Operation Manual

23
NL
NEDERLANDS
(Vertaling van de originele gebruiksaanwijzingen)
9.9.3 Olie vullen [4WD]
       
systeem ingezogen. Om het circuit te
vullen en ervoor te zorgen dat er geen
     


helemaal vol is.
1. Prepareer een voldoende grote kan met
nieuwe olie.
2. Vul de olietank met de nieuwe olie. Zie voor
de benodigde hoeveelheid en het type olie “0
TABEL TECHNISCHE GEGEVENS”.
3. Controleer of de ontkoppelingshendel van de
achterste aandrijving is uitgeschakeld, hen-
del (17:A) naar buiten.

-
tact met de band) om ervoor te zorgen
-

4. Schakel de parkeerrem uit.
Trap het pedaal (12:B) geheel in en laat het
weer los
LET OP: de volgende handelingen mo-




Als de motor binnen moet draaien,
dient u ervoor te zorgen dat uitlaatgas-

5. Start de motor.
De motor mag nooit draaien als de
achterste ontkoppelingshendel van
      -
geschakeld en de ontkoppelingshen-
      
uitgeschakeld is. Hierdoor kunnen de
afdichtingen van de vooras beschadigd
raken.
6. Schakel de ontkoppelingshendel van de aan-
drijving van de vooras uit.
7. Zet het gaspedaal in de voorste stand door
het te blokkeren met een houten wig (36).
Vul de tank geleidelijk met olie en verzeker
u ervan dat het oliepeil constant tussen het
teken MIN en MAX staat.
8. Laat de motor een minuut in de stand vooruit
draaien.
9. Verwijder de houten wig en zet het gaspe-
daal in de stand achteruit. Ga door met het
bijvullen van de olie.
10. Laat de motor een minuut in de stand achte-
ruit draaien.
11. Verander de rijrichting elke minuut, zoals
hierboven is aangegeven, en ga door met
het bijvullen van de olie tot het borrelen in
het reservoir stopt.
12. Zet de motor af, plaats het kapje (31:B) van
het oliereservoir terug en sluit de motorkap.
13. Zet de 2 hendels (17:A, 17:B) voor inscha-
keling van de aandrijving in de werkstand (=
naar binnen).
14. Start de motor opnieuw
15. Rijd gedurende enige minuten op verschil-
lende snelheden met de machine. Maak
tegelijkertijd meerdere malen een volledige
stuurbeweging.
16. Breng het hydraulische systeem voor het
heen van accessoires 3-4 keer omhoog en
omlaag.
17. Stop de machine en schakel de parkeerrem
weer in.
18. Open de motorkap.
19. Controleer het peil in de tank, indien nodig
meer olie toevoegen.
20. Na aoop dient u de oliedop terug te plaat-
sen en de motorkap te sluiten.
9.10 CONTROLEREN VAN RIEMTRANSMIS-
SIES
Dient u te controleren of alle riemen intact zijn.
Zie voor de service-intervallen ho-
ofdstuk 13.
9.11 BESTURING
Zie voor de service-intervallen ho-
ofdstuk 13.
9.11.1 Controles
Draai het stuur kort heen en weer.
Er mag geen mechanische speling in de stuurket-
tingen zitten.
9.11.2 Afstelling (37)
Stel indien nodig de stuurkettingen als volgt af:
1. Zet de machine in de ‘recht vooruit’-stand.
2. Stel de stuurkettingen af met de twee moe-
ren onder het centrale punt (37:A).
3. Draai beide moeren evenveel tot er geen
speling meer is.