Gebruikershandleiding Trackrunner 200 (UA18A-6)
1. Inhoud 1. Inhoud 2. Gebruik van originele onderdelen 3. Plaats van de bedieningsorganen 4. Veilig rijden 5. Gebruik van elk onderdeel Dashboard Instrumenten Bediening indicator Versnelling indicator Contactslot Stuurslot Gebruik van de schakelaars Gashendel Versnellingspook Zadel verwijderen Benzinedop Rem Parkeerrem Achterdemper aanpassen Stopcontact 6. Belangrijke punten en voorzorgsmaatregelen om de motor te starten Starten en stoppen van de motor Parkeren 7.
2. Gebruik van originele onderdelen Om the scooter in optimale conditie te houden, moet de kwaliteit, het materiaal en de precieze afwerking van elk onderdeel conform zijn met de specificaties. “De originele SYM Wisselstukken” zijn gemaakt van materiaal met dezelfde hoge kwaliteit als de onderdelen die origineel op het voertuig gemonteerd zijn. Geen enkel onderdeel wordt gecommercialiseerd, zolang ze niet voldoen aan de specificaties van de hoge en strenge technische kwaliteitscontrole.
. Veilig rijden • • • Rijden met een quad onder de leeftijd van 16 jaar verhoogt de kans op zware verwondingen of de dood. Rij niet met de quad na het gebruik van alcohol of drugs. De rijvaardigheid van de berijder neemt sterk af na het gebruik van alcohol of drugs.
• Zorg ervoor dat u het terrein kent voor u begint te rijden. Rij voorzichtig in situaties die onbekend zijn en wees alert voor stenen, putten, spoorvorming of andere obstakels in het terrein. • Zorg dat het terrein u bekent is wanneer u er op rijdt. U zal anders onvoldoende tijd hebben om te reageren op onbekende situaties zoals stenen, putten of bulten. Zorg dat u traag rijdt wanneer u op onbekend terrein komt.
• • Als uw voertuig dreigt stil te vallen of de motor gestopt is op een helling en u gelooft dat u nog verder de helling op kan rijden, start dan gewoon de motor opnieuw, geef voorzichtig gas en zorg ervoor dat uw voorwielen niet van de grond komen. Dit kan onstabiliteit veroorzaken en u kan de controle over het stuur verliezen. Als u de helling niet meer op kan, stap dan van het voertuig, draai het voertuig met de hand naar de dalende kant en duw het voertuig verder naar beneden.
Draaien op vlakke ondergrond: • Draai het stuur en leun naar de binnenzijde van de bocht. Leunen helpt om het voertuig in balans te houden en het voelt comfortabeler aan. Leunen in de bochten is een belangrijke techniek om het rijden met een ATV volledig onder de knie te krijgen. • Wanneer u een bocht nadert, rem dan af en draai het stuur in de gewenste richting.
Ÿ Met uw lichaam naar voor leunen geeft een betere stabiliteit tijdens het rijden op gladde ondergronden. Ÿ Ondanks de aparte voorremhendel en achterrempedaal, heeft de vierwielaandrijving effect op alle vier de wielen. Bij het gebruik van eender welke rem zullen zowel voor- als achterrem in werking treden. Ÿ Het is algemeen bekent dat de voorrem 70% van het totale remwerking levert. Ÿ Voor volledige remwerking, gebruik de voorrem en achterrem tegelijkertijd, hierdoor kan u met meer stabiliteit remmen.
Over bergen en hellingen rijden: Ÿ Om een maximale stabiliteit en balans tijdens het rijden te behouden, kan u best uw gewicht verplaatsen naar de stijgende kant van de helling. Ÿ Vermijd hellingen met glibberige of losse ondergrond. Verplaats uw gewicht naar de stijgende kant van de helling. Ÿ Vermijd het berijden van hellingen die extreem steil, glibberig of ruw zijn.
Ÿ Over erg ruw terrein rijden verlangt een correcte positie van uw gewicht, om zo een goede balans te bewaren. Wees zeker dat u al de basisvaardigheden van het rijden met een ATV onder de knie hebt voor u over erg ruwe ondergrond rijdt. Vermijd steeds het rijden op glibberige ondergronden of erg ruw terrein, zodat u uw balans niet kan verliezen. Ÿ Bij het rijden op een helling, leunt u met uw lichaam naar de stijgende kant. Maak tijdens het rijden op hellingen geen scherpe bochten.
Opgelet: Ÿ Controleer steeds het terrein voor u een helling op rijdt. Ÿ Rij nooit op hellingen met extreme glibberige of losse ondergrond. Ÿ Om een helling op te rijden neemt u een rijdende start in met de correcte versnelling en snelheid. Dit om de helling gemakkelijk op te kunnen rijden. Ÿ Geef nooit plots gas of verander niet van versnelling als u een helling oprijdt. De ATV kan hierdoor overslaan. Ÿ Ga nooit over een helling tegen hoge snelheid.
5. Gebruik van elk onderdeel Dashboard De indicators op uw ATV houden u geïnformeerd en alert voor mogelijk problemen en maken het rijden veiliger en aangenamer. (1) Instrumenten: snelheidsmeter? kilometerteller (2) Bediening indicator: watertemperatuur indicator? groot licht indicator? knipperlicht indicator? benzinemeter (3) Versnelling indicator: vooruit indicator? neutraal indicator? achteruit indicator (4) Contactslot: het contact wordt gebruikt om de motor te starten en te stoppen.
Bediening indicator (1) Watertemperatuur indicator: Licht op wanneer de temperatuur van het water zo’n hoge temperatuur heeft bereikt dat het de levensduur van de motor nadelig beïnvloed wordt. Als de indicator brand terwijl u rijdt, stop dan onmiddellijk, zet de motor af en laat hem afkoelen. (2) Groot licht indicator: Deze indicator geeft aan dat het groot licht brandt. (3) Knipperlicht Indicator: Deze indicator zal branden als de knipperlichten gebruikt worden.
Stuurslot (1) Stuurslot: Het stuurslot bevind zich onderaan de stuurstang. Ÿ Draai het stuur volledig naar links. Ÿ Steek de sleutel in het slot. Ÿ Draai de sleutel wijzerzin, het stuur is nu geblokkeerd. Ÿ U kan nu de sleutel verwijderen. Ÿ Om te deblokkeren draait u de sleutel tegenwijzerzin. NOTA: Ÿ Om te vermijden dat het voertuig gestolen wordt, maakt u best gebruik van het stuurslot. Ÿ Na het blokkeren, draai het stuur naar rechts en naar links om er zeker van te zijn dat het geblokkeerd is.
• Linker stuurhelft –deel II (1) Knipperlicht schakelaar het rechter knipperlicht doen branden wil zeggen dat u naar rechts wil afslaan. het linker knipperlicht doen branden wil zeggen dat u naar links wil afslaan. (2) Claxon Zet het contact aan en druk op de schakelaar. De claxon zal nu luiden. (3) Choke hendel Ÿ ? (A)? choke aan ,? (B)? choke uit. Ÿ Als de motor moeilijk start kan u de choke gebruiken. Ÿ Als de motor koud is, beweeg de hendel naar de “A” positie.
Opgelet: Ÿ Onvoorzichtig achteruit rijden kan ertoe leiden dat u een object of persoon aanrijdt. Dit kan tot ernstige letsels leiden. Ÿ Wees zeker dat er geen personen of obstakels achter u aanwezig zijn voor u de achteruit inschakelt. Wanneer het veilig is om te vertrekken, doe dit dan langzaam. 1.Stop het voertuig volledig en wees zeker dat de versnellingspook in neutraal staat. 2. Duw de achterrem volledig in. 3.Wees zeker dat er zich geen obstakels of personen voor of achter bevinden. 4.
BENZINENIVEAU INSPECTIE Ÿ Zet het contact aan en controleer of de naald van de meter aangeeft dat er voldoende benzine in de tank aanwezig is. Ÿ Deze motor is ontwikkeld voor het gebruik van een benzine met een octaangehalte van minstens 90. Ÿ Zorg ervoor dat het voertuig stevig staat, zet de motor af en hou vlammen uit de buurt van het voertuig tijdens het tanken. Ÿ Vul niet meer bij dan de bovenste limiet. Ÿ Benzinetankcapaciteit is 7.8 liter, de reservehoeveelheid is 2 liter.
Regelen achterveer Zowel de voor- als achterveer is regelbaar. de Ÿ De achterveer is 5-voudig regelbaar. Standaard staat ze op de 3 positie en u kan ze regelen naar uw behoefte. Draai tegenwijzerzin om ze harder te zetten. Draai wijzerzin om ze zachter te zetten. Ÿ Regel steeds beide veren op de zelfde manier, zodat de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang komt.
6. Belangrijke punten en voorzorgsmaatregelen om de motor te starten Starten en stoppen van de motor Voor uw eigen veiligheid, vermijdt u best het starten van de motor in een gesloten omgeving, zoals een garage. De uitlaatgassen van uw motor bevatten CO, deze kunnen tot misselijkheid en zelf de dood leiden. (1) Contactslot (2) Neutraal indicator 1. Zet voor het starten het voertuig op vlakke ondergrond en blokkeer de parkeerrem. 2. Zet het contact aan. 3.
Parkeren Ÿ Zet uw voertuig op een vlakke ondergrond. Ÿ Nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, bedient u de remmen tot u het voertuig in neutraal hebt gezet. Ÿ Bedien de parkeerrem. Ÿ Zet het contact af. Ÿ Als het nodig is je voertuig te starten op een helling en het voertuig staat nog in versnelling, duw het voertuig dan naar voor en naar achter om de transmissie in neutraal te kunnen zetten.
7. Inspectie en onderhoud voor het rijden Remmen Zorg ervoor dat het voertuig op vlakke ondergrond staat wanneer u het niveau van de remvloeistof controleert. [Vervangen van de remvloeistof] 1. Verwijder de schroefjes van het deksel van de hoofdremcilinder. 2. Veeg voorzichtig alle vuil van de hoofdremcilinder en zorg ervoor dat er zeker geen vuil in het reservoir valt. 3. Verwijder het rubberen tussenschot. 4. Vul de remvloeistof bij. 5.
INSPECTIE: 1. Zorg ervoor dat het voertuig op vlakke ondergrond staat wanneer u het olieniveau controleert. Laat de motor warmdraaien. Stop hierna de motor en wacht “ 3 ~ 5 minuten voor u het niveau controleert. Haal de peilstok uit de opening en kuis hem af. Steek de peilstok terug in de opening (draai hem er niet in). 2. Haal de peilstok er terug uit en controleer of het olieniveau zich tussen de onderste en bovenste limiet bevindt. OLIEWISSEL: Ÿ Vervang de olie na 300 kilometer of na de eerste maand.
Oliefilter kuisen Verwijder de moer die de oliefilter bevat en verwijder het filter. Kuis het filter met behulp van benzine of een luchtpistool. Opgelet: Ÿ Het niveau van de olie zal niet correct zijn wanneer het voertuig op een helling geparkeerd staat of als de motor net stil ligt. Ÿ De motor en de uitlaat kunnen zeer warm zijn net nadat de motor is stil gelegd. Let er steeds op dat u zich niet verbrand wanneer u de olie controleert of vervangt.
Inspectie van de koelvloeistof (1) Radiator (2) Reservetank De koelvloeistof regelmatig vervangen zorgt ervoor dat uw voertuig in optimale conditie blijft en vermijd bevriezing, oververhitting en roest. • KOELVLOEISTOF CONTROLE 1. Zet uw voertuig op een vlakke ondergrond. 2. Controleer het niveau van de koelvloeistof in de reservetank. 3 Vul koelvloeistof bij indien het niveau onder de onderste limiet gezakt is.
Opgelet: Ÿ Gebruik gedestilleerd water om de koelvloeistof bij te vullen. Ÿ Onthou dat het gebruik van een verkeerde kwailteit koelvloeistof de levensduur van het koelsysteem sterk kan verkorten. Ÿ Koelvloeistof moet minstens 1 maal per jaar vervangen worden. Opgelet: Ÿ Gebruik de bijgevoegde tabel om te bepalen welke hoeveelheid antivries u moet mengen met het gedestilleerd water om zo de ideale mengverhouding te verkrijgen wanneer u in zeer koude omgeving rijdt (onder 0°).
Controle van de bougie (1) Bougiekap CONTROLE VAN DE BOUGIE Ÿ Verwijder de bougie (verwijder de bougie met behulp van de bougiesleutel die bijgeleverd is) Ÿ Controleer of de elektrode vuil is of met koolstof bedekt is. Ÿ Verwijder het vuil of de koolstof met behulp van en staalborstel of schuurpapier, kuis de bougie met benzine en droog ze af me een propere doek. Ÿ Controleer de elektrodeopening en pas ze aan tot de 0.
INSTALLATIE 1. Instaleer de batterij in omgekeerde volgorde. 2. Controleer dat de bouten en moeren goed vast zitten. Opgelet: Ÿ Hou de batterij proper. Als de batterijpolen gecorrodeerd zijn of met en witte poederlaag bedekt zijn, kan u ze best met warm water kuisen. Ÿ Als er duidelijk sterke corrosie is op de batterijpolen, kan u best de batterij verwijderen en de polen met een staalborstel kuisen. Ÿ Als de batterij vervangen moet worden, doe dit dan steeds met een zelfde type batterij.
Opgelet: Ÿ Vuil in het filter is een van de grootste redenen van vermogenverlies en verhoogt het benzine verbruik. Ÿ Vervang regelmatiger het luchtfilterelement wanneer u het voertuig in een stoffige omgeving gebruikt. Ÿ Als het luchtfilter niet correct gemonteerd is kan stof en vuil in de cilinders geraken. Dit kan vroegtijdige slijtage en vermogensverlies veroorzaken en de levensduur van uw voertuig sterk inkorten. Ÿ Zorg ervoor dat het luchtfilter niet nat wordt tijdens het kuisen van het voertuig.
• CONTOLE VAN DE BANDEN • Banden worden gecontroleerd en op juiste druk gezet wanneer de motor af staat. • Als het loopvlak van de band er abnormaal uit ziet, controleer dan of de druk correct is en breng de druk naar de correcte waarde. • De bandendruk moet gecontroleerd worden wanneer de band koud is (voor het rijden). • Controleer de band op barsten of schade. • Controleer of er geen nagels of steentjes in de band gedrukt zijn. • Controleer aan de hand van de slijtage-indicator of de band versleten is.
9. Onderhoudsschema Kijk in de Engelstalige handleiding voor het onderhoudsschema. ? Het onderhoud moet elke 3000 km uitgevoerd worden, of eerder indien aangegeven bij het onderhoudsinterval. ? Laat uw ATV bij een erkende SYM-dealer onderhouden om uw voertuig in optimale conditie te houden. Code: I ~ inspectie R ~ vervangen C ~ kuisen (vervangen als dit nodig blijkt) L ~ smeren Opmerking: 1.