Form No. 3328–580 Rev A Reelmaster 3100-D Tractie-eenheid Modelnr. 03200 – 230000001 en hoger Modelnr. 03201 – 230000001 en hoger Modelnr. 03220 Modelnr.
Waarschuwing Voor het gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Carteroliepeil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De brandstoftank vullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Het koelsysteem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . Hydraulische vloeistof controleren . . . . . . . . . . . . Bandenspanning controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . Contact tussen de snijplaat en de messenkooi controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
instructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool te letten, dat betekent VOORZICHTIG, WAARSCHUWING of GEVAAR – “instructie voor persoonlijke veiligheid”. Niet-naleving van de instructie kan leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel. Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen.
• Denk eraan dat elke helling gevaarlijk is. Het rijden op met gras begroeide hellingen vereist bijzondere zorgvuldigheid. Om te voorkomen dat de machine kantelt: Voor ingebruikname • Draag tijdens het maaien altijd stevige schoenen, een lange broek, een helm, een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Lang haar, losse kleding of sieraden kunnen worden gegrepen door bewegende onderdelen. Draag geen schoenen met open tenen en loop niet op blote voeten.
• Controleer de grasvanger regelmatig op slijtage en mankementen. • Zet de motor af en schakel de aandrijving naar werktuigen uit: • Zorg ervoor dat alle onderdelen in goede staat verkeren en alle bevestigingselementen en hydraulische aansluitingen stevig vastzitten. Vervang versleten of beschadigde onderdelen en stickers.
• Het verdient aanbeveling veiligheidsschoenen en een lange broek te dragen. Dit is verplicht op grond van diverse plaatselijke veiligheidsvoorschriften en verzekeringsbepalingen. Veilige Bediening Toro Rijdende Maaimachine De volgende lijst bevat veiligheidsinstructies die specifiek zijn toegesneden op Toro-producten, of andere veiligheidsinstructies die niet zijn opgenomen in de CEN-, ISO- of ANSI-normen. • Wees voorzichtig als u omgaat met brandstof. Neem gemorste brandstof op.
Onderhoud en stalling Geluidsdruk • Zorg ervoor dat alle aansluitstukken van de hydraulische leidingen vastzitten en alle hydraulische slangen en leidingen in goede staat verkeren voordat u druk zet op het hydraulische systeem. Deze machine oefent een A-gewogen equivalente continue geluidsdruk uit op het gehoor van de bestuurder van 83 dBA, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG en de wijzigingen daarvan.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 99-3443 voor Model 03200 1. Druk de schakelaar naar links om de messenkooien in te schakelen. 2. Druk de schakelaar naar rechts om de messenkooien uit te schakelen. 7. Beweeg naar achteren om de hefhendel te vergrendelen. 8. Motor – Afzetten 9. Motor – Lopen 3.
9-3493 voor Model 03201 1. Druk de schakelaar naar links om de messenkooien in te schakelen. 2. Druk de schakelaar naar rechts om de messenkooien uit te schakelen. 6. Motor – Afzetten 7. Motor – Lopen 8. Motor=starten 3. Laat de messenkooien neer. 4. Hef de messenkooien op. 5. Beweeg naar achteren om de hefhendel te vergrendelen. 9 9. Snel 10. Continu snelheidsregeling 11.
94-3353 voor Model 03201 1. Handen kunnen bekneld raken – Houd uw handen op een veilige afstand. 99-3558 voor CE 93-6681 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2. Om de motor te starten, moet u plaats nemen op de bestuurdersstoel, het contactsleuteltje op Lopen draaien totdat het lampje Voorgloeien dooft, het contactsleuteltje vervolgens op Start draaien en de parkeerrem vrij te zetten door de hendel naar beneden te bewegen; lees de Gebruikershandleiding. 3.
99-3496 100-4837 99-3560 voor CE 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding 2. Machine kan kantelen – Rij niet op hellingen van meer dan 14 graden en laat de maaidekken neer als u heuvelafwaarts rijdt op hellingen van minder dan 15 graden. 3. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. 4. Handen of voeten kunnen worden gesneden – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 5.
Specificaties Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Algemene specificaties Motor Koelsysteem Elektrisch systeem: Inhoud brandstoftank Kubota vloeistofgekoelde driecilinder viertaktdieselmotor. 21.5 hp @ 2500 tpm. Afgeregeld op 2650 tpm. 1124 cc inhoud. Heavy-duty, afzonderlijk gemonteerde tweetrapsluchtfilter. Uitschakelknop te hoge watertemperatuur.
Montage Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Lijst met losse onderdelen Opmerking: Gebruik deze lijst om te controleren of alle onderdelen die nodig zijn voor de montage, zijn geleverd. Als een van deze onderdelen ontbreekt, kan de machine niet volledig worden gemonteerd.
Wielen monteren 1. Open de kap. 2. Verwijder het accudeksel. 1. Monteer een wiel-set op elke wielnaaf (ventiel naar buiten). 3. Als de accu niet is gevuld of gebruiksklaar is gemaakt met accuzuur, moet u accuzuur met een soortelijk gewicht van 1.260 kopen bij een plaatselijke accuhandelaar. Belangrijk Het achterwiel heeft een smallere velg dan de voorwielen. 2. Monteer de wielmoeren en draai ze vast met een torsie van 61-88 Nm. 4.
Bestuurdersstoel monteren 8. Bevestig de pluskabel (rood) aan de klem van pluspool (+) van de accu en de minkabel (zwart) aan de klem van minpool (–) van de accu met behulp van de tapbouten en moeren. Zorg ervoor dat de accuklem helemaal op de pluspool zit en de kabel goed op de accu is geplaatst. De kabel mag geen contact maken met het accudeksel. Schuif het rubberen stofkapje over de pluspool om eventuele kortsluiting te voorkomen. De Reelmaster 3100 wordt geleverd zonder dat de stoel is gemonteerd.
Hoekindicator controleren 5. Leid de kabel van de stoelschakelaar onder de rechtse steunbeugel van de stoel en sluit deze aan op de juiste connector van de stoelschakelaar op de kabelboom. Gevaar 6. Bij de Deluxe stoel moet u de ongebruikte connector van de stoelschakelaar terugplaatsen onder de steunbeugel en beide kabels bevestigen in de achterste opening in de steunbeugel (Fig. 6) met een kabelklemband (geleverd bij de stoel).
Sluiting van de motorkap monteren Rolbeugel monteren Belangrijk U mag een rolbeugel nooit lassen of hierin veranderingen aanbrengen. Een beschadigde rolbeugel moet worden vervangen; u mag deze niet laten repareren of herstellen. Elke verandering aan de rolbeugel moet worden goedgekeurd door de fabrikant. (conform EU-voorschriften) 1. Maak de sluiting van de motorkap los van de beugel. 2. Schuif de vergrendelbeugel van de motorkap op de sluiting. 1.
Voorste hefarmen monteren 3 1. Verwijder de 2 tapbouten waarmee het verbindingsstuk van de taatsassen van de hefarmen is bevestigd aan de taatsassen. Verwijder en bewaar het verbindingsstuk van de taatsassen en de tapbouten (Fig. 12). 1 4 2 6 2 4 5 Figuur 14 1. Hefarm (rechts) 2. Hefarm (links) 3. Borgring 4. Montagepen 5. Hefcilinder 6. Afstandsstuk (2) 1 6. Zet het rechter uiteinde van de hefcilinder vast aan de rechter hefarm met een pen en twee afstandsstukken. Vastzetten met een borgveer.
Draagframes aan maaidekken monteren 4. Zet elke montageverbinding vast aan het draagframe met een tapbout (3/8 x –16 x 2-1/4 inch), 2 platte ringen en een borgmoer, zoals wordt getoond in Figuur 18. Plaats tijdens de montage een ring op beide zijden van de verbinding. Draai deze vast met een torsie van 42 Nm. 1. Haal de maaidekken uit de dozen. U moet de maaidekken afstellen overeenkomstig de instructies in de gebruikershandleiding voor de maaidekken. 1 2. Plaats een frontdraagframe (Fig.
Aandrijfmotoren van maaidekken monteren 3. Smeer alle draaipunten van de hefarm en het draagframe. Belangrijk Zorg ervoor dat er geen knikken of scherpe bochten in de slangen zitten en dat de slangen van het achtermaaidek lopen zoals wordt getoond in Fig. 20. Hef de maaidekken op en beweeg deze naar links (uitsluitend bij Model 03201). De slangen van het achtermaaidek mogen niet in contact komen met de beugel van de tractiekabel. Verplaats indien nodig aansluitingen en / of slangen. 1.
Hefarmen afstellen Opmerking: Als de achterste hefarm tijdens het transport “rammelt”, kan de speling worden verminderd. 1. Start de motor, breng de hefarmen omhoog en controleer of de speling tussen elke hefarm en de beugel van de vloerplaat 4,6–8,1 mm bedraagt (Fig. 24). Indien dit niet het geval is, moet u de aanslagbouten losdraaien (Fig. 26) en de cilinder afstellen om de juiste speling te krijgen. Om de cilinder af te stellen, moet u de contramoer op de cilinder losdraaien (Fig.
5. Plaats de vuldop en sluit de kap. Voor het gebruik Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Belangrijk Controleer het oliepeil om de 5 bedrijfsuren of dagelijks. Ververs de olie om de 50 bedrijfsuren. Carteroliepeil controleren De brandstoftank vullen Het carter van de motor is in de fabriek gevuld met olie; het oliepeil moet echter worden gecontroleerd voordat en nadat de motor voor de eerste keer is gestart. De motor loopt op Nr.
3. Vul de tank tot de onderkant van de vulbuis. NIET TE VOL VULLEN. Plaats daarna de dop terug. 1 4. Om brandgevaar te voorkomen, moet u gemorste brandstof opnemen. Het koelsysteem controleren Verwijder dagelijks het vuil van de radiator en de oliekoeler (Fig. 32), en elk uur als de machine in zeer stoffige en vuile omstandigheden wordt gebruikt; zie Radiator reinigen. 1. Het koelsysteem bevat een oplossing die half uit water, half uit permanente ethyleenglycol-antivries bestaat.
Groep 1 Hydraulische Vloeistof (Gematigd klimaat, gemiddeld vermogen) Belangrijk De vloeistoffen van Groep 1 worden aanbevolen voor gebruik bij omgevingstemperaturen tussen 0 C en 41 C. De ISO Type 46/68 vloeistof blijkt een optimale werking te geven bij een groot aantal temperatuursomstandigheden voor de gemiddelde gebruiker.
Contact tussen de snijplaat en de messenkooi controleren 1. Plaats de machine op een horizontaal vlak, laat de maaidekken neer en zet de motor af. 2. Reinig de omgeving van de vulbuis en de dop van de hydraulische tank. Verwijder de dop van de vulbuis. Elke dag voordat u gaat maaien moet u het contact tussen de snijplaat en de messenkooi controleren, ongeacht of de maaikwaliteit bij een eerdere maaibeurt aanvaardbaar is geweest.
Bedieningsorganen Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. 1 Tractiepedalen Om de tractie-eenheid vooruit te laten rijden, moet u het vooruit-pedaal intrappen. Om de tractie-eenheid achteruit te laten rijden of te helpen stoppen als u vooruit rijdt, moet u het achteruit-pedaal intrappen. Daarnaast kunt u het pedaal in de neutraalstand zetten om de machine te stoppen. Figuur 36 1.
Maaidekschakelaar: Parkeerrem De schakelaarl heeft twee standen: INSCHAKELEN en UITSCHAKELEN. De tuimelschakelaar bedient een solenoïdeklep op de kleppenset om de maaidekken aan te drijven. Steeds als de motor wordt afgezet, moet u de parkeerrem in werking stellen om te voorkomen dat de machine per ongeluk in beweging komt. Om de parkeerrem in werking te stellen, moet u de hendel omhoog trekken. De motor zal afslaan als het tractiepedaal is ingetrapt terwijl de parkeerrem in werking is gesteld.
Verstelling Deluxe Stoel 4. Steek het sleuteltje in het contact en draai dit op AAN/VOORGLOEIEN totdat het indicatielampje van de gloeibougie dooft (ongeveer 7 seconden); draai daarna het sleuteltje op START om de startmotor in werking te stellen. Laat het sleuteltje los zodra de motor start. Het sleuteltje komt automatisch op AAN/LOPEN. Instelknop voor het gewicht – Duw de hendel omhoog of omlaag om de stoel aan te passen aan het gewicht van de bestuurder.
1. Let erop dat alle omstanders buiten het maaigebied blijven. Houd uw handen en voeten uit de buurt van de maaidekken. Gevaar In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden of materiële schade veroorzaken. 2. Wanneer de bestuurder op de stoel zit, mag de motor niet starten als de messenkooien zijn ingeschakeld of het tractiepedaal is ingetrapt.
Gebruikseigenschappen Start de motor en laat deze op halfgas stationair lopen om warm te worden. Duw de gashendel helemaal naar voren, hef de maaidekken op, zet de parkeerrem vrij, trap het tractiepedaal om vooruit te rijden in en rij voorzichtig naar een open terrein. Gevaar De maaimachine heeft een uniek tractiesysteem waardoor de machine vooruit kan rijden op een helling, zelfs als het hoogste wiel vrij van de grond komt.
De Reelmaster 3100-D maaidekken kunnen maaisel aan de voorkant of de achterkant lossen. U moet het maaisel aan de voorkant lossen als u een kleine hoeveelheid gras afmaait; hierdoor krijgt dit na het maaien een fraaier uiterlijk. Om het maaisel aan de voorkant te lossen, hoeft u enkel het achterscherm op de maaidekken te sluiten.
De maaisnelheid (toerental van messenkooien) kiezen MESSENKOOI MET 5 MAAIMESSEN TABEL VOOR KEUZE VAN TOERENTAL VAN MESSENKOOIEN Om ervoor te zorgen dat de maaikwaliteit constant en van hoog niveau blijft en het gazon na het maaien een gelijkmatig uiterlijk krijgt, is het belangrijk dat het toerental van de messenkooien is afgestemd op de maaihoogte.
Smering De tractie-eenheid is voorzien van smeernippels die regelmatig moeten worden gesmeerd met Nr. 2 Smeervet voor algemene doeleinden op lithiumbasis. Als de machine in normale omstandigheden wordt gebruikt, moet u de lagers en lagerbussen om de 50 bedrijfsuren smeren. De lagers en de lagerbussen moeten elke dag worden gesmeerd als de machine in zeer stoffige en vuile omstandigheden wordt gebruikt.
(2) Figuur 50 Figuur 47 Figuur 51 Figuur 48 Figuur 52 Figuur 49 34
Figuur 53 Figuur 54 (Zie opmerking) 35
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.
Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine. Druk de kabel opzij, zodat deze niet onbedoeld contact kan maken met de bougie. Controlelijst Dagelijks Onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Voor week van: Ma.
Onderhoudsschema Motorkap verwijderen 1 De motorkap kan eenvoudig worden verwijderd om onderhoudswerkzaamheden in het motorgedeelte van de machine uit te voeren. 1. Ontgrendel en open de motorkap. 2. Verwijder de borgpen waarmee het draaipunt van de motorkap vastzit aan de bevestigingsbeugels. 3. Schuif de motorkap naar de rechterkant, til de andere kant omhoog en trek de motorkap uit de beugels. 4. Monteer de motorkap in de omgekeerde volgorde. Figuur 55 1.
Algemeen onderhoud van het luchtfilter 3. Inspecteer het filter en gooi het weg als het is beschadigd. Een beschadigd filter mag niet worden gewassen of opnieuw worden gebruikt. • Controleer het luchtfilterhuis op schade die mogelijk een luchtlek kan veroorzaken. Vervang een beschadigd luchtfilterhuis. 4. Blaas perslucht van binnen naar buiten door het droge filterelement. Zorg dat de druk niet hoger is dan 689 kPa (100 psi) om beschadiging van het element te voorkomen.
Motorolie en filter Brandstofsysteem Ververs de olie en vervang het filter na de eerste 50 bedrijfsuren; ververs daarna de olie om de 50 bedrijfsuren en vervang het oliefilter om de 100 bedrijfsuren. Brandstoftank De brandstoftank moet om de 2 jaar worden afgetapt en gereinigd. Ook moet de tank worden afgetapt en gereinigd als het brandstofsysteem vervuild raakt of wanneer de machine voor langere tijd gestald gaat worden. Gebruik schone brandstof om de tank uit te spoelen. 1.
Brandstoffilter vervangen Injectors ontluchten Vervang het brandstoffilter aan de binnenkant van de framerail onder de waterafscheider om de 400 uur of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Opmerking: Deze procedure mag uitsluitend worden toegepast als het brandstofsysteem is ontlucht met behulp van de normale ontluchtingsprocedures en de motor niet start; zie Brandstofsysteem ontluchten. 1. Draai de schroef los waarmee het filter is bevestigd aan het framerail. 1.
Koelsysteem van de motor reinigen Onderhoud van de riemen van de motor Reinig elke dag de oliekoeler en de radiator. Vaker reinigen bij gebruik in vuile omstandigheden. De conditie en de spanning van alle riemen moeten na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 100 bedrijfsuren. • Zet de motor af en open de motorkap. Verwijder grondig al het vuil dat zich rond het motorgedeelte bevindt. Wisselstroomdynamo/ventilatorriem • Verwijder het inspectieluik. 1. Open de kap. 2.
De Hydrostat aandrijfriem vervangen De gashendel afstellen 1. Steek een dopschroevendraaier of een stukje buis in het uiteinde van de spanveer van de riem. 1. Zet de gashendel naar achteren zodat deze tegen de gleuf in het bedieningspaneel aan komt. 2. Maak de kabelklem van de gaskabel op de hefboomarm van de injectiepomp los. Waarschuwing Wees voorzichtig als u de veer ontspant omdat de veerbelasting hoog is. 2.
Hydraulische vloeistof verversen 5. Controleer het vloeistofpeil en vul voldoende vloeistof bij totdat het peil de VOL-markering op de peilstok bereikt. VUL NIET TE VEEL VLOEISTOF BIJ. Ververs de hydraulische vloeistof in normale omstandigheden om de 400 bedrijfsuren. Als de vloeistof verontreinigd raakt, moet u contact opnemen met uw plaatselijke TOROdealer omdat het systeem dient te worden schoongespoeld.
Hydraulische slangen en leidingen controleren Waarschuwing Één voorwiel en achterwiel moeten vrijkomen van de grond, omdat anders de machine tijdens de afstelling zal bewegen. Zorg ervoor dat de machine is ondersteund, zodat deze niet per ongeluk naar beneden kan vallen, waardoor iemand die zich daaronder bevindt, letsel kan oplopen.
Parkeerrem afstellen 3. U kunt het peil in de cellen bijhouden met gedestilleerd of gedemineraliseerd water. Vul de cellen niet hoger dan de onderkant van de sleufring in elke cel. Plaats de vuldoppen en zorg ervoor dat de luchtgaten naar de achterkant wijzen (in de richting van de brandstoftank). Controleer de afstelling om de 200 bedrijfsuren. 1. Draai de stelschroef los waarmee de knop is bevestigd aan de parkeerremhendel. Voorzichtig 2. Draai aan de knop totdat een kracht van 133-178 N.
Zekeringen De zekeringen in het elektrische systeem van de machine bevinden zich onder de kap van het bedieningspaneel. 2 1 Wetten Gevaar OM LICHAMELIJK OF DODELIJK LETSEL TE VOORKOMEN: Figuur 73 • Houd uw handen en voeten altijd uit de buurt van de messenkooien als de motor loopt. • Tijdens het wetten kunnen de messenkooien tot stilstand komen en dan weer starten. • Probeer de messenkooien nooit met uw handen of voeten opnieuw in werking te stellen. • Stel de messenkooien niet af als de motor loopt.
PK W R R R OR 48 OR 1 B+ G Start OR BK W D2 I B S X Y Y A Y (+) BK PK BU F4 5 A IGNITION SW. OR F3 5 A BATTERY (–) STOP –––– NONE RUN –––– B+I+A; X+Y START ––– B+I+S 2 GY HR HOUR METER (–) ENGINE GROUND SP FUEL PUMP FRAME GROUND ENGINE FL ENGINE OIL PRESSURE (PULL) (HOLD) BU NOT SUPPLIED OPTIONAL LIGHT F2 F1 15 A FL FL FL WARNING 105C OVER TEMP SHUTDOWN 110C OVER TEMP L R W LOW OIL PRESSURE PK GY Y OVER TEMP.
Hydraulisch schema FORWARD LOWER PORT DUMP VALVE M4 M5 TRACTION WHEEL MOTORS 3000 psi 100–150 psi P3 M6 TOP PORT UPPER PORT HYDROSTAT INTERNAL CASE DRAIN OIL COOLER T2 G1 T1 D1 P1 FC1 REEL SPEED CONTROLLER ENGINE RPM OIL FILTER M1 P1 P2 MD1 BACKLAPPING VALVE S1 M2 REEL ON–OFF VALVE R1 ST LC2 REEL RELIEF 3000 psi LC1 LOGIC VALVE CHG GEAR PUMP STRAINER PLG LV 1000 psi G2 CF CR MANIFOLD BLOCK IN OUT AUX IN V1 OUT A B L R POWER STEERING VALVE C D STEERI
Motor Stalling Tractie-eenheid • Tap de motorolie af uit het carter en plaats de aftapplug weer terug. • Reinig de tractie-eenheid, de maaidekken en de motor grondig. • Verwijder het oliefilter en gooi het weg. Plaats een nieuw oliefilter. • Bandenspanning controleren. Breng alle banden op een spanning van 96,5-124 kPa (14–18 psi). • Vul het oliecarter met ongeveer 3,8 liter SAE10W-30 motorolie. • Controleer of alle bevestigingen vastzitten; zet ze vast indien nodig.