SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje
Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke uitrustingen. Wij adviseren u dan ook, dit instructieboekje aandachtig door te lezen, zodat u uw wagen snel en grondig leert kennen.
De wagendocumentatie In de wagendocumentatie van uw wagen vindt u naast dit "instructieboekje" ook het "Serviceplan" en de brochure "Hulp onderweg". Bovendien kunnen afhankelijk van type en uitrustingsniveau nog andere instructieboekjes en aanvullingen op het instructieboekje aanwezig zijn (bijvoorbeeld radio-instructieboekje). Wanneer u een van bovengenoemde documenten mist, neem dan contact op met een specialist.
Inhoudsopgave Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) 6 Gebruikte afkortingen Bediening Bestuurdersruimte Overzicht 9 8 Instrumenten en controlelampjes Instrumentenpaneel Multifunctie-indicatie (boordcomputer) MAXI DOT (informatiedisplay) Auto-Check-Control Controlelampjes 10 10 14 18 21 22 Openen en sluiten Sleutel Kindersloten Centrale vergrendeling Afstandsbediening Alarmsysteem Achterklep Elektrische ruitbediening Elektrisch schuif-/kanteldak 31 31 32 32 35 36 38 39 42 Licht en zicht Lic
Raadgevingen voor het gebruik Verzorging en reiniging van de wagen Verzorging van de wagen 158 158 Controleren en bijvullen Brandstof Motorruimte Accu 165 165 168 175 Velgen en banden Wielen 180 180 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Inleidende informatie Wijzigingen aan het airbagsysteem 187 187 187 Tips om het zelf te doen Tips om het zelf te doen Verbanddoos en gevarendriehoek (Octavia) Brandblusser Wagengereedschap Wiel verwisselen Bandenafdichtset Starthulp Wagen afslepen 18
Inhoudsopgave 5
Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de benodigde informatie te vergemakkelijken. Hoofdstukken, inhoudsopgave en trefwoordenlijst De tekst in dit instructieboekje is in relatief korte paragrafen ingedeeld, die in overzichtelijke hoofdstukken zijn samengevat. Het actuele hoofdstuk staat geaccentueerd vermeld aan onderzijde van de rechterpagina.
Gebruikte afkortingen Afkorting Betekenis 1/min Omwentelingen per minuut van de motor ABS Antiblokkeersysteem MPV Multipurpose vehicles AG ASR CO2 in g/km Automatische versnellingsbak Aandrijfslipregeling Uitgestoten hoeveelheid koolstofdioxide in gram per gereden kilometer DPF Roetfilter DSG Automatische versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSR Actieve stuurondersteuning EDS Elektronisch sperdifferentieel EPC Controle van de motorelektronica ESC Stabiliteitscontrole kW Kilowatt, e
Afbeelding 1 Bestuurdersruimte 8 Bediening
19 Bediening 20 21 Bestuurdersruimte 22 Overzicht 24 23 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 Elektrische ruitbediening Elektrische buitenspiegelverstelling Luchtroosters Hendel voor multifunctieschakelaar: › Knipperlichten, grootlicht en parkeerlicht, grootlichtsignaal › Snelheidsregelsysteem Stuurwiel: › met claxon › met bestuurdersvoorairbag › met bedieningstoetsen voor radio, navigatiesysteem en telefoon Instrumentenpaneel: Instrumenten en controlelampjes Hendel voor multifunctiescha
Overzicht van het instrumentenpaneel Instrumenten en controlelampjes Instrumentenpaneel ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Overzicht van het instrumentenpaneel Toerenteller Snelheidsmeter Koelvloeistoftemperatuurmeter Brandstofmeter Kilometerteller Service-intervalindicatie Digitale klok Schakeladvies 10 11 11 11 12 12 12 13 14 Afbeelding 2 Instrumentenpaneel ä ATTENTIE Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de v
› › 6 Service-intervalindicatie terugzetten Weergavemodus activeren/deactiveren Brandstofmeter » pagina 12 Koelvloeistoftemperatuurmeter Toerenteller ä Om schade aan de motor te voorkomen, de volgende aanwijzingen met betrekking tot de temperatuurbereiken in acht nemen: Het rode bereik van de schaal van de toerenteller 1 » Afbeelding 2 geeft het bereik aan waarin het motorregelapparaat begint het motortoerental te begrenzen.
Brandstofmeter ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. De brandstofmeter 6 » Afbeelding 2 werkt alleen bij ingeschakeld contact. De tankinhoud bedraagt circa 55 liter resp. 60 liter1). Wanneer de naald de reservemarkering bereikt, gaat het waarschuwingssymbool in het instrumentenpaneel branden. Nu is er nog circa 9 liter brandstof in de tank. Dit symbool herinnert u eraan, dat u moet tanken.
Service-intervalindicatie Vóór het bereiken van de servicetermijn wordt na het inschakelen van het contact gedurende 10 seconden een sleutelsymbool en het nog resterende aantal kilometers weergegeven » Afbeelding 3. Tegelijkertijd worden de nog resterende dagen tot de volgende servicetermijn weergegeven. De service-intervalindicatie kan ook met drukknop 5 worden teruggezet » Afbeelding 2.
Rijtijd Actueel brandstofverbruik Gemiddeld brandstofverbruik Actieradius Rijafstand Gemiddelde snelheid Actuele snelheid Olietemperatuur Snelheidswaarschuwing Schakeladvies Afbeelding 4 Schakeladvies ä De multifunctie-indicatie kan alleen worden bediend bij ingeschakeld contact. Na het inschakelen van het contact wordt de functie weergegeven die voor het uitschakelen als laatste werd gekozen. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op.
Let op Geheugen Afbeelding 5 Multifunctie-indicatie Als de accuklemmen worden losgemaakt, worden alle waarden in de geheugens 1 en 2 gewist. Bediening ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. De multifunctie-indicatie is uitgerust met twee automatisch werkende geheugens. Het gekozen geheugen wordt op het display » Afbeelding 5 weergegeven.
› Toets Op het display verschijnt de rijtijd die is verstreken sinds het geheugen voor het laatst is gewist. Als u de rijtijd vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op dat tijdstip het geheugen wissen door toets B » Afbeelding 6 op de ruitenwisserhendel of het kartelwiel D » Afbeelding 6 op het multifunctiestuurwiel langer dan 1 seconde ingedrukt te houden. B of toets D langer dan 1 seconde indrukken.
Let op De verbruikte hoeveelheid brandstof wordt niet weergegeven. Actieradius ä Op het display wordt de gemiddelde snelheid in km/h sinds de laatste keer wissen van het geheugen weergegeven » pagina 15. Als u de gemiddelde snelheid vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op dat tijdstip het geheugen wissen met toets B » Afbeelding 6 op de ruitenwisserhendel of kartelwiel D » Afbeelding 6 op het multifunctiestuurwiel.
› Met toets A op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel D op het multifunctiestuurwiel de gewenste snelheidslimiet instellen, bijvoorbeeld 50 km/h. › Met toets B op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel D op het multifunctiestuurwiel de gewenste snelheidslimiet bevestigen of 5 seconden wachten, de instelling wordt automatisch opgeslagen (de waarde knippert niet meer).
Hoofdmenu ■ ■ Vehicle status (Wagenstatus) » pagina 21 Settings (Instellingen) » pagina 19 De menupunten Audio (Audio) en Navigation (Navigatie) worden alleen weergegeven als de af fabriek ingebouwde autoradio resp. het navigatiesysteem is ingeschakeld. Het menupunt Aux. heating (Int.voorverw.) wordt alleen weergegeven als de wagen af fabriek met een interieurvoorverwarming is uitgerust. Het menupunt Assistants (Hulpsyst.) wordt alleen weergegeven als de wagen met bochtenverlichting is uitgerust.
■ ■ ■ ■ ■ Assistants (Hulpsyst.) Alt. speed dis. (2e snelheid) Service (Servicebeurt) Factory setting (Fabrieksinst.) Back (Terug) Na het selecteren van het menupunt Back (Terug) komt u een niveau hoger in het menu. Licht en zicht Hier kunnen de volgende functies worden in- resp. uitgeschakeld of ingesteld: Coming Home (Coming Home) In-/uitschakelen en instelling van de brandduur van de functie COMING HOME.
Tweede snelheid Hier kunt u de weergave van de tweede snelheid in mph resp. in km/h inschakelen1). De rode symbolen duiden op een gevaar (prioriteit 1), terwijl de gele een waarschuwing (prioriteit 2) aangeven. Daarnaast verschijnen in aanvulling op de symbolen aanwijzingen voor de bestuurder » pagina 22. Servicebeurt Hier kunt u het resterende aantal kilometers en dagen tot de volgende servicetermijn oproepen en de service-intervalindicatie terugzetten.
De desbetreffende functie zo snel mogelijk controleren. Betekenis van de gele symbolen: Motoroliepeil controleren, motoroliesensor defect Probleem met de motoroliedruk » pagina 29 De wagen direct door een specialist laten controleren. Samen met dit symbool wordt informatie over het maximaal toelaatbare motortoerental weergegeven. Als een geel symbool verschijnt, klinkt in sommige gevallen ook een waarschuwingstoon.
Ruitensproeiervloeistofpeil » pagina 29 Remsysteem » pagina 29 Handrem » pagina 29 Dynamo » pagina 29 Motoroliepeil » pagina 29 Brandstofreserve » pagina 30 Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten alsmede de beide controlelampjes. Meer informatie » pagina 50, Hendel voor knipperlicht en grootlicht. Mistlampen Het controlelampje brandt bij ingeschakelde mistlampen » pagina 47.
Let op Roetfilter (dieselmotor) Het roetfilter filtert de roetdeeltjes uit het uitlaatgas. De roetdeeltjes worden in het roetfilter verzameld en worden daar regelmatig verbrand. Als het controlelampje gaat branden, betekent dit dat het roetfilter door het veelvuldig rijden van korte afstanden met roet is verstopt.
ATTENTIE Als zich een storing voordoet, het airbagsysteem direct door een specialist laten controleren. Anders bestaat het gevaar dat de airbags bij een ongeval niet worden geactiveerd. Let op Als het gele controlelampje na het opnieuw starten van de motor en een korte rit dooft, hoeft geen specialist te worden opgezocht. ■ Als de accukabels zijn losgemaakt en weer aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het gele controlelampje branden.
Als het controlelampje niet dooft of tijdens het rijden gaat knipperen, is de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvloeistofpeil te laag. VOORZICHTIG Het rode oliedrukcontrolelampje werkt niet als oliepeilindicatie! Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop, worden gecontroleerd. In dit geval stoppen, de motor afzetten en het koelvloeistofpeil controleren, zo nodig koelvloeistof bijvullen.
Als tijdens het rijden een regelproces plaatsvindt, gaat het controlelampje knipperen. Als in de ESC sprake is van een storing, brandt het controlelampje continu. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Als in het ASR-systeem een storing aanwezig is, brandt het controlelampje continu. Error: stabilisation control (ESC) (Storing: Stabiliseringscontrole (ESC)) Omdat de ESC samenwerkt met het ABS, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ESC-controlelampje.
Antiblokkeersysteem (ABS) Motorkap Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact resp. tijdens het starten enkele seconden branden. Het lampje dooft als de automatische controleprocedure is voltooid. Het controlelampje brandt als de motorkap ontgrendeld is. Als tijdens het rijden de motorkap opengaat, gaat het controlelampje branden en klinkt er een akoestisch signaal.
Ruitensproeiervloeistofpeil Handrem Het controlelampje gaat branden bij ingeschakeld contact als het vloeistofpeil in de ruitensproeierinstallatie te laag is. Vloeistof bijvullen » pagina 175. Het controlelampje brandt bij aangetrokken handrem. Bovendien wordt een akoestische waarschuwing gegeven, als u met de wagen minstens 3 seconden met een snelheid van meer dan 6 km/h hebt gereden.
Als de motorkap langer dan 30 seconden geopend blijft, dooft het controlelampje. Als er geen motorolie wordt bijgevuld, gaat het controlelampje na circa 100 km weer branden. ATTENTIE Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in » pagina 49.
Openen en sluiten Sleutel Inleidende informatie VOORZICHTIG ■ Elke sleutel bevat elektronische componenten; u dient de sleutels dan ook tegen vocht en harde schokken te beschermen. ■ De groef in de sleutel absoluut schoon houden, omdat verontreinigingen (textielvezels, stof en dergelijke) de werking van de slotcilinder en van het contactslot negatief kunnen beïnvloeden. Let op Bij verlies van een sleutel contact opnemen met een ŠKODA Servicepartner, die voor een vervangende sleutel kan zorgen.
› Het batterijdeksel op de sleutel aanbrengen en aandrukken tot het hoorbaar Centrale vergrendeling vastklikt. VOORZICHTIG ■ ■ Inleidende informatie Bij het vervangen van de batterij op de juiste polariteit letten. De nieuwe batterij moet dezelfde specificaties hebben als de originele. Bij gebruik van de centrale vergrendeling en ontgrendeling worden alle portieren en de tankklep gelijktijdig vergrendeld resp.
Als de contactsleutel uit het contactslot wordt verwijderd, wordt de wagen automatisch weer ontgrendeld. Bovendien kan de wagen door de bestuurder of de bijrijder worden ontgrendeld door het indrukken van de toets voor de centrale vergrendeling » pagina 34 of door aan de slotgreep te trekken van een voorportier. De volgende keer dat de wagen wordt ont- en vergrendeld, is de safebeveiliging weer geactiveerd.
› Alle portieren (bij wagens met alarmsysteem alleen het bestuurdersportier) en Toets voor de centrale vergrendeling de tankklep worden ontgrendeld. › De achterklep wordt ontgrendeld. › De via het portiercontact geschakelde binnenverlichting gaat branden. › De safebeveiliging wordt gedeactiveerd. › De ruiten gaan open zolang de sleutel in de ontgrendelingsstand wordt gehou- Afbeelding 12 Middenconsole: Toets voor de centrale vergrendeling den.
ATTENTIE Afstandsbediening De centrale vergrendeling werkt ook bij uitgeschakeld contact. Omdat echter bij vergrendelde portieren in geval van nood hulpverlening van buitenaf wordt bemoeilijkt, moeten kinderen nooit zonder toezicht in de wagen worden achtergelaten.
Als er bij het vergrendelen van de wagen enkele portieren of de achterklep niet gesloten zijn, knipperen de knipperlichten pas na het sluiten. Wagen ont- en vergrendelen ATTENTIE Afbeelding 14 Sleutel met afstandsbediening Bij een van buitenaf vergrendelde wagen met geactiveerde safebeveiliging mogen geen personen in de wagen achterblijven, omdat van binnenuit noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend.
Hoe wordt het alarmsysteem geactiveerd? Het alarmsysteem wordt bij het vergrendelen van de wagen met de afstandsbediening of met de sleutel in het bestuurdersportier geactiveerd. De portiercontactbewaking wordt circa 15 seconden na het vergrendelen geactiveerd. De interieurbewaking en het afsleepalarm worden circa 30 seconden na het vergrendelen geactiveerd. Als bij de activering een portier geopend is, wordt de bewaking ervan pas 5 seconden na het sluiten geactiveerd.
Let op Automatische vergrendeling van de achterklep De interieurbewaking en het afsleepalarm uitschakelen als de mogelijkheid bestaat dat het alarm zal afgaan door bewegingen in het interieur (bijvoorbeeld door kinderen of huisdieren) resp. als de wagen wordt vervoerd (bijvoorbeeld per spoor of boot) of moet worden afgesleept. ■ Een geopend brillenvak veroorzaakt een verminderde werking van de interieurbewaking.
› Met behulp van een schroevendraaier of iets dergelijks de bedieningshendel Achterklep openen › Op de handgreep drukken en tegelijkertijd de achterklep optillen » Afbeelding 16. Achterklep sluiten › De achterklep omlaagzwenken en met een lichte zwaai sluiten. In de binnenbekleding van de achterklep bevindt zich een greep, die het sluiten vergemakkelijkt. Noodontgrendeling van de achterklep D tot de aanslag in pijlrichting drukken, de achterklep wordt ontgrendeld. › De achterklep openen.
› Bovendien kan de ruit automatisch worden gesloten door de schakelaar tot de Let op Als het contact wordt uitgeschakeld, kunnen de ruiten nog circa 10 minuten worden geopend of gesloten. Pas bij het openen van het bestuurders- of bijrijdersportier wordt de elektrische ruitbediening volledig uitgeschakeld. ■ Voor het ventileren van het interieur tijdens het rijden bij voorkeur gebruikmaken van het aanwezige verwarmings-, airconditioning- en ventilatiesysteem.
Ruiten openen › De betreffende schakelaar onderaan iets indrukken en zo lang ingedrukt houden, tot de ruit de gewenste stand heeft bereikt. › Bovendien kan de ruit automatisch worden geopend door de schakelaar onderaan tot de aanslag in te drukken (volledig openen). Bij het opnieuw indrukken van de schakelaar stopt de ruit direct. Comfortbediening van de ruiten ä Ruiten sluiten › De betreffende schakelaar bovenaan iets indrukken en zo lang ingedrukt houden, tot de ruit de gewenste stand heeft bereikt.
Als het schuif-/kanteldak in de comfortstand staat, is de intensiteit van het windgeruis veel lager. Elektrisch schuif-/kanteldak Het rolgordijn wordt bij het openschuiven van het dak automatisch mee geopend. Inleidende informatie VOORZICHTIG Afbeelding 20 Draaischakelaar voor het elektrische schuif-/kanteldak In de winterperiode moet u vóór het openen eventueel aanwezig ijs en sneeuw van het schuif-/kanteldak verwijderen, om beschadiging van het openingsmechanisme en de afdichting te voorkomen.
Noodbediening Afbeelding 21 Deel van de hemelbekleding / sleutelaanbrengpunt Als het systeem een storing vertoont, kan het schuif-/kanteldak met de hand worden gesloten resp. geopend. De noodbediening van het schuifdak bevindt zich onder het brillenvak 1 » Afbeelding 21. › Het brillenvak openen » Afbeelding 21. › Een 5 mm brede schroevendraaier voorzichtig in de sleuf aanbrengen op de met pijlen gemarkeerde plaatsen 1 .
ATTENTIE Licht en zicht Nooit rijden als alleen het stadslicht ingeschakeld is! Het stadslicht is niet fel genoeg om de weg voor u voldoende te verlichten of om door andere verkeersdeelnemers te worden gezien. Het dimlicht bij duisternis of slecht zicht altijd handmatig inschakelen.
Functie dagrijverlichting activeren › Maximaal 3 seconden na het inschakelen van het contact de knipperlichthendel naar het stuurwiel trekken en tegelijkertijd omhoogdrukken en ten minste 3 seconden in deze stand vasthouden.
Als de lichtschakelaar in stand staat, brandt bij ingeschakeld contact symbool naast de lichtschakelaar. Wanneer het dimlicht is geactiveerd met de lichtsensor, brandt naast de lichtschakelaar ook het symbool . ATTENTIE Als de bochtenverlichting defect is, worden de koplampen automatisch in een noodpositie gezet, die het eventueel verblinden van tegenliggers verhindert. Hierdoor wordt het verlichte gedeelte van de rijbaan kleiner. Voorzichtig rijden en direct naar een specialist rijden.
LEAVING HOME-functie inschakelen › De lichtschakelaar staat na het verlaten van de wagen in de stand automatische aansturing rijverlichting . › De wagen met de afstandsbediening ontgrendelen, de verlichting wordt ingeschakeld. Toeristisch licht ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 44 en volg deze op.
Bij ingeschakeld mistachterlicht brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje » pagina 22. Mistlampen met CORNER-functie ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 44 en volg deze op. Als de wagen met een trekhaak af fabriek of een trekhaak uit het originele ŠKODA accessoireprogramma is uitgerust en met een aanhangwagen en ingeschakeld mistachterlicht wordt gereden, brandt alleen het mistachterlicht van de aanhangwagen.
Lichtbundelhoogteverstelling Schakelaar voor alarmlichten Afbeelding 26 Dashboard: Lichtbundelhoogteverstelling ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 44 en volg deze op. De draaiknop » Afbeelding 26 naar de gewenste lichtbundelhoogte draaien. Instelstanden De standen komen ongeveer overeen met de volgende beladingstoestanden. - Wagen voorin bezet, bagageruimte leeg. 1 Wagen volledig bezet, bagageruimte leeg. 2 Wagen volledig bezet, bagageruimte beladen.
VOORZICHTIG Hendel voor knipperlicht en grootlicht Afbeelding 28 Knipperlicht- en grootlichthendel Het grootlicht resp. grootlichtsignaal alleen gebruiken als de andere verkeersdeelnemers daardoor niet worden verblind. Let op De knipperlichten werken alleen bij ingeschakeld contact. Het betreffende controlelampje of in het instrumentenpaneel knippert eveneens. ■ Na het rijden door een bocht worden de knipperlichten automatisch uitgeschakeld.
Als de bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar is ingeschakeld (schakelaar A in stand ), gaat de verlichting branden, als: Verlicht opbergvak aan bijrijderszijde › Bij het openen van de klep van het opbergvak aan bijrijderszijde gaat het lamp- › de wagen wordt vergrendeld, › een portier wordt geopend, › de contactsleutel wordt verwijderd. je in het opbergvak branden.
ATTENTIE Let op Als de instapverlichting brandt, de afdekking niet aanraken - gevaar voor verbrandingen! Als de boordspanning daalt, wordt de achterruitverwarming automatisch uitgeschakeld om de motorregeling van voldoende elektrische energie te kunnen voorzien » pagina 179, Automatische verbruikersuitschakeling. ■ Afhankelijk van de uitrusting kunnen de positie en de vorm van de schakelaar afwijken.
Ruitenwissers en -sproeiers Rolgordijn ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Ruitenwissers en -sproeiers bedienen Automatische achterruitwisser (Combi) Koplampsproeiers Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen 54 55 55 56 56 De ruitenwissers en de sproeierinstallatie werken alleen bij ingeschakeld contact en gesloten motorkap 1).
VOORZICHTIG Bij lage temperaturen en in de winter alvorens weg te rijden resp. vóór het inschakelen van het contact controleren of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren.
Bij een actieve regensensor (de hendel bevindt zich in de stand 1 ) is de functie alleen actief als de ruitenwissers voor continu wissen (geen pauze tussen de wisbewegingen). Regensensor › De hendel in stand 1 zetten. › Met de schakelaar A kunt u de gevoeligheid van de sensor individueel instellen. Activering/deactivering Wissen van de achterruit › De hendel van het stuurwiel af drukken in stand 6 , de ruitenwisser maakt elke 6 seconden een wisbeweging.
Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen Afbeelding 36 Ruitenwisserblad van de voorruit Schrapen of strepen trekken door de ruitenwisserbladen kan te wijten zijn aan wasresten die op de ruit zijn achtergebleven bij het wassen van de wagen in een automatische wasstraat. Daarom moeten steeds nadat de wagen in een automatische wasstraat is gewassen de rubbers van de ruitenwisserbladen worden ontvet.
Let op Achteruitkijkspiegels De zelfdimmende spiegel functioneert alleen storingsvrij, als het rolgordijn zich opgerold in de behuizing bevindt resp. als de lichtinval op de binnenspiegel niet door andere obstakels wordt beïnvloed. ■ Geen stickers voor de lichtsensor plakken, zodat de zelfdimfunctie niet wordt beïnvloed of geblokkeerd. ■ Wanneer de zelfdimfunctie van de binnenspiegel wordt uitgeschakeld, wordt ook de zelfdimfunctie van de buitenspiegels uitgeschakeld.
Bediening uitschakelen › De draaiknop in stand zetten. Beide buitenspiegels met de draaiknop inklappen › De draaiknop in stand zetten. De spiegels worden teruggeklapt in de rijstand, als de draaiknop vanuit stand in een andere stand wordt gezet. Het inklappen van beide buitenspiegels is alleen mogelijk bij ingeschakeld contact en een snelheid tot 15 km/h.
ATTENTIE (vervolg) Zitten en opbergen Voorstoelen ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Voorstoelen handmatig instellen Voorstoelen elektrisch verstellen Instelling opslaan Sleutel met radiografische afstandsbediening toewijzen aan de geheugentoets Stoel- en buitenspiegelinstellingen oproepen 60 60 61 61 62 De bestuurdersstoel moet zodanig zijn ingesteld dat de pedalen met licht gebogen knieën geheel kunnen worden ingetrapt.
Voorstoelen handmatig instellen Voorstoelen elektrisch verstellen Afbeelding 40 Bedieningselementen van de stoel ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 59 en volg deze op. Afbeelding 41 Bedieningselementen voor elektrische stoelverstelling ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 59 en volg deze op.
Let op Instelling opslaan Elke keer dat een nieuwe instelling onder dezelfde toets wordt opgeslagen, worden de bestaande instellingen gewist. ■ Elke keer dat de stoel- en buitenspiegelinstellingen voor het vooruitrijden opnieuw worden opgeslagen, moet ook de individuele instelling van de rechterbuitenspiegel voor het achteruitrijden opnieuw worden opgeslagen.
Stoelverwarming Stoel- en buitenspiegelinstellingen oproepen ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 59 en volg deze op. Via de geheugentoets oproepen › Geheugen-tipautomaat: De gewenste geheugentoets B » Afbeelding 42 kort indrukken. De stoel en de buitenspiegels worden automatisch in de opgeslagen stand gezet (dat geldt alleen als het contact is ingeschakeld en de snelheid lager dan 5 km/h is).
ATTENTIE Hoofdsteunen Bij beperkte pijn- en/of temperatuurwaarneming, bijvoorbeeld door medicijngebruik, door verlamming of door chronische ziekte (bijvoorbeeld diabetes), raden wij aan geheel af te zien van het gebruik van de stoelverwarming. Het kan leiden tot moeilijk te genezen verbrandingen aan rug, zitvlak en benen.
Hoofdsteun instellen, uit- en inbouwen Middelste hoofdsteun achterin Afbeelding 45 Zitplaatsen achterin: Middelste hoofdsteun Afbeelding 44 Hoofdsteun: Instellen / uitbouwen ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 63 en volg deze op. Hoogte van de hoofdsteunen instellen › De hoofdsteun aan de zijkant met beide handen vastpakken en in de gewenste stand omhoog schuiven » Afbeelding 44 - .
ATTENTIE Zitplaatsen achterin Na het terugklappen van de rugleuningen moeten de gordelsloten en veiligheidsgordels zich in de uitgangspositie bevinden - ze moeten klaar voor gebruik zijn. ■ De rugleuningen moeten correct vergrendeld zijn, zodat bij plotselinge remmanoeuvres geen voorwerpen uit de bagageruimte in de passagiersruimte kunnen schuiven - gevaar voor verwondingen! ■ Let erop dat de rugleuningen goed vergrendeld zijn. Alleen dan kan de 3puntsgordel voor de middelste zitting goed zijn werk doen.
Naar voren klappen › Zitting in pijlrichting 1 » Afbeelding 47 omhoogtrekken en in pijlrichting 2 naar voren klappen. Bagageruimte ä Uitbouwen › De zitting naar voren klappen › De draadbeugel in pijlrichting » Afbeelding 47 - drukken en de zitting uit de bevestiging verwijderen.
ATTENTIE Voorwerpen in de bagageruimte opbergen en deze met de bevestigingsogen bevestigen. ■ Losse voorwerpen kunnen bij een plotselinge manoeuvre alsmede bij ongevallen door het interieur rondvliegen en de inzittenden of andere verkeersdeelnemers zware verwondingen toebrengen. Dit gevaar voor verwondingen wordt nog eens extra vergroot als rondvliegende voorwerpen worden geraakt door een activerende airbag. In dit geval kunnen de teruggeslingerde voorwerpen de inzittenden verwonden - levensgevaar.
VOORZICHTIG Uitklapbare haak (Combi) De maximale toelaatbare belasting van de bevestigingsogen bedraagt 3,5 kN (350 kg). Afbeelding 51 Bagageruimte: Uitklapbare haak Let op De bovenste voorste bevestigingsogen bevinden zich achter de neerklapbare achterbankleuning » Afbeelding 49. Uitklapbare dubbele haak ä Afbeelding 50 Bagageruimte: uitklapbare dubbele haak Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 66 en volg deze op.
Bagagenetten Bagageruimtebodem bevestigen Afbeelding 52 Bagagenet: Dwarstas / langstas Afbeelding 53 Bagageruimte: Bevestiging van de bagageruimtebodem ä ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 66 en volg deze op. Bevestigingsvoorbeelden voor bagagenet als dwarstas » Afbeelding 52 - en langstas » Afbeelding 52 - . Op de bagageruimtebodem bevindt zich een lus resp. een haak (Combi).
ATTENTIE ATTENTIE In het bagagenet mogen alleen zachte voorwerpen worden meegenomen tot maximaal 1,5 kg. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd gevaar voor verwondingen! Op de hoedenplank mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij een aanrijding. VOORZICHTIG VOORZICHTIG In het bagagenet geen scherpe voorwerpen opbergen, omdat deze het bagagenet kunnen beschadigen.
› Het deel met de bevestiging optillen en vergrendelen door dit in de met pijlen Uitbouwen › Voor het vervoeren van grotere voorwerpen kan de volledig opgerolde bagageruimteafdekking worden uitgebouwd door op de zijkant van de dwarsstang in pijlrichting 3 » Afbeelding 56 te drukken en de bagageruimteafdekking in pijlrichting 4 te verwijderen. gemarkeerde sleuven te schuiven » Afbeelding 57.
ä Scheidingsnet (Combi) ä Eruit trekken › De opbergvakafdekking D » Afbeelding 59 achter de achterbank wegklappen. › Het scheidingsnet aan lip A uit behuizing B in de richting van de bevestigingen C trekken. › De dwarsstang in een van de steunen C plaatsen en naar voren drukken. › Op dezelfde wijze de dwarsstang aan de andere wagenzijde in de steun C plaatsen. › De opbergvakafdekking D omlaag klappen.
› De dwarsstang eerst aan de ene zijde in steun C plaatsen en naar voren drukken. › Op dezelfde wijze de dwarsstang aan de andere wagenzijde in de steun C plaatsen. Oprollen › De dwarsstang eerst aan de ene en daarna aan de andere zijde iets naar achteren trekken en uit de steunen C » Afbeelding 60 nemen. › De dwarsstang zo houden, dat het scheidingsnet in behuizing B langzaam en zonder beschadiging kan oprollen. › De achterbank in de uitgangspositie terugklappen.
Milieu-aanwijzing Daklast Door de hogere luchtweerstand neemt het brandstofverbruik toe. ä Let op Voor een wagen die af fabriek niet is uitgevoerd met een dakreling, is deze verkrijgbaar uit het originele ŠKODA accessoireprogramma. Afbeelding 62 Bevestigingspunten voor basisdragers Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 73 en volg deze op.
ATTENTIE ATTENTIE Nooit hete bekers in de bekerhouders plaatsen. Als de wagen rijdt, kan hete drank worden gemorst - gevaar voor brandwonden! ■ Geen breekbare bekers (bijvoorbeeld glas, porselein) gebruiken. Bij een ongeval kan dit tot letsel leiden. Nooit brandbare voorwerpen in de asbak leggen - brandgevaar! ■ Asbak achterin - lage middenconsole VOORZICHTIG Tijdens het rijden geen open bekers in de bekerhouder laten staan.
Sigarettenaansteker, 12 volt stopcontact Asbak achterin - hoge middenconsole Sigarettenaansteker Afbeelding 66 Hoge middenconsole: Asbak achterin Afbeelding 67 Middenconsole: Sigarettenaansteker Asbak openen A » Afbeelding 66 op het bovenste gedeelte van het deksel van de asbak drukken. › Bij Sigarettenaansteker bedienen › De knop van de sigarettenaansteker indrukken » Afbeelding 67. › Wachten tot de knop terugspringt. › De sigarettenaansteker direct uitnemen en gebruiken.
Afbeelding 68 Bagageruimte: Stopcontact Overzicht van de 12 volt stopcontacten In de middenconsole voorin » Afbeelding 67. In de bagageruimte » Afbeelding 68. Stopcontact gebruiken › De afdekking van het stopcontact resp. de sigarettenaansteker verwijderen of de afdekking van het stopcontact openen. › De stekker van de elektrische verbruiker in het stopcontact steken. Zie voor verdere aanwijzingen » pagina 187, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen.
ATTENTIE Opbergvak aan bijrijderszijde koelen Niets op het dashboard leggen. Daarop neergelegde voorwerpen zouden tijdens het rijden (bij accelereren of rijden in de bocht) kunnen verschuiven of vallen en uw aandacht van de verkeerssituatie afleiden - gevaar voor ongevallen! ■ Let erop dat er tijdens het rijden geen voorwerpen vanuit de middenconsole of vanuit andere opbergvakken in de voetenruimte van de bestuurder terecht kunnen komen.
ATTENTIE Opbergvak voorin de middenconsole Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd gesloten zijn. Afbeelding 73 Middenconsole voorin: Opbergvak Opbergvak in het dashboard Afbeelding 72 Dashboard: Opbergvak › Bij A » Afbeelding 73 op het onderste deel van het deksel van het opbergvak drukken, het deksel klapt open.
VOORZICHTIG Opbergvak in de voorportieren In het bagagenet geen scherpe voorwerpen opbergen, omdat deze het bagagenet kunnen beschadigen. Afbeelding 76 Opbergvak in de voorportieren Brillenvak Afbeelding 75 Deel van de hemelbekleding: Brillenvak Bij B » Afbeelding 76 van het opbergvak van het voorportier bevindt zich een flessenhouder.
Luchtinlaat sluiten › De sluiting A tot de aanslag omlaagtrekken. ATTENTIE Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd gesloten zijn. Bij wagens met airconditioning is het opbergvak uitgerust met een afsluitbare inlaat voor geklimatiseerde lucht. Uit de geopende luchtinlaat stroomt lucht in het opbergvak met een temperatuur die overeenkomt met de instelling van de bedieningselementen van de airconditioning en de klimatologische omstandigheden.
Openen vanuit de passagiersruimte Opbergvak achterin de middenconsole › De armsteun achter aan de lus naar beneden klappen » pagina 66. › De handgreep tot de aanslag naar boven trekken » Afbeelding 81 - en het deksel omlaagklappen. Afbeelding 80 Middenconsole achterin: Opbergvak Openen vanuit de bagageruimte › De ontgrendelingsknop 1 » Afbeelding 81 - naar beneden schuiven en het deksel (met de armsteun) naar voren klappen.
Vastzetten › De trekband A aan het vrije uiteinde vóór de bindingen stevig om de ski's vastmaken » Afbeelding 82. › De rugleuning iets naar voren klappen. › De bevestigingsriem B door de opening in de rugleuning om de bovenzijde van de rugleuning leiden. › Vervolgens de rugleuning terugklappen tot de grendelknop vastklikt - dit controleren door aan de rugleuning te trekken. › De bevestigingsriem B in het slot C steken tot hij hoorbaar vastklikt.
De parkeertickethouder dient bijvoorbeeld voor het bevestigen van het parkeerticket op parkeerplaatsen waar moet worden betaald. ATTENTIE In het opbergvak alleen kleine en lichte voorwerpen leggen tot een maximumgewicht van 3 kg. Zware voorwerpen kunnen bij een ongeval uit het vak vliegen - gevaar voor verwondingen! Om deze reden moet het opbergvak altijd afgedekt zijn door het voorste deel van de bagageruimteafdekking.
Verwarming en airconditioning Verwarming en airconditioning Inleidende informatie Het verwarmingsvermogen is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, het volledige verwarmingsvermogen wordt daarom pas bij bedrijfswarme motor bereikt. Bij ingeschakelde koelfunctie worden de temperatuur en de luchtvochtigheid in het interieur van de wagen verlaagd. Hierdoor wordt bij hoge buitentemperaturen en hoge luchtvochtigheid het comfort van de inzittenden verhoogd.
Luchtroosters Luchtuitstroomrichting wijzigen › Om de hoogte van de luchtstroom te wijzigen het rooster van de luchtroosters met het verticale kartelwiel naar boven of naar beneden draaien » Afbeelding 86. › Om de luchtstroom in horizontale richting te wijzigen het horizontale kartelwiel van het luchtrooster naar rechts of links draaien. De kartelwielen bevinden zich op de luchtroosters 3, 4 » Afbeelding 86 en 6 » Afbeelding 87.
Verwarming › De aanjagerschakelaar B in stand 0 draaien om de aanjager uit te schakelen. › Om de toevoer van frisse lucht te sluiten, de toets 1 gebruiken. Bediening Luchtverdeling regelen › Met de luchtverdeelregelaar C » Afbeelding 88 wordt de luchtuitstroomrichting geregeld. Achterruitverwarming › De toets 2 » Afbeelding 88 indrukken. Meer informatie » pagina 52.
Instelling Stand van de draaiknop A B C Voorruit en zijruiten ontdooien Tot de aanslag naar rechts 3 Voorruit en zijruiten ontwasemen Gewenste temperatuur 2 of 3 De snelste verwarming Tot de aanslag naar rechts 3 Aangename verwarming Gewenste temperatuur 2 of 3 Frisse lucht - ventilatie Tot de aanslag naar links Gewenste stand Let op ■ ■ ■ Bedieningselementen A » Afbeelding 88, B , C en de toets 1 . Luchtroosters 3 » pagina 86.
› Door opnieuw op de toets AC te drukken, wordt de koelfunctie uitgeschakeld, het controlelampje in de toets gaat uit. Let op Wij adviseren u de airconditioning eenmaal per jaar door een specialist te laten reinigen. Bediening Achterruitverwarming 2 » Afbeelding 89 indrukken. Meer informatie » pagina 52. › De toets Extra verwarming (interieurvoorverwarming) › De toets 3 » Afbeelding 89 indrukken om de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) rechtstreeks in of uit te schakelen.
Airconditioning instellen Aanbevolen basisinstellingen van de bedieningselementen van de airconditioning voor de betreffende bedrijfsfuncties: Instelling Voorruit en zijruiten ontdooien ontwasemena) De snelste verwarming Aangename verwarming De snelste afkoeling Optimale koeling Frisse lucht - ventilatie a) b) Stand van de draaiknop Toets A B C Gewenste temperatuur 3 of 4 Tot de aanslag naar rechts 3 Gewenste temperatuur 2 of 3 Tot de aanslag naar Kort 4, dan 2 of 3 links Gewenste
Climatronic (automatische airconditioning) Overzicht van de bedieningselementen Inleidende informatie De Climatronic houdt een ingestelde comforttemperatuur volledig automatisch constant. Daartoe worden de temperatuur van de uitstromende lucht, de aanjagerstanden en de luchtverdeling automatisch gewijzigd. Het systeem houdt ook met sterke zonnestralen rekening, zodat het niet nodig is het systeem met de hand bij te stellen.
› Door opnieuw op de toets AC 13 te drukken wordt de koelfunctie uitgeschakeld. Het controlelampje in de toets gaat uit. Alleen de ventilatiefunctie blijft actief, waardoor geen lagere temperatuur dan de buitentemperatuur kan worden bereikt. Let op Onder de bovenste reeks toetsen bevindt zich de interieurtemperatuursensor. De sensor niet afplakken of afdekken, omdat anders de werking van de Climatronic ongunstig wordt beïnvloed.
de circulatiefunctie automatisch uitgeschakeld, waardoor weer frisse lucht naar het interieur kan stromen. In de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en weer in het interieur geleid. Als de automatische circulatiefunctie is ingeschakeld, meet een sensor voor luchtkwaliteit de concentratie schadelijke stoffen in de aangezogen lucht. Aanjager regelen De Climatronic regelt de aanjagerstanden automatisch afhankelijk van de interieurtemperatuur.
Let op Extra verwarming (interieurvoorverwarming en ventilatie) ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Rechtstreeks in- en uitschakelen Systeeminstellingen Radiografische afstandsbediening Batterij van de radiografische afstandsbediening vervangen 95 95 96 96 Extra verwarming (interieurvoorverwarming) De extra verwarming (interieurvoorverwarming) werkt in combinatie met de airconditioning resp. Climatronic.
Het geactiveerde systeem wordt na afloop van de inschakelduur uitgeschakeld of kan eerder worden uitgeschakeld door het indrukken van de toets voor rechtstreeks in- of uitschakelen van de extra verwarming » pagina 95 resp. via de radiografische afstandsbediening.
Radiografische afstandsbediening Afbeelding 92 Extra verwarming: Radiografische afstandsbediening ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 94 en volg deze op. › Inschakelen: op de toets ON » Afbeelding 92 drukken. › Uitschakelen: op de toets OFF drukken. De zender en de batterij zijn ondergebracht in de behuizing van de radiografische afstandsbediening. De ontvanger bevindt zich in het interieur.
Let op ■ ■ Bij het vervangen van de batterij op de juiste polariteit letten. De nieuwe batterij moet dezelfde specificaties hebben als de originele.
ATTENTIE (vervolg) Wegrijden en rijden Motor starten en afzetten ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Stand van het stuurwiel instellen Elektromechanische stuurbekrachtiging Elektronische wegrijbeveiliging (wegrijblokkering) Contactslot Motor starten Motor afzetten 99 99 99 100 100 100 ATTENTIE Het stuurwiel nooit tijdens het rijden verstellen, maar alleen als de wagen stilstaat! ■ Een afstand tot het stuurwiel van ten minste 25 cm 1 aanhoude
Let op Elektromechanische stuurbekrachtiging De motor kan alleen met een correct gecodeerde en originele ŠKODA-sleutel worden gestart. ■ Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid te horen zijn. Dat is een normaal verschijnsel en geen reden om u zorgen te maken. ■ Nadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator ook bij uitgeschakeld contact nog circa 10 minuten verder draaien.
Wagens met dieselmotor zijn met een voorgloeisysteem uitgerust. Na het inschakelen van het contact gaat het controlelampje voorgloeitijd branden . Direct na het doven van het controlelampje voorgloeitijd moet de motor worden gestart. Contactslot Afbeelding 94 Standen van de sleutel in het contactslot ä Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - de accu wordt anders onnodig belast.
Stabiliseringscontrole (ESC) Antiblokkeersysteem (ABS) Aandrijfslipregeling (ASR) Elektronisch sperdifferentieel (EDS en XDS) 102 103 103 104 ATTENTIE De rembekrachtiger werkt alleen als de motor draait. Wanneer de motor is afgezet is meer kracht nodig om te remmen - gevaar voor ongevallen! ■ Bij het stoppen of remmen met een wagen met benzinemotor en schakelbak bij lage toerentallen het koppelingspedaal intrappen.
Vocht of strooizout De remmen kunnen vertraagd aangrijpen vanwege vochtige resp. in de winter bevroren of met een zoutlaag bedekte remschijven en remblokken. De remmen moeten worden gereinigd en gedroogd door enkele keren te remmen. Handrem loszetten › De handremhendel iets omhoogtrekken en tegelijkertijd de grendelknop » Afbeelding 95 indrukken. › De hendel met ingedrukte grendelknop volledig omlaag bewegen.
Het ESC-systeem kan niet worden uitgeschakeld. Met de toets » Afbeelding 96 wordt alleen de ASR uitgeschakeld, waarbij het controlelampje in het instrumentenpaneel gaat branden. Tijdens een ingreep van het systeem knippert het controlelampje in het instrumentenpaneel. Bij een storing van de ESC brandt in het instrumentenpaneel het ESC-controlelampje » pagina 27.
De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Alleen in bepaalde uitzonderingssituaties kan het zinvol zijn het systeem uit te schakelen, bijvoorbeeld: › bij het rijden met sneeuwkettingen, › bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond, › bij het "losschommelen" van de vastgereden wagen. Schakelen (schakelbak) Afbeelding 98 Schakelschema: 5-versnellings schakelbak of 6-versnellings schakelbak Vervolgens moet de ASR weer worden ingeschakeld.
Alleen vloermatten gebruiken uit het originele ŠKODA accessoireprogramma die aan twee bevestigingspunten zijn bevestigd. Bij navigatiesystemen en enkele af fabriek ingebouwde radio's wordt de afstand tot het obstakel tegelijkertijd grafisch op het display weergegeven, zie het instructieboekje van de radio resp. het navigatiesysteem.
ATTENTIE ATTENTIE (vervolg) Oppervlakken van bepaalde voorwerpen en van kleding kunnen de signalen van de parkeerhulp niet altijd reflecteren. Daarom kunnen deze voorwerpen of personen die dergelijke kleding dragen, niet door de sensoren van de parkeerhulp worden herkend. ■ Externe geluidsbronnen kunnen een storend effect hebben op de parkeersensoren. Onder ongunstige omstandigheden kunnen voorwerpen of mensen eventueel niet herkend worden.
› Als de tuimelschakelaar in de stand RES wordt gehouden, wordt de snelheid Snelheid opslaan voortdurend verhoogd. Na het bereiken van de gewenste snelheid de tuimelschakelaar loslaten. Daardoor wordt de nieuw opgeslagen snelheid in het geheugen bewaard. Afbeelding 100 Knipperlicht- en grootlichthendel: Tuimelschakelaar en schakelaar van het snelheidsregelsysteem ä Snelheid verlagen › De opgeslagen snelheid kan door tuimelschakelaar B in de stand SET te drukken worden verlaagd.
Start-stopsysteem Afbeelding 101 Toets voor het start-stopsysteem Het start-stopsysteem ondersteunt u bij het besparen van brandstof en het verminderen van de emissie van schadelijke stoffen en CO2. De functie wordt elke keer als het contact wordt ingeschakeld automatisch geactiveerd. In de start-stopfunctie wordt de motor bij stilstand van de wagen automatisch afgezet, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht.
Meldingen in het instrumentenpaneel (geldt voor wagens zonder informatiedisplay) ERROR START STOP Storing in het start-stopsysteem (FOUT START STOP) START STOP NOT POSSIBLE (START STOP NIET MOGELIJK) Automatische motoruitschakeling niet mogelijk START STOP ACTIVE (START STOP ACTIEF) Automatische motoruitschakeling (stop-fase) SWITCH OFF IGNITION (CONTACT UITSCHAKELEN) Het contact uitschakelen. START MANUALLY (HANDM STARTEN) De motor handmatig starten.
ATTENTIE (vervolg) Automatische versnellingsbak verhit raken. Bij gevaar voor oververhitting van de koppeling als gevolg van overbelasting zou de koppeling automatisch openen en zou de wagen achteruit rollen - gevaar voor ongevallen! ■ Wanneer op een helling moet worden gestopt, het rempedaal intrappen en vasthouden, zodat de wagen niet kan terugrollen.
Bij het parkeren op een vlakke weg is het voldoende keuzehendelstand P in te schakelen. Op een helling moet eerst de handrem stevig worden aangetrokken en pas dan de parkeerstand worden ingeschakeld. Hiermee wordt bereikt dat het blokkeermechanisme niet te zwaar wordt belast en dat de keuzehendel gemakkelijker uit stand P kan worden genomen.
Als de keuzehendel vanuit stand N (wanneer de hendel langer dan 2 seconden in deze stand heeft gestaan) in stand D of R wordt gezet, moet bij snelheden onder 5 km/h evenals bij stilstaande wagen en ingeschakeld contact het rempedaal worden ingetrapt. De tiptronic biedt de mogelijkheid om handmatig via de keuzehendel of het multifunctiestuurwiel te schakelen. Omschakelen naar handmatig schakelen › De keuzehendel vanuit stand D naar rechts drukken.
kelijk van de rijomstandigheden een of meerdere versnellingen terug en de wagen accelereert. Het overschakelen naar een hogere versnelling gebeurt pas als het maximaal voorgeschreven motortoerental wordt bereikt. Keuzehendelvergrendeling ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 110 en volg deze op. Dynamisch schakelprogramma Automatische keuzehendelvergrendeling De keuzehendel is in de standen P en N bij ingeschakeld contact geblokkeerd.
› Tegelijkertijd de vergrendeltoets in de keuzehendel indrukken en de hendel in Bij functiestoringen van de elektronica van de versnellingsbak werkt de versnellingsbak in een overeenkomstig noodprogramma. Alle displaysegmenten gaan daarbij branden of gaan uit. stand N zetten (als de keuzehendel weer in stand P wordt gezet, wordt deze opnieuw vergrendeld).
ATTENTIE (vervolg) Communicatie Het gebruik van mobiele telefoons of communicatiesystemen in de wagen zonder buitenantenne resp. een verkeerd gemonteerde buitenantenne kan tot een toename van de sterkte van het elektromagnetische veld in het interieur van de wagen leiden. ■ Communicatiesystemen, mobiele telefoons resp. houders daarvan mogen niet bij de afdekkingen van de airbags of nabij het werkingsgebied van de airbags gemonteerd worden.
Telefoon op het multifunctiestuurwiel bedienen Om de bestuurder bij het bedienen van de telefoon zo weinig mogelijk van het verkeer af te leiden, zijn op het stuurwiel toetsen aangebracht voor de eenvoudige bediening van de basisfuncties van de telefoon » Afbeelding 105. Dit geldt echter alleen als uw wagen af fabriek met de universele telefoonvoorbereiding (handsfreeset) is uitgerust. De toetsen bedienen de functies voor de bedrijfsfunctie waarin de telefoon zich op dat moment bevindt.
Symbolen op het informatiedisplay Symbool Geldigheid GSM II, GSM III Signaalsterktea) GSM II, GSM III Een telefoon is verbonden met de handsfreeset. GSM II, GSM III bij verbinding via het HFP-profiel De handsfreeset is zichtbaar voor andere apparaten. GSM II, GSM III bij verbinding via het HFP-profiel Een telefoon is verbonden met de handsfreeset. GSM III bij verbinding via het rSAP-profiel De handsfreeset is zichtbaar voor andere apparaten.
De universele telefoonvoorbereiding GSM II omvat de volgende functies. › Intern telefoonboek » pagina 117. › Comfortbediening van de telefoon via het multifunctiestuurwiel » pagina 116. › Bedienen van telefoongesprekken met behulp van de adapter » pagina 119. › Bediening van de telefoon via het informatiedisplay » pagina 120. › Spraakbediening van de telefoon » pagina 124. › Muziekweergave van de telefoon of andere multimedia-apparaten » pagina 126.
Verbindingsproblemen oplossen Adapter met de telefoon verwijderen › De vergrendelingen aan de zijkanten van de houder » Afbeelding 106 tegelijkertijd indrukken en de adapter met de telefoon verwijderen. Als het systeem de melding No paired phone found (Geen verbonden tel. gevonden) geeft, de bedrijfstoestand van de mobiele telefoon controleren.
Telefoon via het informatiedisplay bedienen In het menu Phone (Telefoon) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd. ■ Phone book (Telefoonboek) ■ Dial number (Nummer kiezen)1) ■ Call register (Oproeplijsten) ■ Voice mailbox (Voicemailbox) ■ Bluetooth (Bluetooth)1) ■ Settings (Instellingen)2) ■ Back (Terug) Phone book (Telefoonboek) In het menupunt Phone book (Telefoonboek) bevindt zich de lijst met contacten die uit het telefoongeheugen en van de simkaart van de mobiele telefoon zijn gedownload.
› Het contact inschakelen. › Op het informatiedisplay het menu Phone (Telefoon) - New user (Nwe. gebrui- De universele telefoonvoorbereiding GSM III omvat de volgende functies. › Intern telefoonboek » pagina 117. › Comfortbediening via het multifunctiestuurwiel » pagina 116. › Bediening van de telefoon via het informatiedisplay » pagina 122. › Spraakbediening van de telefoon » pagina 124. › Muziekweergave van de telefoon of andere multimedia-apparaten » pagina 126. › Internetverbinding » pagina 124.
Verbinding verbreken › Door het verwijderen van de sleutel uit het contactslot (tijdens een telefoongesprek wordt de verbinding niet verbroken). › Door het verbreken van de verbinding met de handsfreeset in de mobiele telefoon. › Door het verbreken van de verbinding met de gebruiker op het informatiedisplay in het menu Bluetooth (Bluetooth) - User (Gebruiker) - Gebruiker selecteren - Disconnect (Verbreken).
Messages (Berichten)1) In het menu Messages (Berichten) staat een lijst van ontvangen tekstberichten.
› In de lijst van gevonden apparaten de handsfreeset (standaard "SKODA_BT") Network mode (Netwerkmodus) GSM (GSM) Automatic (Automatisch) ■ SIM mode (Simmodus) - geldt voor telefoons met het rSAP-profiel, die het simultaan gebruik van twee simkaarten ondersteunen - U heeft de keuze welke simkaart met de handsfreeset moet worden verbonden ■ Change (Wisselen) ■ Phone Mode (Telefoonmodus) - wisselen tussen de rSAP-modus en de HFPmodus ■ Premium (Premium) - rSAP-modus ■ Handsfree (Handsfree) - HFP-modus Off ti
Spraakbediening inschakelen - GSM II › door kort indrukken van de toets » Afbeelding 107 op de adapter1), › door kort op toets 1 op het multifunctiestuurwiel » pagina 116, Telefoon op het multifunctiestuurwiel bedienen te drukken.
Een eigen spraakvermelding kan ook met behulp van de spraakbediening in het menu MEER OPTIES worden opgeslagen. Spraakcommando's - GSM III Standaard spraakcommando's Spraakcommando Handeling HELP Na dit commando geeft het systeem alle mogelijke commando's weer. NAAM BELLEN Na dit commando kan een naam worden ingevoerd om een verbinding met de gewenste gesprekspartner tot stand te brengen.
Radio en navigatiesysteem op het multifunctiestuurwiel bedienen De radio en het navigatiesysteem kunnen natuurlijk ook nog steeds op het apparaat zelf worden bediend. Een beschrijving vindt u in het bijbehorende instructieboekje. Als het stadslicht ingeschakeld is, zijn ook de toetsen van het multifunctiestuurwiel verlicht. De toetsen gelden voor de functie waarin de radio resp. het navigatiesysteem zich op dat moment bevindt. Door de toetsen in te drukken resp.
Toets 6 6 a) Handeling Radio, verkeersmelding Cd/cd-wisselaar/mp3 Naar boven draaien Weergave van de opgeslagen/ontvangbare zenders Naar boven bladeren Onderbreken van de verkeersmelding Wisselen naar de vorige titel Naar beneden draaien Weergave van de opgeslagen/ontvangbare zenders Naar beneden bladeren Onderbreken van de verkeersmelding Wisselen naar de volgende titel Navigatie Geen functie Geldt voor het navigatiesysteem Columbus.
› Op de betreffende toets D drukken. De cd wordt uitgeschoven. Alle cd's verwijderen › De toets A » Afbeelding 109 langer dan 2 seconden ingedrukt houden om de cd's uit te schuiven. Alle cd's in de cd-wisselaar worden na elkaar uitgeschoven. Let op De cd altijd met de bedrukte zijde naar boven in de cd-opening B » Afbeelding 109 aanbrengen. ■ De cd nooit met geweld in de cd-opening drukken, de cd wordt automatisch naar binnen getrokken.
De volgende opsomming omvat een deel van de veiligheidsuitrustingen in uw wagen: Veiligheid › 3-puntsgordels voor alle stoelen, › gordelspankrachtbegrenzers voor voorstoelen en buitenste zitplaatsen achter- Passieve veiligheid in, › gordelspanners voor de voorstoelen, › hoogteverstelling voor de veiligheidsgordels van de voorstoelen, › voorairbag voor de bestuurder en de bijrijder, › zij-airbags, › hoofdairbags, › bevestigingspunten voor kinderzitjes met het ISOFIX-systeem, › bevestigingspunten voor ki
› De juiste zithouding innemen » pagina 131, Juiste zithouding. Uw passagiers er- op wijzen de juiste zithouding in te nemen. › De veiligheidsgordel juist omgespen. Ook de passagiers erop wijzen de veiligheidsgordels juist om te gespen » pagina 134, Veiligheidsgordels. ATTENTIE Wat beïnvloedt de rijveiligheid? ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 130 en volg deze op. Als bestuurder draagt u de verantwoordelijkheid voor uzelf en uw passagiers.
Voor de veiligheid van de bijrijder en om het gevaar voor verwondingen bij een ongeval te verminderen, adviseren wij de volgende instelling. Juiste zithouding van de bestuurder › De bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven. De bijrijder moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhouden, zodat de airbag bij een activering de grootst mogelijke veiligheid biedt.
verantwoordelijkheid voor uzelf, voor alle passagiers en in het bijzonder voor kinderen. Nooit toestaan dat iemand tijdens het rijden een verkeerde zithouding inneemt in de wagen. De volgende opsomming omvat voorbeelden van zithoudingen die ernstig lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben met zelfs dodelijke afloop. Deze opsomming is niet volledig. Wij willen u hiermee attenderen op dit onderwerp.
ATTENTIE Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels ä Inleiding voor het onderwerp Afbeelding 111 Bestuurder met omgegespte veiligheidsgordel In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding Veiligheidsgordels omgespen en losmaken Hoogteverstelling veiligheidsgordels bij de voorstoelen Gordelspanner 135 136 137 137 Correct omgegespte veiligheidsgordels bieden een goede bescherming bij ongelukken.
ä ATTENTIE (vervolg) De veiligheidsgordels voor de zitplaatsen achterin kunnen alleen goed functioneren als de achterbankrugleuning correct is vergrendeld » pagina 65, Zitplaatsen achterin. ■ De gordelband moet schoon worden gehouden. Een vervuilde veiligheidsgordel kan de werking van de veiligheidsgordel negatief beïnvloeden » pagina 164, Veiligheidsgordels. ■ De veiligheidsgordels mogen niet worden uitgebouwd en op geen enkele manier worden gewijzigd.
Veiligheidsgordels omgespen en losmaken Een kunststofknop in de gordel houdt de gordelgesp zo dat hij makkelijk kan worden vastgepakt. Voor de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels is het gordelverloop van groot belang . Het schoudergordeldeel mag nooit over de hals lopen, maar moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en goed tegen het bovenlichaam aanliggen.
ATTENTIE Hoogteverstelling veiligheidsgordels bij de voorstoelen Alle werkzaamheden aan het systeem evenals het uit- en inbouwen van systeemonderdelen vanwege andere reparatiedoeleinden mogen alleen door een specialist worden uitgevoerd. ■ De beschermende werking van het systeem is slechts beperkt tot één aanrijding. Als de gordelspanners werden geactiveerd, moet het systeem worden vervangen.
Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Inleidende informatie De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd. Elke keer wanneer het contact wordt ingeschakeld, gaat het airbagcontrolelampje enkele seconden » pagina 24 branden. Het opblazen van de airbag vindt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid plaats, om bij een ongeval extra bescherming te kunnen bieden.
Bij minder ernstige frontale botsingen en aanrijdingen van opzij of van achteren en het kantelen of over de kop slaan van de wagen worden de airbags niet geactiveerd. Voorairbags ä Activeringsfactoren De voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden van het airbagsysteem kunnen niet exact worden gedefinieerd. Een belangrijke rol hierbij spelen bijvoorbeeld factoren zoals de aard van het obstakel dat door de wagen wordt geraakt (hard, zacht), de botsingshoek, rijsnelheid enzovoort.
Elke inbouwplaats is gemarkeerd met de tekst "AIRBAG". ATTENTIE (vervolg) geactiveerde bijrijdersvoorairbag zwaar gewond raken of zelfs worden gedood. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. ■ Het stuurwiel en het oppervlak van de airbageenheid in het dashboard aan bijrijderszijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken.
ATTENTIE (vervolg) Zij-airbags Altijd zorgen voor afgedekte of opgevulde openingen als er extra luidsprekers of andere uitrustingsonderdelen in de portierbekleding aan de binnenzijde zijn ingebouwd. ■ Werkzaamheden altijd laten uitvoeren door een ŠKODA Servicepartner of door een specialist. ■ Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. In de zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen laten zitten.
De zij-airbags zijn in de rugleuningvulling van de voorstoelen ondergebracht » Afbeelding 119. ATTENTIE Op de plaats waar de hoofdairbags naar buiten komen mogen zich geen voorwerpen bevinden, zodat de airbags zich ongehinderd kunnen ontvouwen. ■ Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. In de zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen laten zitten. Bovendien mogen voor het ophangen van kleding geen kledinghangers worden gebruikt.
Bij activering dekken de airbags het gehele zijruit- en portierstijlgedeelte af » Afbeelding 122. Beschrijving van de hoofdairbags De botsing van het hoofd met delen van het interieur of voorwerpen buiten de wagen wordt gedempt door de opgeblazen hoofdairbag. Door de verminderde belasting en de minder krachtige bewegingen van het hoofd wordt bovendien de belasting van de nek verminderd.
› Met de sleutel de sleuf van de sleutelschakelaar in de stand Als de airbag met de sleutelschakelaar in het opbergvak buiten werking is gesteld, geldt het volgende: › Het airbagcontrolelampje gaat na het inschakelen van het contact gedurende 4 seconden branden. › De buiten werking gestelde airbag wordt aangegeven door het branden van het controlelampje in het middenstuk van het dashboard » Afbeelding 123 3. 1 (ON) draaien » Afbeelding 123.
ATTENTIE (vervolg) Veilig vervoer van kinderen Kinderzitje ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag Groepenindeling van kinderzitjes Gebruik van kinderzitjes Kinderzitjes met het ISOFIX-systeem Kinderzitjes met het TOP TETHER-systeem Nooit kinderen zonder toezicht in de wagen laten.
ATTENTIE (vervolg) Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel Op dit feit wordt geattendeerd door de sticker op de B-stijl aan bijrijderszijde » Afbeelding 124. De sticker is zichtbaar na het openen van het bijrijdersportier. Voor sommige landen is de sticker ook op de zonneklep aan bijrijderszijde aangebracht. ■ Zodra het kinderzitje op de bijrijdersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersvoorairbag weer in paraatheid worden gebracht.
Groepenindeling van kinderzitjes ä Kinderzitjes met het ISOFIX-systeem Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 145 en volg deze op.
Kinderzitjes met het TOP TETHER-systeem Afbeelding 127 Achterbank: TOP TETHER ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 145 en volg deze op. Aan de achterzijde van de achterbankrugleuningen bevinden zich bevestigingsogen voor de bevestiging van de bevestigingsgordel van een kinderzitje met het TOP TETHER-systeem » Afbeelding 127.
Aanwijzingen voor het rijden Rijden en milieu De eerste 1.500 kilometer - en daarna Nieuwe motor Gedurende de eerste 1.500 kilometer moet de motor worden ingereden. Tot 1.000 kilometer › In elke versnelling niet sneller dan met 3/4 van de topsnelheid voor de betreffende versnelling rijden, dus tot hooguit 3/4 van het maximum toelaatbare motortoerental. › Geen volgas geven. › Hoge motortoerentallen voorkomen. › Niet met een aanhangwagen rijden. Van 1.000 tot 1.
ATTENTIE Vanwege de hoge temperaturen die bij de katalysator kunnen optreden, moet de wagen zodanig worden geparkeerd dat de katalysator niet met licht ontvlambaar materiaal onder de wagen in aanraking komt - brandgevaar! ■ Nooit een bodembeschermlaag of corrosiewerend middel op uitlaten, katalysatoren of hitteschilden aanbrengen - brandgevaar! ■ VOORZICHTIG De brandstoftank nooit helemaal leegrijden! De onregelmatige brandstofvoorziening kan leiden tot overslaan van de ontsteking, wat tot zware schade aan
Let op Op het schakeladvies letten » pagina 14, Schakeladvies. Bij stationair toerental duurt het zeer lang voordat de motor op bedrijfstemperatuur is. Tijdens de warmdraaifase zijn de slijtage en de uitstoot van schadelijke stoffen ook nog eens bijzonder hoog. Daarom direct na het starten van de motor wegrijden. Hierbij echter hoge toerentallen vermijden.
Met name in stadsverkeer, waar vaak moet worden geaccelereerd, beïnvloedt het gewicht van de wagen het brandstofverbruik aanzienlijk. Als vuistregel geldt dat per 100 kg extra gewicht het verbruik met circa 1 l/100 km toeneemt. Korte ritten vermijden Afbeelding 130 Brandstofverbruik in l/100 km bij verschillende temperaturen Door de hogere luchtweerstand verbruikt de wagen met een onbeladen dakdragersysteem bij een snelheid van 100 - 120 km/h circa 10% meer brandstof dan normaal.
› Geen gebruik van kwik. › Gebruik van watergedragen lakken. Koplampen Het dimlicht van de koplampen is asymmetrisch afgesteld. Dit zorgt voor een betere verlichting van de weghelft waarop u rijdt. Terugname en recycling van oude wagens ŠKODA voldoet aan de eisen voor het merk en zijn producten op het gebied van bescherming van milieu en hulpbronnen. Alle nieuwe ŠKODA-auto's zijn voor 95% recycleerbaar en kunnen aan het einde van hun levensduur1) worden teruggegeven.
Rijden over ondergelopen wegen Afbeelding 131 Door water rijden ■ Onder water kunnen gaten, modder of stenen verborgen zitten die het rijden door water kunnen bemoeilijken of verhinderen. ■ Niet door zout water rijden. Het zout kan corrosie veroorzaken. Alle onderdelen van de wagen die met zout water in aanraking zijn gekomen, onmiddellijk met zoet water afspoelen. Let op Als u door water gereden bent de wagen door een specialist laten nakijken.
Bandenspanning De bandenspanning van uw wagen aanpassen voor "volle belasting"» pagina 181. Rijden met aanhangwagen Aanhangwagengewicht Het toelaatbare aanhangwagengewicht mag in geen geval worden overschreden » pagina 209, Technische gegevens. Aanhangwagengebruik Technische voorwaarden De vermelde aanhangwagengewichten gelden alleen voor hoogten tot 1.000 m boven de zeespiegel.
Rijsnelheid In verband met de veiligheid niet harder rijden dan de op de aanhangwagen aangegeven maximaal toegestane snelheid. Het alarmsysteem altijd uitschakelen, voordat u een aanhangwagen aankoppelt of loskoppelt. Het alarmsysteem kan anders onbedoeld het alarm activeren. » pagina 36, Alarmsysteem. Meteen snelheid verminderen, zodra u ook maar de minste slingerbeweging van de aanhangwagen waarneemt. Nooit proberen een slingerende wagen met aanhangwagen weer "recht te trekken" door te accelereren.
Let op Als u vaak met een aanhangwagen rijdt, adviseren wij een extra controle van uw wagen tussen de onderhoudsbeurten in. ■ Bij het aan- en loskoppelen van de aanhangwagen moet de handrem van de trekkende wagen aangetrokken zijn. ■ Aanhangwagens met led-achterlichten kunnen om technische redenen niet in het alarmsysteem worden opgenomen.
ATTENTIE Raadgevingen voor het gebruik Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid.
Let op Verse vlekken zoals van balpen, inkt, lippenstift, schoenpoets enzovoort zo snel mogelijk van de stof (leer), de bekledingen en bekledingsstoffen verwijderen. ■ Vanwege mogelijke problemen bij de reiniging, het vereiste speciale gereedschap en de noodzakelijke kennis adviseren wij de reiniging van uw wagen door een ŠKODA Servicepartner te laten uitvoeren.
VOORZICHTIG De temperatuur van het water mag maximaal 60 °C bedragen, omdat anders de wagen kan worden beschadigd. VOORZICHTIG Lak van de wagen conserveren en polijsten ä De verchroomde delen niet in een stoffige omgeving polijsten, anders kunnen de ze worden beschadigd. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 158 en volg deze op. Lakbeschadigingen Conserveren Een goede conservering beschermt de wagenlak uitgebreid tegen schadelijke milieu-invloeden.
Voor de reiniging van de kunststof koplampglazen zeep en schoon, warm water gebruiken. Ruiten en buitenspiegels ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 158 en volg deze op. VOORZICHTIG Koplampen nooit droog afvegen en voor de reiniging van de kunststofglazen geen scherpe voorwerpen gebruiken, dit kan tot beschadiging van de beschermende laag en tot scheurvorming van de koplampglazen leiden.
Omdat bij het rijden beschadiging van de beschermlaag niet is uitgesloten, adviseren wij de beschermlaag aan de onderzijde van de wagen regelmatig - het beste aan het begin en einde van het koude jaargetijde - te laten controleren en zo nodig te laten bijwerken. Wielen ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 158 en volg deze op.
Sterkere verontreiniging Let erop dat het leer nergens te nat wordt en dat er geen water in de naden sijpelt. Kunstleer en stoffen ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 158 en volg deze op. Het leer met een zachte, droge doek droogwrijven. Vlekken verwijderen Verse vlekken op waterbasis (zoals koffie, thee, sap, bloed enzovoort) met een absorberende doek of keukenrol verwijderen resp. bij een reeds ingedroogde vlek een geschikt reinigingsmiddel gebruiken.
Ook de leerkleur onderhouden. Afwijkende plekken naar behoefte met een speciaal gekleurde leercrème opfrissen. ■ Leer is een natuurlijk materiaal met specifieke eigenschappen. Bij het gebruik van de wagen kunnen in de leren bekleding optische veranderingen ontstaan (bij voorbeeld vouwen of kreuken als gevolg van de belasting van de bekleding). ■ Veiligheidsgordels ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 158 en volg deze op.
Tanken Controleren en bijvullen Brandstof ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Tanken Loodvrije benzine Ethanol E85 Dieselolie 165 166 167 168 Afbeelding 132 Rechterachterzijde: Tankklep openen / tankklep met losgeschroefde tankdop Aan de binnenzijde van de tankklep vindt u de juiste brandstofsoort voor uw wagen, evenals de bandenmaat en de bandenspanning » Afbeelding 132 - .
Let op De tankinhoud bedraagt circa 55 liter resp. 60 liter1) waarvan circa 7 liter reserve. Loodvrije benzine ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 165 en volg deze op. Uw wagen is alleen geschikt voor het rijden op loodvrije benzine die aan de norm EN 228 voldoet (in Duitsland ook DIN 51626 - 1 resp. E10 voor loodvrije benzine met octaangetal RON 95 en RON 91 of DIN 51626 - 2 resp. E5 voor loodvrije benzine met octaangetal RON 95 en RON 98).
Er mogen geen metaalhoudende brandstoffen worden gebruikt. Anders bestaat gevaar voor zware schade aan motoronderdelen of het uitlaatsysteem! ■ Het gebruik van ongeschikte brandstoftoevoegingen kan leiden tot zware scha de aan motoronderdelen en het uitlaatsysteem.
Motorruimte Dieselolie ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 165 en volg deze op. ä In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Uw wagen is alleen geschikt voor dieselolie die aan de norm EN 590 voldoet (in Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ook ÖNORM C 1590, in Rusland ook GOST R 52368-2005 / EN 590:2004).
VOORZICHTIG ATTENTIE (vervolg) De motor laten afkoelen. Kinderen bij de motorruimte weghouden. Geen hete motoronderdelen aanraken - gevaar voor verbranding! Nooit bedrijfsvloeistoffen op de warme motor morsen. Deze vloeistoffen (bijvoorbeeld de in de ruitensproeiervloeistof aanwezige antivries) kunnen ontbranden! ■ Kortsluiting in het elektrische systeem voorkomen - vooral bij de accu. ■ Nooit in de koelluchtventilator grijpen, zolang de motor warm is.
› De motorkapsteun in pijlrichting uit de houder nemen en de geopende motor- Motorkap openen en sluiten kap ondersteunen door het uiteinde van de steun in de hiervoor bedoelde opening 3 » Afbeelding 135 te steken. Motorkap sluiten › De motorkap iets optillen en de motorkapsteun loshaken. De motorkapsteun in de daarvoor bestemde houder drukken.
Oliepeil in gebied C Let op De indeling van de motorruimte is bij alle benzine- en dieselmotoren praktisch ge lijk. Motoroliepeil controleren Afbeelding 137 Oliepeilstok › Er moet olie worden bijgevuld. Het is voldoende als het oliepeil daarna in gebied B ligt. Het is normaal dat de motor olie verbruikt. Afhankelijk van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden kan het olieverbruik tot circa 0,5 l per 1.000 km bedragen. Tijdens de eerste 5.000 kilometer kan het olieverbruik daarboven liggen.
Wij adviseren voor het bijvullen alleen koelvloeistof te gebruiken met de aanduiding die op het koelvloeistofexpansiereservoir is aangegeven » Afbeelding 138. Motorolie verversen ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 168 en volg deze op.
Koelvloeistofpeil controleren Koelvloeistof bijvullen ä Afbeelding 138 Motorruimte: Koelvloeistofexpansiereservoir Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 168 en volg deze op. › De motor afzetten. › De motor laten afkoelen. › Een doek op de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir » Afbeelding 138 leggen en de dop voorzichtig losschroeven. › Koelvloeistof bijvullen. › De dop vastdraaien, totdat deze hoorbaar vergrendelt.
ATTENTIE Koelluchtventilator ä Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - gevaar voor ongevallen! De hulp van een specialist inroepen. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 168 en volg deze op. De koelluchtventilator wordt door een elektromotor aangedreven en afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur aangestuurd.
Let op Ruitensproeierinstallatie Afbeelding 140 Motorruimte: Ruitensproeiervloeistofreservoir Bij het bijvullen van de vloeistof niet de zeef uit het ruitensproeiervloeistofreservoir verwijderen, omdat de vloeistofslangen anders vervuild kunnen raken en er storingen aan de ruitensproeierinstallatie kunnen optreden.
ATTENTIE Het accuzuur heeft een sterke bijtende werking, er moet daarom uiterst zorgvuldig mee worden omgegaan. Bij het werken aan de accu beschermende handschoenen, oog- en huidbeschermers dragen. Bijtende dampen in de lucht zorgen voor irritatie van de luchtwegen en leiden tot ontstekingen aan bindvlies en luchtwegen. Het accuzuur tast het tandglazuur aan, na contact met de huid ontstaan diepe en moeizaam genezende wonden.
ä Accuafdekking Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 175 en volg deze op. Wij adviseren het accuvloeistofpeil regelmatig door een specialist te laten controleren, met name in de volgende gevallen. › Bij hoge buitentemperaturen. › Bij lange dagelijkse ritten. › Na het opladen » pagina 178, Accu opladen.
Accu opladen ä Accukabels los- resp. vastmaken ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 175 en volg deze op. Een geladen accu is een absolute voorwaarde voor het goed starten van de motor. › Het contact en alle elektrische verbruikers uitschakelen. › Alleen bij "snelladen": Beide aansluitkabels loskoppelen (eerst "min", dan "plus"). › De poolklemmen van de acculader op de accupolen klemmen (rood = "plus", zwart = "min").
Automatische verbruikersuitschakeling ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 175 en volg deze op. Door het boordnetmanagement worden bij sterke belasting van de accu automatisch verschillende maatregelen getroffen om het ontladen van de accu's te voorkomen: Dat kan door het onderstaande merkbaar zijn: › Het stationair toerental wordt verhoogd, opdat de dynamo meer stroom levert.
ATTENTIE (vervolg) Velgen en banden Om veiligheidsredenen banden zo mogelijk niet afzonderlijk vervangen, maar ten minste per as. De banden met de grotere profieldiepte moeten altijd op de voorwielen gebruikt worden. ■ Nooit banden gebruiken waarvan de toestand en leeftijd niet bekend zijn. ■ Uiterlijk als de banden tot op de slijtage-indicatoren zijn versleten, moeten ze direct worden vervangen. ■ Versleten banden beïnvloeden bij hogere snelheden op nat wegdek het vereiste contact met het wegdek nadelig.
Levensduur van banden Voor de bandenspanning van het reservewiel moet de hoogste bandenspanning die voor de wagen is voorgeschreven, worden aangehouden. De bandenspanning van het noodreservewiel R 18 bedraagt 420 kPa. De bandenspanning altijd controleren als de banden koud zijn. Nooit de verhoogde druk bij warme banden verminderen. Bij een grotere verandering van de belading de bandenspanning overeenkomstig aanpassen. Rijstijl Snel bochtenwerk, snel accelereren en sterk afremmen verhogen de bandenslijtage.
195 / 65 R 15 91 T Omgang met velgen en banden Dit betekent: Afbeelding 144 Wielen omwisselen 195 Bandbreedte in mm 65 Hoogte-/breedteverhouding in % R Code voor bandconstructie - Radiaal 15 Velgdiameter in inch 91 Belastingindex T Snelheidscodeletter Voor banden gelden de volgende snelheidsbegrenzingen: ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 180 en volg deze op.
Als een wiel in een uitzonderingsgeval tegen de draairichting in moet worden gemonteerd, voorzichtig rijden omdat de optimale eigenschappen van de band in deze situatie niet meer gelden. Reservewiel Afbeelding 145 Bagageruimte: Reservewiel Bij het rijden met een noodreservewiel de volgende aanwijzingen in acht nemen: › Na de montage van het wiel mag de waarschuwingssticker niet zijn afgedekt. › Met dit noodreservewiel niet sneller rijden dan 80 km/h en bij het rijden bijzon- der alert zijn.
Inbouwen › De wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg drukken. Vervolgens de wieldop zodanig op de velg drukken, tot deze over de gehele omtrek correct vastklikt. Naafdoppen Afbeelding 147 Naafdoppen bij lichtmetalen velgen lostrekken VOORZICHTIG De wieldop met de hand aandrukken, niet erop slaan! Bij krachtige slagen, vooral op die plaatsen waar de wieldop nog niet op de velg zit, kan de geleiding en de centrering van de wieldop worden beschadigd.
De afrolomtrek van een band kan veranderen, als: › de bandenspanning te laag is, › de structuur van de band beschadigd is, › de wagen eenzijdig beladen is, › de wielen van één as zwaarder zijn belast (bijvoorbeeld bij het rijden met een aanhangwagen of bij bergop of bergaf rijden), › sneeuwkettingen gemonteerd zijn, › het reservewiel gemonteerd is, › een wiel per as is vervangen.
Winterbanden ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 180 en volg deze op. In de winter worden de rij-eigenschappen van de wagen door winterbanden beduidend beter. Zomerbanden hebben op ijs, sneeuw en bij temperaturen onder 7 °C vanwege hun constructie (breedte, rubbersamenstelling, profielvorm) minder grip. Dit geldt vooral voor wagens die met brede banden resp. hogesnelheidsbanden uitgerust zijn (codeletter H of V op de bandwang).
Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Inleidende informatie Wanneer de wagen naderhand van accessoires wordt voorzien, onderdelen worden vervangen of technische wijzigingen aan de wagen worden doorgevoerd, de volgende aanwijzingen in acht nemen: › Voor de aankoop van accessoires of onderdelen en alvorens technische wijzigingen door te voeren, moet altijd advies worden ingewonnen bij een ŠKODA Servicepartner » .
ATTENTIE (vervolg) Een wijziging aan de wielophanging van de wagen inclusief het gebruik van niet toegelaten velg-bandcombinaties kan de werking van de airbag veranderen en het risico op een zware of dodelijke verwonding bij een ongeval verhogen. ■ Bij werkzaamheden aan het airbagsysteem en bij het uit- en inbouwen van systeemonderdelen vanwege andere reparatiedoeleinden kunnen onderdelen van het airbagsysteem worden beschadigd.
Tips om het zelf te doen Tips om het zelf te doen Let op De uiterste gebruiksdatum van de verbanddoos in acht nemen. Wij adviseren een verbanddoos en een gevarendriehoek uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken, die bij een ŠKODA Servicepartner verkrijgbaar is. ■ ■ Verbanddoos en gevarendriehoek (Octavia) Brandblusser De brandblusser is met een riem in een houder onder de bestuurdersstoel bevestigd.
Let op Wagengereedschap Let erop dat de box altijd met de riem is vastgezet. Afbeelding 150 Bagageruimte: Opbergvak voor het wagengereedschap Wiel verwisselen ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Het wagengereedschap en de krik met sticker zijn in een kunststofbox in het reservewiel » Afbeelding 150 of in de ruimte voor het reservewiel aangebracht. Hier is ook plaats voor de afneembare kogelkop van de trekhaak.
ATTENTIE (vervolg) Wiel verwisselen De grondplaat van de krik met geschikte middelen beveiligen tegen mogelijk verschuiven. Een zachte, gladde ondergrond onder de grondplaat van de krik kan tot gevolg hebben, dat de wagen van de krik glijdt. Daarom de krik altijd op een vaste ondergrond plaatsen of een groot en stabiel steunvlak gebruiken. Op een gladde ondergrond, zoals klinkers of een tegelvloer, moet een stroef steunvlak worden gebruikt (bijvoorbeeld een rubber mat).
› De beschadigde band laten vervangen resp. bij een specialist informeren naar de reparatiemogelijkheden. ATTENTIE De wielbouten slechts enigszins losdraaien (circa een omwenteling), zolang de wagen niet met de krik is opgekrikt - gevaar voor ongevallen! Let op Als bij het verwisselen van een wiel wordt geconstateerd dat de wielbouten zijn geoxideerd en zwaar draaien, moeten de bouten voor het controleren van het aantrekmoment worden vervangen.
Wagen opkrikken Wielen beveiligen tegen diefstal Afbeelding 152 Wiel verwisselen: Steunpunten voor de krik Afbeelding 154 Principeafbeelding: Antidiefstalwielbout met adapter ä Bij wagens met antidiefstalwielbouten (één antidiefstalwielbout per wiel) kunnen deze alleen met behulp van de meegeleverde adapter worden losgedraaid resp. vastgezet. › De wieldop van de velg of de afdekkap van de antidiefstalwielbout lostrekken.
ATTENTIE Bandenafdichtset ä Als u langs de rijbaan staat, de alarmlichten inschakelen en de gevarendriehoek op de voorgeschreven afstand plaatsen! Hierbij moeten de wettelijke voorschriften worden opgevolgd. U beschermt daarmee niet alleen uzelf, maar ook de andere weggebruikers. ■ Wanneer u bandenpech heeft, de wagen zo ver mogelijk van het rijdende verkeer parkeren. De plek moet over een zo stevig en vlak mogelijke ondergrond beschikken.
Onderdelen van de bandenafdichtset Voorbereidende werkzaamheden voor gebruik van de bandenafdichtset ä Voor het gebruik van de bandenafdichtset moeten de volgende voorbereidende werkzaamheden worden uitgevoerd: › De wagen zo ver mogelijk van het rijdende verkeer parkeren. De plek moet over een zo stevig en vlak mogelijke ondergrond beschikken. › Alle passagiers laten uitstappen. Tijdens het repareren van de band mogen de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail).
› De lege fles met bandenafdichtmiddel van het ventiel verwijderen. › Het ventielinzetstuk met ventielsleutel 1 weer in het ventiel draaien. Controle na 10 minuten rijden ä Band oppompen › De vulslang 5 » Afbeelding 155 van de luchtcompressor stevig op het ventiel van de band draaien. › Controleren of het luchtaftapventiel 7 dichtgedraaid is. › De motor starten en laten draaien. › De stekker 9 in het 12 volt stopcontact » pagina 76 steken. › De luchtcompressor met de aan-uitschakelaar 8 inschakelen.
ATTENTIE Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 °C bevriezen. Bij een bevroren accu niet proberen te starten met behulp van startkabels - explosiegevaar! ■ De waarschuwingsaanwijzingen bij werkzaamheden in de motorruimte opvolgen » pagina 168, Motorruimte. ■ De niet-geïsoleerde delen van de poolklemmen mogen in geen geval met elkaar in aanraking komen.
Bestuurder van de slepende wagen › De koppeling bij het wegrijden uiterst voorzichtig laten opkomen resp. bij een automatische versnellingsbak bijzonder voorzichtig gas geven. › Bij wagens met schakelbak bij het wegrijden pas gas geven als de kabel strak staat. Starthulp bij wagens met start-stopsysteem Afbeelding 157 Starthulp - Start-stopsysteem De maximumsleepsnelheid bedraagt 50 km/h.
Let op Wij adviseren een sleepkabel uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken, die bij een ŠKODA Servicepartner verkrijgbaar is. ■ Voor het slepen is een zekere ervaring nodig. Beide bestuurders moeten met de bijzonderheden van het slepen vertrouwd zijn. Bestuurders die daarmee geen ervaring hebben, kunnen beter niet afslepen of worden afgesleept. ■ Bij het afslepen de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen, vooral met betrekking tot de te gebruiken markering.
› Na het eruit draaien van het sleepoog de afdekkap aanbrengen en vastdruk- VOORZICHTIG ken. De afdekkap moet correct vastklikken. Het sleepoog moet altijd tot de aanslag worden vastgedraaid en stevig worden vastgezet, anders kan het sleepoog bij het af- of aanslepen losraken! VOORZICHTIG Het sleepoog moet altijd tot de aanslag worden vastgedraaid en stevig worden vastgezet, anders kan het sleepoog bij het af- of aanslepen losraken.
VOORZICHTIG Zekeringen en gloeilampjes Zekeringen ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Zekeringen in het dashboard Zekeringen in de motorruimte 202 203 De afzonderlijke stroomcircuits zijn door middel van smeltzekeringen beveiligd. ■ Zekeringen niet "repareren" en ook niet vervangen door zwaardere - brandgevaar! Bovendien kunnen andere delen van de elektrische installatie worden beschadigd.
Zekeringen in het dashboard Nr.
Nr. Verbruiker Nr.
VOORZICHTIG Gloeilampjes ä Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Koplamp Gloeilampje van knipperlicht voor vervangen Gloeilampjes van stadslicht voor en dimlicht vervangen Gloeilampje voor grootlicht vervangen Mistlamp en dagrijverlichting Mistlamp Octavia RS, Octavia Scout Gloeilampje voor kentekenplaatverlichting vervangen Achterlicht (Octavia) Achterlicht (Combi) 204 205 205 206 206 207 207 208 208 Het vervangen van gloeilampjes vereist een b
3 - Grootlicht Gloeilampjes van stadslicht voor en dimlicht vervangen Om het gloeilampje van het stadslicht, dimlicht, grootlicht en het knipperlicht te vervangen, moet de koplamp worden uitgebouwd. Afbeelding 165 Gloeilampjes van stadslicht voor en dimlicht uitbouwen Koplamp uitbouwen › De motorkap openen » pagina 170. › De kunststof moer A » Afbeelding 163 losdraaien. › De borging B naar boven trekken. › De borghendel van de koplamp tot de aanslag in pijlrichting C trekken.
ä Gloeilampje voor grootlicht vervangen Overzicht van de gloeilampjes» Afbeelding 167 Afbeelding 166 Gloeilampje voor grootlicht uitbouwen ä B - Gloeilampje voor dagrijverlichting C - Gloeilampje voor mistlamp Afdekkap verwijderen › Een vinger in de opening A » Afbeelding 167 steken. › De afdekkap verwijderen door in pijlrichting 1 te trekken, te beginnen aan bovenzijde aan de zijde van de mistlamp. › Vervolgens de afdekkap in pijlrichting 2 ook aan de andere zijde losmaken en verwijderen.
Mistlamp Octavia RS, Octavia Scout Gloeilampje vervangen en mistlamp inbouwen 1 » Afbeelding 169 van de stekker A indrukken en de stekker uit de fitting B verwijderen. › De fitting B met het gloeilampje tot de aanslag linksom draaien en verwijderen. › Het lampje vervangen, de fitting met het nieuwe lampje aanbrengen en tot de aanslag rechtsom draaien. › De stekker A aansluiten op de fitting B . › De schroeven weer erin draaien en de afdekkap monteren. De afdekkap moet correct vastklikken.
Achterlicht (Octavia) Achterlicht (Combi) Afbeelding 171 Bagageruimte: Afdekking van de lampenhouder / uitbouwen van de lampenhouder Afbeelding 172 Bagageruimte: Afdekking van de lampenhouder / uitbouwen van de lampenhouder ä ä Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 204 en volg deze op. Gloeilampjes in de lampenhouder vervangen › De afdekking van de lampenhouder ontgrendelen en openen » Afbeelding 171 .
› dakbelasting inclusief het dakdragersysteem, › aanhangwagenkogeldruk bij aanhangwagengebruik (max. 75 kg). Technische gegevens De volgende gegevens staan vermeld op het typeplaatje » Afbeelding 173: Technische gegevens 1 2 3 Inleidende informatie 4 Het typeplaatje zit op de onderzijde van de stijl tussen het voor- en achterportier aan bestuurderszijde. De informatie in de technische wagendocumentatie heeft altijd voorrang boven de informatie in dit instructieboekje.
4 5 Gedeeltelijke wagenbeschrijving 7GG, 7MB, 7MG - wagens met roetfilter » pagina 24, Roetfilter (dieselmotor) Stadsverkeer De meting van het stadsverkeer begint met een koude start van de motor. Vervolgens wordt een stadsrit gesimuleerd. Voertuigidentificatienummer (VIN) Het voertuigidentificatienummer - VIN (chassisnummer) is in de motorruimte ingeslagen op de rechter veerpootsteun.
OCTAVIA OCTAVIA GreenLine OCTAVIA RS COMBI COMBI GreenLine COMBI RS COMBI 4x4 SCOUT Hoogte 1462 1485b) 1449c) 1484a) 1462 1449c) 1447 1468 1490b) 1455c) 1468 1455c) 1451 1495 1520b) 1533 Bodemvrijheid 140 164b) 125c) 140 125c) 127 140 164b) 125c) 140 125c) 128 138 163b) 179 Wielbasis Spoorbreedte voor/achter a) b) c) 2578 2578 1541/1514 1531/1499a) 1535/1508 2578 2578 2578 2578 2578 2578 1528/1508 1541/1514 1535/1508 1528/1508 1541/1514 1531/1500 De waarde is van t
Specificaties en motorolievulhoeveelheid Af fabriek is de motor met een kwalitatief hoogwaardige olie gevuld, die - behalve in extreem koude klimaatzones - het hele jaar kan worden gebruikt. Bij het bijvullen kunnen verschillende oliën met elkaar worden gemengd. Dit geldt echter niet voor wagens met variabele service-intervallen. Motorolie wordt continu verder ontwikkeld. Alle gegevens in dit instructieboekje komen overeen met de stand van de gegevens ten tijde van het ter perse gaan van deze brochure.
VOORZICHTIG Voor wagens met variabele service-intervallen mogen alleen de bovengenoemde oliën gebruikt worden. Om de eigenschappen van de motorolie te behouden, adviseren wij voor het bijvullen alleen oliën met dezelfde specificatie te gebruiken. In uitzonderingsgevallen mag maximaal 0,5 l motorolie met de specificatie VW 502 00 (alleen benzinemotoren) resp. de specificatie VW 505 01 (alleen dieselmotoren) worden bijgevuld.
1,2 l/77 kW TSI motor - EU5 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 77/5000 175/1550-4100 4/1197 Rijprestaties OCTAVIA MG6 OCTAVIA DSG7 COMBI MG6 COMBI DSG7 Topsnelheid (km/h) 192 191 191 Acceleratie 0-100 km/h (s) 10,8 10,9 10,9 7,0 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 7,1 7,0 7,1 Buitenwegen 4,9 5,2 4,9 5,2 Gecombineerd 5,7 5,9 5,7 5,9 CO2-emissie gecombineerd 134 136 134 136 Maximaal
1,4 l/59 kW motor - EU4, EU5 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 59/5000 132/3800 4/1390 Rijprestaties OCTAVIA EU4 OCTAVIA EU5 COMBI EU4 Topsnelheid (km/h) 173 174 172 COMBI EU5 173 Acceleratie 0-100 km/h (s) 14,2 14,3 14,3 14,4 Stadsverkeer 9,6 8,5 9,6 8,5 Buitenwegen 5,6 5,1 5,6 5,1 Gecombineerd 7,0 6,4 7,0 6,4 CO2-emissie gecombineerd 167 149 167 149 Maximaal toelaatbaar gewicht 1855 1750 1870 1755 Leeggew
1,4 l/90 kW TSI motor - EU5 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 90/5000 200/1500-4000 4/1390 Rijprestaties OCTAVIA MG6 OCTAVIA DSG7 COMBI MG6 COMBI DSG7 203/205a) 202 202/204a) 201 9,7/9,8a) 9,7 9,8/9,9a) 9,8 Stadsverkeer 8,5/7,2a) 8,0 8,5/7,2a) 8,0 Buitenwegen 5,0/4,9 a) 5,3 5,0/4,9a) 5,3 Gecombineerd 6,3/5,8a) 6,3 6,3/5,8a) 6,3 CO2-emissie gecombineerd 148/134a) 147 148/134a) 147 Maximaal toelaatbaar gewicht 19
1,6 l/75 kW motor - EU2, EU4, EU5 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 75/5600 148/3800 4/1595 Rijprestaties OCTAVIA M5 EU4 OCTAVIA MG5 EU5 OCTAVIA MG5 MultiFuel COMBI MG5 EU4 OCTAVIA AG6 COMBI MG5 EU5 COMBI MG5 MultiFuel COMBI AG6 Topsnelheid (km/h) 190 184 188 189 188 184 Acceleratie 0-100 km/h (s) 12,3 14,1 12,4 12,4 12,4 14,2 11,2 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 10,0 9,6 9,4/13,0a)
1,8 l/112 kW TSI motor - EU5, EU2 DDK Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 112/4300-6200 250/1500-4200 4/1798 Rijprestaties OCTAVIA MG6 OCTAVIA AG6 COMBI MG6 COMBI AG6 COMBI 4x4 MG6 SCOUT MG6 Topsnelheid (km/h) 219 214 218 213 214 208 Acceleratie 0-100 km/h (s) 8,1 8,8 8,2 8,9 8,4 8,7 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 9,5 10,8 9,5 10,8 10,3 10,2 Buitenwegen 5,5 5,9 5,5 5,9 6,2 6,
1,8 l/118 kW TSI motor - EU5, EU2 DDK Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 118/4500-6200 250/1500-4500 4/1798 Rijprestaties OCTAVIA MG6 OCTAVIA DSG7 COMBI MG6 COMBI DSG7 COMBI 4x4 MG6 SCOUT MG6 Topsnelheid (km/h) 223 222 218 211 Acceleratie 0-100 km/h (s) 7,8 7,9 8,1 8,4 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 9,5 9,1 9,5 9,1 10,3 10,2 Buitenwegen 5,5 5,4 5,5 5,4 6,2 6,4 Gecombineerd 6,9
2,0 l/147 kW TSI motor - EU5, EU2 DDK Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 147/5100-6000 280/1700-5000 4/1984 Rijprestaties OCTAVIA RS MG6 OCTAVIA RS DSG6 COMBI RS MG6 COMBI RS DSG6 Topsnelheid (km/h) 242 240 239 237 Acceleratie 0-100 km/h (s) 7,2 7,2 7,3 7,3 Stadsverkeer 10,2 10,4 10,2 10,4 Buitenwegen 5,9 6,2 5,9 6,2 Gecombineerd 7,5 7,7 7,5 7,7 CO2-emissie gecombineerd 175 180 175 180 1915/1980a) 1935/2000a)
1,6 l/77 kW TDI CR motor - EU5 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 77/4400 250/1500-2500 4/1598 Rijprestaties OCTAVIA MG5 OCTAVIA MG5 GreenLine OCTAVIA DSG7 COMBI MG5 191/192 192 191 11,3 11,4 11,4 Topsnelheid (km/h) a) Acceleratie 0-100 km/h (s) COMBI MG5 GreenLine COMBI DSG7 190/191 191 190 186 11,4 11,6 11,5 12,2 a) COMBI 4x4 MG6 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 5,7/5,1a) 4,7 5,6
1,9 l/77 kW TDI PD motor - EU4 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 77/4000 250/1900 4/1896 Rijprestaties OCTAVIA MG5 OCTAVIA DSG6 COMBI MG5 COMBI DSG6 Topsnelheid (km/h) 192 189 191 189 COMBI 4x4 MG6 181 Acceleratie 0-100 km/h (s) 11,8 12,2 11,9 12,3 12,9 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 6,3 7,7 6,3 7,7 7,7 Buitenwegen 4,2 5,0 4,2 5,0 4,9 Gecombineerd 4,9 5,9 4,9 5,9 6,0 CO2-e
2,0 l/81 kW TDI CR motor - EU4, EU5 Vermogen (kW bij 1/min) MG5 Rijprestaties 250/1500-2500 81/4200 MG6, DSG6 OCTAVIA MG5 Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) 4/1968 280/1750-2750 COMBI DSG6 COMBI 4x4 MG6 Topsnelheid (km/h) 195 OCTAVIA MG6 OCTAVIA DSG6 COMBI MG5 194 COMBI MG6 193 189 Acceleratie 0-100 km/h (s) 11,0 11,1 11,2 11,6 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 6,5 6,1 6,7 6,5 6,2 7,0 7,2 Buitenwegen 4,3 4,
2,0 l/103 kW TDI CR motor - EU4, EU5 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 103/4000-EU4 103/4200-EU5 320/1750-2500 4/1968 OCTAVIA MG6 OCTAVIA DSG6 COMBI MG6 COMBI DSG6 COMBI 4x4 MG6 COMBI 4x4 DSG6 Topsnelheid (km/h) 211 209 210 208 204 203 199 197 Acceleratie 0-100 km/h (s) 9,5 9,6 9,6 9,7 9,8 9,9 10,1 10,2 7,4 Rijprestaties SCOUT MG6 SCOUT DSG6 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 6,1 6,
2,0 l/125 kW TDI CR motor - EU5 Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 125/4200 350/1750-2500 4/1968 Rijprestaties OCTAVIA RS MG6 OCTAVIA RS DSG6 COMBI RS MG6 COMBI RS DSG6 Topsnelheid (km/h) 226 224 225 223 Acceleratie 0-100 km/h (s) 8,3 8,3 8,4 8,4 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO2-emissie (in g/km) Stadsverkeer 7,5 7,9 7,5 7,9 Buitenwegen 4,6 4,9 4,6 4,9 Gecombineerd 5,7 6,0 5,7 6,0 CO2-emissie gecombineerd 149
Multipurpose vehicles (MPV) Gewichten (in kg) Motor Maximaal toelaatbaar gewicht 1,2 l/77 kW TSI MG6 DSG7 1820 1845 MG5 1,4 l/59 kW 1,4 l/90 kW TSI 1,6 l/75 kW 1755 MG6 DSG7 MG6 1865 1885 1880a) MG5 AG6 1835 1870 MG5 1,6 l/75 kW LPG 1,8 l/118 (112) kW TSI 1,6 l/77 kW TDI CR 1,9 l/77 kW TDI PD 2,0 l/81 kW TDI CR 2,0 l/103 kW TDI CR a) 1885 MG6 DSG7 1905 1925 2010 MG5 DSG7 4x4 MG6 1905 1930 2015 MG5 DSG6 4x4 MG6 1910 1935 MG5 MG6 DSG6 1926 1950 1970 2035 MG6 DSG6 4x
Trefwoordenlijst A Aandrijfslipregeling ASR Aanhangwagen Aanhangwagengebruik Aanhangwagengebruik ABS Controlelampje Accessoires Accu Accuvloeistofpeil controleren Automatische verbruikersuitschakeling Opladen Rijden in de winter Veiligheidsaanwijzingen Vervangen Accu opladen Achterklep Automatische vergrendeling Controlelampje Achterruit ontdooien Achteruit - Verwarming Achteruitkijkspiegel Handmatig dimbare binnenspiegel Zelfdimmende binnenspiegel Achteruitkijkspiegels Buitenspiegels Actieve stuurondersteu
Brandstof Brandstofmeter Diesel Ethanol E85 Loodvrije benzine Meter Tanken Zie Brandstof Brandstofverbruik Buitentemperatuur 165 12 168 167 166 12 165 165 150 16 C Cd-wisselaar Centrale vergrendeling Ontgrendelen Vergrendelen Circulatiefunctie Climatronic Handbediende airconditioning Claxon Comfortbediening van de ruiten Communicatiesystemen Computer Zie Multifunctie-indicatie Conservering Zie Verzorging van de wagen Contact Contactslot Controlelampjes Controleren Accuvloeistofpeil Koelvloeistof Motorolie
Intervalwissen ISOFIX 54 147 J Juiste zithouding 131 K Kanteldak Zie Elektrisch schuif-/kanteldak Katalysator Keuzehendel Zie Keuzehendelstanden Keuzehendelstanden Kilometerteller Kinderen en veiligheid Kindersloten Kinderzitje Gebruik van kinderzitjes Groepenindeling ISOFIX Op de bijrijdersstoel TOP TETHER Kledinghaak Kleppen Klok Koelluchtventilator Koelvloeistof Bijvullen Controleren Koplampen Koplampsproeiers Rijden in het buitenland Veranderen van de koplamp-asymmetrie Koplampsproeiers Koplampsproe
Starthulp Wagen afslepen Wiel verwisselen 196 198 190 O Olie Zie Motorolie Oliepeilstok Ontgrendelen Afstandsbediening Centrale vergrendeling Opbergmogelijkheden Opbergvak Verlichting Opbergvakken Overzicht Bestuurdersruimte Controlelampjes Motorruimte 171 171 36 33 77 51 77 9 22 170 P Parkeertickethouder Parkeren Parkeerhulp Passieve veiligheid Portier Controlelampje voor portier open Kindersloten Portieren Noodvergrendeling 84 105 130 28 32 35 R Radio-ontvangst Antenne Storing Zie Radio-ontvangst Ra
Sticker met wagengegevens Stoelen Hoofdsteunen Instellen Neerklappen Verwarming Stoelen instellen Stuurbekrachtiging Stuurinrichting Actieve stuurondersteuning Stuurwiel 209 63 60 65 62 131 99 102 99 T Tanken Brandstof Technische gegevens Telefoon Temperatuur instellen Verwarming Tijd instellen Tiptronic Zie Automatische versnellingsbak Toelichtingen Toerenteller Toets voor de centrale vergrendeling Topsnelheid TOP TETHER Transport Bagageruimte Dakdragersysteem 165 165 209 117, 120 87 13 110 112 6 11 34
Wassen Automatische wasinstallatie Hogedrukreiniger Met de hand Weergave Koelvloeistoftemperatuur Service-interval Wegrijblokkering Wielbouten Afdekkappen Antidiefstalwielbout Losdraaien en vastzetten Wielen en banden Levensduur van banden Nieuwe banden Reservewiel Sneeuwkettingen Wielbouten Wieldop Wielen - Algemene aanwijzingen Wiel verwisselen Winterbanden Wijzigingen Winterbanden Zie Wielen en banden Winterse omstandigheden Dieselolie Ruiten ontdooien Sneeuwkettingen 158 159 159 159 11 12 99 184 193 19
Trefwoordenlijst 233
234 Trefwoordenlijst
Trefwoordenlijst 235
ŠKODA werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling van alle modellen en typen. Wij vragen u om begrip, dat om deze reden wijzigingen van de leveringsomvang in de vorm, uitvoering en techniek mogelijk zijn. De gegevens over leveringsomvang, uiterlijk, maten, gewichten, brandstofverbruik, normen en functies van de wagen komen overeen met de stand van de informatie op het moment van het ter perse gaan van dit instructieboekje.
www.skoda-auto.com Ook u kunt een bijdrage leveren aan een beter milieu! Het brandstofverbruik van uw ŠKODA en de hiermee samenhangende emissies van schadelijke stoffen wordt hoofdzakelijk bepaald door uw rijstijl. Het geluidsniveau en de slijtage van uw wagen zijn afhankelijk van hoe u met uw wagen omgaat. Hoe u milieubewust gebruikmaakt van uw ŠKODA en tegelijkertijd zuinig kunt rijden, leest u in dit instructieboekje.