Operation Manual

14
NL
NEDERLANDS
(Vertaling van de originele gebruiksaanwijzingen)
hydraulische circuit van de motor.
Wanneer het geluidssignaal ook klinkt

draait, de motor uitzetten en de motoro-

Wanneer klinkt het geluidssignaal:
met losgelaten “koppeling-parkeerrem”-pedaal
(12:B) en contactsleutel (13:C, 14:C) in
rijstand.
In zeldzame gevallen, wanneer het motortoe-
rental te laag is en er niet voldoende druk in het
hydraulische systeem is.
Uitschakelen van het geluidssignaal:
trap het “koppeling-parkeerrem”-pedaal (12:B)
volledig in. Dit is vooral nuttig gedurende de
startfase, om te voorkomen dat het geluidssi-
gnaal afgaat.
6.2 PEDAAL MECHANISCHE GE-
REEDSCHAPSBEVESTIGING [2WD]
(12:C)
Bediend met de hendel (12:C1), dient om de ac-
cessoires van de werkstand in de transportstand
te brengen.
Transportstand: trap het pedaal helemaal in
en haal uw voet weg, het pedaal blijft omlaag
staan.
Werkstand: druk op het pedaal en laat het
langzaam omhoog komen.
Schakel de transportstand niet in ter-
    
    -

6.3 HYDRAULISCH SYSTEEM VOOR HET
OPHEFFEN VAN ACCESSOIRES [4WD]
(14:H)
Het hydraulische systeem voor het opheen van
accessoires is alleen actief wanneer de motor
draait en het pedaal (12:B) is losgelaten. Het
systeem voor het opheen van accessoires wordt
bediend via de hendel (14:H).
De hendel kan in vier standen worden gezet:
 Zet de hendel in de voorste
stand, de hendel zal in deze stand blokke-
ren. Op dit punt wordt het accessoire omla-
ag gebracht tot in de zweefstand. In deze
stand rust het accessoire altijd op de grond
en oefent het altijd dezelfde druk uit, zodat
de contouren van het terrein worden ge-
volgd. Gebruik de zweefstand gedurende
het uitvoeren van werkzaamheden.
Daalstand. Het accessoire beweegt omla-
ag.
Ruststand (middenstand). Na de bewe-
ging omhoog of omlaag keert de hendel
terug in de ruststand. Het accessoire han-
dhaaft de positie die als laatste werd inge-
steld.
Hefstand. Zet de hendel in de achterste
stand, totdat het accessoire de hoogste
stand heeft bereikt (transportstand). Laat
de hendel vervolgens los: het accessoire
blijft geblokkeerd in de transportstand.
6.4 KOPPELING-PARKEERREM (12:B)
   
    

gedeactiveerd.

   
kan dan oververhit raken.
Het pedaal (12:B) heeft de volgende drie standen:
Omhoog. De aandrijving is inge-
schakeld. De parkeerrem is niet
geactiveerd.
Voor de helft ingetrapt. Voorwaarts
rijden uitgeschakeld. De parkeerrem
is niet geactiveerd.
Volledig ingetrapt. Voorwaarts rijden uitgescha-
keld. De parkeerrem is geactiveerd maar niet
vergrendeld. Deze stand wordt ook gebruikt als
noodrem.
6.5 BLOKKEERHENDEL PARKEERREM
(12:A)
Vergrendelt het koppelings-/rempedaal in
de volledig ingetrapte stand. Deze functie
wordt gebruikt om de machine te vergren-
delen op hellingen, tijdens transport enz.,
als de motor niet draait.
Vergrendelen:
1. Trap het pedaal (12:B) volledig in.
2. Verplaats de vergrendeling (12:A) naar bo-
ven.
3. Laat het pedaal (12:B) los.
4. Laat de vergrendeling (12:A) los.