Form No. 3363-302 Rev C Reelmaster® 5210/5410/5510/5610 Tractie-eenheid met tweewielaandrijving Modelnr.: 03660—Serienr.: 310000001 en hoger Modelnr.: 03670—Serienr.: 310000001 en hoger Modelnr.: 03680—Serienr.: 310000001 en hoger Modelnr.: 03690—Serienr.: 310000001 en hoger Modelnr.: 03691—Serienr.: 310000001 en hoger Om uw product te registreren of om een gebruikershandleiding of onderdelencatalogus te downloaden, gaat u naar www.Toro.com.
Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen, zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring. Modelnr.: Serienr.: WAARSCHUWING Er worden in deze handleiding een aantal mogelijke gevaren en een aantal veiligheidsberichten genoemd met het volgende veiligheidssymbool (Figuur 1) dat duidt op een gevaarlijke situatie die zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen.
Inhoud Functies van de hydraulische solenoïdeklep ................................................. 40 Tips voor bediening en gebruik........................... 40 Onderhoud ................................................................ 42 Aanbevolen onderhoudsschema ............................. 42 Controlelijst voor dagelijks onderhoud................ 43 Onderhoudsschema ........................................... 44 Smering..................................................................
Veiligheid – als de machine op een helling begint te glijden, kan dat niet met de rem worden gecorrigeerd. De belangrijkste oorzaken voor het verliezen van de controle zijn: Deze machine voldoet minstens aan CEN-norm EN 836:1997, ISO-norm 5395:1990 en de B71.4-2004 specificaties van American National Standards Institute (ANSI), van kracht op het moment van productie als deze is uitgerust met een achtergewicht. Zie het hoofdstuk Achtergewichten monteren in deze handleiding.
• Inspecteer het terrein om vast te stellen welke accessoires en werktuigen nodig zijn om goed en veilig te werken. Gebruik alleen door de fabrikant goedgekeurde accessoires en werktuigen. • Controleer of de dodemansknop, de veiligheidsschakelaars en de veiligheidsschermen zijn bevestigd en naar behoren werken. Gebruik de machine uitsluitend als deze naar behoren werkt.
• Als er zich brandstof in de tank bevindt, mag u de machine niet opslaan in een afgesloten ruimte waar brandstofdampen in contact met open vuur of vonken kunnen komen. • Houd uw handen en voeten uit de buurt van bewegende onderdelen. Stel indien mogelijk de machine niet af terwijl de motor loopt. • Laad de accu op in een open, goed geventileerde ruimte; doe dit niet in de buurt van vonken en open vuur. Haal de oplader uit het stopcontact voordat u deze aansluit op of losmaakt van de accu.
• • • • – Rij niet te dicht langs bunkers, greppels, sloten of andere gevaarlijke punten. – Verminder de snelheid als u een scherpe bocht maakt. Vermijd plotseling stoppen en starten. – Als u in de buurt van een weg werkt of deze oversteekt, moet u altijd voorrang verlenen. – Gebruik de serviceremmen als u een helling afdaalt, om de snelheid laag te houden en de machine onder controle te houden. De maaidekken moeten omhoog worden gebracht als u van het ene werkgebied naar het andere rijdt.
De geluidsdruk werd bepaald volgens de procedures in EN 836. Hand-arm Gemeten trillingsniveau voor de rechterhand = 0,37 m/s2 Geluidsdruk Gemeten trillingsniveau voor de linkerhand = 51 m/s2 Model 03680, 03690 en 03691 Onzekerheidswaarde (K) = 0,5 m/s2 Deze machine oefent een geluidsdruk van 84 dBA uit op het gehoor van de bestuurder (met een onzekerheidswaarde (K) van 1 dBA). De gemeten waarden zijn bepaald volgens de procedures in EN 836.
3–6696 1. Opgeslagen energie – Lees de Gebruikershandleiding. 110-0989 1. Lees de Gebruikershandleiding. 117–2385 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Motor – Starten 3. Motor – Voorgloeien 4. Motor – Afzetten 110-8924 1. Waarschuwing - Lees deGebruikershandleiding en zorg ervoor dat u instructie in het gebruik krijgt. 2. De machine kan voorwerpen uitwerpen - Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. 3.
110-8986 (aanbrengen op onderdeelnr. 110-8924 conform EU-voorschriften*) 106-6755 1. Motorkoelvloeistof onder druk. 2. Explosiegevaar - Lees de Gebruikershandleiding. * Deze veiligheidssticker waarschuwt voor gebruik op hellingen en moet worden aangebracht op de machine volgens de Europese veiligheidsnorm voor gazonmaaiers EN 836:1997. De aangegeven maximale hellinghoeken waarbij deze 3. Waarschuwing - Raak het hete oppervlak niet aan. 4. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding.
4–8891 (Gebruiken voor model 5510 en 5610 met maaidek met messenkooi van 17,8 cm) 1. Bedieningsorganen van circuit voorste messenkooien 2. Bedieningsorganen van circuit achterste messenkooien 3. Maaien en wetten 5. Maaihoogte 4. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Snelheid tractie-eenheid 114–8890 (Gebruiken voor model 5210 en 5410 met maaidek met messenkooi van 12,7 cm) 1. Bedieningsorganen van circuit voorste messenkooien 2. Bedieningsorganen van circuit achterste messenkooien 3.
117-0168 1. Lees de Gebruikershandleiding. Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu 1. Explosiegevaar 2. Niet roken. Geen open vuur of vonken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken 8. Accuzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken. 9.
Montage Losse onderdelen Gebruik onderstaande lijst om te controleren of alle onderdelen zijn geleverd. Procedure Hoeveelheid Omschrijving Gebruik 1 2 3 4 5 Geen onderdelen vereist – Banden op juiste spanning brengen. Geen onderdelen vereist – Maaihoogte instellen. Geen onderdelen vereist – De stand van de bedieningsstang instellen. Slanggeleider voorzijde rechts Slanggeleider voorzijde links 1 1 Maaidekken monteren. Geen onderdelen vereist – Afstelling van de gazoncompensatieveer.
1. Verwijder de 2 bouten en moeren waarmee de beugels van de treeplank zijn bevestigd aan het frame van de tractie-eenheid (Figuur 2) Figuur 3 1. Bedieningsarm 2. Bevestigingsbeugels Figuur 2 1. Treeplank 3. Bouten (2) 2. Beugels van treeplank 2. Draai de bedieningsarm in de gewenste stand en zet de 2 bouten weer vast. 2. Zet de treeplank op de gewenste hoogte en zet de beugels weer vast aan het frame met de 2 bouten en moeren. 4 3. Herhaal deze procedure bij de andere treeplank.
Figuur 6 1. Andere lip op draagframe 2. Stangbeugel D. Monteer de stangbeugel aan de lippen op het maaidek met de slotbouten en de moeren (Figuur 6). Op maaidek nummer 4 (links vooraan) moet u de linkerslanggeleider aan de voorzijde van de lippen op het maaidek bevestigen bij het terugplaatsen van de stangbeugel (Figuur 8). Figuur 4 1. Contragewicht 5. Alle maaidekken worden geleverd met de gazoncompensatieveer gemonteerd op de rechterkant van het maaidek.
Opmerking: Als u de maaidekken monteert of verwijdert, moet u de R-pen in de opening voor de veerstang naast de stangbeugel plaatsen. Anders moet de R-pen worden geplaatst in de opening in het uiteinde van de stang. 6. Laat alle hefarmen helemaal neer. 7. Verwijder de borgpen en het kapje van het juk van het draaipunt van de hefarm (Figuur 9). aan de hefarm, en schuif de as uit de hefarm (Figuur 11). Figuur 11 1. Lynch-pen van as van draaipunt van hefarm en ring B.
Belangrijk: Controleer of de slangen van de motor van de messenkooi niet zijn verdraaid, geknikt of het risico lopen te worden afgekneld. Figuur 14 1. Gazoncompensatieveer 2. Borgpen 2. Draai de zeskantige moeren op het voorste uiteinde van de veerstang vast totdat de lengte van de samengedrukte veer 12,7 cm bedraagt op de Reelmaster 5210 en 5410, 5 inch maaidekken of 15,9 cm op de Reelmaster 5510 en 5610 7 inch maaidekken (Figuur 14). Figuur 13 1. Aandrijfmotor van messenkooi 3. Veerstang 4.
6 Achtergewichten monteren Benodigde onderdelen voor deze stap: Variabel Achtergewichten (formaat is afhankelijk van de configuratie) Procedure De Reelmaster 5210/5410/5510 en 5610 tractie-eenheden voldoen aan CEN-norm EN 836:1997, ISO-norm 5395:1990 en de normen van ANSI B71.4-2004, als de achterwielen wordt verzwaard met achtergewichten en/of 41 kg calciumchloride. Gebruik onderstaande tabellen om te bepalen welke gewichtscombinaties zijn vereist voor uw configuratie.
Gebruik onderstaande tabel om te bepalen wat het vereiste gewicht als de machine is uitgerust met een rolbeugel met 2 stangen.
Gebruik onderstaande tabel om te bepalen wat het vereiste gewicht als de machine bovendien is uitgerust met een kap op een rolbeugel met 2 stangen. Gewicht P/N 110-8985-03 Tractor Twee*of vierwielaandrijving Aantal gewichten Aantal gewichten Groomers, om te voldoen om te voldoen borstels voor aan ANSI-normen aan EU-normen rol, en/of manden (VS) 4 2 0 3231-6 slotbout, 104-8301 moer Onder bumper Ja 41 kg calciumchloride** 9 3231-34 slotbout, 104-8301 moer Onder bumper Nee 0 0 N.v.t. N.v.t.
Figuur 15 3. Moer 1. Gewicht 2. Slotbout Plaats bij de modellen met vierwielaandrijving het vereiste gewicht (zie gewichtentabel) op of onder de achterbumper zoals wordt getoond in Figuur 16. Figuur 16 1. 2. 3. 4. Verdeelstuk van tractie Afstandsstukken Bouten Ringen 5. Gewicht(en) 6. Slotbout 7. Moer • Verwijder de 3 bouten, ringen en afstandsstukken waarmee het verdeelstuk van de tractie is bevestigd aan de onderkant van de achterbumper (Figuur 16a).
4. Steek het haakeind van de sluiting vanaf de buitenkant van de motorkap door de opening in de motorkap. Controleer of de rubberen afdichtring aan de buitenkant van de motorkap blijft. 7 EU-conforme motorkapsluiting monteren 5. Steek de metalen ring vanaf de binnenkant van de motorkap in de sluiting en zet deze vast met de moer. Controleer of de sluiting vastklikt in de haak in het frame als u de motorkap sluit.
Figuur 21 1. Meetstaaf Figuur 20 1. Kettingbeugel 2. Stelschroef voor maaihoogte 3. Moer 3. Kick-standaard van maaidek 2. Borgpen 10 9 Handleiding lezen en video bekijken Meetstaaf gebruiken Benodigde onderdelen voor deze stap: 1 4. Openingen voor het instellen van de Groomer HOG 5. Ongebruikte opening Benodigde onderdelen voor deze stap: Meetstaaf 1 Gebruikershandleiding Procedure 1 Gebruikershandleiding van motor Gebruik de meetstaaf om het maaidek af te stellen.
Algemeen overzicht van de machine Tractiepedaal Het tractiepedaal (Figuur 24) regelt de beweging vooruit en achteruit. Om vooruit te rijden, moet u de bovenkant van het pedaal intrappen en om achteruit te rijden de onderkant van het pedaal. De rijsnelheid hangt af van hoever het pedaal wordt ingetrapt. Voor de maximale rijsnelheid zonder belasting trapt u het pedaal volledig in terwijl de gashendel op Snel staat. Om te stoppen, laat u het tractiepedaal opkomen en weer terugkeren in de middelste stand.
uit te schakelen, trapt u het rempedaal in totdat de vergrendeling van de parkeerrem wordt ingetrokken. Koelvloeistoftemperatuurmeter van de motor Pedaal voor stuurverstelling Bij normale gebruiksomstandigheden moet de temperatuurmeter (Figuur 25) in het groene gebied blijven. Controleer het koelsysteem als de meter in het gele of rode gebied komt.
Figuur 26 Figuur 28 1. Wethendels 2. Toerentalregeling van messenkooien 1. Indicator Verstopping in hydraulische filter Urenteller Brandstofmeter De urenteller (Figuur 27) geeft aan hoeveel uren de machine in totaal in bedrijf is geweest. De brandstofmeter (Figuur 29) geeft aan hoeveel brandstof er in de tank zit. Figuur 27 1. Urenteller Figuur 29 1. Dop van brandstoftank 2.
Aansluitpunt Het aansluitpunt is geschikt voor 12 V elektrische apparaten (Figuur 31). Figuur 30 Figuur 31 1. Schakelaar van koplampen 1. Aansluitpunt Specificaties Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
Gebruiksaanwijzing Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. VOORZICHTIG Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Laat de maaidekken neer op de grond, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhouds- of afstelwerkzaamheden aan de machine verricht. Figuur 32 Motoroliepeil controleren 1.
kan defect raken als er te veel of te weinig olie in het carter is. 6. Plaats de vuldop en sluit de kap. Het koelsysteem controleren Verwijder dagelijks het vuil van de radiateur, de oliekoeler en de voorkant van de radiateur. Vaker reinigen bij extreem stoffige en vuile omstandigheden. Zei het hoofdstuk Vuil verwijderen uit het koelsysteem in Onderhoud koelsysteem (bladz. 52). Het koelsysteem bevat een mengsel met een 50/50 verhouding van water en permanente ethyleenglycol-antivries.
WAARSCHUWING GEVAAR Brandstof is schadelijk of dodelijk bij inname. Langdurige blootstelling aan dampen kan leiden tot ernstig letsel en ziekte. In bepaalde omstandigheden is brandstof uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Vul de brandstoftank in de open lucht wanneer de motor koud is. Eventueel gemorste brandstof opnemen.
geschikt product. Opmerking: Toro aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade die wordt veroorzaakt door gebruik van verkeerde vervangende vloeistoffen. Gebruik daarom uitsluitend producten van gerenommeerde fabrikanten die garant staan voor de vloeistoffen die zij aanbevelen. 2. Maak de omgeving van de dop van de brandstoftank schoon. Gebruik hiervoor een schone doek. 3. Verwijder de dop van de brandstoftank (Figuur 35).
Figuur 37 1. Dop van hydraulische tank 4. Verwijder de peilstok uit de vulbuis en veeg deze af met een schone doek. Steek de peilstok in de vulbuis. Verwijder deze daarna en controleer het vloeistofpeil. Het vloeistofpeil mag niet meer dan 6 mm van de markering op de peilstok staan. Niet te vol vullen. 5. Als het peil te laag is, vult u voldoende vloeistof bij totdat het peil de vol-markering bereikt. 6. Plaats de peilstok en de dop op de vulbuis.
Het brandstofsysteem ontluchten U moet het brandstofsysteem ontluchten voordat u de motor start, indien zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan: • Eerste keer starten van een nieuwe machine. • De motor is gestopt vanwege een tekort aan brandstof. • Er zijn onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd aan onderdelen van het brandstofsysteem; bijvoorbeeld er is een nieuw filter gemonteerd, de waterafscheider heeft een onderhoudsbeurt gekregen, enz.
2. Draai de contactschakelaar op Aan/Voorgloeien. Een automatische tijdschakelaar zorgt ervoor dat de motor 6 seconden wordt voorgegloeid. 3. Daarna draait u het sleuteltje op Start. Laat de motor bij het starten langer dan 15 seconden draaien. Laat het sleuteltje los zodra de motor start. Als de motor nogmaals moet worden voorgegloeid, draait u het sleuteltje eerst op Uit en vervolgens op Aan/Voorgloeien. Herhaal dit indien nodig. Figuur 39 4.
Figuur 40 1. Bedieningsorganen van circuit voorste messenkooien 2. Bedieningsorganen van circuit achterste messenkooien 3. Messenkooi—Maaien en wetten 5. Messenkooi—Maaihoogte 4. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Snelheid van de machine Figuur 41 1. Bedieningsorganen van circuit voorste messenkooien 2. Bedieningsorganen van circuit achterste messenkooien 3. Messenkooi—Maaien en wetten 5. Messenkooi—Maaihoogte 4. Lees de Gebruikershandleiding. 6.
parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje uit het contact. de draaihoogte van de hefarm te verhogen of hoger om de draaihoogte te verlagen. Draai de bevestigingsschroeven vast. 2. Steek een buis of gelijksoortig voorwerp op het uiteinde van de lange veer om de spanning op de veer tijdens de afstelling op te heffen (Figuur 42). VOORZICHTIG De veren staan onder spanning. Wees voorzichtig bij het afstellen. 3.
Bevestigingspunten • Voor – de opening in het rechthoekige blok, onder de asbuis, aan de binnenzijde van beide voorwielen (Figuur 46). Figuur 44 1. Omloopklep 2. Sluit de omloopklep voordat u de motor start. Sluit de klep met een torsie van maximaal 7-11 Nm. Belangrijk: Als u de motor laat lopen met een geopende omloopklep, zal de transmissie oververhit raken. Figuur 46 1. Voorste bevestigingspunt Opkrikpunten • Achter – Beide zijden van het achterframe van de machine (Figuur 47).
bevindt zich op de bedieningsarm (Figuur 48). Als het elektronische besturingssysteem correct functioneert en het contactsleuteltje in de stand Aan staat, zal het diagnoselampje van het besturingssysteem 3 seconden branden en daarna doven om aan te geven dat het lampje naar behoren werkt. Als de motor afslaat, blijft het lampje onafgebroken branden totdat het sleuteltje in een andere stand wordt gedraaid. Het lampje gaat knipperen als het besturingssysteem een elektrische storing ontdekt.
de LED 'outputs getoond' oplicht, moet u de tuimelschakelaar op de Diagnostische ACE indrukken om de LED 'inputs getoond' te laten oplichten. 2. Verwijder het inspectieluik op de zijkant van de bedieningsarm. 3. Ga naar de kabelboom en de kabelstekker bij het besturingssysteem (Figuur 49). De Diagnostische ACE zal de LED laten oplichten die hoort bij de inputschakelaar die wordt gesloten. 8. Laat elke schakelaar afzonderlijk van de open naar de gesloten stand gaan (d.w.z.
de LED 'inputs getoond' oplicht, moet u de tuimelschakelaar op de Diagnostische ACE indrukken om de LED 'outputs getoond' te laten oplichten. Functie Solenoïde Opmerking: Het kan noodzakelijk zijn de LEDs 'inputs getoond' en 'outputs getoond' enige malen beurtelings te laten oplichten om de volgende stap uit te voeren. Om de LED's beurtelings te laten oplichten, drukt u de tuimelschakelaar nog een keer in. Dit kunt u zo vaak doen als nodig is. Houd de knop niet ingedrukt.
Wees extra voorzichtig wanneer u de machine op hellingen gebruikt. Rijd langzaam en maak geen scherpe bochten om omkantelen te voorkomen. Om beter in balans te kunnen blijven tijdens het sturen, moeten de maaidekken zijn neergelaten tijdens het afdalen.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na het eerste bedrijfsuur Onderhoudsprocedure • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 Nm. Na de eerste 8 bedrijfsuren • De conditie en de spanning van de wisselstroomdynamo/ventilator controleren. Na de eerste 10 bedrijfsuren • Draai de wielmoeren vast met een torsie van 94 tot 122 Nm.
Controlelijst voor dagelijks onderhoud Kopieer deze pagina ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Voor week van: Gecontroleerd item Ma. Di. Wo. Do. Vr. Za. Werking van veiligheidssysteem controleren. Werking van de remmen controleren. Het peil van de motorolie en de brandstof controleren. Brandstoffilter/waterafscheider aftappen. Indicator voor verstopping in luchtfilter controleren. Radiateur en scherm controleren op vuil. Controleren of motor ongewone geluiden maakt.
Belangrijk: Zie de gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures. Onderhoudsschema Figuur 51 VOORZICHTIG Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine.
• Draaipunten van hefarmen (1 elk) (Figuur 53) • Draaipunt van asbesturing (1) (Figuur 57) • Draagframe van maaidek en draaipunt (2 elk) (Figuur 54) Figuur 57 • Kogelverbindingen van stuurcilinder (2) (Figuur 58) Figuur 54 • As van draaipunt van hefarmen (1 elk) (Figuur 55) Figuur 58 Figuur 55 • Rempedaal (1) (Figuur 59) • Trekstang van achteras (2) (Figuur 56) G011615 Figuur 59 Figuur 56 45
Onderhoud motor van de filtermedia. Inspecteer het nieuwe filter op transportschade en controleer het uiteinde van het filter (dit moet goed aansluiten) en de filterbehuizing. Een beschadigd element mag niet worden gebruikt. Plaats het nieuwe filter door de buitenring van het element aan te drukken om dit vast te zetten in de filterbus. Druk niet op het flexibele midden van het filter. Onderhoud van het luchtfilter Controleer de luchtfilterbehuizing op schade die een luchtlek kan veroorzaken.
De gashendel afstellen 1. Zet de gashendel naar voren zodat deze ongeveer 3,2 mm van de voorkant van de sleuf in de bedieningsarm zit. 2. Maak de klem van de gaskabel op de gaskabel los. Deze zit naast de hefboomarm van de injectiepomp (Figuur 64). Figuur 62 1. Aftapplug carterolie 2. Als er geen olie meer naar buiten stroomt, plaatst u de aftapplug terug. 3. Verwijder het oliefilter (Figuur 63). Figuur 64 1. Draaipunt van gaskabel 2. Hefboomarm van injectiepomp 3.
Onderhoud brandstofsysteem 1. Plaats een schone opvangbak onder het brandstoffilter. 2. Draai de aftapplug onder de filterbus los. GEVAAR In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden of materiële schade veroorzaken. • Gebruik een trechter of tuit; brandstof uitsluitend in de open lucht bij een afgezette of koude motor bijvullen. Eventueel gemorste brandstof opnemen. • Vul de brandstoftank niet helemaal.
Onderhoud elektrisch systeem Belangrijk: Voordat u laswerkzaamheden aan de machine verricht, moet u beide accukabels loskoppelen van de accu, beide stekkers van de kabelboom losmaken van de ECM en de accupoolconnector uit de wisselstroomdynamo halen om beschadiging van het elektrische systeem te voorkomen. Onderhoud van de accu Figuur 66 1. Brandstofinjectors WAARSCHUWING 2. Draai het sleuteltje op Start en bekijk hoe de brandstof om de connector stroomt.
Onderhoud aandrijfsysteem natriumbicarbonaat en water. Omspoelen met schoon water. Zekeringen De tractieaandrijving afstellen voor de neutraalstand Er zijn 8 zekeringen in het elektrische systeem. De zekeringhouder (Figuur 67) bevindt zich achter het inspectieluik op de bedieningsarm. De machine mag niet kruipen als het tractiepedaal niet is ingetrapt. Als de machine kruipt, moet u de tractieaandrijving als volgt afstellen: 1.
de voorkant van de achterwielen moet 6 mm kleiner zijn dan die aan de achterkant van de wielen. WAARSCHUWING De motor moet lopen zodat een laatste afstelling van de afstelnok van de tractie kan worden uitgevoerd. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. 5. Herhaal deze procedure als dit nodig is. Houd gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper, andere hete delen van de motor en draaiende onderdelen. 4.
Onderhoud koelsysteem Vuil verwijderen uit het koelsysteem Verwijder elke dag het vuil van het scherm, de oliekoelers en de radiateur. Vaker reinigen bij gebruik in vuile omstandigheden. 1. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. 2. Verwijder grondig al het vuil dat zich rond het motorgedeelte bevindt. 3. Maak de sluiting los en draai het achterscherm open (Figuur 71). Figuur 72 1. Oliekoeler 2. Vergrendelingen van oliekoeler 6.
Onderhouden remmen De serviceremmen afstellen Stel de serviceremmen af als de rempedalen meer dan 2,5 cm speling hebben of als de remmen niet naar behoren functioneren. Met speling wordt de afstand bedoeld die het rempedaal wordt ingetrapt voordat er remweerstand wordt gevoeld. Opmerking: Gebruik de speling van de wielmotor om de trommels heen en weer te bewegen om te controleren of deze voor en na het afstellen vrij kunnen bewegen. 1. Om de speling op de rempedalen te verkleinen, draait u de remmen vast.
Onderhoud riemen Onderhoud hydraulisch systeem De conditie en de spanning van de riem van de wisselstroomdynamo moeten na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 100 bedrijfsuren. Hydraulische vloeistof verversen Riem van wisselstroomdynamo spannen Ververs de hydraulische vloeistof in normale omstandigheden om de 800 bedrijfsuren. Als de vloeistof verontreinigd raakt, moet u contact opnemen met uw plaatselijke Toro dealer omdat het systeem dient te worden schoongespoeld.
door het hele systeem te verspreiden. Controleer ook op lekkages. 8. Zet de motor af. 9. Controleer het peil van de hydraulische vloeistof en vul voldoende vloeistof bij totdat het peil de Vol-markering op de peilstok bereikt. Belangrijk: Vul niet teveel vloeistof bij. Hydraulische filters vervangen Het hydraulische systeem is voorzien van een onderhoudsintervalindicator (Figuur 78). Laat de motor lopen en kijk op de indicator; deze moet in de Groene zone staan.
Hydraulische slangen en leidingen controleren Controleer dagelijks de hydraulische leidingen en slangen op lekkages, kinken, loszittende steunen, slijtage, loszittende aansluitingen, slijtage door weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt. WAARSCHUWING Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken.
Onderhoud van maaidek Maaidekken wetten WAARSCHUWING Contact met de messenkooien of andere bewegende onderdelen kan lichamelijk letsel veroorzaken. • Houd vingers, handen of kleding uit de buurt van de messenkooien of andere bewegende onderdelen. • Probeer de messenkooien nooit met uw handen of voeten te draaien of aan te raken terwijl de motor draait. Opmerking: Tijdens het wetten zijn de voormaaidekken en de achterste maaidekken tegelijk in werking. Figuur 83 1. Testpoort voor circuit van de lift 1.
Stalling De tractie-eenheid gebruiksklaar maken 1. Reinig de tractie-eenheid, de maaidekken en de motor grondig. 2. Controleer de bandenspanning. Breng alle banden op een spanning van 83 tot 103 kPa (12 tot 15 psi). 3. Controleer of alle bevestigingen vastzitten; zet ze vast indien nodig. 4. Smeer alle smeer- en draaipunten. Neem overtollig vet op. 5. Plaatsen waar de lak is bekrast, beschadigd of geroest, moeten licht geschuurd en bijgewerkt worden. Eventuele deuken in de metalen carrosserie uitdeuken. 6.
9. Zorg ervoor dat het luchtfilter grondig worden gereinigd en een onderhoudsbeurt krijgt. 10. Plak de luchtfilterinlaat en de uitlaat af met weerbestendige tape. 11. Controleer de antivriesbescherming en vul zoveel bij als nodig is met het oog op de plaatselijk te verwachten minimumtemperatuur.
Schema's Hydraulisch schema, model 5210 en 5410 (Rev.
Hydraulisch schema, model 5510 en 5610 (Rev.
Elektrisch schema (Rev.
Opmerkingen: 63
De Toro Total Coverage garantie Beperkte garantie Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt De Toro® Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, bieden krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie dat uw Toro product (hierna: het 'product') gedurende twee jaar of 1500 bedrijfsuren* vrij is van materiaalgebreken of fabricagefouten, met dien verstande dat hierbij de kortste periode moet worden aangehouden.