Operation Manual
ernstige brandwonden veroorzaken.
7.9 REINIGING
Om het gevaar voor brand te verkleinen
de motor, de demper, de accu en de
-
deren en olie.
Om het gevaar op brand te verkleinen
regelmatig controleren of er sprake is
Spuit nooit water onder hoge druk op
de machine. Hierdoor kunnen asafdich-
tingen, elektrische onderdelen of
hydraulische kleppen beschadigd ra-
ken.
Spuit nooit water op hoge druk tegen
de ribben van de radiateur. De structuur
van de ribben zou hierdoor beschadigd
worden.
Maak de machine na gebruik altijd schoon. Houd
u hierbij aan de volgende aanwijzingen:
• Spuit geen water rechtstreeks op de motor.
• Maak de motor schoon met een borstel en/of
perslucht.
• Maak de koelluchtinlaat van de motor schoon.
• Start na het schoonmaken met water de machine
en de maaisysteemgroep, om het water te
verwijderen, dat anders in de lagers zou kunnen
dringen en daar schade veroorzaken.
8 GEBRUIK VAN HET
ACCESSOIRE
Controleer of het gras dat u gaat maa-
-
als stenen etc.
8.1 MAAIHOOGTE
U krijgt de beste resultaten als een derde van de
hoogte van het gras wordt gemaaid. Zie afb. 32.
Als het gras lang is en veel korter moet worden,
kunt u beter twee keer maaien met twee verschil-
lende maaihoogtes.
Gebruik niet de minimum maaihoogte als het
oppervlak van het gazon ongelijkmatig is.
Anders loopt u het gevaar dat het maaisysteem
beschadigd raakt door het oppervlak en dat de
toplaag van het gazon wordt verwijderd.
8.2 MAAIADVIES
Volg voor een optimaal maairesultaat onderstaan-
de aanwijzingen op.
• Maai het gras regelmatig.
• Gebruik de motor op volle kracht.
• Het gras moet droog zijn.
• Zorg dat de messen scherp zijn.
• Houd de onderzijde van het maaidek schoon.
9 ONDERHOUD
9.1 ASSISTENTIEPROGRAMMA
Om de machine altijd in goede staat te houden zo-
dat hij betrouwbaar, veilig en schoon blijft werken,
dient u zich altijd aan het assistentieprogramma
van GGP te houden.
De punten van dit programma zijn toegelicht in de
bijgevoegde onderhoudshandleiding van GGP.
De Basiscontrole moet altijd worden uitgevoerd
door een erkende servicewerkplaats.
De Eerste controle en de Tussencontrole kunnen
het beste worden overgelaten aan een erkende
servicewerkplaats, maar mogen ook door de
gebruiker zelf worden uitgevoerd.
De procedures zijn vermeld in het machinedocu-
ment en zijn beschreven in hoofdstuk “7 STARTEN
EN BEDRIJF”, en ook op de volgende pagina’s.
Door de controles uit te laten voeren door een
erkende servicewerkplaats, bent u verzekerd van
professionaliteit en originele vervangingsonder-
delen.
Het machinedocument wordt bij iedere Basiscon-
trole en bij iedere Tussencontrole door een erken-
de servicewerkplaats gestempeld. Een document
met deze stempels verhoogt de tweedehands
waarde van de machine.
9.2 VOORBEREIDING
Alle service en onderhoud moet worden
uitgevoerd op een stilstaande machine
waarvan de motor is uitgeschakeld.
voorkomen dat de machine wegrolt.
Zet de motor af.
Voorkom dat de motor onbedoeld start
door de bougiekabels los te maken en
NL
NEDERLANDS
(Vertaling van de originele
gebruiksaanwijzingen)
19