Operation Manual

117
77-021
6. Druk op de pulsmodustoets om de pulsmodus
aan en uit te schakelen. De LED-indicator
licht groen op als de pulsmodus is
ingeschakeld. De pulsmodus kan met de
laser detector gebruikt worden.
Laserapparaat
2. Slot voor transport in ontgrendelde stand.
Zelfnivelleringsfunctie is geactiveerd.
3. Druk op de aan/uit-toets om de laser in
te schakelen. Houd de toets 3 seconden
ingedrukt om de laser uit te schakelen. Druk
op de aan/uit-toets om verschillende standen
te activeren - alleen horizontaal, horizontaal
en verticaal, horizontaal en verticaal met
90° verticale referentiestraal, alles aan met
zelfnivellering uitgeschakeld.
Vergrendeld
1. Slot voor transport in vergrendelde stand.
Zelfnivelleringsfunctie is uitgeschakeld.
Laser aan/uit
7. Laserstraal/laserstralen knippert/
knipperen als het laserapparaat buiten
werkbereik is voor de standen 1 - 4 als
de zelfnivelleringsfunctie is ingeschakeld.
Verstel het laserapparaat om deze te
nivelleren.
Ontgrendeld
LED's voor lasermodus
4. De LED's van de lasermodus lichten rood en/
of groen op om de ingestelde lasermodus
aan te geven. De LED-code wordt op het
toetsenpaneel getoond.
Pulsmodus LED voor pulsmodus
5. De aan/uit-toets werkt in zowel de
vergrendelde als de ontgrendelde stand.