Operation Manual
Hiermee kunt u de machine handmatig verplaat-
sen (door hem te duwen of te trekken) zonder de
motor te gebruiken.
De twee standen zijn:
Aandrijving ingeschakeld (14:A1; 15:A1-B1)- aan-
drijving ingeschakeld voor normaal gebruik.
Aandrijving uitgeschakeld (14:A2; 15:A2-B2)
- aandrijving uitgeschakeld. De machine kan
handmatig worden verplaatst.
De machine mag niet over lange afstanden of met
hoge snelheid worden gesleept. Hierdoor kan de
transmissie worden beschadigd.
Stel de machine niet in werking met de
voorste hendel in de buitenste stand.
Gevaar voor beschadiging en olie-
lekken in de achteras.
6.14 INSTELLING VAN DE ZITTING (16:B)
De zitting kan naar voor of achter worden
geschoven zoals hierna aangegeven:
1. Verplaats de bedieningshendel (16:A)
omhoog.
2. Breng de zitting in de gewenste stand.
3. Laat de hendel (16:A) los om de zitting te
vergrendelen.
De zitting is voorzien van een beveiligingsschake-
laar die is aangesloten op het beveiligingssysteem
van de machine.
Dit houdt in dat de machine niet gestart kan wor-
den als er niemand op de zitting zit. (zie 7.6.2).
6.15 MOTORKAP
de motor.
6.16 SNELSLUITINGEN (16:C)
Dankzij deze snelsluitingen kan zeer snel
en eenvoudig van accessoire gewisseld
worden.
De snelsluitingen zorgen ervoor dat de maaisy-
steemgroep gemakkelijk kan wisselen tussen de
twee standen:
• Normale stand met volledig aangespannen
riem.
• 4 cm achter de normale stand met losse riem,
zodat de maaisysteemgroep dichter bij de
basismachine komt.
Omdat de riemspanner loskomt van de riem,
vereenvoudigen de snelsluitingen de vervanging
van de riem en de maaisysteemgroep en wordt
het omschakelen naar de reinigingsstand en de
servicestanden gemakkelijker.
Spanning van de riem halen (16, 18)
-
-
verd.
1. Verwijder de splitpennen of de borgstiften
(16:B) aan beide zijden.
2. Open de snelsluitingen door de achterste ge-
deelten met uw hiel naar beneden te drukken
(16:A).
en zitten dus niet langer aan de bevesti-
ging vast.
Voor afstel- of onderhoudswerkzaamhe-
den, de armen weer op de sluiting
plaatsen en de sluiting vergrendelen.
1. Voer de noodzakelijke aanpassingen uit,
bijvoorbeeld:
• Haak de riem los.
• Verwissel het accessoire door de armen (18)
los te maken.
Aanspannen van de riem (17; 18)
Span de uiteinden afzonderlijk aan volgens onder-
staande instructies.
Draai de hendel niet met uw handen.
Gevaar voor verwonding door beknel-
ling.
1. Plaats uw voet op de hendel (18:A) en draai
voorzichtig een halve slag naar voren.
2. Installeer de splitpen of de borgstift (17:C).
3. Doe hetzelfde aan de andere kant.
NL
NEDERLANDS
(Vertaling van de originele
gebruiksaanwijzingen)
16