces Passief Gedurende normaal bedrijf van de machine, bij een hoog toerental of hoge motorbelasting Het InfoCenter toont geen pictogram tijdens passieve regeneratie. Tijdens de passieve regeneratie gebruikt het DPF de hete uitlaatgassen voor het oxideren van schadelijke uitstoot en het verbranden van roet tot as. Zie Passieve regeneratie van het DPF (bladz. 37).
Voor de onderstaande soorten regeneratie moet de machine worden geparkeerd: (cont'd.) Soort regeneratie Wanneer Proces Recovery/herstel Is nodig als het verzoek om geparkeerde regeneratie niet is opgevolgd, het verdere gebruik leidt tot nog meer roetopbouw in het DPF dat al geparkeerde regeneratie nodig heeft. Als het herstel regeneratie pictogram wordt weergegeven op het InfoCenter is herstel regeneratie nodig.
Reset regeneratie Geparkeerde regeneratie g214713 g214711 Figuur 44 Pictogram verzoek geparkeerde regeneratie Figuur 43 Pictogram ondersteunde/reset regeneratie • Het pictogram verzoek geparkeerde regeneratie • Het pictogram ondersteunde/reset regeneratie verschijnt op het InfoCenter (Figuur 44). verschijnt op het InfoCenter (Figuur 43).
7. Zet de gashendel op LAAG STATIONAIR . Uitvoeren van een geparkeerde regeneratie Opmerking: Voor informatie over het openen van beveiligde menu's, zie Toegang tot de beveiligde menu's (bladz. 26). 1. Open het beveiligde menu en ontgrendel het beschermde submenu met instellingen (Figuur 46), zie Toegang tot de beveiligde menu's (bladz. 26). g212138 Figuur 48 4. g028523 Als het bericht “Initiate DPF Regen. Are you sure?” (DPF regeneratie starten.
g211986 g212405 Figuur 50 6. Figuur 52 Zet de gashendel op LAAG STATIONAIR en druk op de middelste knop (Figuur 51). B. Daarna “Waiting on ” (Figuur 53). g212406 Figuur 53 g212372 Figuur 51 7. C. De volgende berichten worden getoond als de geparkeerde regeneratie begint: A. “Initiating DPF Regen.” (Figuur 52). De computer bepaalt of de regeneratie wordt uitgevoerd. Een van de volgende berichten verschijnt op het InfoCenter: • Als regeneratie mogelijk is verschijnt “Regen Initiated.
De motor is koud – wachten. De motor is warm – wachten. De motor is heet – regeneratie wordt uitgevoerd (percentage voltooid). 9. g213424 De geparkeerde regeneratie is voltooid als het bericht “Regen Complete” op het InfoCenter verschijnt. Druk op de linkerknop om het Home-scherm te verlaten (Figuur 56). Figuur 54 • Als de motorcomputer de regeneratie niet toestaat verschijnt “DPF Regen Not Allowed” op het InfoCenter (Figuur 55).
• Voer een herstel regeneratie uit als het motorvermogen lager wordt en geparkeerde regeneratie niet voldoende is om het roet uit het DPF te branden. • Herstel regeneratie kan tot 4 uur duren. • De herstel regeneratie moet door een monteur van de distributeur worden uitgevoerd, neem contact op met uw erkende Toro distributeur.
3. 4. Maak de schroeven van de schakelaar (Figuur 59) los en beweeg de schakelaar naar boven om de draaistand van de hefarm te vergroten, of naar beneden om de draaistand van de hefarm te verkleinen. U kunt de rolbeugel naar beneden vouwen om onder lage obstakels door te rijden. 4. Plaats de gaffelpennen in de onderste gaten en bevestig ze met de borgpennen om het bovengeraamte te ondersteunen terwijl het ingevouwen is. 5.
Veiligheid na het werk VOORZICHTIG Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. • Laat de interlockschakelaars ongemoeid. • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt. • Verwijder gras en vuil van de maai-eenheden, de geluiddempers en het motorcompartiment om brand te voorkomen.
Voor het omlopen van de terugslagklep heeft u de volgende Toro onderdelen nodig: • Toro onderdeelnr. 59-7410, diagnosefitting • Toro onderdeelnr. 354-79, dop van diagnosefitting • Toro onderdeelnr. 95-8843, hydraulische slang • Toro onderdeelnr. 95-0985, koppelingfitting (2) • Toro onderdeelnr. 340-77, hydraulische fitting (2) 1. Monteer een diagnosefitting op de ongemerkte poort tussen poorten M8 en P2 op het achterste tractieverdeelstuk (Figuur 61). g033132 Figuur 62 1.
7. De machine transporteren Draai de omloopklep 90° (¼ slag) terug voordat u de motor te start. • Gebruik een oprijplaat van volledige breedte bij Opmerking: Sluit de klep met een torsie van maximaal 7 tot 11 N∙m.
Tips voor bediening en gebruik maaidekken, zijn de transmissie, het motortoerental, de belasting van de maaimessen en het belang van de remmen. Om voldoende vermogen te hebben tijdens het gebruik moet u het tractiepedaal gebruiken om de motorsnelheid hoog en vrij constant te houden. Een uitstekende regel daarvoor is de rijsnelheid verminderen als de maaimessen zwaarder worden belast, en verhogen als de maaimessen minder worden belast.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker– en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na de eerste 8 bedrijfsuren Na de eerste 200 bedrijfsuren Bij elk gebruik of dagelijks Onderhoudsprocedure • De wielmoeren aandraaien. • Olie van voorste planeetwielaandrijving verversen. • Vervangen van de olie van de achteras. • Vervang de hydraulische filters. • • • • • • • • Controleer het koelsysteem. De bandenspanning controleren.
Controlelijst voor dagelijks onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Gecontroleerd item Voor week van: Ma. Di. Wo. Do. Werking van veiligheidssysteem controleren. Werking van de remmen controleren. Peil van de motorolie en brandstof controleren. Peil van de koelvloeistof controleren. Brandstoffilter/waterafscheider aftappen. Onderhoudsindicator van het luchtfilter controleren. Radiateur, oliekoeler en scherm controleren op vuil.
Gecontroleerd item Voor week van: Ma. Di. Wo. Do. Vr. Za. Zo. Maaihoogteinstelling controleren. Vet in alle smeernippels spuiten.2 Beschadigde lak bijwerken. 1. Controleer de gloeibougie en de spuitstukken van de injector, als de motor moeilijk start, buitensporig veel rook afgeeft of ongelijkmatig loopt. 2.
Onderhoudsschema decal130-1651 Figuur 65 VOORZICHTIG Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine.
Procedures voorafgaande aan onderhoud Veiligheidmaatregelen voor onderhoudswerkzaamheden • Doe het volgende voordat u de machine gaat afstellen, schoonmaken of repareren: – Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. g200373 Figuur 66 – Zet de gashendel op stationair – laag. 1. Motorkapvergrendeling (2) – Schakel de maai-eenheden uit. – Breng de maai-eenheden omlaag. 2. – Zorg dat de tractie in neutraal staat. – Stel de parkeerrem in werking.
Smering • Kogelverbindingen van stuurcilinder (2) (Figuur 69) Lagers en lagerbussen smeren Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren De machine is voorzien van smeerpunten die regelmatig moeten worden gesmeerd met nr. 2 smeervet op lithiumbasis. Als de machine in normale omstandigheden wordt gebruikt, moet u alle lagers en lagerbussen om de 50 bedrijfsuren of direct na een wasbeurt smeren. De smeerpunten en de hoeveelheden zijn: • Lagers van draaipunt van remas (5) (Figuur 67) g009706 Figuur 69 1.
Onderhoud motor • Draaikogellagers van hefarm (1 per maaidek) (Figuur 71) • Draagframe van maaidek (2 per maaidek) (Figuur Veiligheid van de motor 71) • U moet de motor afzetten voordat u het oliepeil • As van hefarm van maaidek (1 per maaidek) controleert of het carter bijvult met olie. Verander de snelheid van de toerenregelaar niet en laat de motor het maximale toerental niet overschrijden.
Belangrijk: Probeer nooit een veiligheidsfilter te reinigen (Figuur 75). Plaats steeds een nieuw veiligheidsfilter als het voorfilter 3 onderhoudsbeurten heeft gehad. g011503 Figuur 73 1. Indicatielampje voor onderhoud 2. Sluiting 3. Kap g011505 Figuur 75 1. Veiligheidsfilter 3. Verwijder het deksel van de luchtfilterbehuizing. 4.
Het motoroliepeil controleren en vult u bij met olie totdat het oliepeil de vol-markering bereikt. Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks Belangrijk: Giet niet te veel olie in de motor. Het carter van de motor is in de fabriek gevuld met olie; het oliepeil moet echter worden gecontroleerd voor- en nadat de motor voor de eerste keer wordt gestart. Opmerking: Als u andere olie gaat gebruiken, moet u eerst alle oude olie aftappen uit het carter voordat u dit vult met nieuwe olie.
g214715 g213864 g213863 Figuur 80 g008807 Figuur 78 1. Oliefilter 5. 1. Zie het hoofdstuk over de motor in de Onderhoudshandleiding voor informatie over de demontage en montage van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en roetfilter van het DPF. 2. Neem contact op met uw erkende Toro distributeur voor vervangingsonderdelen of onderhoud van de dieseloxidatiekatalysator (DOC) en het roetfilter. 3.
Onderhoud van de waterafscheider Onderhoud brandstofsysteem Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks—Verwijder dagelijks water of ander vuil uit de waterafscheider. GEVAAR In bepaalde omstandigheden zijn brandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden of materiële schade veroorzaken. • Vul de brandstoftank in de open lucht wanneer de motor koud is en uit staat. Eventueel gemorste brandstof opnemen.
Onderhoud elektrisch systeem parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje. 2. Maak de omgeving van de kop van het brandstoffilter schoon (Figuur 82). Veiligheid van het elektrisch systeem • Koppel de accu af voordat u reparaties aan de machine verricht. Maak eerst de minpool van de accu los en daarna de pluspool. Bevestig eerst de pluspool van de accu en daarna de minpool. • Laad de accu op in een open, goed geventileerde ruimte, uit de buurt van vonken en open vuur.
WAARSCHUWING Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen. 6. Bevestig de pluskabel (rood) aan de klem van pluspool (+) van de accu en de minkabel (zwart) aan de klem van minpool (-) van de accu (Figuur 84). g200376 Figuur 83 1. Bedieningspaneel 2.
WAARSCHUWING Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken. 4. Spoel de accubehuizing met schoon water. 5. Smeer een dun laagje Grafo 112X-vet (Toro-onderdeelnr. 505-47) of vaseline op de accupolen en de kabelklemmen om corrosie te voorkomen.
Onderhoud aandrijfsysteem g225611 Figuur 88 Torsie van wielmoeren controleren g200376 Figuur 86 1. Bedieningspaneel Onderhoudsinterval: Na de eerste 8 bedrijfsuren Om de 200 bedrijfsuren 2. Vergrendeling Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maai-eenheden zakken, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje.
Aanbevolen smeermiddel: hoogwaardige SAE 85W-140 transmissieolie bewegen wanneer u ze in een richting parallel met de as duwt of trekt). 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, laat de maai-eenheden zakken, schakel de motor uit en verwijder het sleuteltje. 2. Blokkeer de achterwielen en hef de voorzijde van de machine op; laat de vooras/het frame op assteunen rusten. 1.
5. 6. Plaats de plug(en). Herhaal stappen 1 tot en met 5 voor het planeetwiel aan de andere kant van de machine. 5. Monteer de aftapplug in de aftapopening van de planeetwielkast (Figuur 92). 6. Plaats een opvangbak onder de remkast, verwijder de aftapplug en laat al de olie in de bak lopen (Figuur 93). Oliepeil van de planeetwielaandrijving verversen Onderhoudsinterval: Na de eerste 200 bedrijfsuren Om de 800 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden.
1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maai-eenheden zakken, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje. 2. Verwijder de controleplug van één uiteinde van de as (Figuur 96) en controleer of de olie tot aan de onderkant van de opening komt. Indien het peil te laag staat, verwijdert u de vulplug (Figuur 96) en vult u voldoende olie bij totdat het peil de onderkant van de openingen van de controleplug bereikt. g225610 Figuur 94 1.
3. Verwijder de controlepluggen voor het oliepeil en de ontluchtingsdop op de hoofdas zodat de olie gemakkelijk kan weglopen. 4. Verwijder de aftappluggen zodat de olie in de opvangbakken kan lopen. 5. Plaats de pluggen. 6. Verwijder en controleplug en vuil de as met ongeveer 2,37 liter 85W-140 tandwielkastolie, of totdat de olie de onderkant van het gat bereikt. 7. Plaats de controleplug terug.
Toespoor achterwielen controleren Onderhoudsinterval: Om de 800 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan) 1. 2. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maai-eenheden zakken, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje. Meet de afstand hart-op-hart van het toespoor (ter hoogte van de assen) aan de voorzijde en de achterzijde van de stuurwielen.
Onderhoud koelsysteem 3. Verwijder grondig al het vuil dat zich op het scherm bevindt. Opmerking: Om het scherm te verwijderen, moet u de scharnierpennen verwijderen. Veiligheid van het koelsysteem 4. • Motorkoelvloeistof inslikken kan lichamelijk letsel of dodelijk letsel veroorzaken; buiten bereik van kinderen en huisdieren houden. • Als u hete, onder druk staande koelvloeistof over u heen krijgt of in aanraking komt met een hete radiateur of omliggende delen, kunt u ernstige brandwonden oplopen.
Onderhoud riemen Onderhouden remmen De serviceremmen afstellen Onderhoud van de riem van Stel de serviceremmen af als de rempedalen meer de wisselstroomdynamo dan 13 mm 'speling' hebben of als de remmen niet naar behoren functioneren. Met speling wordt de afstand bedoeld die het rempedaal aflegt als het wordt ingetrapt voordat er remweerstand wordt gevoeld. 1.
Onderhoud hydraulisch systeem gerenommeerde fabrikanten die garant staan voor de door hen aanbevolen vloeistoffen.
2. Reinig de omgeving van de vulbuis en de dop van de hydraulische tank (Figuur 106). 1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maai-eenheden zakken, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje. 2. Til de motorkap op. 3. Maak de terugvoerleiding van de bak los van de bodem van het hydraulische reservoir en laat de hydraulische vloeistof in een opvangbak lopen. 4. Plaats de leiding weer terug als er geen hydraulische vloeistof meer naar buiten komt.
6. Plaats een opvangbak onder het filter en verwijder het filter (Figuur 107 en Figuur 108). Schroef het filter erop totdat de pakking contact maakt met de bevestigingsplaat: draai het filter vervolgens nog eens een ½ slag. 7. Smeer de nieuwe filterpakking en vul het filter met hydraulische vloeistof. Start de motor en laat deze ongeveer 2 minuten lopen om lucht uit het systeem te verwijderen. 8. Zet de motor af en controleer op lekkages. 2.
Onderhoud van maaidek 5. Veiligheid van het maaidek Start de motor en laat deze op een laag stationair toerental lopen. GEVAAR Wanneer u het toerental van de motor tijdens het wetten verandert, kunnen de messenkooien tot stilstand komen. • Verander nooit het motortoerental tijdens het wetten. • Wet de messenkooien uitsluitend als de motor laag stationair loopt.
10. verhoogt u gasinstelling tot de messenkooi gestabiliseerd wordt. Stalling Afstellen van de maaidekken tijdens het wetten: schakel de messenkooien uit door op de achterkant van de hefschakelaar te drukken, zet de aftakasschakelaar op UIT, en schakel de motor uit. Na de afstelling herhaalt u alle stappen5 tot en met 9. De tractie-eenheid gebruiksklaar maken 11. Herhaal de procedure bij alle maaidekken die u wilt wetten. 12.
7. Zet alle onderdelen van het brandstofsysteem weer goed vast. 8. Zorg ervoor dat het luchtfilter grondig wordt gereinigd en een onderhoudsbeurt krijgt. 9. Plak de luchtfilterinlaat en de uitlaat af met weerbestendige tape. 10. Controleer de antivriesbescherming en vul het systeem bij met een oplossing die half uit water, half uit ethyleenglycol bestaat. Vul zoveel bij als nodig is met het oog op de plaatselijk te verwachten minimumtemperatuur.
Opmerkingen:
Opmerkingen:
Opmerkingen:
Privacyverklaring voor Europa De informatie die Toro verzamelt Toro Warranty Company (Toro) respecteert uw privacy. Om uw aanspraak op garantie te behandelen en contact met u op te nemen in het geval van een terugroepactie vragen wij om bepaalde persoonlijke informatie, hetzij direct of via uw lokale Toro dealer. Het Toro garantiesysteem wordt gehost op servers in de Verenigde Staten, waar de privacywet mogelijk niet dezelfde bescherming biedt als in uw land.
Toro Garantie Beperkte garantie van twee jaar Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt De Toro Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, bieden krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie dat uw Toro product (hierna: het 'product') gedurende twee jaar of 1500 bedrijfsuren* vrij van materiaalgebreken of fabricagefouten is, met dien verstande dat hierbij de kortste periode moet worden aangehouden.