Form No.
Waarschuwing Voor het gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Motoroliepeil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Het koelsysteem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . Brandstoftank vullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Transmissievloeistof controleren . . . . . . . . . . . . . . Hydraulische vloeistof controleren . . . . . . . . . . . . Smeer van de achteras controleren . . . . . . . . . . . . .
De serviceremmen afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . Transmissievloeistof verversen . . . . . . . . . . . . . . . Transmissiefilter vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . Smeerolie in de achteras verversen . . . . . . . . . . . . Toespoor achterwielen aanpassen . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van de accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Zekeringen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Optionele verlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
• Elke bestuurder en monteur moet ervoor zorgen dat hij of zij professionele en praktische instructie krijgt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van de gebruikers. Bij een dergelijke instructie moet de nadruk liggen op: • Vervang defecte geluiddempers/knalpotten. • Inspecteer het terrein om vast te stellen welke accessoires en werktuigen nodig zijn om het gras veilig en goed te verluchten. Gebruik alleen door de fabrikant goedgekeurde accessoires en werktuigen.
• Verminder uw snelheid en wees voorzichtig als u een bocht maakt of wegen en voetpaden oversteekt. Zet de cilinders/messenkooien stil als u niet maait. • Let op het verkeer bij oversteken en in de buurt van de openbare weg. • Zet de maaimessen stil voordat u andere oppervlakken dan grasvelden oversteekt. • Gebruik de machine niet als u onder de invloed van alcohol of drugs bent.
• Plaats onderdelen op kriksteunen indien dit nodig is. • Wees voorzichtig als u omgaat met brandstof. Neem gemorste brandstof op. • Haal voorzichtig de druk van onderdelen met opgeslagen energie. • Controleer elke dag of de interlockschakelaars goed functioneren. Als een schakelaar defect is, moet u deze vervangen voordat u de machine gebruikt. Vervang om de twee jaar alle vier interlockschakelaars van het veiligheidssysteem, ongeacht of ze wel of niet naar behoren functioneren.
Onderhoud en stalling Geluidsdruk • Zorg ervoor dat alle aansluitstukken van de hydraulische leidingen vastzitten en alle hydraulische slangen en leidingen in goede staat verkeren voordat u druk zet op het hydraulische systeem. Deze machine oefent een A-gewogen equivalente continue geluidsdruk uit op het gehoor van de bestuurder: 88 dBA, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures zoals vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG en wijzigingen daarvan.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 105-7515 & 105-7527 1. Lees de Gebruikershandleiding 93-6693 104-2052 1. Handen kunnen bekneld raken 2. Zet de messenkooien stil alvorens deze aan te raken 1.
104-9296 1. Gashendel – Langzaam 2. Gashendel – Snel 3. Messenkooien opgeheven en uitgeschakeld 6. Messenkooien geblokkeerd – Uitsluitend opheffen 7. Messenkooien geblokkeerd – Opheffen en neerlaten 8. Koplampen (optioneel) 4. Messenkooien neergelaten en in werking indien ingschakeld – Vooruit en wetten 5. Messenkooien – Geactiveerd 9. Koplampen – Aan 10. Koplampen – Uit 11. Lees de bedieningshandleiding 104-9298 1. Lees de bedieningshandleiding 94-6767 98-9342 1. Lees de bedieningshandleiding 2.
93-6699 1. Langzaam 2. Snel 3. Tractiesnelheid 93-8060 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Gevaar Lees de bedieningshandleiding Maaihoogte Zet gashendel op langzaam Verwondingsrisico voeten Verwondingsrisico handen Zet de messenkooien stil alvorens deze aan te raken 93-6691 1. Lees de bedieningshandleiding-excentrische bout 93-6697 (uitsluitend Model 03541 & 03544) 93-8050 (uitsluitend Model 03541 & 03544) 1. Lees de bedieningshandleiding 2. Smeerpunt 3. Tijdsinterval 1. 2. 3. 4.
93-6686 1. Peil hydraulische vloeistof 2. Lees de bedieningshandleiding 76-8730 93-1263 1. Lees de gebruikershandleiding 2. Specificatie torsie van wielen 1. Lees de bedieningshandleiding 2. Om de parkeerrem in werking te stellen, koppelt u de pedalen met de borgpen trapt u beide pedalen naar beneden en trekt u de vergrendeling voor de parkeerrem uit. 3. Om de parkeerrem uit te schakelen, trapt u beide pedalen in totdat de vergrendeling van de parkeerrem wordt ingetrokken. 4.
104-9294 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. U mag de machine nooit slepen. 3. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 6. Waarschuwing – Vergrendel de parkeerrem, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact alvorens de machine te verlaten. 4. Handen of voeten kunnen worden gesneden – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 5. Waarschuwing – Houd omstanders op veilige afstand van de machine. 12 7. Waarschuwing – Gebruik de omkiepbeveiliging en doe de veiligheidsgordel om. 8.
Specificaties Algemene specificaties Motor Koelsysteem Brandstofsysteem Kubota vloeistofgekoelde driecilinder viertaktdieselmotor. 25 pk @ 3000 tpm voor de Reelmaster 5200 en 31,5 pk @ 3000 tpm voor de Reelmaster 5400. Beide afgeregeld op 3200 tpm. 1123 cc inhoud. Heavy-duty, afzonderlijk gemonteerde drietrapsluchtfilter. Uitschakelknop te hoge watertemperatuur. Het koelsysteem heeft een capaciteit van ongeveer 7 liter voor een mengsel met een 50/50 verhouding van ethyleenglycol antivries en water.
Afmetingen Maaibreedte 241 cm Totale breedte Robuuste voorste roller* Onderdeelnr. 82-6680 Wiehle roller-schraper voor* Onderdeelnr. 83-5400 Maaidek met 5 messen: Modelnr. 03527 Maaidek met 8 messen: Modelnr. 03528 Transport 221 cm Kammenset Buitenkant voorwielen 221 cm Borstelset achterste roller Buitenkant achterwielen 134 cm Aanpassingspakket maaistand voor Onderdeelnr. 104-8205 Wiehle Schraperset Onderdeelnr. 104-3380-03 Onderdeelnr.
Montage Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Losse onderdelen Opmerking: Gebruik deze lijst om te controleren of alle onderdelen die nodig zijn voor de montage, zijn geleverd. Zonder deze onderdelen kan de montage niet worden voltooid.
Accu aansluiten Waarschuwing Waarschuwing Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. CALIFORNIË Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen. Proposition 65 Waarschuwing Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken.
Sluiting van de motorkap monteren 6. Draai de vergrendeling naar de vergrendelde en onvergrendelde stand met de sleutel. Verwijder de sleutel en berg deze op op een gemakkelijk te onthouden plaats. 1. Verwijder de pin uit de opening linksvoor in de hoek van de kap (Fig. 2) 7. Sluit de kap. 2. Open de kap. Vervangen van de bevestiging van de vloerplaat 1 1.
Maaidekken monteren 5. Plaats een rolpen (Fig. 7) in de opening aan de juiste kant van ieder draagframe van de maaieenheid (Fig. 5). 1. Haal de maaidekken uit de dozen. U moet het maaidek monteren en afstellen overeenkomstig de instructies in de gebruikershandleiding van het maaidek. 3 1 2. Als gebruik wordt gemaakt van de manden, gebruik dan onderstaand overzicht (Fig. 5) om te bepalen waar de mand geleiders of –beugels gemonteerd moeten worden op de draagframes van het maaidek.
7. Breng de bevestigingsas van het maaidek in lijn met de draaibuis op het draagframe. Steek de as in de buis (Fig. 9). 2 3 4 11. Maak de ketting los van de hefarm en maak hem vast aan de dwarsbuis van elk van de achterste maaidekken met een tapbout, platte ring en borgring (Fig. 11). 5 1 6 1 Figuur 11 1. Fixatieketting Figuur 9 1. Bevestigingsas maaidek 2. Draaibuis van draagframe 3.
“B” Gazoncompensatieveer afstellen Opmerking: Deze afstelling is uitsluitend nodig bij de modellen 03527 en 03528. “C” “A” De gazoncompensatieveer (Fig. 13), waarmee het draagframe en het maaidek verbonden zijn, regelt de beschikbare mate van rotatie naar voren en achteren. Bovendien zorgt de compensatieveer ervoor dat het gewicht van de voorste naar de achterste roller wordt verplaatst.
Achtergewicht monteren De Reelmaster 5200D & 5400-D Maaieenheden zijn in overeenstemming met CEN-standaard EN 836:1997, ISO-standaard 5395:1990, en ANSI B71.4-1999 standaarden, als zij zijn voorzien van een achtergewicht en de achterwielen zijn verzwaard met 41 kg calciumchloride. Gebruik onderstaande tabel om te bepalen wat de vereiste gewichtscombinaties zijn. U kunt onderdelen bestellen bij een erkende Toro-dealer.
3. Als het oliepeil beneden de VOL-markering staat, verwijdert u de vuldop en vult u bij met olie, type SAE 10W-30, met classificatie CD, CE, CF, CF4 of CG-4, totdat het oliepeil de VOL-markering bereikt. Niet te vol vullen. De carterinhoud is 3,8 liter met filter. Voor het gebruik Voorzichtig 4. Plaats de vuldop en sluit de kap. Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen.
Brandstoftank vullen 3. Verwijder de peilstokdop van de vulbuis van de transmissie (Fig. 18) en veeg deze af met een schone doek. Draai de peilstok vast in de vulbuis. Haal de peilstok eruit en controleer het oliepeil. Als het oliepeil niet binnen 13 mm van de groef in de peilstok staat, moet u voldoende olie bijvullen totdat het peil de groef bereikt. Laat de tank niet voller worden dan 6 mm boven de groef. 1. Verwijder de dop van de brandstoftank (Fig. 17). 2.
1. Plaats de machine op een horizontaal vlak, laat de maaidekken neer en zet de motor af. 2. Reinig de omgeving van de vulbuis en de dop van de hydraulische tank (Fig. 19). Verwijder de dop van de vulbuis. 1 1 Figuur 21 Figuur 19 1. Linker controleplug (achterkant as) 1. Dop van hydraulische tank. 3. Indien het peil te laag staat, verwijdert u de middelste vulplug en vult u voldoende tandwielolie bij totdat het peil de onderkant van de opening van de middelste controleplug bereikt. 3.
Tractiepedaal Gebruiksaanwijzing Het tractiepedaal (Fig. 23) regelt de beweging vooruit en achteruit. Om vooruit te rijden moet u de bovenkant van het pedaal intrappen en om achteruit te rijden de onderkant van het pedaal. De rijsnelheid hangt af van hoever het pedaal wordt ingetrapt. Voor de maximale rijsnelheid zonder belasting trapt u het pedaal volledig in terwijl de gashendel op SNEL staat. Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.
Controlelampje van messenkooien Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur Het lampje (Fig. 24) gaat branden als de boegies aan het voorgloeien zijn of knippert om aan te geven dat er een probleem is met het besturingssysteem. Het lampje (Fig. 25) gaat branden en de motor slaat af als de koelvloeistof een gevaarlijk hoge temperatuur bereikt. Gashendel Snelheidsmeter Zet de hendel (Fig. 25) naar voren om de motortoerental te verhogen en naar achteren om het toerental te verlagen.
Laadindicator Toerenregelaars van messenkooien De laadindicator (Fig. 25) licht op indien het laadcircuit van het systeem defect is. De toerenregelaars van de messenkooien (Fig. 27) regelen het aantal tpm van de front- en achtermaaidekken. #1 stand is wetten. De andere standen zijn voor maaiwerkzaamheden. Zie het desbetreffende hoofdstuk in de handleiding voor instructies voor de bediening. Activerings-/Blokkeringsschakelaar De activerings-/blokkeringsschakelaar (Fig.
Starten en stoppen Belangrijk Het brandstofsysteem moet worden ontlucht indien zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan: A. Eerste keer starten van een nieuwe machine. B. De motor is afgeslagen omdat de brandstof op was. C. Er zijn onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd aan onderdelen van het brandstofsysteem; bijvoorbeeld er is nieuw filter gemonteerd, de waterafscheider heeft een onderhoudsbeurt gekregen, enz. 1 Zie Het brandstofsysteem ontluchten, blz. 28. 1.
Toerental van de messenkooi instellen Om ervoor te zorgen dat de maaikwaliteit constant en van hoog niveau blijft en het gazon na het maaien een gelijkmatig uiterlijk krijgt, is het belangrijk dat de regeling van het toerental van de messenkooien (die zich bevindt onder de bestuurdersstoel) juist is afgesteld. 1 Stel de regeling van het toerental als volgt in: 1. Selecteer de maaihoogte waarop de maaidekken zijn ingesteld. 2. Kies de rijsnelheid die het meest geschikt is voor de maaiomstandigheden.
3. Plaats een steeksleutel op de zeskantige as van de veerbeugel (Fig. 32). Belangrijk Als de aandrijfas niet verwijderd wordt voorafgaand aan het slepen, kan de aandrijfas van de transmissie niet draaien, waardoor er geen interne smering van de transmissie plaatsvindt. Dit kan ernstige schade opleveren aan de hydrostatische transmissie. 4. Verwijder de tapbout en borgring waarmee de bevestigingsbeugel is bevestigd (Fig. 32), terwijl u de zeskantige as draait om de spanning van de veer op te halen. 2.
Diagnoselampje Display van diagnostische ACE De RM 5200-D/5400-D is uitgerust met een diagnoselampje dat aangeeft dat het elektronische besturingssysteem correct functioneert. Het groene diagnoselampje bevindt zich onder het bedieningspaneel naast de zekeringhouder (Fig. 35). Als het elektronische besturingssysteem correct functioneert en het contactsleuteltje op AAN staat, zal het diagnoselampje van het besturingssysteem branden.
Controle of de interlockschakelaar functioneert 5. De LED “inputs getoond” op de kolom rechtsonder op de Diagnostische ACE moet oplichten. Als de LED “outputs getoond” oplicht, moet u de tuimelschakelaar op de Diagnostische ACE indrukken om de LED “inputs getoond” te laten oplichten. 1. Plaats de machine op een horizontaal vlak, laat de maaidekken neer, zet de motor af en stel de parkeerrem in werking. 6.
Functies van de hydraulische solenoïdeklep 6. Neem plaats op de stoel en probeer de gewenste functie van de machine. (Als u hulp nodig hebt bij het controleren van de juiste input-instellingen voor iedere functie, kijk dan in de tabel op blz. 35). Als de juiste output-LED’s gaan branden, duidt dit erop dat de ECU die functie inschakelt. (Raadpleeg de lijst op blz. 33, of de tabel om zeker te zijn van de gespecificeerde output-LEDs.
Gebruikseigenschappen Maaien Vertrouwd raken met de machine Start de motor en zet de gashendel op SNEL zodat de motor op het maximale toerental draait. Zet de activerings/blokkeringsschakelaar op ACTIVEREN en gebruik de maai-/hefhendel om de maaidekken op te heffen en neer te laten (de frontmaaidekken zijn zo ingesteld dat zij eerder naar beneden komen dan de achterste maaidekken). Om vooruit te rijden en het gras te maaien, moet u de tractiepedaal naar voren intrappen.
Tabel X=CLOSED, O=OPEN, P=OUTPUT ON, KEY: M=MOMENTARILY CLOSED, 13 Preheat 12 Start 11 S7 10 S1 7 ETR Hold / Alt 6 S6 5 S5 4 S4 3 S3 2 S2 1 S8,S9 0 Diagnostic Light OUTPUTS T Timer Involved A1 17 16 15 14 T5= .9 sec T6= 6 sec AO Start Key T2= 5.0 sec T3= .9 sec T4= .1 sec 13 12 Lower / Mow 11 Backlap Rear 10 Backlap Front 9 Front Units Down 8 Enable Reels 7 Raise 6 4 Seat Switch 3 Traction Neutral TIMERS T1= .
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Belangrijk Zie de gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 10 bedrijfsuren • • • • Na de eerste 50 bedrijfsuren • Motoroliefilter vervangen. • Motortoerental controleren (stationair en op vol gas). Spanning van de riem van ventilator en wisselstroomdynamo controleren.
Controlelijst Dagelijks Onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Voor week van: Ma. Gecontroleerde item Di. Wo. Do. Vr. Za. Werking veiligheidssysteem controleren. Werking van de remmen controleren. Het peil van de motorolie en de brandstof controleren. Brandstoffilter/waterafscheider aftappen. Indicator voor verstopping in luchtfilter controleren. Radiator en scherm controleren op rommel. Controleren of motor ongewone geluiden maakt.
Onderhoudsschema Lagersteun aandrijfas (1); Achterwielaandrijfas (3) (Fig. 42); Rempedaal (1) (Fig. 43); Hefcilinders (5) (Fig. 44) en Ventilatoras (Fig. 45). Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact en laat de maaidekken volledig neer voordat u onderhoudswerkzaamheden aan de machine verricht of deze afstelt.
Figuur 43 Figuur 39 Figuur 40 Figuur 44 Figuur 41 Figuur 45 Figuur 42 39
Onderhoud van het luchtfilter Onderhoud van het filterelement Algemeen onderhoud van het luchtfilter 1. Maak de sluitingen los waarmee het deksel van het luchtfilter is bevestigd aan het luchtfilterhuis. Haal het deksel los van het luchtfilterhuis. Reinig de binnenkant van het luchtfilterdeksel. 1. Controleer het luchtfilterhuis op schade die mogelijk een luchtlek kan veroorzaken. Vervang een beschadigd luchtfilterhuis. 2. Schuif het filterelement voorzichtig uit het luchtfilterhuis (Fig.
5. Persluchtmethode: A. Blaas perslucht van binnen naar buiten door het droge filterelement. Zorg dat de druk niet hoger is dan 275 kPa (40 psi) om beschadiging van het element te voorkomen. B. Houd de spuitmond van de luchtslang minstens 5 cm van het filter en beweeg de spuitmond op en neer terwijl u het filterelement ronddraait. Inspecteer het filter op gaten en scheuren door het filter tegen een felle lichtbron te houden en er doorheen te kijken. 1 6. Inspecteer het nieuwe filter op transportschade.
Brandstoffilter/waterafscheider Brandstoffilter vervangen Verwijder dagelijks water of ander vuil uit het brandstoffilter/waterafscheider (Fig. 50). Vervang het brandstoffilter om de 400 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. 1. Ga naar het brandstoffilter onder de hydraulische tank en plaats daaronder een schone opvangbak. 1. Draai de schroef los waarmee het filter is bevestigd aan het framerail. 2. Draai de aftapplug aan de onderkant van de filterbus los.
Injectors ontluchten Het koelsysteem van de motor reinigen Opmerking: Deze procedure mag uitsluitend worden toegepast als het brandstofsysteem is ontlucht met behulp van de normale ontluchtingsprocedures en de motor niet start; zie Het brandstofsysteem ontluchten, zie blz. 28. Vuil verwijderen Reinig de oliekoelers en de radiator elke dag. Vaker reinigen bij gebruik in vuile omstandigheden. 1. Draai de leidingconnector naar spuitmond nr. 1 en de houder los (Fig. 52). 1.
Onderhoud van de riemen van de motor 3. Draai de borgmoeren vast om de afstelling te borgen. De conditie en de spanning van alle riemen moeten na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 100 bedrijfsuren. Riem van wisselstroomdynamo 2 De spanning controleren: 1. Open de kap. 1 2. Controleer de spanning door de riem midden tussen de poelies van de wisselstroomdynamo en de krukas in te drukken met een kracht van ongeveer 98 N (Fig. 55). De riem moet een speling van 11 mm hebben.
Hydraulische vloeistof verversen Hydraulische filter vervangen De kop van het hydraulische filter is voorzien van een onderhoudsintervalindicator. Laat de motor lopen en kijk op de indicator; deze moet in de GROENE zone staan. Als de indicator in de RODE zone staat, moet het filterelement worden vervangen. Ververs de hydraulische vloeistof in normale omstandigheden om de 800 bedrijfsuren.
Hydraulische slangen en leidingen controleren 2 Controleer dagelijks de hydraulische leidingen en slangen op lekkages, kinken, loszittende steunen, slijtage, loszittende aansluitingen, slijtage door weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt. 1 Waarschuwing Figuur 60 Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken. 1. Testpoort nr.
Waarschuwing De motor moet lopen zodat een laatste afstelling van de afstelnok van de tractie kan worden uitgevoerd. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. 1 Houd gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper, andere hete delen van de motor en draaiende onderdelen. Figuur 62 4. Start de motor en draai de zeskantige moer van de afstelnok links- of rechtsom totdat de wielen ophouden met draaien. 1. Afstelklep voor het middelste maaidek 5.
Achterste maaidekken 3. Draai de zeskantige schroef los waarmee de oogbout is bevestigd aan de plaat van de veerverankering (Fig. 65). 1. Doe de motorkap omhoog en ga naar de klep aan de linker achterkant van de machine (Fig. 64). 2 3 1 1 5 Figuur 64 4 Figuur 65 1. Afstelklep voor de achterste maaidekken 1. Plaat van de veerverankering 2. Oogbout 3. Binnenste borgmoer 4. Buitenste borgmoer 2. Draai de stelschroef op de klep los en draai de klep ongeveer een halve slag rechtsom. 3.
De serviceremmen afstellen 6. Ontkoppel voordat u de motor start na het verversen van de transmissievloeistof de ETR van de motor en laat de motor met behulp van de startmotor een paar keer voor ongeveer 15 seconden draaien. De laadpomp kan op deze manier de transmissie vullen met vloeistof voordat de motor wordt gestart. Stel de serviceremmen af als de rempedalen meer dan 2,5 cm “speling” hebben of als de remmen niet naar behoren functioneren.
Smeerolie in de achteras verversen Toespoor achterwielen aanpassen Opmerking: Deze procedure geldt alleen voor modellen 03541 en 03544. 2. Reinig de omgeving van de aftappluggen (Fig. 68). De achterwielen moeten een toespoor hebben van 0–3 mm als zij recht naar voren staan. Om de spoorafwijking te controleren, meet de afstand hart-op-hart van het toespoor (ter hoogte van de assen) aan de voorzijde en de achterzijde van de stuurwielen.
Modellen 03541 en 03544 Onderhoud van de accu 1. Draai het stuurwiel zodanig dat de achterwielen recht naar voren wijzen. Waarschuwing 2. Verwijder de pen en zeskantige sleufmoer van één van de kogelverbindingen van de trekstang. Verwijder met behulp van een kogelverbindingvork de kogelverbinding van de trekstang van de steun van het differentieelhuis. CALIFORNIË Proposition 65 Waarschuwing Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen.
Zekeringen Optionele verlichting Er zijn vier zekeringen in het elektrische systeem. Deze bevinden zich onder het bedieningspaneel (Fig. 71 en 72). Belangrijk Indien de tractie-eenheid wordt voorzien van een optionele verlichting, moet u gebruik maken van het onderstaande schema en de onderdelen om schade aan het elektrische systeem van de tractie-eenheden te voorkomen. SCHEMA VOOR OPTIONELE VERLICHTING 1 Naar lampen met externe aarde Zwart 30 Rood 30 Oranje 85 2 Figuur 71 3 Schakelaar 1.
Maaidekken wetten 5. Zet beide knoppen van de toerenregeling van de messenkooien op stand 11. Kies de voorste of achterste wetschakelaar om te bepalen welke messenkooien worden gewet. Waarschuwing Gevaar Contact met de messenkooien of andere bewegende onderdelen kan lichamelijk letsel veroorzaken. • Houd vingers, handen of kleding uit de buurt van de messenkooien of andere bewegende onderdelen. • Probeer de messenkooien nooit met uw handen of voeten te draaien of aan te raken terwijl de motor draait.
RELAY 5 4 1 2 LIGHT SWITCH G BLACK OIL PRESS SWITCH S B 6 4 2 RED – BLACK BATTERY 12 VOLTS + RED WATER TEMP SENSOR FUSIBLE LINK HARNESS 5 3 1 ORANGE/RED STARTER START RELAY GREEN/BLUE WARNING LIGHTS SPEEDOMETER G S I BLACK BLACK GRAY BLACK ALTERNATOR ORANGE BLACK FUEL GAGE BLUE/GREEN ORANGE BLUE/WHITE ORANGE TEMP GAGE FUSIBLE LINK OPTIONAL LIGHT ORANGE ORANGE RED GREEN/BLACK ORANGE BLACK ORANGE L BLACK BLACK RED DIAGNOSTIC INDICATOR HOUR METER B A
P1 P3 STEERING CYLINDER TANK BREATHER 40 MICRON P2 LH RH 100MESH TEST PORT FOR FRONT UNITS INPUT SHAFT 3200 RPM MAX DIFFERENTIAL HOUSING STRAINER IN TANK 100 MESH INPUT SHAFT TO TRANSMISSION CCW ROTATION R F R F ”A” SYSTEM RELIEF 3625 PSI ”B” CHARGE PRESSURE 150 PSI ”C” COOLER BY–PASS 70 PSI ”D” FILTER BY–PASS 70 PSI ”E” SYSTEM RELIEF 3625 PSI ”C” ”A” FORWARD SIDE OF CLOSED LOOP ”D” ”B” SUNSTRAND M25 1.5 IN3 /REV ”E” M4 S4A S3A OUT IN TRW HGF 16 STEERING CONTROL VALVE 6.
Motor Voorbereidingen voor winterstalling 1. Tap de motorolie af uit het carter en plaats de aftapplug weer terug. Tractie-eenheid 2. Verwijder het oliefilter en gooi het weg. Plaats een nieuw oliefilter. 1. Reinig de tractie-eenheid, de maaidekken en de motor grondig. 3. Vul het oliecarter met ongeveer 3,8 liter SAE 10W-30 motorolie. 2. Bandenspanning controleren. Breng alle banden op een spanning van 103–138 kPa (15–20 psi). 4. Start de motor en laat deze ongeveer twee minuten stationair lopen.