Operation Manual

Begin te werken.
7.8 STOPPEN
Om te machine te stoppen, als volgt te werk gaan:
Schakel de krachtafnemer (11:D; 12:D) uit.
Schakel de parkeerrem (10:B) in.
Laat de motor één tot twee minuten stationair
draaien.
Zet de motor af door de contactsleutel om te
draaien.
Sluit de brandstofkraan. Dit is vooral belangrijk
als de machine op bijv. een aanhanger vervoerd
moet worden.
Als u de machine zonder toezicht
achterlaat, moet u de bougiekabels lo-
-
ren.
-
-
der of de koelribben niet aan. Dit kan
ernstige brandwonden veroorzaken.
7.9 REINIGING
Om het gevaar voor brand te verklei-
nen de motor, de demper, de accu en

bladeren en olie.
Om het gevaar op brand te verkleinen
regelmatig controleren of er sprake is

Spuit nooit water onder hoge druk op
de machine. Hierdoor kunnen asafdich-
tingen, elektrische onderdelen of
hydraulische kleppen beschadigd ra-
ken.
Maak de machine na gebruik altijd schoon. Houd
u hierbij aan de volgende aanwijzingen:
Spuit geen water rechtstreeks op de motor.
Maak de motor schoon met een borstel en/of
perslucht.
Maak de koelluchtinlaat van de motor schoon.
Start na het schoonmaken met water de
machine en de maaisysteemgroep, om
het water te verwijderen, dat anders in de
lagers zou kunnen dringen en daar schade
veroorzaken.
8 GEBRUIK VAN HET
ACCESSOIRE
Controleer of het gras dat u gaat maa-
-
als stenen etc.
8.1 MAAIHOOGTE
U krijgt de beste resultaten als een derde van de
hoogte van het gras wordt gemaaid. Zie afb. 23.
Als het gras lang is en veel korter moet worden,
kunt u beter twee keer maaien met twee verschil-
lende maaihoogtes.
Gebruik niet de minimum maaihoogte als het
oppervlak van het gazon ongelijkmatig is.
Anders loopt u het gevaar dat het maaisysteem
beschadigd raakt door het oppervlak en dat de
toplaag van het gazon wordt verwijderd.
8.2 MAAIADVIES
Volg voor een optimaal maairesultaat onderstaan-
de aanwijzingen op.
Maai het gras regelmatig.
Gebruik de motor op volle kracht.
Het gras moet droog zijn.
Zorg ervoor dat het maaisysteem scherp is.
Houd de onderzijde van de maaisysteemgroep
schoon.
9 ONDERHOUD
9.1 ASSISTENTIEPROGRAMMA
Om de machine altijd in goede staat te houden zo-
dat hij betrouwbaar, veilig en schoon blijft werken,
dient u zich altijd aan het assistentieprogramma
van GGP te houden.
De punten van dit programma zijn toegelicht in de
bijgevoegde onderhoudshandleiding van GGP.
De Basiscontrole moet altijd worden uitgevoerd
door een erkende servicewerkplaats.
De Eerste controle en de Tussencontrole kunnen
het beste worden overgelaten aan een erkende
servicewerkplaats, maar mogen ook door de
gebruiker zelf worden uitgevoerd.
De procedures zijn vermeld in het machinedocu-
ment en zijn beschreven in hoofdstuk “7 STARTEN
EN BEDRIJF”, en ook op de volgende pagina’s.
Door de controles uit te laten voeren door een
erkende servicewerkplaats, bent u verzekerd van
professionaliteit en originele vervangingsonder-
delen.
NL
NEDERLANDS
(Vertaling van de originele
gebruiksaanwijzingen)
19