INSTRUCTIEBOEKJE Wagen en infotainment ŠKODA OCTAVIA
Documentatie van de aflevering van de wagen Datum van aflevering van de wagena) ŠKODA Partner Stempel en handtekening verkoper Ik bevestig dat de hier vermelde wagen in correcte staat is afgeleverd en ik vertrouwd ben gemaakt met het juiste gebruik ervan en de garantievoorwaarden. Handtekening van de klant Heeft de wagen verlengde garantie? Ja Nee Beperking van de ŠKODA garantieverlengingb) Jaar: a) b) of Km: resp.
1e eigenaar 2e eigenaar Deze wagen met kenteken (vult de verkoper in) is eigendom van: Deze wagen met kenteken is eigendom van: Titel, naam / firma: Titel, naam / firma: Adres: Adres: Telefoon: ŠKODA Partner ŠKODA Partner Telefoon: Serviceadviseur: Telefoon: 5E0012732AN Serviceadviseur: Telefoon:
Nuttige verwijzingen Voor de rit Stoel instellen Stuurwiel instellen Buitenspiegels Koplampen/verlichting Ruitenwissers en -sproeiers Verwarming en ventilatie Ruitverwarming » pag. 87 » pag. 21 » pag. 86 » pag. 75 » pag. 84 » pag. 117 » pag. 82 Instrumentenpaneel Controlelampjes Displaybediening Tijd instellen » pag. 41 » pag. 53 » pag. 52 Ontgrendelen en openen Sleutelloos ontgrendelen (KESSY) Achterklep Ruitbediening Motorkap » pag. 63 » pag. 67 » pag. 70 » pag.
Inhoudsopgave Productaansprakelijkheid en ŠKODA garantie voor nieuwe wagens 6 Ongevalgegevens-recorder (Event Data Recorder) 8 Radio-apparatuur - informatie over richtlijn 2014/53/EU 9 Over dit instructieboekje Inleidende informatie Algemeen Gedrukt instructieboekje Elektronische versie van het instructieboekje Videohandleidingen MyŠKODA App applicatie Toelichtingen 10 10 10 10 11 11 12 Online-diensten ŠKODA Connect Dienstenpakket ŠKODA Connect Internetpagina ŠKODA Connect Gebruikers- en wagenregist
Infotainment-instellingen - Columbus, Amundsen, Bolero Infotainment-systeeminstellingen Instellingen van het menu Radio Instellingen van het menu Media Instellingen van het menu Afbeeldingen Instellingen van het menu Video-dvd Instellingen van het menu Telefoon Instellingen van het menu SmartLink+ Instellingen van het menu Navigatie 136 136 140 141 141 141 141 143 143 Infotainment-instellingen - Swing Infotainment-systeeminstellingen Instellingen van het menu Radio Instellingen van het menu Media Instelli
Controleren en bijvullen Brandstof Motorruimte Motorolie Koelvloeistof Remvloeistof Accu 280 280 285 287 288 289 290 Wielen Velgen en banden Gebruik bij winterse omstandigheden 292 292 295 Tips om het zelf te doen Nooduitrusting en tips om het zelf te doen Nooduitrusting Wiel verwisselen Bandenafdichtset Starthulp Wagen afslepen Afstandsbediening en uitneembare lamp batterij/accu's vervangen Noodontgrendeling/-vergrendeling Ruitenwisserbladen vervangen 297 297 298 302 304 305 Zekeringen en gloeilampje
Productaansprakelijkheid en ŠKODA garantie voor nieuwe wagens Productaansprakelijkheid Uw ŠKODA Partner is als verkopende partij conform de wettelijke voorschriften en het koopcontract aansprakelijk voor gebreken aan uw nieuwe ŠKODA, aan ŠKODA originele onderdelen en aan ŠKODA originele accessoires. ŠKODA garantie voor nieuwe wagens Naast de aansprakelijkheid voor het product biedt de firma ŠKODA AUTO u de ŠKODA garantie voor nieuwe wagens (hierna "ŠKODA garantie" genoemd).
Mobiliteitsgarantie De mobiliteitsgarantie staat voor een gevoel van zekerheid. Indien u onderweg onverhoopt met pech blijft staan, kunt u door de mobiliteitsgarantie toch uw reis voortzetten. Tot de mobiliteitsgarantie behoren: Pechhulp ter plaatse en het afslepen naar de ŠKODA Servicepartner, telefonische technische ondersteuning resp. herstel ter plaatse.
Ongevalgegevens-recorder (Event Data Recorder) De wagen is met een apparaat uitgerust dat als ongevalgegevens-recorder (hierna alleen "EDR") dient. Het belangrijkste doel van de EDR is het opslaan van gegevens tijdens het verkeersongeval of een andere buitengewone verkeerssituatie (hierna alleen "ongeval") waarbij de veiligheidssystemen worden geactiveerd. De EDR slaat gedurende een korte periode de gegevens van het ongeval op (ongeveer 10 s), zoals bv.
Radio-apparatuur - informatie over richtlijn 2014/53/EU Afb. 1 ŠKODA-internetpagina's Uw wagen beschikt over diverse radio-apparatuur. De fabrikanten van deze apparatuur verklaren dat deze apparatuur voldoet aan de voorschriften conform richtlijn 2014/53/EU. Voor de weergave van de conformiteitsverklaring als volgt te werk gaan. 1. De QR-code » afb. 1 inlezen of het volgende adres in de webbrowser ingeven. http://go.skoda.
Over dit instructieboekje Inleidende informatie Algemeen Dit instructieboekje aandachtig doorlezen, omdat dit een voorwaarde vormt voor een juiste bediening van de wagen. Gedrukt instructieboekje In het gedrukte instructieboekje staat alleen de belangrijkste informatie vermeld aangaande de bediening van de wagen. De volledige informatie staat in de elektronische versie van het instructieboekje. Elektronische versie van het instructieboekje Afb.
Videohandleidingen Afb. 3 Videohandleidingen De MyŠKODA App applicatie bevat bv. de elektronische versie van het instructieboekje, snelle tips om bepaalde situaties met betrekking tot de wagen op te lossen of een beschrijving van de Simply Clever-oplossingen. Door middel van de applicatie kunt u contact opnemen met een ŠKODA Partner en een beroep doen op zijn diensten of snel toegang krijgen tot de reparatiedienst. De applicatie kan ook worden gebruikt als RSS-lezer voor favoriete websites.
Toelichtingen Gebruikte begrippen "Specialist" - Werkplaats die vakkundig servicewerkzaamheden aan wagens van het merk ŠKODA uitvoert. Een specialist kan zowel een ŠKODA Partner, een ŠKODA Servicepartner als ook een onafhankelijke werkplaats zijn. "ŠKODA Servicepartner" - Werkplaats die contractueel door de firma ŠKODA AUTO of de betreffende importeur is geautoriseerd servicewerkzaamheden aan wagens van het merk ŠKODA uit te voeren en ŠKODA originele onderdelen te verkopen.
Let op De beschikbaarheid van de vermelde diensten is altijd afhankelijk van de geldigheidsduur van het contract. Gedurende de looptijd van het contract zijn tussentijdse inhoudelijke wijzigingen van deze diensten mogelijk. Online-diensten ŠKODA Connect Dienstenpakket ŠKODA Connect De ŠKODA Connect online-diensten breiden de wagen- en infotainment-functies uit met de dienstenpakketten Care Connect en Infotainment Online.
Voor het gebruik van de ŠKODA Connect online-diensten is eerst een registratie van de gebruiker en de wagen op de ŠKODA Connect Portal internetpagina en een activering van de online-diensten in het infotainment noodzakelijk. De ŠKODA Connect Portal internetpagina kan worden geopend door het inlezen van de QR-code » afb. 6 of na het invoeren van het volgende adres in de webbrowser. http://go.skoda.
› De functietoets Houder wissen → Wissen aantippen en het wissen bevestigen. Van gebruiker wisselen › Het contact en het infotainment inschakelen. › Het sensorveld en vervolgens de functietoets → ŠKODA Connect (Onlinediensten) → Registratie aantippen. › De functietoets Nieuwe houder → Houderwisseling aantippen. › De bij de registratie van de nieuwe gebruiker en bij de wagenregistratie op de ŠKODA Connect Portal internetpagina ontvangen registratie-pincode ingeven en bevestigen.
Noodoproep Care Connect-diensten Proactieve service Afb. 10 Noodoproeptoets Ernstig ongeval Bij een ongeval waarbij airbags of gordelspanners zijn geactiveerd, wordt automatisch een gesprek met de noodoproepcentrale gestart. De noodoproepcentrale ontvangt tegelijkertijd informatie over het ongeval, bv. over de locatie van de wagen, het aantal gordeldragende inzittenden en het chassisnummer (VIN).
Toegang op afstand tot de wagen Infotainment Online-diensten Hoofdmenu en overzicht van de diensten Geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen. Afb. 13 Hoofdmenu Afb. 12 ŠKODA Connect applicatie Met de dienst toegang op afstand tot de wagen heeft u toegang tot een aantal functies van de wagen via de ŠKODA Connect Portal internetpagina of de op het mobiele apparaat geïnstalleerde app ŠKODA Connect. Mobiele toepassing ŠKODA Connect installeren › De QR-code » afb. 12 inlezen.
Meer informatie over de beschikbare diensten kunt u op de ŠKODA Connect internetpagina vinden » pag. 13. Let op De beschikbaarheid van de vermelde diensten is altijd afhankelijk van de geldigheidsduur van het contract. Gedurende de looptijd van het contract zijn tussentijdse inhoudelijke wijzigingen van deze diensten mogelijk. Actuele informatie is te vinden op de ŠKODA Connect internetpagina » pag. 13.
Veiligheid Passieve veiligheid Algemene aanwijzingen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk van het instructieboekje vindt u belangrijke informatie met betrekking tot het thema passieve veiligheid. We hebben hier alles samengevat wat u bv. over veiligheidsgordels, airbags, de veiligheid van kinderen enz. moet weten. Verdere belangrijke informatie met betrekking tot de veiligheid kunt u ook vinden in de volgende hoofdstukken van dit instructieboekje.
ATTENTIE Instelbare stoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamslengte worden ingesteld en de veiligheidsgordels moeten altijd goed omgegespt zijn, zodat de inzittenden zo optimaal mogelijk worden beschermd. ■ Iedere inzittende in de wagen moet de bij die zitplaats horende veiligheidsgordel juist omgespen en dragen. Kinderen moeten met een geschikt veiligheidssysteem worden vastgezet » pag. 29, Veilig vervoer van kinderen.
Stand van het stuurwiel instellen Juiste zithouding van de bijrijder Afb. 15 Stuurwielstand instellen Lees en bekijk eerst op bladzijde 20. De stand van het stuurwiel kan in hoogte en in lengterichting worden versteld. › De borghendel onder het stuurwiel in pijlrichting 1 zwenken » afb. 15. › Het stuurwiel in de gewenste stand zetten. Het stuurwiel kan in pijlrichting 2 worden versteld. › De borghendel tot de aanslag in pijlrichting 3 drukken.
Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels gebruiken Inleiding voor het onderwerp Correct omgegespte veiligheidsgordels bieden een goede bescherming bij ongelukken. Ze verkleinen het risico op lichamelijk letsel aanzienlijk en vergroten de kans een zwaar ongeval te overleven. De gordels reduceren de bewegingsenergie aanzienlijk. Verder voorkomen ze ongecontroleerde bewegingen die zwaar letsel tot gevolg kunnen hebben. Bij het vervoeren van kinderen de volgende aanwijzingen in acht nemen » pag.
Goed verloop van gordelband Gordelhoogteverstelling voor de voorstoelen › De doorvoerplaat in pijlrichting omhoog verschuiven » afb. 17 - . › Of: De borgklem in de richting van de pijlen 1 samendrukken en de doorvoerplaat omlaag verschuiven in pijlrichting 2 » afb. 17 - . › Na het verstellen met een ruk aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of de doorvoerplaat goed is vergrendeld en of de gordel goed blokkeert » pag. 24, Gordeloprolautomaten.
Omgespen › De gordelband langzaam over borst en bekken trekken. › De slotgesp in het bij de stoel behorende gordelslot » afb. 18 - steken tot deze hoorbaar vastklikt. › Aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of de slotgesp goed in het slot is vastgeklikt. Losmaken › De slotgesp vastpakken en de rode knop in het gordelslot indrukken » afb. 18 - , de slotgesp springt uit het slot.
Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Inleiding voor het onderwerp Het airbagsysteem biedt als aanvulling op de veiligheidsgordels een extra inzittendenbescherming bij ernstige aanrijdingen van voren en van opzij. De maximale beschermende werking van de airbag wordt alleen bereikt in combinatie met een correct omgegespte veiligheidsgordel, de airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordel.
Bij het activeren wordt de airbag gevuld met gas en ontvouwt deze zich. Het opblazen van de airbag gebeurt in een fractie van een seconde. Bij het opblazen van de airbag komt rook vrij. Dat is geen teken dat de wagen in brand staat. Activeringsvoorwaarden De voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden van het airbagsysteem kunnen niet exact worden gedefinieerd. Belangrijk hierbij is de hardheid van het voorwerp waar de wagen tegenaan botst, de botshoek, de rijsnelheid, enz.
ATTENTIE (vervolg) Bij gebruik van een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel, moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld » pag. 27, Airbags buiten werking stellen. Als dat niet gebeurt, kan het kind door de geactiveerde bijrijdersvoorairbag zwaar gewond raken of zelfs worden gedood. ■ In het gebied waarin de voorairbags naar buiten komen, mogen zich vóór de inzittenden op de voorstoelen geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden.
Het buiten werking stellen van de airbags wordt door het controlelampje aangegeven » pag. 45. Het buiten werking stellen van de airbags is alleen bedoeld voor de volgende situaties. ▶ Indien op de bijrijdersstoel een kinderzitje is bevestigd, waarbij het kind met de rug naar het dashboard is gekeerd » pag. 29. ▶ Ondanks een correcte instelling van de bestuurdersstoel kan de afstand van ten minste 25 cm tussen het midden van het stuurwiel en het borstbeen niet kan worden aangehouden.
ATTENTIE (vervolg) De airbag alleen bij afgezet contact buiten werking stellen! Anders kunt u een storing in het systeem voor het buiten werking stellen van de airbag veroorzaken. ■ Als de controlelampjes knipperen, dan wordt de bijrijdersvoorairbag bij een ongeval niet geactiveerd! Het airbagsysteem zo snel mogelijk door een specialist laten controleren.
ATTENTIE (vervolg) Er moet worden gecontroleerd of de veiligheidsgordels correct over het lichaam lopen. Bovendien moet erop worden gelet, dat de gordel niet door eventuele scherpe randen kan worden beschadigd. ■ Bij het inbouwen van het kinderzitje op een zitplaats achterin moet de betreffende voorstoel zo worden ingesteld dat deze niet het kinderzitje resp. het in het kinderzitje meegenomen kind raakt.
Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel (variant 2) Lees en bekijk eerst op bladzijde 29. Kinderen mogen zich nooit in het gebied bevinden waarin de zij-airbag naar buiten komt » afb. 25 - . Geldt voor Taiwan Afb. 24 Stickers met waarschuwingsaanwijzingen Tussen het kind en het gebied waarin de zij-airbag naar buiten komt, moet voldoende ruimte aanwezig, zodat de zij-airbag de best mogelijke bescherming kan bieden » afb. 25 - .
Groep Zitplaatsen achterin buitenste Zitplaats achterin midden U U U Tussen de rugleuning en zitting van de buitenste zitplaatsen achterin resp. de bijrijdersstoel bevinden zich twee bevestigingsogen voor de bevestiging van een kinderzitje met het -systeem. Eerst de afdekkappen A verwijderen om bij de bevestigingsogen te kunnen komen » afb. 26. Na het uitbouwen van het kinderzitje de afdekkappen weer aanbrengen.
Gebruik van kinderzitjes met het -systeem Bij een in paraatheid gebrachte bijrijdersvoorairbag op de bijrijdersstoel nooit een kinderzitje gebruiken waarin het kind met de rug naar het dashboard gekeerd wordt vervoerd. Dit kinderzitje bevindt zich in het gebied waar de bijrijdersvoorairbag naar buiten komt. De airbag kan bij activering het kind zwaar of zelfs levensgevaarlijk verwonden.
Bevestigingsogen van het -systeem Afb. 27 Bevestigingsogen van het -systeem is een bevestigingssysteem dat de bewegingen van de bovenzijde van het kinderzitje beperkt. De bevestigingsogen A voor de bevestigingsgordel van een kinderzitje met het -systeem bevinden zich aan de achterzijde van de rugleuningen van de zitplaatsen achterin » afb. 27. Enkele landspecifieke typen kunnen ook met een bevestigingsoog B zijn uitgerust » afb. 27.
Veilig vervoer van kinderen 35
Afb.
24 Bediening 25 Bestuurdersruimte 26 Overzicht 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 Elektrische ruitbediening Elektrische buitenspiegelverstelling Portiergreep Luchtroosters Parkeerkaarthouder Bedieningshendel (afhankelijk van de uitrusting): ▶ Knipper- en grootlicht ▶ Snelheidsregelsysteem ▶ Snelheidsbegrenzer ▶ Grootlichtassistent Stuurwiel met claxon / met bestuurdersvoorairbag Toetsen voor de bediening van het informatiesysteem Instrumentenpaneel Bedieningshendel: ▶ Ruiten
Instrumenten en controlelampjes Instrumentenpaneel Inleiding voor het onderwerp De helderheid van de instrumentenverlichting wordt afhankelijk van de omgevingsverlichting automatisch ingesteld. Als de zichtomstandigheden slecht zijn en het dimlicht niet ingeschakeld is, wordt de instrumentenverlichting gedimd, om de bestuurder erop attent te maken dat de verlichting moet worden ingeschakeld.
De weergave werkt alleen bij ingeschakeld contact. Brandstofmeter - Benzine/Diesel Koude bereik, de motor heeft zijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt. Hoge motortoerentallen en sterke motorbelasting moeten worden voorkomen. B Bereik bedrijfswarme motor C Hogetemperatuurbereik, in het instrumentenpaneel gaat het controlelampje branden » pag. 48. A Brandstofmeter - Aardgas Afb. 31 Aardgasmeter Afb. 32 Brandstofmeter: Variant 1 / variant 2 De weergave werkt alleen bij ingeschakeld contact.
Digitaal instrumentenpaneel Display in het digitale instrumentenpaneel Inleiding voor het onderwerp Afb. 33 Digitaal instrumentenpaneel Rij controlelampjes » pag. 41 Koelvloeistoftemperatuurmeter » pag. 38 3 Display » pag. 40 4 Benzine- / dieselmeter » pag. 39 1 2 De helderheid van de instrumentenverlichting wordt afhankelijk van de omgevingsverlichting automatisch ingesteld.
Bediening van het digitale instrumentenpaneel Afb.
Bandenspanning Remblokken Brandstofreserve - Benzine / Diesel Rijstrookhulp (Lane Assist) Knipperlichten Aanhangwagenknipperlichten Mistlampen Snelheidsregelsysteem Snelheidsbegrenzer Rempedaal (automatische versnellingsbak) Rijden op aardgas Grootlicht Automatische versnellingsbak Gordelwaarschuwingslampje achter Dynamo Koelvloeistof Motoroliedruk Motoroliepeil Defecte lamp Roetfilter (dieselmotor) Ruitensproeiervloeistofpeil Grootlichtassistent Start-stopsysteem Weergave
Wanneer bij aangetrokken handrem een snelheid van 5 km/h wordt overschreden, klinkt een geluidssignaal. ▶ De handrem loszetten. Remsysteem Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. brandt - het remvloeistofpeil in het remsysteem is te laag. ▶ Stoppen, de motor afzetten en het remvloeistofpeil controleren » pag. 289. ATTENTIE ■ Als het controlelampje samen met het controlelampje » pag. 44, Antiblokkeersysteem (ABS) brandt, niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen.
▶ Het stuurwiel iets heen en weer bewegen, daardoor kan de vergrendeling van de stuurinrichting gemakkelijker worden ontgrendeld. ▶ Wanneer de stuurinrichting niet wordt ontgrendeld, dan moet de hulp van een specialist worden ingeroepen. Losmaken van de accukabels Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het controlelampje branden. Na even te hebben gereden, moet het controlelampje uitgaan.
Uitlaatgascontrolesysteem Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. brandt - er is een storing in het uitlaatgascontrolesysteem. Het systeem biedt de mogelijkheid voor het rijden in een noodprogramma - er kan een merkbaar vermogensverlies ontstaan. ▶ Er kan voorzichtig verder worden gereden. Onmiddellijk de hulp van een specialist inroepen. Voorgloeisysteem (dieselmotor) Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. knippert - er is een storing in de motorregeling.
▶ De bandenspanning zo nodig corrigeren of het betreffende wiel vervangen » pag. 298 resp. de bandenafdichtset gebruiken » pag. 302. ▶ De bandenspanningswaarden in het systeem opslaan » pag. 263. Systeemstoring knippert ongeveer 1 minuut en brandt verder - er kan een storing in het systeem voor de bandenspanningscontrole zijn. ▶ De wagen stoppen, het contact uitschakelen en de motor weer starten. Als het controlelampje na het starten van de motor weer knippert, is er een systeemstoring.
Aanhangwagenknipperlichten Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. knippert - de aanhangwagenknipperlichten zijn ingeschakeld. Als een aanhangwagen is aangekoppeld en het controlelampje niet knippert, is een van de aanhangwagenknipperlichten uitgevallen. ▶ De aanhangwagengloeilampjes controleren. Mistlampen Lees en bekijk eerst Snelheidsregelsysteem/snelheidsbegrenzer Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. brandt - de rijsnelheid wordt door het snelheidsregelsysteem resp.
Gordelwaarschuwingslampje achter Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. brandt - niet omgegespte veiligheidsgordel op de zitplaats achterin. brandt - omgegespte veiligheidsgordel op de zitplaats achterin. Als de veiligheidsgordel op de achterste zitplaats wordt omgegespt resp. afgedaan, gaat het betreffende lampje kort branden en geeft hiermee de actuele gordelstatus aan. Dynamo Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. brandt - bij draaiende motor wordt de accu niet geladen.
Als de motorkap langer dan 30 seconden geopend blijft, dooft het controlelampje. Als er geen motorolie wordt bijgevuld, gaat het controlelampje na circa 100 km weer branden. Motoroliepeil te hoog brandt Olie aftappen, alstublieft. Melding: OLIEPEIL TE HOOG ▶ Stoppen, de motor afzetten en het motoroliepeil controleren. ▶ Bij een te hoog oliepeil kan voorzichtig verder worden gereden. de hulp van een specialist inroepen.
▶ Ruitensproeiervloeistof bijvullen » pag. 287. Grootlichtassistent Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. brandt - de grootlichtassistent is ingeschakeld » pag. 77, Grootlichtassistent (Light Assist). Start-stopsysteem Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. De controlelampjes geven de toestand van het start-stopsysteem aan » pag. 211. Weergave voor lage temperatuur Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. brandt - de buitentemperatuur ligt onder +4 °C.
Offroad-modus Lees en bekijk eerst Informatiesysteem op bladzijde 42. brandt - aan de voorwaarden voor de ingreep van de Offroad-modus is voldaan » pag. 224, Offroad-modus. Bestuurdersinformatiesysteem Display in instrumentenpaneel knippert - de bergafdaalhulp grijpt nu in. Dynamische onderstelregeling (DCC) Lees en bekijk eerst op bladzijde 42. Het controlelampje verschijnt alleen op het MAXI DOT-display. brandt - er is sprake van een DCC-storing.
Controlelampjes van het start-stopsysteem Gekozen versnelling / schakeladvies Keuzehendelstand van de automatische versnellingsbak 9 Buitentemperatuur Controlelampjes Rijgegevens (multifunctie-indicatie) 10 Totale afgelegde afstand Afgelegde afstand na het terugzetten van het geheugen (trip) Snelheidsregelsysteem/snelheidsbegrenzer Service-intervalindicatie Meldingen 8 Waarschuwing portier, achterklep en motorkap Bij geopend portier of geopende achterklep/motorkap verschijnt op het display een grafische wa
Informatie over sportief rijden in het infotainment weergeven Wagentoestand Afb. 41 Infotainmentweergave Afb. 40 Wagentoestand Bij ingeschakeld contact worden in de wagen continu de werking en toestanden van de afzonderlijke wagensystemen gecontroleerd. Als een systeemstoring aanwezig is, wordt op het display in het instrumentenpaneel de betreffende melding weergegeven. Zolang de functiestoringen niet zijn verholpen, worden de meldingen telkens weer weergegeven.
Bediening van de multifunctie-indicatie A Indrukken (boven of onder) - Indicaties kiezen / waarden instellen B Indrukken - Indicatie weergeven/bevestigen Bediening van het MAXI DOT-display A Indrukken (boven of onder) - Bewegen in het gekozen menu Ingedrukt houden (boven of onder) - Hoofdmenu tonen B Indrukken - Gekozen menupunt bevestigen Bediening via het multifunctiestuurwiel Bediening van het MAXI DOT-display Ingedrukt houden - Hoofdmenu weergeven Indrukken - In het menu naar een niveau hoger terugk
Olietemperatuur - als de olietemperatuur lager is dan 50 °C of als in het systeem voor het controleren van de olietemperatuur een storing aanwezig is, verschijnen de symbolen . Infotainmentweergave Afb. 44 Rijgegevens Waarschuwing bij overschrijden van de ingestelde snelheid - maakt het instellen van een snelheidslimiet mogelijk, bij overschrijding waarvan een akoestisch waarschuwingssignaal klinkt en een waarschuwingsmelding op het display in het instrumentenpaneel verschijnt.
› De snelheidslimiet kan in stappen van 5 km/h worden ingesteld. › De ingestelde waarde bevestigen of enkele seconden wachten, de instelling wordt automatisch opgeslagen. Snelheidslimiet bij rijdende wagen instellen › Het menupunt Waarschuwing bij () resp. () selecteren en bevestigen. › Met de gewenste snelheid rijden. › De actuele snelheid als snelheidslimiet bevestigen. De ingestelde snelheidslimiet kan zo nodig later handmatig worden aangepast.
Telefoon » pag. 57 Wagen » pag. 53 ■ Laptimer » pag. 58 ■ ■ Menupunt Telefoon Let op Als op het display waarschuwingsmeldingen worden weergegeven, moeten deze meldingen eerst worden bevestigd om het hoofdmenu op te roepen . ■ De displaytaal kan ook in het infotainment worden ingesteld » pag. 137, Instelling van de infotainmenttaal resp. » pag. 146, Instelling van de infotainmenttaal. ■ Menupunt Navigatie In het menupunt Navigatie worden de volgende gegevens weergegeven.
Menupunt Laptimer (stopwatch) De functie Laptimer biedt de mogelijkheid de rondetijd te meten, bv. op een circuit. De gemeten tijd wordt op het display weergegeven. De gemeten tijd wordt in minuten, seconden en tienden van een seconde weergegeven. De volgende functies zijn beschikbaar. ■ Start - De tijdmeting handmatig starten resp.
Wij adviseren u het betreffende bewijs voor de uitgevoerde servicebeurten altijd te laten printen. Let op Aan alle servicewerkzaamheden en het vervangen resp. bijvullen van bedrijfsvloeistoffen zijn voor de klant kosten verbonden, ook gedurende de garantieperiode, tenzij anders is vermeld in de garantiebepalingen van ŠKODA AUTO of in andere bindende overeenkomsten. Afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn weergeven Afb.
Werking Afb. 47 Naar een ander gebruikersaccount wisselen Lees en bekijk eerst op bladzijde 59. Na het ontgrendelen van de wagen en openen van het bestuurdersportier worden alle gepersonaliseerde functies overeenkomstig het gebruikersaccount ingesteld, dat aan de sleutel is toegewezen waarmee de wagen werd ontgrendeld. Elke wijziging van de ingestelde gepersonaliseerde functies wordt automatisch in het actieve gebruikersaccount opgeslagen.
Let op De omvang van de gepersonaliseerde functies is afhankelijk van het infotainmenttype. Instelling van de personalisering Lees en bekijk eerst op bladzijde 59. › In het infotainment in het menu tippen.
VOORZICHTIG Elke sleutel bevat elektronische componenten; u dient de sleutels dan ook tegen vocht en harde schokken te beschermen. ■ De groef in de sleutel schoon houden. Verontreinigingen (textielvezels, stof en dergelijke) kunnen de werking van de slotcilinder, het contactslot en dergelijke negatief beïnvloeden. ■ Met de sleutel via de slotcilinder ontgrendelen/vergrendelen Afb. 48 Linker wagenzijde: Sleutelbewegingen voor het ont-/vergrendelen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 61.
Ontgrendelen/vergrendelen - KESSY Indien de achterklep pas na het vergrendelen van de wagen wordt gesloten en de sleutel waarmee de wagen is vergrendeld in de bagageruimte achterblijft, wordt de achterklep automatisch ontgrendeld (gedeeltelijk geopend). Na het automatisch ontgrendelen knipperen de knipperlichten viermaal. De achterklep blijft ontgrendeld (gedeeltelijk geopend), de andere portieren blijven vergrendeld. VOORZICHTIG Enkele handschoensoorten kunnen de ontgrendelings- resp.
Wagen met de knop voor centrale vergrendeling vergrendelen/ontgrendelen Afb. 51 Knop voor de centrale vergrendeling Inschakelen De safebeveiliging wordt ingeschakeld als de wagen van buitenaf wordt vergrendeld. Op deze functie wordt na het uitschakelen van het contact geattendeerd door de volgende melding op het display in het instrumentenpaneel.
Alle portieren De functie biedt de mogelijkheid om alle portieren, de achterklep en de tankklep te ontgrendelen. Portier openen/sluiten Afzonderlijk portier De functie biedt de mogelijkheid om alleen het bestuurdersportier en de tankklep met de sleutel te ontgrendelen. KESSY biedt de mogelijkheid voor het ontgrendelen van één portier, waarbij de sleutel zich in de buurt bevindt, en de tankklep. De overige portieren en de achterklep ontgrendelen pas bij het nogmaals ontgrendelen resp.
Storing in centrale vergrendeling Als het controlelampje in het bestuurdersportier eerst circa 2 seconden snel knippert, daarna 30 seconden continu blijft branden en vervolgens langzaam gaat knipperen, moet de hulp van een specialist worden ingeroepen. Kindersloten Bij een storing in de centrale vergrendeling kunnen de portieren resp. de achterklep worden noodvergrendeld resp. noodontgrendeld » pag. 308.
VOORZICHTIG Een geopend brillenvak veroorzaakt een verminderde werking van de interieurbewaking. Om een ongehinderde werking van de interieurbewaking te waarborgen, moet voor het vergrendelen van de wagen altijd het brillenvak worden gesloten. Alarmactivering Lees en bekijk eerst op bladzijde 66. Het alarm wordt geactiveerd, als aan de wagen met ingeschakeld alarmsysteem één of meer van de volgende onbevoegde handelingen wordt uitgevoerd. ▶ Openen van de motorkap. ▶ Openen van de achterklep.
› Om te sluiten knop B vastpakken en in pijlrichting 3 trekken. Let op Knop A » afb. 54 wordt bij het wegrijden resp. vanaf een snelheid van meer dan 5 km/h gedeactiveerd. Na het stoppen en openen van een portier wordt de knop weer geactiveerd. Vertraagde vergrendeling van achterklep instellen Lees en bekijk eerst op bladzijde 67. Als de achterklep met de knop in de sleutel wordt ontgrendeld, dan wordt de klep na het sluiten automatisch weer vergrendeld.
Let op Als tijdens het openen en sluiten van de achterklep haastig wordt ingestapt, kan er een schok in de wagen optreden, waardoor de beweging van de klep wordt onderbroken. Bedieningsbeschrijving Bovenste stand van de klep instellen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 68. De bovenste stand van de klep kan worden ingesteld (bv. bij beperkte ruimte voor het openen van de klep vanwege de hoogte van de garage of voor een comfortabelere bediening afhankelijk van de grootte van de persoon).
Beschrijving van de storing Mogelijke oplossingen Mechanische ruitbediening De klep blijft in de bovenste positie staan Het handmatig sluiten van de klep De klep is geopend en de accukabels zijn losgemaakt. Handmatig sluiten De klep langzaam sluiten, bij het nadrukken van de klep in het slot op het midden van de rand boven het ŠKODA-embleem drukken. Ruitbediening Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE ■ De ruiten altijd voorzichtig en gecontroleerd sluiten.
D E Rechter achterportier Deactiveren/activeren van de schakelaars in de achterportieren (dit kan handig zijn, wanneer er bv. kinderen achterin zitten) Ruiten openen/sluiten › Om te openen de betreffende schakelaar iets indrukken en zo lang ingedrukt houden, tot de ruit de gewenste stand heeft bereikt. › of: De schakelaar tot aan de aanslag omlaagdrukken, de ruit gaat automa- tisch geheel open. Bij het opnieuw indrukken van de schakelaar stopt de ruit.
Comfortbediening van de ruiten Lees en bekijk eerst en op bladzijde 70. De comfortbediening van de ruiten biedt de mogelijkheid om alle ruiten ineens (resp. alleen de ruit in het bestuurdersportier) te openen resp. te sluiten. De werking van de comfortbediening kan individueel in het infotainment in het menu / → → Openen en sluiten worden ingesteld. Openen › De knop op de sleutel ingedrukt houden.
ATTENTIE Wanneer het schuif-kanteldak wordt gesloten door in pijlrichting 2 aan de uitsparing van de schakelaar te trekken » afb. 59 op pag. 73 en het sluiten door een obstakel wordt belemmerd, dan wordt bij de derde sluitpoging de krachtbegrenzing uitgeschakeld (als de tijd tussen de individuele sluitpogingen korter dan 5 seconden is). Het schuif-kanteldak sluit met volle krachtgevaar voor verwondingen. Bediening Comfortbediening van schuif-kanteldak Afb.
Rolgordijn met handmatige bediening Afb. 60 Bediening van het rolgordijn Bediening van het rolgordijn activeren Lees en bekijk eerst en op bladzijde 72. Is de bediening van het rolgordijn buiten werking (bv. na het los- en vastmaken van de accukabels), dan moet de bediening worden geactiveerd. › Het contact inschakelen en de schakelaar in stand zetten » afb. 61 op pag. 74. › Toets indrukken en vasthouden. Na ongeveer 10 seconden gaat het rolgordijn open en weer dicht.
Licht en zicht Licht Inleiding voor het onderwerp Het licht werkt alleen bij ingeschakeld contact, voor zover niet anders is aangegeven. Als basisstand van de lichtschakelaar de stand gebruiken. Let op De koplampen kunnen tijdelijk aan de binnenzijde beslaan. Als het licht is ingeschakeld is het lampglas na korte tijd weer vrij van condens. Afhankelijk van de belading van de wagen de lichtbundelhoogte van de halogeenkoplampen op het beeldscherm in de volgende standen instellen.
Het licht wordt automatisch ingeschakeld als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. De lichtschakelaar staat in de stand of . Het contact is ingeschakeld. De functie is geactiveerd. Deactiveren/activeren De werking kan in het infotainment in het menu gedeactiveerd/geactiveerd. / → → Licht worden ATTENTIE Bij slecht zicht altijd het dimlicht inschakelen. Let op De verlichting kan onder bepaalde omstandigheden automatisch inschakelen, ook als de lichtschakelaar in de stand staat.
Staat de lichtschakelaar in de stand » afb. 64, dan volgt afhankelijk van de uitrusting automatisch het in-/uitschakelen van de verlichting overeenkomstig de momentele licht- resp. weersomstandigheden (regen). Staat de lichtschakelaar in de stand , dan brandt de tekst naast de lichtschakelaar. Als het licht automatisch wordt ingeschakeld, brandt ook het symbool naast de lichtschakelaar.
Voorwaarden voor de systeemfunctie Het systeem is geactiveerd. De lichtschakelaar staat in stand . De rijsnelheid ligt boven 60 km/h (voor enkele landen boven 40 km/h). De voorruit is bij de sensor schoon. Afb. 66 Lichtschakelaar - mistlampen/mistachterlicht inschakelen Systeem inschakelen › De hendel tegen de veerdruk in in stand A » afb. 65 drukken. Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt het controlelampje .
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de beide mistlampen ingeschakeld. Bij het inschakelen knipperen alle knipperlichten en het controlelampje in de toets, samen met de controlelampjes in het instrumentenpaneel. De alarmlichten werken ook wanneer het contact is uitgeschakeld. COMING HOME / LEAVING HOME De functie COMING HOME zorgt ervoor dat de omgeving van de wagen na het uitschakelen van het contact en het openen van het bestuurdersportier wordt verlicht.
Instapverlichting Binnenverlichting voorin De verlichting bevindt zich aan de onderzijde van de buitenspiegel en verlicht het instapgedeelte van het voorportier. De verlichting schakelt zich na het ontgrendelen of bij het openen van het wagenportier in (afhankelijk van de gegeven lichtomstandigheden). De verlichting schakelt zich binnen 30 seconden na het sluiten van het voorportier of bij het inschakelen van het contact uit.
Binnenverlichting achterin Sfeerverlichting Afb. 71 Instelling van de sfeerverlichting Afb. 69 Binnenverlichting achterin: Variant 1 / variant 2 Afb. 70 Binnenverlichting achterin: Variant 3 De verlichting achterin (varianten 1 en 2) wordt samen met de binnenverlichting voorin automatisch in-/uitgeschakeld. Bij uitgeschakelde binnenverlichting voorin kan de binnenverlichting achterin naar behoefte worden in- resp. uitgeschakeld. Variant 1 en 2 (door indrukken van de schakelaar) » afb.
Zicht Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE Aan de zonnekleppen mogen geen voorwerpen worden bevestigd, die het zicht beperken of bij plotseling remmen of een aanrijding de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen. Voor- en achterruitverwarming Afb. 72 Toetsen voor de achterruit- en voorruitverwarming: Climatronic / handmatige airconditioning Lees en bekijk eerst op bladzijde 82. De verwarming dient voor de ontwaseming resp. beluchting van de voor-/achterruit.
Rolgordijn Afb. 74 Rolgordijn Lees en bekijk eerst op bladzijde 82. Het rolgordijn bevindt zich in een behuizing op de bagageruimteafdekking. › Om te verduisteren het rolgordijn aan greep A in pijlrichting 1 eruit trekken en in pijlrichting 2 in de magnetische houders B haken » afb. 74. › Om op te rollen het rolgordijn aan greep A tegen de pijlrichting in 2 uit de houders B trekken. Het rolgordijn zo houden, dat dit langzaam en zonder beschadiging kan oprollen.
Let op Als het wissen zonder onderbreking gebeurt, varieert de wissnelheid afhankelijk van de rijsnelheid. ■ De individuele instelling (activering/deactivering) van het automatische ruitenwissen bij regen wordt (afhankelijk van het infotainmenttype) in het actieve gebruikersaccount voor de personalisering opgeslagen » pag. 59. Ruitenwissers en -sproeiers vóór ■ Afb.
Koplampsproeiers Lees en bekijk eerst Dimstand binnenspiegel en op bladzijde 83. Onder de volgende omstandigheden worden de koplampen gereinigd. Het contact is ingeschakeld. Het dimlicht is ingeschakeld. De buitentemperatuur bedraagt circa -12 ℃ tot +39 ℃. Bij elke eerste en na elke tiende keer dat de ruitensproeierinstallatie voor de voorruit wordt gebruikt, worden ook de koplampen gewassen.
Buitenspiegel Afb. 78 Buitenspiegelbediening Handmatig inklapbare spiegels De spiegel kan handmatig in de richting van de zijruit worden geklapt. Om de spiegel weer in de uitgangsstand te zetten, dient de spiegel van de zijruit terug te worden geklapt tot deze duidelijk vergrendelt. Automatisch inklappen/terugklappen van beide spiegels De buitenspiegels worden na het vergrendelen van de wagen in de parkeerstand ingeklapt. Na het ontgrendelen van de wagen worden de spiegels in de rijstand teruggeklapt » .
ATTENTIE Het spiegelglas van de buitenspiegels niet aanraken als de spiegelverwarming is ingeschakeld, er bestaat gevaar voor verbranding. VOORZICHTIG De elektrisch inklapbare buitenspiegels nooit met de hand in- of terugklappen - gevaar voor beschadiging van de spiegels! ■ Wordt de spiegel door invloeden van buitenaf (bv. door aanraken tijdens het manoeuvreren) naar buiten geklapt, dan de spiegel eerst met de draaiknop inklappen en een luid klapgeluid afwachten.
Geheugenfunctie van elektrisch verstelbare stoel Elektrische instelling Afb. 81 Set-toets en geheugentoetsen Afb. 80 Bedieningselementen van de stoel Lees en bekijk eerst op bladzijde 87.
Actieve instelling stoppen › Op een willekeurige toets van de bestuurdersstoel of op de toets van de sleutel met radiografische afstandsbediening drukken. Inklapbare bijrijdersstoelleuning Afb. 82 Bijrijdersstoelleuning neerklappen Let op Met elke nieuwe opslag van de stoel- en buitenspiegelinstellingen voor vooruitrijden moet ook de instelling van de bijrijdersspiegel voor achteruitrijden opnieuw worden opgeslagen.
Armsteun instellen Afb. 83 Armsteun instellen Lees en bekijk eerst op bladzijde 87. › Om de hoogte in te stellen de armsteun in pijlrichting A in een van de vier grendelstanden optillen » afb. 83. › Om omlaag te klappen de armsteun in pijlrichting A voorbij de bovenste aanslag optillen en dan weer omlaagklappen. › Om de langsrichting in te stellen de armsteun in pijlrichting B in de gewenste positie verschuiven. Zitplaatsen achterin Rugleuningen Afb.
Bij de ongedeelde rugleuning moeten de beide buitenste veiligheidsgordels naar de zijbekleding worden getrokken. Na het terugklappen van de rugleuning moeten de ontgrendelingsgrepen A aan beide zijden van de rugleuning hoorbaar vergrendelen en mag de rode pen B aan geen van beide zijden van de rugleuning zichtbaar zijn. ATTENTIE ■ De rugleuningen moeten in geval van bezette zitplaatsen achterin correct vergrendeld zijn.
Hoogte van de hoofdsteunen achterin instellen › De vergrendelingsknop A in pijlrichting 1 indrukken, tegelijkertijd met een schroevendraaier met een breedte van max. 5 mm de vergrendelingsknop in de opening B in pijlrichting 2 drukken en de hoofdsteun in pijlrichting 3 verwijderen » afb. 89. › Om de hoofdsteun te plaatsen, deze zo ver in pijlrichting 4 in de rugleuning schuiven, tot de vergrendelingsknop vastklikt. Stoelverwarming Afb.
ATTENTIE Bij beperkte pijn- en/of temperatuurwaarneming, bv. door medicijngebruik, door verlamming of door chronische ziekte (bv. diabetes), raden wij aan geheel af te zien van het gebruik van de stoelverwarming. Als u de stoelverwarming toch wilt gebruiken, adviseren wij bij langere ritten regelmatig een pauze in te lassen, zodat het lichaam zich kan herstellen van de belasting die tijdens het rijden ontstaat. Om uw concrete situatie te beoordelen wendt u zich tot uw behandelend arts.
Praktische uitrusting Kaarthouder Interieuruitrusting Afb. 92 Kaarthouder Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE Niets op het dashboard leggen.
Opbergvakken in de portieren Lees en bekijk eerst en op bladzijde 94. › Om te openen in pijlrichting op de rand drukken » afb. 95 - . › Om te sluiten tegen de pijlrichting in aan de rand trekken. Bepaalde type-uitvoeringen hebben een opbergvak zonder deksel » afb. 95 . Phonebox Afb. 96 Phonebox Afb. 94 Opbergvakken: In het voorportier / in het achterportier Lees en bekijk eerst en op bladzijde 94. Opbergvakken » afb. 94 A Opbergvak B Flessenhouder voor flessen met een inhoud van max.
VOORZICHTIG Metalen voorwerpen tussen het vlak en de op te laden telefoon kunnen door de inwerking van het inductieveld warm worden - gevaar voor beschadiging van de telefoon. ■ Bij enkele telefoons kan door de opwarming het opladen worden onderbroken of kan de telefoon uitschakelen. ■ Tussen het vlak en de op te laden telefoon geen elektronische of magnetische opslagmedia (bv. SD-kaarten, USB-sticks, kaarten met magneetstrips of chip) aanbrengen - gevaar voor dataverlies en beschadiging van de datadrager.
VOORZICHTIG Geen geopende bekers tijdens het rijden in de bekerhouders laten staan. Drank kan bv. bij het remmen worden gemorst en daarbij elektrische onderdelen of de stoelbekleding beschadigen. Afvalbak verwijderen › De afvalbak tegen de pijlrichting in A verwijderen » afb. 99. Afvalbak openen/sluiten › Het deksel in pijlrichting C » afb. 99 optillen. Het sluiten gebeurt in omgekeerde volgorde. Afvalbak Zak vervangen › De afvalbak uit het opbergvak verwijderen.
Opbergvak onder de armsteun voorin Afb. 102 Opbergvak openen VOORZICHTIG In het brillenvak geen warmtegevoelige voorwerpen opbergen - bij hoge buitentemperaturen bestaat er gevaar voor beschadiging. ■ Het vak moet worden gesloten voordat de wagen wordt verlaten en vergrendeld - gevaar door hinderen van de werking van het alarmsysteem. ■ Opbergvak aan bijrijderszijde Lees en bekijk eerst en op bladzijde 94. › Om te openen de armsteun aan greep A tot de aanslag trekken » afb. 102.
De maximale toelaatbare belasting van het opbergvak bedraagt 3 kg. ATTENTIE In de zakken van de opgehangen kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen laten zitten - gevaar voor verwondingen. ■ Voor het ophangen van kleding geen kledingbeugel gebruiken - gevaar voor een beperking van de functionaliteit van de hoofdairbag resp. gevaar voor verwondingen door de kledingbeugel. ■ Let erop dat het zicht naar buiten niet wordt belemmerd door opgehangen kledingstukken. ■ Opbergvak voor de paraplu Afb.
Klaptafel aan de rugleuning van de voorstoel Afb. 108 Klaptafel uitklappen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 94. › Om te openen aan het bovenste gedeelte van de uitsparing trekken en het vak in pijlrichting openklappen » afb. 109. › Om het vak te sluiten het deksel tegen de pijlrichting in zwenken. In het opbergvak bevindt zich een dempingselement. Dit kan na het openen van het opbergvak tot de aanslag worden verwijderd. Skiluik Lees en bekijk eerst en op bladzijde 94.
ATTENTIE Het totale gewicht van de vervoerde ski's mag niet meer dan 24 kg bedragen. ■ De ski's en de zak altijd veilig opbergen en vastmaken - anders bestaat gevaar voor verwondingen resp. ongevallen! Uitneembare skizak ■ Elektrische stopcontacten Afb. 111 Band aantrekken / skizak vastzetten Lees en bekijk eerst en op bladzijde 94. De uitneembare skizak (hierna skizak) dient uitsluitend voor het vervoeren van ski's en stokken (max. 4 paar).
12 volt stopcontact Lees en bekijk eerst en op bladzijde 101. Het 230 volt stopcontact heeft een kinderbeveiliging. Bij het insteken van de stekker wordt de zekering ontgrendeld, het stopcontact wordt geactiveerd en het controlelampje boven het stopcontact gaat groen branden (knippert het rood, dan is het stopcontact gedeactiveerd).
VOORZICHTIG Het stopcontact mag alleen voor de aansluiting van vrijgegeven elektrische accessoires met een tweepins 230 volt stekker en een totale vermogensafname van maximaal 150 watt worden gebruikt. ■ De stekker van het elektrische apparaat moet tot de aanslag in het stopcontact worden gestoken, anders kan de kinderbeveiliging worden ontgrendeld en het stopcontact worden geactiveerd, maar wordt het elektrische apparaat toch niet van spanning voorzien.
Sigarettenaansteker Afb. 116 Sigarettenaansteker Lees en bekijk eerst VOORZICHTIG De maximale toegestane belasting van de houder nooit overschrijden - er bestaat gevaar voor beschadiging of een beperkte werking. Achter de hoofdsteunen aanbrengen op bladzijde 103. › Om de aansteker te gebruiken, deze tot de aanslag indrukken en wachten tot de gloeiende aansteker tevoorschijn springt » afb. 116. › De gloeiende aansteker direct uitnemen, gebruiken en terug in het stopcontact plaatsen. Afb.
ATTENTIE Voorzichtig omgaan met de adapter - gevaar voor letsel aan de vingers. Vervoeren van lading Bagageruimte en transport Houder bedienen Inleiding voor het onderwerp Bij het vervoeren van zware voorwerpen veranderen de rijeigenschappen door de verplaatsing van het zwaartepunt. De snelheid en rijstijl daarom daarop afstemmen.
ATTENTIE (vervolg) Een losse lading kan een activerende airbag raken en de inzittenden verwonden - levensgevaar! ■ Bij het vervoeren van lading die vastgezet is in de vergrote bagageruimte, die ontstaat door het naar voren klappen van rugleuning, moet beslist worden gelet op het waarborgen van de veiligheid van de persoon die op de resterende zitplaats achterin zit. ■ VOORZICHTIG De maximaal toegestane belasting van de betreffende bevestigingselementen, netten, haken enz.
VOORZICHTIG Bij wagens met bevestigingsogen D » afb. 121 op pag. 106 kan alleen de dwarstas achter de stoelen en het bodemnet worden bevestigd (het net kan in het achterste gedeelte aan de achterste bevestigingselementen A » afb. 121 op pag. 106 worden bevestigd). Bagagenetten Multifunctionele tas Afb. 125 Multifunctionele tas bevestigen Afb. 123 Bevestigingsvoorbeelden voor netten Afb. 124 Langstas bevestigen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 105. De tas » afb.
Uitklapbare dubbele haak Bodembekleding bevestigen Afb. 126 Uitklapbare dubbele haak Lees en bekijk eerst en op bladzijde 105. Afhankelijk van de uitvoering van de wagen bevindt zich aan een of aan beide zijden van de bagageruimte een uitklapbare dubbele haak » afb. 126 voor de bevestiging van kleinere bagagestukken (bv. tassen e.d.). Aan elke zijde van de dubbele haak kan bagage met een maximumgewicht van 5 kg worden opgehangen. Uitklapbare haken Afb.
VOORZICHTIG De dubbelzijdige bodembekleding kan alleen worden gebruikt bij wagens zonder variabele bagageruimtevloer » pag. 113 - gevaar voor beschadiging van de variabele bagageruimtevloer. Afb. 131 Bagageruimteafdekking achter de achterbank opgeborgen Net aan de bagageruimteafdekking Afb. 129 Net aan bagageruimteafdekking Lees en bekijk eerst en op bladzijde 105. Als de ophangkoorden A » afb.
VOORZICHTIG Op de volgende aanwijzingen letten, om het kantelen van de afdekking en daardoor het beschadigen van de afdekking en de zijbekleding te voorkomen. ■ De afdekking moet op juiste wijze worden geplaatst en de lading mag niet hoger zijn dan de afdekking. ■ De afdekking mag in opgetilde stand niet door kanteling tegen het achterkleprubber drukken. ■ In de spleet tussen de afdekking in de bovenste stand en de rugleuning mag zich geen enkel voorwerp bevinden.
Let op Indien de oprolbare bagageruimteafdekking en de dakdragers gelijktijdig moeten worden opgeborgen, moet het achterste gedeelte van de oprolbare bagageruimteafdekking de achterste dakdrager bedekken. Opbergvak met cargo-element Opbergvak › De opbergvakafdekking in pijlrichting verwijderen » afb. 134. Het aanbrengen gebeurt in omgekeerde volgorde. Cargo-element › Voor het gebruik het Cargo-element in pijlrichting verwijderen » afb. 135 - .
Bij het vervoer van hogere voorwerpen in de vakken moet haak A in de bovenzijde van de variabele bagageruimtevloer zijn vastgehaakt. VOORZICHTIG Vóór het sluiten van de achterklep controleren of de in de opbergvakken vervoerde lading niet tegen de bagageruimteafdekking stoot - gevaar voor het beschadigen van de afdekking. Eruit trekken en plaatsen › De voorste haken aan beide zijden van de bagageruimte in pijlrichting 1 omlaag klappen » afb. 137.
Lamp opladen De lamp is voorzien van drie oplaadbare NiMH-batterijen van het type AAA (spanning 1,2 V). De batterijen worden bij draaiende motor continu opgeladen (het volledig opladen van de batterijen duurt ongeveer 3 uren). Batterijen vervangen » pag. 308. VOORZICHTIG De lamp is niet waterdicht, daarom moet deze tegen vocht worden beschermd - anders bestaat gevaar voor beschadiging. Afb. 139 Lamp uitnemen / lamp plaatsen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 105.
Variabele bagageruimtevloer samenklappen/uitklappen Afb. 141 Variabele bagageruimtevloer in de onderste stand instellen / variabele bagageruimtevloer in de onderste stand De variabele bagageruimtevloer kan in de bovenste en onderste stand worden ingesteld. In bovenste stand instellen › De variabele bagageruimtevloer aan greep A » afb. 140 ongeveer 20 cm optillen en naar u toe trekken.
Het uitklappen gebeurt in omgekeerde volgorde. De variabele bagageruimtevloer wordt in de bovenste en onderste stand op dezelfde manier ingedeeld/uitgeklapt. Scheidingsnet Scheidingsnet gebruiken Scheidingsnet achter de achterbank uittrekken en bevestigen › Het gedeelte A van de oprolbare bagageruimteafdekking in pijlrichting uitklappen » afb. 144. › Het scheidingsnet bij de dwarsstang C eruit trekken en in een van de bevestigingen D inhaken » afb. 145.
Scheidingsnetbehuizing uit- en inbouwen Afb. 146 Scheidingsnetbehuizing uitbouwen › Om uit te bouwen de achterbankleuningen naar voren klappen en het rech- terachterportier openen. A in pijlrichting 1 schuiven en in pijlrichting 2 uit de steunen nemen » afb. 146. › Om in te bouwen de uitsparingen in de behuizing A in de steunen van de achterbankleuningen plaatsen en de behuizing tegen de pijlrichting in 1 tot aan de aanslag verschuiven. › De achterbankleuningen in de uitgangsstand terugklappen.
ATTENTIE Voor de verkeersveiligheid bij het transport van lading op de dakdragers de volgende instructies in acht nemen. ■ De lading op de dakdragers altijd gelijkmatig verdelen en correct vastzetten met geschikte sjorriemen of spanbanden. ■ Bij het vervoeren van zware resp. grote voorwerpen op het dakdragersysteem kunnen de rijeigenschappen door de verplaatsing van het zwaartepunt veranderen. Uw rijstijl en snelheid daarom aan de omstandigheden aanpassen.
Let op De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van bv. ijs, sneeuw en bladeren zijn, zodat de verwarming en de koeling optimaal kunnen functioneren. ■ Na het inschakelen van de koelfunctie kan condenswater van de verdamper van de airconditioning lekken en onder de wagen een waterplas vormen. Dit betekent niet dat er een lekkage aanwezig is! ■ Bij een te hoge koelvloeistoftemperatuur wordt de koelfunctie uitgeschakeld om de motorkoeling te kunnen garanderen.
Temperatuur voor de linkerzijde (resp. voor beide zijden) instellen1) Temperatuur verlagen / Temperatuur verhogen F Temperatuur voor de rechterzijde (resp. voor beide zijden) instellen2) ▶ Temperatuur verlagen / Temperatuur verhogen G Afhankelijk van de uitrusting: ▶ Interieurvoorverwarming en - ventilatie in-/uitschakelen » pag. 123 ▶ Climatronic uitschakelen. H Interieurtemperatuursensor Circulatiefunctie in-/uitschakelen » pag.
a) In-/uitschakelen van de temperatuursynchronisatie in het gehele interieur overeenkomstig de temperatuurinstelling aan bestuurderszijdea) In- en uitschakelen van de Air Care-functie Instelling van de interieurvoorverwarming en -ventilatie In-/uitschakelen van de voorruitverwarminga) In-/uitschakelen van de stuurwielverwarminga) Verdere instellingen van de Climatronic Bij ingeschakelde functie is het symbool in de functietoets oranje.
ATTENTIE De circulatiefunctie niet langdurig ingeschakeld laten, want in dat geval wordt geen buitenlucht toegevoerd. De "verbruikte" lucht kan vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers veroorzaken, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Zodra de ruiten beslaan, de circulatiefunctie direct uitschakelen - gevaar voor ongevallen! Bij het openen van een portier of een ruit wordt op het infotainmentbeeldscherm de melding daaromtrent weergegeven.
› Om te sluiten regelaar B » afb. 153 resp. » afb. 154 omlaag draaien. ATTENTIE De extra verwarming mag nooit in gesloten ruimtes (bv. garages) worden gebruikt - vergiftigingsgevaar! ■ De extra verwarming mag tijdens het tanken niet werken - brandgevaar. ■ De uitlaatpijp van de extra verwarming bevindt zich aan de onderzijde van de wagen. Bij gebruik van de interieurvoorverwarming de wagen niet op plaatsen parkeren waar de uitlaatgassen met licht ontvlambare materialen, bv.
Als automatisch inschakelen is geactiveerd, gaat na het uitschakelen van het contact gedurende circa 10 seconden het controlelampje in de toets branden » afb. 155. In-/uitschakelen Bediening in het infotainment Afb. 155 Toets voor het in-/uitschakelen (Climatronic / handbediende airconditioning) Lees en bekijk eerst en op bladzijde 122. Voorwaarden voor de werking van de interieurvoorverwarming. De ladingstoestand van de accu is voldoende.
Er kan altijd maar één ingestelde voorkeuzetijd actief zijn. De geactiveerde voorkeuzetijd wordt na het automatisch starten weer gedeactiveerd. Voor de volgende start moet een van de voorkeuzetijden worden geactiveerd. Let op Bij het kiezen van de dag in de voorkeuzetijd is er tussen zondag en maandag een positie waarbij geen dag wordt aangegeven. Als deze positie wordt geselecteerd, zal de wagen op het gekozen tijdstip rijklaar zijn, ongeacht de dag.
De beschikbaarheid van enkele in dit instructieboekje beschreven functies is afhankelijk van het type aan te sluiten apparaat en van de hierop geïnstalleerde applicaties. Infotainment Inleidende informatie Belangrijke aanwijzingen Inleiding Compatibiliteit Op de ŠKODA-internetpagina's kan worden gecontroleerd of het infotainment compatibel is met de gekozen mobiele apparaten die moeten worden getest. Deze controle vindt plaats door het inlezen van de QR-code » afb.
1 2 3 In-/uitschakelen van het infotainment - Overzicht van de infotainmentmenu's » pag. 131 - Weergave van het hoofdbeeldscherm "HOME" » pag. 132 Volumeverhoging Volumeverlaging Touchscreen » pag. 127 Beschrijving - Infotainment Bolero Beschrijving - Infotainment Amundsen Afb. 161 Infotainment Bolero 1 2 Afb.
Beschrijving - Infotainment Swing Externe module Geldt niet voor het infotainment Swing. Afb. 163 Voorbeeld van een externe module Afb. 162 Infotainment Swing 1 2 3 4 5 6 7 8 Draaiknop voor het in- en uitschakelen van het infotainment, instellen van het volume Draaiknop voor oproepen en bevestigingen - Menu Radio » pag. 149 - Menu Media » pag. 152 Afhankelijk van de uitrusting: ▶ - Menu Telefoon » pag. 165 ▶ - Geluidsonderdrukking - Infotainment-instellingen » pag.
Menupunt met "checkbox" ▶ - Functie is ingeschakeld ▶ - Functie is uitgeschakeld E Openen van een submenu van het menupunt met "pop-up-venster" D Infotainmentbediening Infotainmentbediening Beeldschermgebieden Afb. 164 Beeldschermgebieden Functietoetsen De beeldschermgedeelten die een functie of een menu bevestigen, worden "functietoetsen" genoemd.
Bediening van de menu's Afb. 166 Bediening van de menu's Bediening van de menu's » afb. 166 A Doorbladeren van de lijstinvoeren van het menu B Verkleining/vergroting van het menuvenster (geldt voor het infotainment Columbus) C Verkleining/vergroting van het menuvenster (geldt voor het infotainment Amundsen) D Openen/sluiten van het menuvenster (geldt voor het infotainment Swing) Sluiten van het menuvenster Beschrijving van het alfanumerieke toetsenbord » afb.
Gebarenbediening Infotainment in-/uitschakelen Geldt voor het infotainment Columbus. Afb. 168 Voorbeeld van een menu met gebarenbediening Geldt voor het infotainment Columbus › Om het infotainment in te schakelen op indrukken. › Om het infotainment uit te schakelen op ingedrukt houden. Geldt voor het infotainment Amundsen, Bolero, Swing drukken.
Geldt voor het infotainment Swing ▶ Voor het in-/uitschakelen van de tijd- en datumweergave de toets indrukken en vervolgens de functietoets Beeldscherm → Tijd weergeven in stand-bymodus aantippen. Infotainmentmenu's Geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen, Bolero. Afb. 169 Overzicht van de infotainmentmenu's: Rasterweergave Het weergavetype kan worden gewijzigd door met een vinger zijwaarts over het beeldscherm te vegen (geldt niet voor het infotainment Swing).
Menu Telefoon » pag. 165 Instellingen van de wagensystemen » pag. 207 Menu Navigatie » pag. 184 (geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen) Lijst met verkeersmeldingen (TMC) (geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen) » pag. 205 Menu Media Command (geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen) » pag. 163 Menu Afbeeldingen » pag. 160 Klankinstellingen » pag. 136 Menu Klimatisering » pag. 119 Infotainment-instellingen » pag.
› De infotainmentbediening via de applicatie vrijgeven. Hiertoe het sensorveld en vervolgens de functietoets → Dataoverdracht mobiele apparaten → Bediening door apps: → Bevestigen/Toestaan aantippen. › Het infotainment via WLAN verbinden met een extern apparaat » pag. 178. › Op het externe apparaat een applicatie voor de infotainmentbediening (bv. ŠKODA Media Command) starten. ▶ De portieren en ruiten sluiten, daardoor worden storende invloeden op de spraakbediening uit de omgeving voorkomen.
Het hoofdmenu wordt getoond » afb. 172. Uitschakelen › Tweemaal op de toets op het multifunctiestuurwiel indrukken of tweemaal het sensorveld op het infotainment aantippen (geldt niet voor het infotainment Columbus). › of: Het spraakcommando "Spraakbediening beëindigen" uitspreken. Bedieningsprincipe Afb. 173 Voorbeeld van de beeldschermweergave In het hoofdmenu van de spraakbediening » afb. 172 op pag. 133 staan de basisspraakcommando's voor de afzonderlijke menu's.
Correctie van een spraakcommando-ingave Een spraakcommando kan worden gecorrigeerd, gewijzigd of opnieuw worden ingegeven, door het sensorveld (geldt niet voor het infotainment Columbus) aan te tippen of de toets op het multifunctiestuurwiel in te drukken. Dit is echter alleen mogelijk zolang het symbool op het beeldscherm weergegeven wordt. Er hoeft dus niet te worden gewacht tot het moment dat het spraakcommando door het infotainment wordt herkend.
Geldt voor het infotainment Swing ▶ Voor de bepaling van de softwareversie de toets indrukken en vervolgens de functietoets Systeeminformatie aantippen. ▶ Voor het starten van de software-update de toets indrukken en vervolgens de functietoets Systeeminformatie → Software updaten aantippen. Infotainment-instellingen - Columbus, Amundsen, Bolero Infotainment-systeeminstellingen Klankinstellingen › Het sensorveld en vervolgens de functietoets aantippen.
Sound focus - Instelling van de ruimteoptimalisatie van de klank Alle gebieden - Voor het complete interieur geoptimaliseerde instelling ■ Bestuurder - Voor de bestuurder geoptimaliseerde instelling ■ Touchscreen-geluid - In-/uitschakelen van het akoestische signaal bij het aanraken van het beeldscherm ■ Geen navigatiemeldingen bij tel.
Instellingen van de eenheden › Het sensorveld en vervolgens de functietoets → Eenheden aantippen.
Handmatige instellingen - Instelling van de parameters voor het zoeken van en verbinden met de hotspot van het externe apparaat ■ Netwerknaam - Ingave van de hotspot-naam ■ Netwerksleutel - Instelling van het toegangswachtwoord ■ Veiligheidsniveau: - Instelling van de beveiliging (altijd WPA2 ingesteld) ■ Verbinden - Verbindingsopbouw ■ Zoeken - Zoeken/weer opstellen van de lijst met beschikbare hotspots ■ Mobiele hotspot - Instelling van de infotainment-hotspot (in de functietoets wordt het symbool met h
http://go.skoda.eu/updateportal ■ Instellingen van het menu Radio Instellingen voor alle frequentiebereiken › In het hoofdmenu Radio de functietoets aantippen.
L-band Voor de DAB-radio-ontvangst worden in diverse landen verschillende frequentiegebieden gebruikt. In enkele landen is de DAB-radio-ontvangst alleen op de zogenaamde L-band beschikbaar. Als er in het betreffende land geen DAB-radio-ontvangst via de L-band is, dan adviseren we om de L-band uit te schakelen. Het zenderzoeken verloopt daardoor sneller. Instellingen van het menu Media › In het hoofdmenu Media de functietoets aantippen.
Beltoon kiezen - Selecteren van de beltoon (afhankelijk van de aangesloten telefoon) ■ Herinnering: mobiele telefoon niet vergeten - In-/uitschakelen van waarschuwing voor het vergeten van de telefoon in de wagen (voor zover de telefoon met het infotainment was verbonden) ■ Afbeeldingen voor contacten weergeven - In-/uitschakelen van de weergave van de aan de contacten gekoppelde afbeeldingen ■ Conferentie - In-/uitschakelen van de conferentiegesprekken ■ Oproepinstellingen - Instelling van de telefoonfunct
Instellingen pincode - Instelling van de pincode van de in de externe module aangebrachte simkaart (geldt voor het infotainment Columbus met simkaartopening in de externe module) ■ Automatische pincode ingave - In-/uitschakelen van het opslaan van de pincode op de simkaart ■ Pincode wijzigen - Wijzigen van de pincode van de simkaart ■ 2e pincode toevoegen - Ingave van de tweede pincode van de simkaart (bij ingeschakelde functie Automatische pincode ingave, bijvoorbeeld als de simkaart de dataverbinding via
Bijzondere reisdoelen weergeven - In-/uitschakelen van de weergave van bijzondere reisdoelen ■ Categorieën voor bijz. reisdoelen kiezen - Kiezen van de categorieën voor getoonde bijzondere reisdoelen ■ Merklogo's voor bijz. reisdoel. weergeven - In-/uitschakelen van bij de getoonde bijzondere reisdoelen beschikbare firmalogo's ■ Kaartweergave in instr.
Bij ingeschakelde functie Aanwijzing: landsgrens gepasseerd » pag. 145, Uitgebreide instellingen, worden bij het passeren van de landsgrens de landspecifieke maximumsnelheden getoond. Tankopties › In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Tankopties aantippen.
Infotainment-instellingen - Swing Infotainment-systeeminstellingen Geluidsinstellingen › De toets pen. of indrukken en vervolgens de functietoets Klank aantip- Volume - Volume-instelling Maximaal inschakelvolume - Instelling van het maximale volume bij het inschakelen van het infotainment ■ Berichten - Volume-instelling voor verkeersmeldingen (TP) ■ Volumeregeling -Volumeverhoging bij snelheidsverhoging ■ Entertainment volume lager - Verlaging van het audiovolume (bv.
› De toets indrukken, vervolgens de functietoets Dataoverdracht voor ŠKODAapps activeren aantippen. Veilig verwijderen van de externe gegevensbron › Op de toets drukken en vervolgens de functietoets Veilig verwijderen aantippen en het te verwijderen externe apparaat selecteren. Op fabrieksinstellingen terugzetten › Op de toets aantippen. drukken en vervolgens de functietoets Fabrieksinstellingen Systeeminformatie › Op de toets aantippen.
Uitgebreide instellingen (FM) › In het menu Radio de FM-frequentieband selecteren en de functietoets → Uitgebreide instellingen aantippen. RDS regionaal: - In-/uitschakelen van het automatische zoeksysteem naar regionaal verwante zenders ■ Automatisch - Automatisch kiezen van de zender met de momenteel beste ontvangst. Bij het wegvallen van de ontvangst in de betreffende regio wordt door het infotainment automatisch een andere beschikbare regio ingesteld.
Herinnering: mobiele telefoon - In-/uitschakelen van waarschuwing voor het vergeten van de telefoon in de wagen (voor zover de telefoon met het infotainment was verbonden) ■ Parallelle gesprekk. - In-/uitschakelen van de optie om twee gelijktijdig actieve telefoongesprekken te bedienen ■ Instellingen van het menu SmartLink+ › In het hoofdmenu SmartLink de functietoets aantippen.
Lijst van beschikbare zenders Handmatig/halfautomatisch zenderzoeken Radiotekstweergave (DAB) / Afbeeldingpresentatie (DAB) Instellingen van het menu Radio » pag. 140 resp. » pag.
Symbool Zenderlogo automatisch toekennen Betekenis De zenderontvangst is niet zeker (DAB) (geldt voor het infotainment Amundsen, Bolero, Swing) Zender met weergave van afbeeldingen (DAB) (geldt niet voor het infotainment Swing) Lijst updaten Infotainmentafhankelijk wordt de zenderlijst als volgt geüpdatet: Frequentie Columbus Amundsen, Bolero Swing FM AM DAB automatisch automatisch automatisch automatisch handmatig handmatig automatisch handmatig handmatig ▶ Voor handmatig updaten de functie
TP-verkeersinformatie › Voor het in-/uitschakelen van de verkeersinformatie in het hoofdmenu Radio de functietoets → Verkeersinformatie (TP) aantippen. Tijdens een verkeersmelding is het mogelijk, de actuele melding af te breken resp. de verkeersinformatie te deactiveren. Media Bediening Hoofdmenu Afb.
het album enz.). Wanneer de informatie niet beschikbaar is en de dienst Infotainment Online » pag. 17 actief is, zoekt het infotainment deze informatie in de Gracenote®-online-database op. Weergavebediening - Columbus, Amundsen, Bolero Functie Handeling Afspelen/Pauze Aantippen van Aantippen van (na 3 s na de start van de titelweergave) Vingerbeweging naar rechts in beeldschermgedeelte A » afb. 177 op pag.
Mappen-/titellijst Multimedia-database Afb. 178 Map-/titellijst › Voor de weergave van de map-/titellijst in het hoofdmenu Media de functietoets aantippen (als deze weergave door de actueel gekozen bron ondersteund wordt). › Voor de weergave een titel kiezen. Map-/titellijst » afb.
Audiobronnen Inleiding VOORZICHTIG Geen belangrijke en onbeveiligde gegevens op aangesloten audiobronnen opslaan. ŠKODA draagt geen verantwoordelijkheid voor verloren geraakte of beschadigde bestanden resp. aangesloten audiobronnen. ■ Bij het wisselen of aansluiten van een audiobron kunnen er plotseling volumewijzigingen ontstaan. Vóór het wisselen of aansluiten van een audiobron het volume verlagen.
Als de cd/dvd is beschadigd, niet leesbaar is of verkeerd is geplaatst, verschijnt op het beeldscherm de volgende melding Storing: Cd/dvd. ■ Cd's/dvd's met kopieerbeveiliging worden onder bepaalde omstandigheden niet of slechts beperkt weergegeven. ■ SD-kaart Afb.
Bluetooth®-speler Het infotainment biedt de mogelijkheid, audiobestanden van een aangesloten Bluetooth®-speler met het A2DP- resp. AVRCP-audioprofiel af te spelen. Met het infotainment kunnen meerdere apparaten via Bluetooth® worden gekoppeld, maar slechts één daarvan kan als Bluetooth®-speler worden gebruikt.
Ondersteunde audiobronnen en bestandsformaten - Columbus, Amundsen, Bolero Ondersteunde audiobestandsformaten Codec-type (bestandsformaat) Bestandsuffix Max. bitrate Windows Media Audio 9 en 10 wma 384 kbit/s wav Door het formaat bepaald (ca. 1,5 Mbit/s) Ondersteunde audiobronnen Bron Interface Type Specificatie SD-kaart SD-lezer Standaardformaat SD, SDHC, SDXC MSC USB 1.x; 2.x en 3.x of hoger met USBde onderapparaten steuning van USB 2.
Bestanden die via de DRM-techniek zijn beschermd, worden door het infotainment niet afgespeeld. Ondersteunde audiobronnen en bestandsformaten - Swing Ondersteunde audiobronnen Bron Interface Type Specificatie SD-kaart SD-lezer Standaardformaat SD, SDHC, SDXC MSC USB 1.x; 2.x en 3.x of hoger met USBde onderapparaten steuning van USB 2.
Doorbladeren aansturen Afbeeldingen Functie Viewer Hoofdmenu Geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen, Bolero. Afb. 183 Afbeeldingen: Hoofdmenu › Voor de weergave van het hoofdmenu het sensorveld functietoets aantippen. en vervolgens de Hoofdmenu » afb. 183 A Selecteren van de afbeeldingenbron Map-/beeldlijst Weergave van het vorige beeld Starten van diashow Stoppen van diashow Weergave van het volgende beeld Instellingen van het menu Afbeeldingen » pag.
Ondersteunde afbeeldingbronnen en bestandsformaten Video-dvd Videospeler Ondersteunde afbeeldingbronnen Bron SD-kaart USB-apparaten Cd/dvd (geldt voor het infotainment Columbus) Type Standaardformaat USB-stick; HDD (zonder speciale software) Cd-r/rw (maximaal 700 MB); Dvd±r/rw Bestandssysteem Specificatie SD, SDHC, SDXC USB 1.x; 2.x en 3.x of hoger met de ondersteuning van USB 2.x ISO9660; Joliet (niveau 1,2,3); UDF 1.x; UDF 2.x FAT16 VFAT FAT32 exFAT NTFS Afb.
Functietoetsen op het bedieningspaneel Weergave aansturen Functie Handeling Afspelen/Pauze Aantippen van / Aantippen van binnen 3 s na het starten van het afspelen Aantippen van na 3 s na het starten van het afspelen Ingedrukt houden van a) Aantippen van Ingedrukt houden van a) Aantippen van de weergave-tijdbalk B » afb. 184 op pag.
Ondersteunde videobestandsformaten Codec-type (bestandsformaat) MPEG-1 MPEG-2 MPEG-4 QuickTime Matroska DivX; XviD MJPEG Bestandsuffix .mpeg .mp4 .mov .mkv Media Command Maximum aantal beelden per seconde Max. resolutie 30 352 x 288 Bediening Inleiding Geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen. 25 720 x 576 Afb. 186 Applicatie ŠKODA Media Command .
VOORZICHTIG Als meerdere apparaten via WLAN met het infotainment verbonden zijn, dan bestaat het gevaar voor WLAN-overbelasting en daarmee ook voor een onjuiste werking van het Media Command. ■ Videoweergave in hoge resolutie (bv. als HD) kan leiden tot weergaveproblemen of verbindingsproblemen van de tablet met het infotainment. ■ Bron selecteren en weergave aansturen › Voor de keuze van de weergavebron in het hoofdmenu de functietoets aantippen en de bron-tablet kiezen.
Ondersteunde bestandsformaten Type Video Audio Formaat: MPEG-4 Part 2 MPEG-4 Part 10 (H264) XVID MPEG-1; 2 en 2,5 Layer 3 (mp3) AAC M4A OGG FLAC WAV Telefoon Besturingssysteem Android Besturingssysteem iOS (4,1+) (4,1+) (4,1+) Inleidende informatie Inleiding ATTENTIE Altijd de algemeen geldende landspecifieke wettelijke bepalingen voor het bedienen van mobiele telefoons in de wagen in acht nemen.
E F Symbool van de basistelefoon ▶ - een via Bluetooth® verbonden telefoon ▶ - een simkaart met geactiveerde telefoondiensten, in de externe module aangebracht Lijst met gekoppelde telefoons die als bron voor de telefooncontacten beschikbaar zijn ▶ - geen telefoon voor telefooncontacten is verbonden ▶ - een telefoon voor telefooncontacten is verbonden Verwisselen van de basistelefoon door de extra telefoon Ingeven van het telefoonnummer Lijst met telefooncontacten Menu met tekstberich
Gemiste oproep Actief gesprek Koppeling en verbinding Inleiding Om een telefoon met het infotainment te kunnen verbinden, moeten de beide apparaten met elkaar via Bluetooth® worden gekoppeld. Koppelings- en verbindingsprocedure Telefoon met het infotainment koppelen › Beschikbare externe Bluetooth®-apparaten in de telefoon opzoeken. › De naam van het infotainment kiezen.
› In het hoofdmenu Telefoon de functie → Telefooninterface "Business" inschakelen. › In de telefoon Bluetooth® en de zichtbaarheid inschakelen en de verbinding via het Bluetooth®-profiel rSAP toestaan. › De telefoon opzoeken en met het infotainment verbinden » pag. 167, infotainment met de telefoon koppelen. Als het Bluetooth®-profiel rSAP door de te verbinden telefoon wordt ondersteund, dan probeert het infotainment bij voorkeur via dit profiel verbinding met de telefoon te maken.
Verbindingsvariant 3. 4.
Geldt voor het infotainment Swing Symbool Symboolkleur wit groen wit groen Gebruik van de simkaart in de externe module Functie Extern apparaat kan als telefoon worden verbonden Extern apparaat is als telefoon verbonden Extern apparaat kan als Bluetooth®-speler worden verbonden Extern apparaat is als Bluetooth®-speler verbonden Verbinding opbouwen ▶ Het gewenste externe apparaat in de lijst met gekoppelde externe apparaten kiezen.
Pincode ingeven en opslaan › Als de simkaart met een pincode is beveiligd, de pincode ingeven. › De ingegeven pincode door aantippen van bevestigen. › of: De functietoets aantippen, de pincode wordt opgeslagen en bevestigd. Pincode wijzigen › Wijzigen van de pincode is in het hoofdmenu Telefoon in het menupunt → Instellingen pincode → Pincode wijzigen mogelijk. Gebruik van de simkaart wijzigen › In het hoofdmenu Telefoon de functietoets → Simkaart alleen voor dataverbinding gebruiken aantippen.
Als zich in de externe module van het infotainment Columbus een simkaart met geactiveerde telefoondiensten bevindt, dan zijn de telefooncontacten van de simkaart beschikbaar. Eventueel kan nog een ander extern apparaat voor het importeren van telefooncontacten worden geselecteerd, door de functietoets F » afb. 188 op pag. 165 aan te tippen.
› De gewenste functietoets van het favoriete contact aantippen en het wissen bevestigen. Alle favoriete contacten kunnen door het aantippen van de functietoets Alle wissen / Alle gebieden en het bevestigen van het wissen worden gewist. Functietoets voor noodoproep Wanneer de wagen niet met de toetsen van de Care Connect-dienst » pag. 16 is uitgerust, wordt op de positie van de laatste functietoets in de eerste favorietengroep de functietoets voor een noodoproep weergegeven.
Conferentie starten/extra deelnemers oproepen › Gedurende een oproep/een conferentie de volgende oproep uitvoeren. › of: De nieuwe binnenkomende oproep beantwoorden door de functietoets aan te tippen. › Om de conferentie te starten resp. naar de conferentie terug te keren, de functietoets aantippen. Tekstberichten (Sms) Hoofdmenu Geldt voor het infotainment Columbus, Amundsen, Bolero. Afb.
Weergave voor het selecteren van de bron voor tekstberichten instellen (geldt voor het infotainment Columbus met de simkaartopening in de externe module) Wanneer zich in de externe module alleen een voor gegevensdiensten gebruikte simkaart bevindt en tegelijkertijd een telefoon met het infotainment is verbonden die het Bluetooth®-profiel MAP ondersteunt, dan kan worden ingesteld uit welke bron na het aantippen van de functietoets in het hoofdmenu Telefoon een menu met tekstberichten wordt weergegeven.
Doorsturen van een bericht, met de optie om het bericht nog vóór het verzenden aan te passen Antwoord aan de afzender via een bericht Dataverbinding Internetverbinding Infotainment Columbus verbinden Afb. 195 WLAN (Wi-Fi) / Bluetooth® / simkaart Mogelijke verbindingstypen » afb. 195 A Via WLAN, door de verbinding van het infotainment met de hotspot van het externe apparaat » pag. 178, Infotainment met de hotspot van het externe apparaat verbinden.
Infotainment Amundsen verbinden › of: De functietoets aantippen, de pincode wordt opgeslagen en bevestigd. › Eventueel het benodigde netwerk van de dataprovider instellen. Indien uw dataprovider niet beschikbaar is in de getoonde lijst, informeer dan bij uw provider of een van de weergegeven providers kan worden gebruikt. De parameters van het netwerk van de telefonieprovider kunnen in het menupunt → → Netwerk → Instellingen netwerk worden ingesteld.
De instelling van de dataverbinding via de simkaart is mogelijk in het menupunt → → Netwerk → Dataverbinding: . VOORZICHTIG Bij het insteken van een simkaart met ongeschikt formaat of in de verkeerde richting bestaat gevaar voor beschadiging van de externe module. Verbindingsopbouw met de telefoon met het Bluetooth®-profiel rSAP Geldt voor het infotainment Columbus met in de externe module aangebrachte simkaart.
Het infotainment kan alleen met een hotspot met WPA2-beveiliging worden verbonden. › Het contact inschakelen. › Indien het infotainment-WLAN niet ingeschakeld is, dan dit in het menupunt → → WLAN → WLAN → WLAN inschakelen. Bij A » afb. 197 wordt een lijst met beschikbare of eerdere verbonden hotspots weergegeven. De hotspot-lijst kan door aantippen van de functietoets B worden bijgewerkt. › De hotspot kiezen en het wachtwoord ingeven.
De spraakbediening van het aangesloten externe apparaat kan door het ingedrukt houden van resp. of het ingedrukt houden van de toets op het multifunctiestuurwiel worden geactiveerd. SmartLink+ Inleidende informatie Inleiding Afb. 198 Informatie over SmartLink op de ŠKODA-internetpagina's VOORZICHTIG Voor de verbindingsopbouw is het noodzakelijk dat de datum en tijd in het infotainment correct ingesteld zijn.
Hoofdmenu » afb. 199 A Ondersteunde communicatiesystemen B Beschikbare communicatiesystemen van het aangesloten externe apparaat Weergave van de informatie over SmartLink Verbreken van de actieve verbinding Instellingen van het menu SmartLink » pag. 143 resp. » pag. 149 Verbinding opbouwen/verbreken Verbinding opbouwen › Het contact inschakelen. › Het infotainment inschakelen. › Het externe apparaat inschakelen.
Apple CarPlay Inleiding Een verbinding opbouwen is alleen mogelijk met een extern apparaat dat het communicatiesysteem Apple CarPlay ondersteunt. Door de verbinding van het externe apparaat met Apple CarPlay worden alle op dat moment verbonden Bluetooth®-apparaten losgekoppeld. Tijdens de duur van de verbinding kunnen geen Bluetooth-apparaten met het infotainment worden verbonden. De in de externe module gestoken simkaart kan alleen voor datadiensten worden gebruikt.
Hoofdmenu » afb. 202 Terugkeer naar het hoofdmenu SmartLink » pag. 180 Lijst met actieve applicaties Weergave van de displayinhoud van het aangesloten externe apparaat Instellingen van het menu SmartLink » pag. 143 resp. » pag.
Verbinding met het infotainment maken De mobiele telefoon kan worden verbonden met het infotainment via de functie SmartLink of via WLAN. Verbinding via SmartLink › Het contact inschakelen. › De verbinding via SmartLink (resp. MirrorLink®) opbouwen » pag. 180. › In de lijst met beschikbare applicaties de ŠKODA OneApp applicatie selecteren.
Hoogte boven de zeespiegel Aantal ontvangen/beschikbare satellieten Een online-update van de navigatiegegevens kan ook handmatig als volgt worden uitgevoerd. Als geen GPS-satellietsignaal beschikbaar is, worden geen waarden weergegeven ▶ In Navigatiegegevens Navigatiegegevensbron Columbus De navigatiegegevens zijn in het interne infotainmentgeheugen opgeslagen. Navigatiegegevensbron Amundsen De navigatiegegevens zijn op een originele SD-kaart opgeslagen.
Hoofdmenu Weergaveregeling Media/Radio (geldt niet voor wagens met het infotainment Amundsen en het digitale instrumentenpaneel) Weergave van de volume-instelling voor de navigatiemeldingen / herhaling van de navigatiemelding » pag. 200 Instellingen van de Navigatie » pag. 143 B Wisselen van de kaartweergave tussen het digitale instrumentenpaneel en het infotainmentbeeldscherm (geldt voor wagens met het infotainment Amundsen en het digitale instrumentenpaneel) Kaart Afb.
Geschatte rijtijd tot het reisdoel Geschatte rijtijd tot de tussenstop Geschatte aankomsttijd bij het reisdoel / bij de tussenstop Google Earth™-online-kaart Geldt voor het infotainment Columbus. Afb. 207 Google Earth™-kaart Extra venster Afb. 206 Extra venster Op de Google Earth™-kaart wordt de kaart met de van het internet gedownloade afbeeldingen weergegeven.
Reisdoel zoeken en invoeren Manier van zoeken/ingeven reisdoel kiezen Afb. 208 Manier van zoeken/ingeven reisdoel kiezen Afb. 210 Lijst met gevonden reisdoelen: In de navigatiegegevens / online › Er vindt geen routegeleiding plaats - in het hoofdmenu Navigatie de functietoets → aantippen. › Er vindt een routegeleiding plaats - in het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Reisdoel ingeven → aantippen. Functietoetsen » afb.
▶ Het gewenste reisdoel kiezen, hierbij worden ▶ of: De functietoets B » afb. 209 aantippen. reisdoeldetails weergegeven. Er wordt een kaart met de volgende symbolen en een lijst met gevonden reisdoelen weergegeven. In de navigatiegegevens gevonden reisdoelen » afb. 210 - . Online gevonden reisdoelen » afb. 210 - . ▶ Het gewenste reisdoel kiezen, hierbij worden reisdoeldetails weergegeven.
Reisdoel via het kaartpunt invoeren Tankstation, restaurant of parkeerplaats zoeken Afb. 213 Menu na het aantippen van het kaartpunt Door het aantippen van de kaart worden het symbool en een menu met de volgende menupunten (contextafhankelijk) weergegeven » afb. 213. A B C Weergave van de reisdoeldetails » pag.
▶ Er vindt geen routegeleiding plaats - de dichtstbijzijnde reisdoelen in een omtrek van 200 km van de actuele wagenpositie worden weergegeven. ▶ Er vindt een routegeleiding plaats - de reisdoelen op de route of in de directe omgeving van de route worden weergegeven. Reisdoel online zoeken Bij geactiveerde Infotainment Online » pag.
Reisdoel opslaan ▶ In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Laatste reisdoelen aantippen. ▶ De functietoets op het gewenste reisdoel aantippen, de reisdoeldetails worden aangegeven. ▶ De functietoets Opslaan aantippen. ▶ Het reisdoel eventueel hernoemen en het opslaan bevestigen. "Vlaggetjesreisdoel" (actuele wagenpositie) opslaan ▶ In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Huidige positie opslaan aantippen.
De eigen reisdoelen kunnen m.b.v. de ŠKODA-applicatie "MyDestination", in het gebruikersprofiel op de ŠKODA Connect Portal of in de ŠKODA Connect applicatie worden aangemaakt. Door het inlezen van de QR-code » afb. 217 of na het invoeren van het volgende adres in de webbrowser, wordt nadere informatie over de applicatie "MyDestination" weergegeven. http://go.skoda.eu/my-destination De toegang tot de ŠKODA Connect Portal is te vinden op de ŠKODA Connect internetpagina's.
Er wordt een menu voor het importeren/updaten van de navigatiegegevens en categorieën bijzondere reisdoelen weergegeven. › De functietoets → Bijz. reisd. → Opvragen aantippen. Indien nieuwe categorieën bijzondere reisdoelen beschikbaar zijn, wordt het aantal en de bestandsgrootte door het infotainment weergegeven. › De functietoets Starten aantippen, om de import te starten. › Om de import af te ronden de functietoets Volgende aantippen en de import bevestigen.
De afbeelding kan uit een extern apparaat afkomstig zijn, waarin bij het opstellen van het beeld GPS-coördinaten worden opgeslagen. Deze kan eventueel in de applicatie "MyDestination" worden vervaardigd en geïmporteerd » afb. 217 op pag. 192. Als de kaartschaal van de 2D- resp. 3D-weergave kleiner is dan 10 km, dan wordt de kaart automatisch als 2D ingesteld en naar het noorden gericht. Als de schaal tot boven deze waarde wordt vergroot, dan wordt de kaart naar de uitgangsweergave teruggeschakeld.
Manieren om de kaartschaal handmatig te wijzigen ▶ Het beeldscherm met twee vingers aanraken en deze naar elkaar resp. uit elkaar trekken. ▶ De regelaar draaien (geldt niet voor het infotainment Columbus). ▶ De functietoets A » afb. 221 aantippen en de schuifknop gebruiken of de functietoets / bij B » afb. 221 aantippen (geldt voor het infotainment Columbus). Wijziging van de kaartrichting Afb.
De verschoven kaart kan op de wagen-, reisdoel- of routepositie worden gecentreerd. › Voor centrering van de kaart de functietoets A » afb. 224 aantippen. Opties van kaartweergave in extra venster Geldt voor wagens met het infotainment Columbus, zonder het digitale instrumentenpaneel. Het type kaart dat in het digitale instrumentenpaneel wordt weergegeven kan in het hoofdmenu Navigatie in het menupunt → Kaart → Kaartweergave in instr.paneel: worden geselecteerd.
› Het sensorveld en vervolgens de functietoets → Bestuurdershulpsysteem → Snelheidswaarsch.: aantippen. Reisdoeldetails Voor het rijden met aanhangwagen adviseren wij om de herkenning van verkeerstekens m.b.t. aanhangwagens in te schakelen. › Het sensorveld en vervolgens de functietoets → Bestuurdershulpsysteem → Verkeerstekens m.b.t. aanhangwagens weergeven aantippen. Routegeleiding Inleiding Door het starten van de routegeleiding naar een reisdoel ontstaat een route.
▶ Bewerking van het reisdoel (het reisdoel kan worden gewist, hernoemd of als favoriet worden opgeslagen). ▶ Kiezen van het telefoonnummer van het bijzondere reisdoel (als een telefoon met het infotainment is verbonden » pag. 167, Koppeling en verbinding) Routeberekening en start van de routegeleiding Afb. 227 Alternatieve routes De mogelijkheid bestaat een al berekende alternatieve route te selecteren, voordat de berekening van de overige routes is afgerond.
Grafische rijadviezen De navigatiemeldingen worden door het infotainment gegenereerd. Een perfecte verstaanbaarheid van de melding (bijvoorbeeld straat- of stadnaam) kan niet altijd worden gegarandeerd. De laatste navigatiemelding kan in het hoofdmenu Navigatie door het aantippen van de functietoets → worden herhaald. Het tijdstip van de navigatiemelding is afhankelijk van het wegtype waarop wordt gereden en de gereden snelheid. De soort van de navigatiemeldingen kan worden gekozen .
Beëindigen van de routegeleiding De routegeleiding kan op een van de volgende manieren worden beëindigd. › Het definitieve reisdoel wordt bereikt. › In het hoofdmenu Navigatie door het aantippen van de functietoets → Routegeleiding stoppen. › Door het uitschakelen van het contact gedurende langer dan 120 min. Afbreken van de routegeleiding Als het contact uit- en weer ingeschakeld wordt, dan wordt de routegeleiding, afhankelijk van de onderbroken tijd, op een van de volgende manieren voortgezet.
Reisdoelen onderling wisselen ▶ De betreffende functietoets ingedrukt houden en het reisdoel naar de gewenste positie verschuiven. Bij op de route al bereikte reisdoelen wordt onder de reisdoelnaam de aanwijzing Reisdoel bereikt getoond. Het is niet meer mogelijk om deze tussenstops onderling te verwisselen. Route opslaan ▶ Bij A de functietoets Opslaan aantippen. ▶ De bewerkte route als nieuwe route opslaan of de bestaande berekende route vervangen. De route wordt in de routelijst opgeslagen » pag. 202.
Wanneer de route bij ingeschakeld contact is opgesteld en naar het infotainment is verstuurd, dan wordt het importeren van deze route door het infotainment pas na het uitschakelen (minstens 15 minuten) en het opnieuw inschakelen van het contact aangeboden. › Het contact inschakelen. Als een nieuwe route aanwezig is, verschijnt op het Aansluitend is er de mogelijkheid de routegeleiding naar de opgeslagen wegpuntenrit te starten of de wegpuntenrit op de SD-kaart op te slaan. Hoofdmenu Afb.
De opgenomen wegpunten worden na de opname samengevoegd in een wegpuntenrit en opgeslagen in het wegpuntenritgeheugen. Wegpunten opnemen Afb. 232 Opnemen van een wegpuntenrit Na het stoppen van de opname kan deze niet worden hervat. Een nieuwe opname moet worden gestart. Opgeslagen wegpuntenrit rijden Opname van een wegpuntenrit starten ▶ In het hoofdmenu Wegpuntmodus de functietoets → Wegpuntenrit opnemen aantippen. Een van de volgende methodes om op te nemen kiezen.
De wegpuntenrit van de huidige wagenpositie tot het volgende wegpunt "verkleint" geleidelijk tijdens het rijden "vanaf" C » afb. 233. Verkeersinformatie Als dicht genoeg langs het volgende wegpunt wordt gereden, wordt de routegeleiding voortgezet naar het volgende wegpunt. Lijst met verkeersmeldingen Als u een wegpunt wilt overslaan, maar niet wilt dat dit uit de wegpuntenrit "verdwijnt" (bv.
Een verkeersmelding kan enkele van de volgende punten bevatten. Detail van de verkeersmelding ▶ Symbool van de verkeersopstopping ▶ Nummer van de betreffende weg ▶ Naam van de betreffende plaats ▶ Beschrijving van de verkeersopstopping Afb. 235 Detail van verkeersmelding Kleurmarkering voor de belangrijkheid van de verkeersopstopping in een TMC-melding Het symbool van de verkeersopstopping (bv.
› Voor het in-/uitschakelen in het menu Navigatie de functietoets → Routeopties → Dynamische route aantippen. Verkeersopstopping op de route handmatig ingeven/verwijderen Bij kennis over een verkeersopstopping (bijvoorbeeld een file) tijdens de routegeleiding kan deze verkeersopstopping handmatig in de route worden ingegeven. Na het invoeren voert het infotainment een nieuwe routeberekening uit en biedt eventueel een alternatieve route aan.
Afhankelijk van de wagenuitrusting met handbediende airconditioning: Instelling van interieurvoorverwarming en -ventilatie / bediening van voorruitverwarming Bediening van de stuurwielverwarming Instellingen van de wagensystemen 208 Infotainment
Rijden Wegrijden en rijden Motor starten en afzetten Inleiding voor het onderwerp Afhankelijk van de uitrusting bestaat de mogelijkheid, met de sleutel in het contact of de startknop het contact in- of uit te schakelen en de motor te starten/af te zetten. ATTENTIE ■ Nooit de motor afzetten voordat de wagen stilstaat - gevaar voor ongevallen! ■ Als de wagen wordt voortbewogen met niet-draaiende motor moet het contact altijd ingeschakeld zijn.
› Bij wagens met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P of Contact in-/uitschakelen N zetten » en het rempedaal intrappen en ingetrapt houden, tot de motor is aangeslagen. Motor starten › Bij wagens met contactslot de sleutel in stand 3 draaien » afb. 237 op pag. 210 - , er wordt gestart. Vervolgens de sleutel loslaten, de motor slaat automatisch aan. Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, de sleutel in stand 1 draaien. De startprocedure na 30 s herhalen.
Let op Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid te horen zijn. ■ Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - de accu wordt anders onnodig belast. ■ Nadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator (ook bij uitgeschakeld contact) nog circa 10 minuten verder draaien. ■ Problemen bij de motorstart - wagens met startknop Afb.
Voorwaarden voor de systeemfunctie Voor een correcte systeemfunctie dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan. Het bestuurdersportier is gesloten. De bestuurder heeft de veiligheidsgordel omgegespt. De snelheid was na de laatste keer stoppen hoger dan 4 km/h. Systeemtoestand De systeemtoestand wordt bij het stoppen op het display weergegeven » afb. 239. De motor wordt automatisch afgezet, bij het wegrijden wordt automatisch opnieuw gestart. De motor is niet automatisch afgezet.
Remmen en parkeren ATTENTIE Wanneer de motor is afgezet is meer kracht nodig om te remmen - gevaar voor ongevallen! ■ Tijdens het remmen met een wagen met schakelbak, ingeschakelde versnelling en in een laag toerenbereik, moet het koppelingspedaal worden ingetrapt. Anders zou dit een negatieve invloed op de rembekrachtiger kunnen hebben - gevaar voor ongevallen! ■ Het rempedaal niet intrappen wanneer er niet hoeft te worden geremd.
Loszetten › De handremhendel iets omhoogtrekken en tegelijkertijd de grendelknop » afb. 241 indrukken. › De hendel met ingedrukte grendelknop volledig omlaag bewegen. Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het controlelampje in het instrumentenpaneel. Als per ongeluk met aangetrokken handrem wordt weggereden, klinkt een waarschuwingstoon. De handremwaarschuwing wordt geactiveerd als langer dan ongeveer 3 seconden met een snelheid van meer dan 5 km/h wordt gereden.
Achteruitversnelling inschakelen › De wagen stilzetten. › Het koppelingspedaal volledig intrappen. › De versnellingshendel in stand N zetten. › De versnellingshendel omlaag drukken, volledig naar links bewegen en vervolgens naar voren in stand R plaatsen » afb. 242. De standen van de automatische versnellingsbak worden met de keuzehendel ingesteld.
Bij ingeschakeld contact wordt de versnellingsbakmodus en de ingeschakelde versnelling op het display weergegeven » afb. 243. Parkeren - deze stand kan alleen bij stilstaande wagen worden ingeschakeld. De aangedreven wielen zijn mechanisch geblokkeerd. R Achteruitversnelling - deze stand kan alleen bij stilstaande wagen en stationair toerental worden ingesteld. N Neutraal (neutrale stand) - de krachtoverbrenging naar de aangedreven wielen is onderbroken.
Handmatig schakelen (tiptronic) Afb. 245 Keuzehendel / multifunctiestuurwiel Bij het accelereren schakelt de versnellingsbak kort voor het bereiken van het maximaal toegestane motortoerental automatisch op naar de volgende versnelling. Als een lagere versnelling wordt gekozen, schakelt de versnellingsbak pas terug wanneer een te hoog motortoerental niet meer mogelijk is. Let op In sommige gevallen, bv. bij bergafwaarts rijden, kan het voordelig zijn handmatig te schakelen.
In nullaststand rijden ("vrijloop") Bij het loslaten van het gaspedaal beweegt de wagen zonder de remwerking van de motor. Werkingsvoorwaarden ▶ De keuzehendel staat in stand D/S. ▶ De rijmodus Eco resp. Individual (aandrijving- Eco) is gekozen » pag. 254, Keuze van de rijmodus (Driving Mode Selection). ▶ De rijsnelheid is hoger dan 20 km/h. ▶ Op het stopcontact voor de aanhangwagen is geen aanhangwagen of een andere accessoire aangesloten.
D Puntentoekenning (0 - 100) Des te hoger de waarde wordt, des te zuiniger is de rijstijl. Bij het aantippen van de functietoets D wordt een gedetailleerd waarderingsoverzicht getoond van hoe zuinig er tijdens de laatste 30 minuten werd gereden. Duurt de rit sinds de start minder dan 30 minuten, dan wordt aan het overzicht de beoordeling van de vorige rit toegevoegd (donkergroen weergegeven staven).
Rijden door water Hulpsystemen Afb. 247 Maximaal toelaatbare waterhoogte bij rijden door water Algemene aanwijzingen Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE De hulpsystemen dienen alleen als ondersteuning en ontslaan de bestuurder niet van de verantwoording voor het bedienen van de wagen.
De sensor maakt onderdeel uit van het ACC-systeem » pag. 246 en Front Assist » pag. 251. De werking van de sensor kan in een van de volgende situaties beperkt of helemaal niet beschikbaar zijn. ▶ De sensorafdekking is door modder, sneeuw of dergelijke verontreinigd. ▶ Het gedeelte vóór en om de sensorafdekking is door stickers, extra koplampen of dergelijke afgedekt. ▶ Bij slecht zicht (bv. mist, stortregen, hevige sneeuwval). ▶ In uitzonderingsgevallen kan de sensor onder de afdekking afgedekt zijn (bv.
Antiblokkeersysteem (ABS) Lees en bekijk eerst op bladzijde 221. Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren bij het remmen. Daardoor ondersteunt het systeem de bestuurder bij het behouden van de controle over de wagen. Een ABS-ingreep is duidelijk merkbaar aan de pulserende bewegingen van het rempedaal, die gepaard gaan met geluid. Bij een ABS-ingreep niet pompend remmen of de pedaaldruk verminderen. Motorsleepmomentregeling (MSR) Lees en bekijk eerst op bladzijde 221.
Elektronisch sperdifferentieel (EDS en XDS+) Lees en bekijk eerst op bladzijde 221. Het EDS voorkomt het doordraaien van het betreffende wiel van de aangedreven as. Het EDS remt een van de eventueel doordraaiende wielen af en brengt de aandrijfkracht over op het andere aangedreven wiel. Daardoor wordt het rijden op een ondergrond met een verschillende grip onder de afzonderlijke wielen van de aangedreven as vergemakkelijkt.
Voor een correcte werking van de TSA-functie dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: De trekhaak is af fabriek gemonteerd of aangeschaft uit het originele ŠKODA accessoireprogramma. De aanhangwagen is via het stopcontact voor de aanhangwagen elektrisch met de trekkende wagen verbonden. De ASR is geactiveerd . De rijsnelheid is hoger dan 60 km/h. Werking Meer informatie » pag. 264, Trekhaak en aanhangwagen. Offroad-modus Inleiding voor het onderwerp Afb.
Bergafdaalhulp Lees en bekijk eerst en op bladzijde 224. De bergafdaalhulp (hierna assistent) houdt door automatische remingrepen op alle vier de wielen een constante snelheid aan bij het voor- en achteruitrijden op steile hellingen. Tijdens een ingreep van het hulpsysteem knippert het controlelampje in het instrumentenpaneel. Een ingreep van de assistent gebeurt automatisch onder de volgende omstandigheden. De motor draait.
Het systeem vormt door een gecontroleerd blokkeren van de wielen, vóór het afgeremde wiel een "verhoging" van opgestuwd materiaal, wat de remweg verkort. De maximale systeemwerking wordt bereikt als de voorwielen in de rechtuitstand staan. Parkeerhulp (ParkPilot) Inleiding voor het onderwerp De parkeerhulp (hierna systeem) signaleert door middel van akoestische signalen resp. de infotainmentbeeldschermweergave tijdens het manoeuvreren obstakels in de buurt van de wagen.
Globaal bereik van de sensoren (in cm) Werking Gebied » afb. 252 A B C D E Afb. 251 Inbouwplaats van de sensoren aan linkerwagenzijde: Voorin / achterin Afb. 252 Afgetast gebied en reikwijdte van de sensoren Variant 1 (4 sensoren) Variant 2 (8 sensoren) Variant 3 (12 sensoren) 160 60 - 120 60 160 60 - 120 90 160 90 90 Geluidssignalen Met de vermindering van de afstand tot het obstakel wordt het interval tussen de akoestische signalen korter.
Weergave op het infotainmentbeeldscherm Activering/deactivering Afb. 253 Schermweergave Lees en bekijk eerst en op bladzijde 226. Functietoetsen en waarschuwingen » afb. 253 A Rijbaanweergave. Afhankelijk van infotainmentsoort: Uitschakelen van de parkeerhulpweergave. Uit-/inschakelen van de akoestische signalen van de parkeerhulp. Deactivering/activering van de automatische noodrem. Wisselen naar de weergave van de achteruitrijcamera.
Let op Het systeem kan met de toets alleen bij een snelheid onder 15 km/h worden geactiveerd. Automatische systeemactivering bij vooruitrijden Afb. 255 Infotainmentbeeldscherm: Weergave bij automatische activering Deactivering/activering De remfunctie kan in het infotainment in het menu Parkeren en manoeuvreren worden gedeactiveerd/geactiveerd » pag. 226.
ATTENTIE De algemene aanwijzingen m.b.t. het gebruik van de hulpsystemen dienen in acht te worden genomen » pag. 220, in alinea Inleiding voor het onderwerp. ATTENTIE Door een botsing resp. schade aan de achterzijde van de wagen kan de werking van de systemen gehinderd worden - gevaar voor ongevallen! De wagen door een specialist laten controleren. ■ Het gebied rond de sensor niet afdekken - de werking van de systemen kan hierdoor worden beperkt.
Assistent voor "dodehoek"-bewaking - werking Lees en bekijk eerst en op bladzijde 230. Bij een snelheid boven 15 km/h wordt het gebied naast en achter de wagen door het systeem bewaakt. Tegelijkertijd worden de afstand en het snelheidsverschil tussen uw wagen en de andere wagens in het gecontroleerde gebied gemeten. Het systeem controleert tijdens het rijden in een normale rijstrook de naastliggende rijstrook links en rechts.
Let op De helderheid van het controlelampje is afhankelijk van de instelling van de wagenverlichting. Bij ingeschakeld dim- of grootlicht is de helderheid van het controlelampje minder. Achteruitrijcamera Activering/deactivering Lees en bekijk eerst Systeemstoring Bij een systeemstoring verschijnt een storingmelding. De hulp van een specialist inroepen. en op bladzijde 230. De activering resp. deactivering van de systemen kan op een van de volgende manieren plaatsvinden.
Let op De camera kan met een reinigingssysteem zijn uitgerust » pag. 84. Het besproeien volgt automatisch samen met het besproeien van de achterruit. Activering/deactivering Afb. 261 Toets voor activering/deactivering Werking Afb. 260 Inbouwplaats van de camera / detectiebereik achter de wagen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 232. De camera voor het registreren van het gebied achter de wagen zit in de greep van de achterklep » afb. 260. Bereik achter de wagen » afb.
Functietoetsen Afb. 262 Functietoetsen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 232. De mogelijkheid bestaat, met de functietoetsen tussen de parkeer- en manoeuvreermodus te wisselen en bepaalde instellingen uit te voeren. Functietoetsen » afb.
Modus - haaks inparkeren Modus - fileparkeren Afb. 264 Schermweergave Lees en bekijk eerst en Afb. 265 Schermweergave op bladzijde 232. Lees en bekijk eerst en op bladzijde 232. Deze modus ondersteunt de bestuurder tijdens het achteruitrijden in een haaks op de rijbaan liggende parkeerruimte. Deze modus ondersteunt de bestuurder tijdens het achteruitrijden in een parallel aan de rijbaan liggende parkeerruimte. Inparkeermanoeuvre › Een geschikte parkeerruimte kiezen. › Toets » afb.
› In dit geval het stuurwiel zo draaien dat de gele lijnen 6 en de rode lijn 8 samenvallen. › Voorzichtig achteruitrijden, tot op het beeldscherm verschijnt of de groene lijn 7 met de zijdelingse begrenzing (bv. stoeprand) van parkeerruimte 2 samenvalt. › De wagen stoppen en zo lang tegengesteld draaien tot de gele lijnen 6 met de rode lijn 8 (vereiste rijbaanrichting) samenvallen. Het stuurwiel in deze stand houden. Op het beeldscherm wordt oriëntatielijnen weergegeven » afb. 263 op pag. 234.
Om deze reden moet ook het hoofdstuk over de parkeerhulp zorgvuldig worden gelezen en de daarin vermelde veiligheidsaanwijzingen worden opgevolgd. ATTENTIE ■ De algemene aanwijzingen m.b.t. het gebruik van de hulpsystemen dienen in acht te worden genomen » pag. 220, in alinea Inleiding voor het onderwerp. ■ Tijdens de parkeermanoeuvre voert het systeem automatisch snelle stuurbewegingen uit.
Er wordt niet door de ASR ingegrepen. Op het stopcontact voor de aanhangwagen is geen aanhangwagen of een andere accessoire aangesloten. Parkeermodus wisselen Activering/deactivering Het systeem kan door het indrukken van toets worden geactiveerd/gedeactiveerd » afb. 267. Bij een geactiveerd systeem brandt in de toets het symbool . Parkeerruimte zoeken Lees en bekijk eerst en op bladzijde 237. Afb.
› Verder naar voren rijden, tot op het display de weergave - verschijnt. › Stoppen en erop letten dat de wagen tot het begin van de inparkeerma- Inparkeren noeuvre niet meer vooruit beweegt. › De achteruitversnelling inschakelen resp. de keuzehendel in stand R zetten. › Zodra op het display de volgende melding wordt weergegeven: Stuuringreep actief. Let op omgeving!, het stuurwiel loslaten. Het systeem neemt de besturing over.
› De achteruitversnelling inschakelen resp. de keuzehendel in stand R zetten. Vooruit inparkeren De verdere procedure is identiek aan die bij het achteruit inparkeren. Afb. 271 In een haakse parkeerruimte vooruit inparkeren: Displayweergave › De op het display weergegeven systeemaanwijzingen opvolgen. Zodra de parkeermanoeuvre is beëindigd, klinkt er een geluidssignaal en verschijnt op het display de betreffende melding.
Systeem niet beschikbaar Is het systeem niet beschikbaar, omdat er sprake is van een storing aan de wagen, dan verschijnt er een melding over de onbeschikbaarheid. De hulp van een specialist inroepen. Systeemstoring Bij een systeemstoring verschijnt een storingmelding. De hulp van een specialist inroepen.
De aanhangwagen is aangesloten op het stopcontact voor de aanhangwagen. De aanhangwagen wijkt niet te ver uit. Bepaling van de dissellengte Om de bestuurder de grootstmogelijke instelhoek m.b.t. de doelpositie van de aanhangwagen beschikbaar te stellen, moet het systeem de dissellengte kennen. Voor het bepalen van de dissellengte moet met aangekoppelde aanhangwagen een paar keer worden afgeslagen of door bochten worden gereden. De manoeuvreerhoek wordt op het display 5 weergegeven » afb. 273 op pag.
Automatische remingreep Lees en bekijk eerst en Werking op bladzijde 241. In de volgende situaties wordt het systeem gedeactiveerd en volgt een automatische remingreep. ▶ Indien tijdens het manoeuvreren de toets wordt ingerukt, het bestuurdersportier wordt geopend of het stuurwiel wordt vastgepakt. ▶ Indien de hoek tussen wagen en aanhangwagen tijdens het manoeuvreren door het systeem als te groot wordt beoordeeld.
Basisvoorwaarden voor het starten van de regeling Het snelheidsregelsysteem is geactiveerd . Bij wagens met schakelbak is de tweede versnelling of een hogere versnelling ingeschakeld. Bij wagens met automatische versnellingsbak staat de keuzehendel in stand D/S of in de tiptronic-stand. De actuele snelheid is hoger dan 20 km/h. Dit is echter alleen mogelijk als het motorvermogen of de motorremwerking dit toelaten.
Basisvoorwaarden voor het starten van de regeling De snelheidsbegrenzer is actief. De actuele snelheid moet hoger zijn dan 30 km/h. Werking Na het starten van de regeling wordt de actuele snelheid als snelheidslimiet opgeslagen en in het instrumentenpaneel gaat het controlelampje branden.
B C D a) Regeling weer activerena) / snelheidslimiet verhogen - kort indrukken (in stappen van 1 km/h), lang indrukken (in stappen van 10 km/h) Regeling starten / snelheidslimiet verlagen - kort indrukken (in stappen van 1 km/h), lang indrukken (in stappen van 10 km/h) Tussen SRS en snelheidsbegrenzer omschakelen 5 6 A B a) Snelheidslimiet met sprongen van 10 km/h verhogen Snelheidslimiet met sprongen van 10 km/h verlagen Regeling starten / snelheidslimiet in spron
ATTENTIE (vervolg) Bij slecht zicht (bv. mist, stortregen, hevige sneeuwval). Op slecht wegdek (bv. ijzel, gladde rijbaan, grind, onverhard wegdek). Bij het rijden door "scherpe" bochten of op steile hellingen/afdalingen. Bij het rijden door plaatsen waar zich metalen objecten bevinden (bv. metalen loodsen, spoorbanen en dergelijke). ■ Bij het rijden door ingedeelde gesloten ruimtes (bv. parkeergarages, veerboten, tunnels en dergelijke).
3 4 Ingestelde afstand ten opzichte van de voorligger Voertuig herkend (regeling inactief) Statusindicaties van de ACC » afb. 282 Regeling inactief (op het kleurendisplay zijn de cijfers van de snelheidsindicatie grijs weergegeven). Regeling actief - geen voertuig herkend (op het kleurendisplay zijn de cijfers van de snelheidsindicatie gemarkeerd weergegeven). Regeling inactief - geen snelheid opgeslagen.
Regeling starten Lees en bekijk eerst op bladzijde 246. Basisvoorwaarden voor het starten van de regeling ACC is geactiveerd. Bij wagens met schakelbak is de tweede versnelling of een hogere versnelling ingeschakeld en de actuele snelheid is hoger dan 30 km/h. Bij wagens met automatische versnellingsbak staat de keuzehendel in stand D/S of in de tiptronic-stand en de actuele snelheid is hoger dan 2 km/h. Regeling starten › De toets » afb. 283 op pag. 248 indrukken.
De afstand is instelbaar binnen een bereik van 1 tot 3,6 seconden. Afstand in het infotainment instellen › Op het infotainment in het menu ACC het menupunt Afstand: kiezen en de afstand instellen » pag. 247, Instellingen in het infotainment. Afstand met de hendel instellen › De schakelaar tegen de veerdruk in stand of instellen » afb. 283 op pag. 248. Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de lijn 2 » afb. 281 op pag. 247, die de afstandsverschuiving weergeeft.
Inhalen en rijden met aanhangwagen Lees en bekijk eerst op bladzijde 246. Bij het inhalen Indien de eigen wagen met een lagere dan de opgeslagen snelheid wordt geregeld en het knipperlicht wordt bediend, beoordeelt de ACC dit als de start van een inhaalmanoeuvre. De ACC versnelt de wagen automatisch en vermindert hierdoor de afstand ten opzichte van de voorligger.
Werking Lees en bekijk eerst en op bladzijde 251. De systeemondersteuning vindt op de volgende manier plaats. ▶ Attendeert op een gevaarlijke afstand ten opzichte van de voorligger. ▶ Waarschuwt voor een dreigende aanrijding. ▶ Ondersteunt bij een door de bestuurder uitgevoerde remingreep. ▶ Indien de bestuurder niet op het herkende gevaar reageert, dan wordt er een automatische remingreep uitgevoerd.
Dringende waarschuwing en automatisch remmen - een bewegend obstakel Als de bestuurder niet reageert op de voorwaarschuwing bij gevaar voor een aanrijding met een zich bewegend obstakel, genereert het systeem automatisch door een actieve remingreep een korte remschok, om opnieuw te waarschuwen voor het gevaar van een mogelijke aanrijding. Als de bestuurder niet op de acute waarschuwing reageert, begint het systeem de wagen automatisch af te remmen.
Deactivering/activering bij wagens met segmentdisplay Toets » afb. 288 A B Handeling Functie Ingedrukt houden naar boven/onder Indrukken Menupunt Front Assist weergeven Systeem deactiveren/activeren Deactivering/activering bij wagens met multifunctiestuurwiel Toets/kartelwiel » afb. 288 C D Handeling Functie Indrukken Indrukken Menupunt Front Assist weergeven Systeem deactiveren/activeren Deactivering/activering en instelling in infotainment In het infotainment kunnen het complete systeem resp.
Modus Eco Lees en bekijk eerst Modus Normal op bladzijde 254. De modus is geschikt voor een rustige rijstijl en helpt bij het verminderen van het brandstofverbruik. De keuze van deze modus heeft met name betrekking op de werking van de volgende systemen. Aandrijving De acceleratie van de wagen verloopt rustiger dan in de modus Normal. Het schakeladvies wordt zodanig geregeld, dat een zo laag mogelijk brandstofverbruik wordt gerealiseerd » pag. 52. Lees en bekijk eerst op bladzijde 254.
Modus Individual Lees en bekijk eerst op bladzijde 254. In de modus Individual kan elk systeem afzonderlijk worden ingesteld » pag. 256, Instellingen van de modus Individual. Modus Offroad Lees en bekijk eerst op bladzijde 254. De modus Offroad is geschikt voor het rijden buiten verharde wegen. Meer informatie » pag. 224, Offroad-modus. Let op De modus Offroad wordt na het uit- en inschakelen van het contact gedeactiveerd en de modus Normal wordt automatisch ingesteld.
■ Modus terugzetten - Instelling van alle menupunten in de modus Individual naar Normal ■ Annuleren - Behouden van de momentele instelling ■ Terugzetten - Instelling van alle menupunten naar de modus Normal Proactieve inzittendenbescherming (Crew Protect Assist) Inleiding voor het onderwerp De proactieve inzittendenbescherming (hierna systeem) verhoogt de veiligheid van de inzittenden op de voorstoelen in situaties die tot een aanrijding of tot het over de kop slaan kunnen leiden.
Het systeem herkent de begrenzingslijnen van de rijstrook met behulp van een sensor » afb. 291. Indien de wagen een herkende begrenzingslijn nadert, voert het systeem een lichte stuurbeweging uit in tegengestelde richting van de begrenzingslijn. Deze corrigerende stuuringreep kan op elk moment handmatig worden overgenomen. ATTENTIE ■ De algemene aanwijzingen m.b.t. het gebruik van de hulpsystemen dienen in acht te worden genomen » pag. 220, in alinea Inleiding voor het onderwerp.
Indien de positie op de rijstrook wordt gewijzigd, past het systeem zich binnen zeer korte tijd aan en houdt de nieuw gekozen positie vast. Stuurwieltrillingen In de volgende situaties kan het voorkomen dat het systeem door stuurwieltrillingen erop wijst, dat een stuuringreep door de bestuurder nodig is. ▶ Het systeem is niet in staat om de wagen door een stuuringreep binnen de rijstrook te houden.
Sensor afgedekt/verontreinigd Als de voorruit bij de sensor verontreinigd, bevroren of beslagen is, verschijnt er een melding dat er geen sensorzicht is. De voorruit schoonmaken resp. het obstakel uit het sensorbereik verwijderen. ATTENTIE De verkeerstekens kunnen systeembepaald bv. in de volgende situaties mogelijkerwijs helemaal niet of onjuist worden weergegeven. ■ Bij slecht zicht (bv. mist, stortregen, hevige sneeuwval). ■ De sensor wordt door de zon of het tegemoetkomend verkeer verblind.
■ Aanhangwagenherkenning ■ Verkeerstekens m.b.t. aanhangwagens weergeven - Activering/deactivering van de weergave van verkeerstekens m.b.t. aanhangwagens ■ Voor routeberekening gebruiken - Activering/deactivering van het rekening houden met een aanhangwagen voor de routeberekening in de navigatie ■ Max. snelheid voor aanhangwagens - Instelling van de maximumsnelheid voor aanhangwagengebruik Werking Afb.
Alle herkende verkeerstekens kunnen via de multifunctie-indicatie in het menupunt Verkeerstekenherkenning worden weergegeven » afb. 295 op pag. 261 - . Indien aan geen van deze voorwaarden wordt voldaan of als de rijstijl niet verandert, wordt door het systeem na 15 minuten nog een keer een rustpauze geadviseerd. De extra weergave kan in het infotainment worden geactiveerd/gedeactiveerd » pag. 260. Het systeem kan in het infotainment in het menu systeem worden geactiveerd/gedeactiveerd.
De bandenspanningswaarden moeten altijd in het systeem worden opgeslagen als een van de volgende punten aan de orde is. ▶ Wijziging van de bandenspanning. ▶ Wisselen van een of meerdere wielen. ▶ Positiewijziging van een wiel op de wagen. ▶ Controlelampje in het instrumentenpaneel gaat branden. ATTENTIE ■ De algemene aanwijzingen m.b.t. het gebruik van de hulpsystemen dienen in acht te worden genomen » pag. 220, in alinea Inleiding voor het onderwerp.
Trekhaak en aanhangwagen Beschrijving Trekhaak Inleiding voor het onderwerp De maximale kogeldruk bij aanhangwagengebruik is afhankelijk van het motortype en de wagenuitrusting. De voor uw wagen geldende waarde is te vinden in de technische wagendocumentatie en in de conformiteitsverklaring (het zgn. CVO-document) of op te vragen bij een ŠKODA Partner. Overige gegevens (bv. op het typeplaatje van de trekhaak) geven alleen informatie over de testwaarden van de trekhaak.
2. stap - geldt voor beide sleutelvarianten › De kogelkop onder de beschermkap beetpakken. › De ontspanpen C in pijlrichting 3 tot de aanslag erin drukken en tegelijkertijd de bedieningshendel D tot de aanslag in pijlrichting 4 drukken » afb. 299. Paraatheidsstand instellen De bedieningshendel D blijft in deze stand vergrendeld. Instelling van de paraatheidsstand controleren Afb. 298 1. stap: Sleutelvariant 1 / sleutelvariant 2 Afb. 299 2. stap: Beide sleutelvarianten Afb.
Kogelkop monteren - 1e stap Afb. 301 Kogelkop aanbrengen / ontspanpen in uitgeschoven toestand Lees en bekijk eerst Kogelkop monteren - 2e stap Afb. 302 Slot vergrendelen: Sleutelvariant 1 / sleutelvariant 2 op bladzijde 264. Afb. 303 Kap op het slot aanbrengen Kogelkop aanbrengen - geldt voor beide sleutelvarianten › De afdekkap voor de bevestigingsschacht 4 naar beneden lostrekken » afb. 297 op pag. 264. › De kogelkop in de paraatheidsstand instellen » pag. 265, Paraatheidsstand instellen.
ATTENTIE Na de montage van de kogelkop altijd het slot vergrendelen en de sleutel verwijderen. De kogelkop mag niet met aangebrachte sleutel worden gebruikt. Correcte bevestiging controleren Afb. 304 Correct bevestigde kogelkop Afb. 306 Slot ontgrendelen: Sleutelvariant 1 / sleutelvariant 2 Lees en bekijk eerst op bladzijde 264. Op de kogelkop mag geen aanhangwagen resp. geen ander accessoire aangekoppeld zijn.
Kogelkop verwijderen - 2e stap VOORZICHTIG De kogelkop in de paraatheidsstand, met de sleutel naar boven gekeerd, in de box opbergen - anders gevaar voor beschadiging van de sleutel! ■ Bij de omgang met de bedieningshendel niet teveel kracht uitoefenen (bv. niet erop staan)! ■ Afb. 307 Kogelkop losmaken Kogeldruk bij gemonteerde accessoires Lees en bekijk eerst op bladzijde 264. Uitbouwen › De kogelkop van onderen vastpakken » afb. 307.
Trekhaak gebruiken Bij afgezette motor wordt de wagenaccu door een ingeschakelde verbruiker ontladen. Aanhangwagen (accessoire) aan- en loskoppelen Bij geringe laadtoestand van de wagenaccu wordt de stroomvoorziening naar de aanhangwagen (de accessoire) onderbroken. Afb. 308 13-polig stopcontact eruit zwenken, bevestigingsoog Aan- en loskoppelen › De kogelkop inbouwen. › Het 13-polige stopcontact bij A vastpakken en in pijlrichting zwenken » afb. 308. › De beschermkap 5 » afb. 297 op pag.
ATTENTIE Een onbevestigde lading kan de rijstabiliteit en de rijveiligheid aanzienlijk beïnvloeden - gevaar voor ongevallen! Aanhangwagengewicht Het toegestane aanhangwagengewicht mag in geen geval worden overschreden.
Motor 2,0 l/110 kW TDI CR 2,0 l/135 kW TDI CR Versnellingsbak Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) bij hellingen tot 12%. Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) MG MG 4x4 DSG DSG 4x4 DSG 4x4 1600 2000 1600 2000 1800 660 710 670 730 730 Versnellingsbak Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) bij hellingen tot 12%.
Motor 1,6 l/81 kW MPI 1,8 l/132 kW TSI 1,6 l/66 kW TDI CR 1,6 l/85 kW TDI CR 2,0 l/105 kW TDI CR 2,0 l/110 kW TDI CR 2,0 l/135 kW TDI CR Versnellingsbak Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) bij hellingen tot 12%.
Toegestaan aanhangwagengewicht - Octavia Combi Scout Motor 1,8 l/132 kW TSI 2,0 l/110 kW TDI CR 2,0 l/135 kW TDI CR Versnellingsbak Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) bij hellingen tot 12%.
Raadgevingen voor het gebruik Verzorging en onderhoud Servicewerkzaamheden, aanpassingen en technische wijzigingen Inleiding voor het onderwerp Bij het gebruik van accessoires en bij het uitvoeren van aanpassingen, reparaties of technische wijzigingen aan uw wagen moeten de aanwijzingen en richtlijnen van ŠKODA AUTO in acht worden genomen. De richtlijnen en aanwijzingen worden nageleefd in het belang van de verkeersveiligheid en de goede technische toestand van uw wagen.
De ŠKODA Servicepartners zijn conform de wettelijke voorschriften tot 2 jaar na verkoop aansprakelijk voor eventuele gebreken aan ŠKODA originele accessoires, voor zover in het koopcontract niet iets anders is overeengekomen. Spoiler Lees en bekijk eerst op bladzijde 274.
Verzorging en onderhoud Inleiding voor het onderwerp Regelmatige en deskundige verzorging is belangrijk voor het waardebehoud van uw wagen. Bij het gebruik van de verzorgingsmiddelen de gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht nemen. Wij adviseren u de conserveringsmiddelen uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken. ATTENTIE Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid.
VOORZICHTIG Wagen wassen met hogedrukreiniger ■ De folies niet met een hogedrukreiniger wassen - gevaar voor beschadiging. ■ Als de wagen in de winter wordt gewassen, mag de waterstraal niet direct op de slotcilinders of op de naden van de portieren, de motorkap of de achterklep worden gericht - er bestaat gevaar voor bevriezen.
Bij het transport van lading op de dakdragers (bv. dakbox) bestaat een verhoogd gevaar voor beschadiging van de folie. VOORZICHTIG Lak ■ Beschadigingen zo spoedig mogelijk laten herstellen. ■ Mat gelakte delen niet met polijstmiddelen of met harde was behandelen. ■ Niet in een stoffige omgeving polijsten - gevaar voor krassen in de lak. ■ Geen lakverzorgingsmiddelen op portierrubbers en ruitgeleidingen aanbrengen. ■ Kunststof delen ■ Geen lakverzorgingsmiddelen gebruiken.
ATTENTIE Veiligheidsgordels nooit chemisch reinigen omdat chemische reinigingsmiddelen het materiaal kunnen beschadigen. ■ Bij hoge interieurtemperaturen kunnen in het interieur aangebrachte parfumeurs en luchtverfrissers schadelijk voor de gezondheid worden. Verzorging van het interieur Lees en bekijk eerst Onderdeel van de wagen en op bladzijde 276.
Let op Gedurende het gebruik van de wagen kunnen de leren en Alcantara® delen kleine zichtbare veranderingen (bv. rimpels, verkleuringen) laten zien. Controleren en bijvullen Brandstof Inleiding voor het onderwerp Afb. 310 Sticker met voorgeschreven brandstof Aan de binnenzijde van de tankklep staat de voor de wagen voorgeschreven brandstof vermeld » afb. 310.
› Het vulpistool uit de brandstofvulopening nemen en weer op de pomp aan- Benzine en diesel tanken brengen. › De tankdop op de brandstofvulopening plaatsen en tegen de pijlrichting in 3 draaien tot deze vastklikt. › De tankklep sluiten tot deze correct is vergrendeld. Beveiliging tegen tanken van verkeerde brandstof bij wagens met dieselmotor De brandstofvulopening bij wagens met dieselmotor kan worden uitgerust met een beveiliging tegen tanken van verkeerde brandstof » afb. 312. Afb.
In noodgevallen kan benzine van 91, 92 of 93 RON worden gebruikt (gering vermogensverlies, licht verhoogd brandstofverbruik) » . Voorgeschreven benzine 98/(95) RON Wij adviseren benzine 98 RON te gebruiken. Optioneel kan ook benzine 95 RON worden getankt (gering vermogensverlies, licht verhoogd brandstofverbruik). In noodgevallen kan benzine van 91, 92 of 93 RON worden gebruikt (gering vermogensverlies, licht verhoogd brandstofverbruik) » .
VOORZICHTIG Dieseltoevoegingen (additieven) ■ De dieselbrandstof volgens de aangegeven normen voldoet aan alle voorwaarden een probleemloos draaien van de motor. Daarom adviseren wij geen toevoegingen (additieven) aan de diesel toe te voegen - anders bestaat gevaar voor motorschade of beschadiging van het uitlaatsysteem. CNG (gecomprimeerd aardgas) tanken › Controleren of de afdichtring C » afb. 313 in de vulopening B is blijven zitten.
De hulp van een specialist inroepen om de storing aan de gasinstallatie te laten verhelpen. CNG Afb. 314 Plaats van de CNG-sticker / CNG-sticker Lees en bekijk eerst en op bladzijde 280. Een G-TEC-wagen mag op CNG en loodvrije benzine rijden . Plaats van de CNG-sticker bij aardgaswagens » afb. 314. Automatisch omschakelen van rijden op aardgas naar rijden op benzine het automatisch omschakelen van rijden op aardgas naar rijden op benzine gebeurt bv. in de volgende gevallen.
ATTENTIE (vervolg) Geen voorwerpen (bv. poetsdoeken of gereedschap) in de motorruimte laten liggen. Er bestaat gevaar voor brand en motorschade. ■ De informatie en waarschuwingen op de verpakkingen van bedrijfsvloeistoffen lezen en opvolgen. Motorruimte ■ Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE De motor nooit met extra dempingsmateriaal (bv.
› De motorkap vanaf een hoogte van ongeveer 20 cm met een vlotte bewe- Motorkap openen en sluiten ging sluiten, zodat deze correct wordt vergrendeld. Als de motorkap niet goed is gesloten, wordt op het display van het instrumentenpaneel een wagen met geopende motorkap grafisch weergegeven.
▶ Benzinemotoren: Ruitensproeiervloeistof Afb. 317 Ruitensproeiervloeistofreservoir VW 504 00, VW 502 00, VW 508 00, ACEA A3/ACEA B4 of API SN, (API SM); ▶ Dieselmotoren: VW 507 00, ACEA C3 of API CJ-4. Bij dieselmotoren zonder roetfilter kan optioneel motorolie VW 505 01 worden gebruikt. Controleren en bijvullen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 285. Het ruitensproeiervloeistofreservoir A bevindt zich in de motorruimte » afb. 317.
Bijvullen › De dop van de motorolievulopening C eraf draaien » afb. 316 op pag. 286. › De voorgeschreven olie met telkens 0,5 liter per keer bijvullen » pag. 287. › Het oliepeil controleren. › De dop van de motorolievulopening weer zorgvuldig vastdraaien. ATTENTIE Bij werkzaamheden in de motorruimte moeten de volgende waarschuwingsaanwijzingen in acht worden genomen » pag. 285. VOORZICHTIG Het oliepeil mag in geen geval buiten het gebied A liggen » afb.
Koelvloeistofpeil controleren - het koelvloeistofpeil moet tussen markeringen A en B liggen » afb. 319. Als het koelvloeistofpeil onder de markering B ligt, koelvloeistof bijvullen. Bijvullen In het reservoir moet altijd een geringe hoeveelheid koelvloeistof aanwezig zijn » .
Let op Een te laag remvloeistofpeil wordt in het instrumentenpaneel door het gaan branden van het controlelampje en door de betreffende melding weergegeven » pag. 43. Toch raden wij aan het remvloeistofpeil regelmatig via het reservoir te controleren. ATTENTIE Accuzuur is sterk bijtend - gevaar voor verwondingen, bijtende werking of vergiftiging! Bijtende dampen in de lucht irriteren en veroorzaken schade aan de luchtwegen en de ogen. De volgende waarschuwingsaanwijzingen in acht nemen.
Toestand controleren Laden Lees en bekijk eerst en op bladzijde 290. De accu alleen opladen, als het contact en alle verbruikers uitgeschakeld zijn. De aanwijzingen van de fabrikant van de acculader in acht nemen. Afb. 321 Accu: Afdekking openklappen / kijkglas Lees en bekijk eerst en op bladzijde 290. De toestand van de accu wordt regelmatig in het kader van de inspectie bij een specialist gecontroleerd.
› Om de accukabels aan te sluiten, eerst de pluspool en pas daarna de minpool van de accu aansluiten. Pas na het los- en weer vastmaken van de accukabels kunnen de volgende functies resp. voorzieningen gedeeltelijk of helemaal niet werken. Functie / voorziening Ingebruikname Ruitbediening Panorama-schuif-kanteldak Rolgordijn Tijdinstellingen » pag. 72 » pag. 73 » pag. 74 » pag.
Draairichtinggebonden banden Sommige banden kunnen draairichtinggebonden zijn. De draairichting is door een pijl op de wang van de band gekenmerkt. De aangegeven draairichting van de band strikt aanhouden, anders kunnen de volgende bandeigenschappen ongunstig worden beïnvloed. ▶ Rijstabiliteit. ▶ Grip. ▶ Rolgeluid en bandenslijtage. ATTENTIE Nooit rijden met beschadigde banden of met banden die ouder zijn dan 6 jaar - gevaar voor ongevallen.
Bandenslijtage en wielen verwisselen Reservewiel Een volwaardige reservewiel komt qua velg-/bandenmaat en bandentype overeen met de op de wagen gemonteerde wielen. En niet-volwaardig reservewiel is van een waarschuwingssticker voorzien die op de velg is aangebracht. Dit wiel alleen gebruiken tot de dichtstbijzijnde specialist, omdat dit niet bestemd is voor continu gebruik. Aanwijzingen voor het gebruik van een niet-volwaardig reservewiel ▶ De waarschuwingssticker niet afdekken.
Voor de beste rijeigenschappen moeten op alle vier de wielen allweather- of "winter"-banden met een minimumprofieldiepte van 4 mm zijn gemonteerd. Bandenmarkering Wanneer "winter"-banden zijn gemonteerd deze tijdig weer vervangen door zomerbanden, want met zomerbanden zijn op sneeuw- en ijsvrije wegen alsmede bij temperaturen boven 7 °C de rijeigenschappen beter met bovendien een kortere remweg, minder afrolgeluid en minder bandenslijtage. Verklaring van de tekens op de band - bv.
Octavia a) b) Velgafmeting Inpersdiepte ET Bandenmaat 6J x 15a) 6J x 15a) 6J x 16b) 6J x 16b) 6J x 17b) 6J x 17b) 43 mm 47 mm 48 mm 50 mm 45 mm 48 mm 195/65 R15 195/65 R15 205/55 R16 205/55 R16 205/50 R17 205/50 R17 Alleen sneeuwkettingen gebruiken waarvan de schakels en sloten niet groter zijn dan 13 mm. Alleen sneeuwkettingen gebruiken waarvan de schakels en sloten niet groter zijn dan 12 mm.
Tips om het zelf te doen Nooduitrusting en tips om het zelf te doen ATTENTIE De verbanddoos en de gevarendriehoek altijd veilig bevestigen - bij een plotselinge remmanoeuvre of een botsing van de wagen zouden inzittenden gewond kunnen raken. Nooduitrusting Plaatsing van verbanddoos en gevarendriehoek Plaats van het reflectievest Afb. 325 Opbergvak voor reflectievest Afb.
De uiterste gebruiksdatum van de brandblusser in acht nemen. Na afloop van deze datum is de juiste werking van het apparaat niet meer gegarandeerd. ATTENTIE De brandblusser altijd veilig bevestigen - bij een plotselinge remmanoeuvre of een botsing van de wagen zouden inzittenden gewond kunnen raken. Wagengereedschap 9 10 losklem voor het verwijderen van de afdekkappen van de wielbouten, bandenafdichtset. ATTENTIE De af fabriek meegeleverde krik is alleen voor uw wagenmodel bedoeld.
Wiel verwisselen › Het (nood)reservewiel verwijderen » pag. 299. › De wieldop » pag. 300 of de afdekkappen » pag. 300 verwijderen. › De wielbouten losdraaien » pag. 301 » . › De wagen zo ver opkrikken » pag. 301 dat het te verwisselen wiel de bodem niet meer raakt. › De wielbouten verwijderen en op een schone ondergrond leggen (doek, pa- De beschadigde banden vervangen. Een bandenreparatie wordt afgeraden.
Wieldop Afdekkappen van de wielbouten Wieldop lostrekken › De beugel voor het lostrekken van de wieldoppen om de rand van een van de beluchtingsopeningen in de wieldop haken. › De wielsleutel door de beugel schuiven, de wielsleutel op de band laten rusten en de wieldop lostrekken. Wieldop aanbrengen › De wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg drukken. › De wieldop zodanig op de velg drukken tot deze over de gehele omtrek correct vastklikt.
Let op Wij adviseren de sticker met het codenummer te bewaren. Aan de hand hiervan kan een vervangende adapter uit het originele ŠKODA onderdelenprogramma worden aangeschaft. Wagen opkrikken Wielbouten losdraaien en vastzetten Afb. 331 Wielbouten losdraaien Afb. 332 Steunpunten voor de krik: Variant 1 / variant 2 › De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout steken. Voor de antidiefstalwielbouten het bijbehorende opzetstuk gebruiken » afb. 330 op pag. 300.
ATTENTIE De volgende aanwijzingen in acht nemen, anders bestaat gevaar voor verwondingen. ■ De wagen beveiligen tegen onverwacht wegrollen. ■ De grondplaat van de krik altijd beveiligen tegen wegglijden. ■ Op losse ondergrond (bv. grind) onder de krik een brede en stabiele onderlegger plaatsen. ■ Op gladde oppervlakken (bv. kasseien) onder de krik een slipvaste onderlegger (bv. een rubberen vloermat) plaatsen. ■ De wagen altijd opkrikken terwijl de portieren zijn gesloten. ■ Nooit met een lichaamsdeel (bv.
bandenspanningmeter, 12 volt kabelstekker, 9 aan-uitschakelaar, 10 fles met bandenafdichtmiddel, 11 reserve-ventielinzetstuk. 7 8 Let op De conformiteitsverklaring zit bij de luchtcompressor of in de wagendocumentiemap. Voorbereidende werkzaamheden voor gebruik van de bandenafdichtset Lees en bekijk eerst op bladzijde 302. Veiligheidshalve vóór een wielreparatie langs de weg de volgende aanwijzingen in acht nemen.
VOORZICHTIG De luchtcompressor uiterlijk na afloop van de werkingstijd volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de bandenafdichtset uitschakelen - anders bestaat gevaar voor schade aan de compressor! De luchtcompressor enkele minuten laten afkoelen, voordat u deze opnieuw inschakelt. Aanwijzingen voor het rijden met een gerepareerde band Lees en bekijk eerst op bladzijde 302. ATTENTIE (vervolg) Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 °C bevriezen.
› Bij wagens zonder start-stopsysteem het andere uiteinde 4 aansluiten op een massief, vast met het motorblok verbonden metalen onderdeel of direct op het motorblok zelf. Motor starten › De motor van de stroomleverende wagen starten en stationair laten draaien. › Daarna de wagen met de ontladen accu starten. › Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, de startprocedure afbreken en na een halve minuut herhalen. › De startkabels precies in omgekeerde volgorde van het vastmaken verwijderen.
ATTENTIE Voor het slepen geen gedraaide sleepkabel gebruiken » afb. 336 - , het sleepoog kan anders uit de wagen worden gedraaid - er bestaat gevaar voor ongevallen. ■ De sleepkabel mag niet verdraaid zijn - er bestaat gevaar voor ongevallen. Sleepoog in- en uitbouwen › Om het sleepoog te in te bouwen, dit met de hand in pijlrichting 3 » afb. 337 tot de aanslag vastdraaien » . › Het sleepoog met bv. de wielsleutel of iets dergelijks vastdraaien. Hiervoor de wielsleutel door het oog steken.
› Om de afdekkap te plaatsen, deze bij de pijl 1 aanbrengen en vervolgens op de tegenoverliggende rand van de afdekkap drukken. De afdekking moet correct vastklikken. Sleutel met uitklapbare sleutelbaard Sleepoog in- en uitbouwen › Om het sleepoog te monteren, dit met de hand in pijlrichting 3 » afb. 338 resp. » afb. 339 tot de aanslag vastdraaien » . › Het sleepoog met bv. de wielsleutel of iets dergelijks vastdraaien. Hiervoor de wielsleutel door het oog steken.
Afstandsbediening van de extra verwarming (interieurvoorverwarming) › Accu's vervangen. › Het batterijdeksel aanbrengen en aandrukken tot het hoorbaar vastklikt. VOORZICHTIG Wordt bij het vervangen een verkeerd accutype of worden niet-oplaadbare batterijen gebruikt, bestaat er gevaar voor beschadiging van de lamp en de elektrische installatie. Noodontgrendeling/-vergrendeling Bestuurdersportier ont-/vergrendelen Afb. 341 Deksel openen / batterij verwijderen Lees en bekijk eerst op bladzijde 307.
VOORZICHTIG Let erop dat bij de noodontgrendeling/-vergrendeling geen lakschade ontstaat. › Door bewegen in pijlrichting wordt de klep ontgrendeld. Noodontgrendeling keuzehendel Portier zonder slotcilinder vergrendelen Afb. 344 Portier links/portier rechts › Het betreffende portier openen. › Bij wagens met het paneel A dit paneel verwijderen » afb. 344. › De sleutel in de sleuf steken en in pijlrichting draaien (tegen de veerdruk in). › De afdekking A weer plaatsen.
Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen Afb. 347 Servicestand van de ruitenwisserarmen instellen Ruitenwisserblad bevestigen › Het ruitenwisserblad tegen de pijlrichting in 3 schuiven, tot het blad vergrendelt. Controleren of het ruitenwisserblad correct is bevestigd. › De wisserarm op de ruit terugklappen. › Het contact inschakelen en de bedieningshendel in pijlrichting drukken » afb. 347. De wisserarmen gaan naar de basisstand. Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen Afb.
Zekeringen in het dashboard - Wagen met links stuur Zekeringen en gloeilampjes Zekeringen Afb. 351 Opbergvak aan bestuurderszijde Inleiding voor het onderwerp Afb. 350 Doorgebrande zekering Lees en bekijk eerst en op bladzijde 311. De zekeringenhouder bevindt zich achter het opbergvak aan bestuurderszijde. De afzonderlijke stroomkringen zijn door middel van smeltzekeringen beveiligd. Een doorgebrande zekering is aan een doorgesmolten metalen strookje te herkennen » afb. 350 /.
Zekeringen in het dashboard - Wagen met rechts stuur › De blokkeerstang aanbrengen en tegen de pijlrichting in vendraaier vergrendelen. › De zij-afdekking tegen de pijlrichting in 2 inschuiven. › De zij-afdekking tegen de pijlrichting in 1 nadrukken. › Het opbergvak sluiten. 4 met de schroe- Zekeringenoverzicht in het dashboard Afb. 353 Zekeringen Afb. 352 Opbergvak aan bijrijderszijde Lees en bekijk eerst en op bladzijde 311.
Nr. Verbruiker Nr.
Zekeringen in de motorruimte Zekeringenoverzicht in de motorruimte Afb. 355 Zekeringen Afb. 354 Afdekking van de zekeringenkast: Afdekking verwijderen/kunststof klem voor zekeringen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 311. Zekering vervangen › De contactsleutel eruit trekken, het licht en alle elektrische stroomverbruikers uitschakelen. › De vergrendelingsknoppen van de afdekking in pijlrichting 1 samendrukken en de afdekking in pijlrichting 2 verwijderen » afb. 354.
Nr.
› De stekker met het gloeilampje in de koplamp tegen de pijlrichting in 2 aanbrengen tot deze vastklikt. › De beschermkap A » afb. 356 op pag. 316 aanbrengen en tegen de pijlrichting in draaien. Overzicht van gloeilampjes in de halogeenkoplampen Afb. 356 Linkerkoplamp Gloeilampje voor grootlicht vervangen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 315. Overzicht van de gloeilampjes » afb. 356 A Dimlicht B Grootlicht Afb.
› Een nieuwe fitting met het gloeilampje in de koplamp aanbrengen en tot de Gloeilampje voor mistlamp vervangen - variant 1 aanslag tegen de pijlrichting in 7 draaien. › De stekker monteren. Koplamp en beschermrooster plaatsen › De mistlamp tegen de pijlrichting in 4 » afb. 359 plaatsen, tegen de pijlrichting in 3 verschuiven en vastdraaien. › Het beschermrooster plaatsen en voorzichtig erin drukken, tot het hoorbaar vastklikt. Gloeilampje voor mistlamp vervangen - variant 2 Afb.
› De koplamp in pijlrichting wijderen. 2 oplichten en in pijlrichting 3 voorzichtig ver- Gloeilampje vervangen › De vergrendeling op de stekker in pijlrichting 4 drukken. › De stekker in pijlrichting 5 losmaken. › De fitting met het gloeilampje tot de aanslag in pijlrichting 6 draaien. › De fitting met het gloeilampje in pijlrichting 7 verwijderen. › Een nieuwe fitting met het gloeilampje in de koplamp aanbrengen en tot de aanslag tegen de pijlrichting in 6 draaien. › De stekker monteren.
› Het achterlicht voorzichtig erin drukken » . › Het achterlicht vastdraaien en de afdekking aanbrengen. De afdekking moet Gloeilampjes in het achterlicht vervangen - variant 2 correct vastklikken. › De achterklep sluiten. VOORZICHTIG Let erop dat bij het inbouwen van het achterlicht de kabelstreng niet wordt ingeklemd tussen de carrosserie en de verlichting - gevaar voor beschadiging van de elektrische installatie en waterlekkage.
Kenmerkende wagengegevens Technische gegevens Technische gegevens Afb. 365 Typeplaatje Fundamentele wagengegevens Inleiding voor het onderwerp De informatie in de technische wagendocumentatie heeft altijd voorrang boven de informatie in dit instructieboekje. De rijprestaties zijn bepaald zonder prestatieverminderende meeruitvoeringen (bv. airconditioning).
Maximaal toegestaan treingewicht Het vermelde maximum toegestaan treingewicht geldt alleen voor hoogtes tot 1.000 m boven de zeespiegel. Met toenemende hoogte daalt het motorvermogen en daarbij neem ook het klimvermogen af. Daarom moet per 1.000 m hoogtetoename het maximaal toegestaan treingewicht van de combinatie met 10% worden verminderd. Het treingewicht bestaat uit het werkelijke gewicht van de beladen, trekkende wagen en de beladen aanhangwagen.
Motor 1,4 l/81 kW TSI G-TEC 1,4 l/110 kW TSI 1,5 l/110 kW TSI ACT 1,6 l/81 kW MPI 1,8 l/132 kW TSI 1,6 l/66 kW TDI CR 1,6 l/85 kW TDI CR 2,0 l/105 kW TDI CR 2,0 l/110 kW TDI CR 2,0 l/135 kW TDI CR a) Versnellingsbak Rijklaar gewicht (kg) MG DSG MG DSG MG DSG MG AG MG (EU5) MG (EU6) DSG 4x4 DSG (EU4, EU5) DSG (EU6) MG MG DSG MG DSG MG MG 4x4 DSG DSG 4x4 DSG 4x4 1416 1441 1277 1291 1292 1307 1235 1275 1340 1342/1340a) 1450 1355 1357/1355a) 1327 1327 1342 1347 1367 1354 1458 1374 1490 1485 2,0 l/169 k
Bij de cyclus voor buitenwegen wordt het alledaagse gebruik gesimuleerd door de wagen in alle versnellingen meermaals te accelereren en af te remmen. De rijsnelheid varieert daarbij tussen 0 en 120 km/h. De berekening van het gemiddelde brandstofverbruik gebeurt met een wegingsfactor van ongeveer 37% voor de stadscyclus en 63% voor de buitenwegcyclus.
Afmetingen - Octavia Afb. 366 Wagenafmetingen De wagenafmetingen in de technische wagendocumentatie hebben altijd voorrang boven de informatie in dit instructieboekje. De hierna vermelde afmetingen gelden voor het basismodel zonder speciale uitvoeringen. Wagenafmetingen bij rijklaargewicht zonder bestuurder (in mm) » afb. 366 Afmetingen A B C D E F G H Basismaat Hoogte G-TEC-wagens Spoorbreedte voor » pag. 326 Breedte Spoorbreedte achter » pag. 326 Breedte incl.
Afmetingen - Octavia Combi Afb. 367 Wagenafmetingen De wagenafmetingen in de technische wagendocumentatie hebben altijd voorrang boven de informatie in dit instructieboekje. De hierna vermelde afmetingen gelden voor het basismodel zonder speciale uitvoeringen. Wagenafmetingen bij rijklaargewicht zonder bestuurder (in mm) » afb. 367 Afmetingen A B C D E F G H Basismaat G-TEC-wagens Spoorbreedte voor » pag. 326 Breedte Spoorbreedte achter » pag. 326 Breedte incl.
Spoorbreedte voor/achter Motor Spoorbreedte vooraan Spoorbreedte achteraan 1549 1549 1543 1543 1543 1549 1543 1535 1535 1549 1549 1543 1543 1543/1538b) 1540 1540 1545 1534 1534 1540 1542 1544 1544 1540 1540 1534 1534/1542a) 1542/1539b) 1,0 l/85 kW TSI 1,2 l/63 kW TSI 1,4 l/81 kW TSI G-TEC 1,4 l/110 kW TSI 1,5 l/110 kW TSI ACT 1,6 l/81 kW MPI 1,8 l/132 kW TSI 2,0 l/169 kW TSI 2,0 l/180 kW TSI 1,6 l/66 kW TDI CR 1,6 l/85 kW TDI CR 2,0 l/105 kW TDI CR 2,0 l/110 kW TDI CR 2,0 l/135 kW TDI CR a) b) Geldt v
Overbouwhellingshoek Hoek » afb. 368 A Overbouwhellingshoek voor B Overbouwhellingshoek achter De overbouwhellingshoek-waarden geven de maximale hoek van een helling aan die de wagen met langzame snelheid kan rijden, zonder met de bumper of de bodemplaat de grond te raken. De vermelde waarden komen overeen met de maximale asbelasting voor resp. achter. Afb. 368 Overbouwhellingshoek: Octavia / Octavia Combi Overbouwhellingshoek (°) - Octavia Octavia » afb.
Wagenspecifieke gegevens afhankelijk van het motortype Inleiding voor het onderwerp De aangegeven waarden zijn vastgesteld aan de hand van regels en onder omstandigheden die door wettelijke of technische voorschriften voor de bepaling van bedrijfsgegevens en technische gegevens van motorvoertuigen zijn vastgelegd. De emissienorm staat vermeld in de technische wagendocumenten en in de conformiteitsverklaring (het zgn. COC-document). De conformiteitsverklaring (het zgn.
1,4 l/81 kW TSI G-TEC motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 81/4800-6000 200/1500-3500 4/1395 MG 195 10,9 Octavia DSG6 192 11,2 Octavia Combi DSG7 195 11 MG 193 11 DSG 193 11,1 1,4 l/110 kW TSI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 110/500
1,6 l/81 kW MPI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 81/5800 155/3800-4000 4/1598 Octavia MG 192 10,6 Octavia Combi AG 190 12 MG 191 10,8 AG 188 12,2 1,8 l/132 kW TSI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Octavia 132/5100-6200 (132/4500-6200)a) 250/1250-5000 (280/1350-4500)a) 4/1798 Octavia Combi V
2,0 l/180 kW TSI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 180/5000-6700 370/1600-4300 4/1984 Octavia RS MG 250 6,6 Octavia Combi RS DSG 250 6,6 MG 250 6,7 DSG 250 6,7 1,6 l/66 kW TDI CR motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 66/2750-4600 230/14
2,0 l/105 kW TDI CR motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 105/3500-4000 320/1750-3000 4/1968 Octavia Octavia Combi MG 215 8,7 DSG 212 8,9 MG 213 8,7 DSG 210 9 2,0 l/110 kW TDI CR motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) a) Octavia MG MG 4x4
Trefwoordenlijst A A2DP/AVRCP Aanhangwagen Aan- en loskoppelen Aanhangwagengebruik Beladen Gewicht Aanhangwagengebruik Aanhangwagenmanoeuvreerhulp Activering/deactivering Automatische remingreep Manoeuvreren Werking Aanhangwagenstabilisator (TSA) Aanpassingen en technische wijzigingen Aanwijzingen voor het afslepen Aardgaswagens Zie CNG ABS ACC Zie Automatische afstandsregeling Accessoires Accu Accu's van uitneembare lamp vervangen Afdekking Automatische verbruikersuitschakeling Controlelampje Losmaken en a
Automatische aansturing rijverlichting 76 Automatische afstandsregeling 50, 246 Afstand instellen 249 248 Automatisch wegrijden en stoppen 248 Bedieningsoverzicht Bijzondere rijsituaties 250 Controlelampje 43 Gewenste snelheid instellen/wijzigen 249 Inhalen 251 Instellingen in het infotainment 247 Radarsensor 220 Regeling onderbreken/weer herstellen 249 Regeling starten 249 251 Rijden met aanhangwagen Storingen 251 247 Werking Automatische verbruikersuitschakeling 290 215 Automatische versnellingsbak Contro
Bijvullen Koelvloeistof 288 Motorolie 287 287 Ruitensproeiervloeistof Bijzondere reisdoelen op de kaart weergeven 190 Bijzonder reisdoel 190, 193 Binnenspiegel 85 Binnenverlichting 80, 81 Bluetooth 138 A2DP/AVRCP Gekoppelde externe apparaten 138 In-/uitschakelen 138, 147 138, 141, 147 Instellen Naam 138 169 Profielen rSAP 167 135, 147 Update Updaten 139 Zichtbaarheid 138, 147 157 Bluetooth-speler Bluetooth®-update 167 108 Bodembekleding bagageruimte Bolero Externe module 127 Infotainmentbeschrijving 126 Boo
Dataverbinding Amundsen CarStick Columbus Internet rSAP Simkaart Datum DAY LIGHT Zie Dagrijverlichting DCC Defect lampje Demo-modus Demomodus Diesel Digitaal instrumentenpaneel Bedienen Display Instelling van de kaartweergave Kaart Kaartweergave in-/uitschakelen Voorkeuze-opties Digitaal Serviceplan Digitale klok Dimlicht Disclaimer Applicaties Externe apparaten Mobiele telefoons Display In instrumentenpaneel MAXI DOT Draagvermogen van de band Dragers Driehoek DriveGreen Driving Mode Selection DSG 336 Tref
G G-TEC 320 Garantie 6 130 Gebarenbediening van het infotainment Gebruikersaccount Configuratiehulp 132 Gebruikersprofiel 141, 148 Gebruiksinstructies voor wielen 292 Gecomprimeerd aardgas Zie CNG 284 Geheugen 56 Geheugen beheren 144 88 Geheugenfunctie voor stoel Geluid 146 Geografische breedte 184 184 Geografische lengte Gevarendriehoek 297 320, 321, 322 Gewichten Gloeilampjes Vervangen 315 187, 195 Google Earth™ Gordeloprolautomaten 24 22 Gordels Gordelspanners 24 184 GPS Grafische rijadviezen 200 76 Groo
Columbus 125 Swing 127 Infotainmentmenu's Horizontale weergave 131 131 Rasterweergave Infotainment met de hotspot van het externe apparaat verbinden 178 Infotainment Online 17 Infotainmentoverzicht 125 Infotainmenttaal 137, 146 Inparkeersysteem 236 Automatische remondersteuning 240 Inparkeren 239, 240 238 Parkeermodus wisselen Parkeerruimte zoeken 238 240 Storingen Uit een parallel aan de rijbaan liggende parkeerruimte uitparkeren 240 Inrijden Banden 292 218 Motor Remblokken 213 130 Inschakelen van het info
Handmatige schaal Hoofdmenu In extra venster In het digitale instrumentenpaneel Kaartcentrering Richting Rijbaanadvies Snelle kaartweergave Verkeerstekens Verkeerstekenweergave Weergave Weergave bijzondere reisdoelen Weergaveopties Kaarthouder KESSY Contact in-/uitschakelen Deactiveren Motor starten/afzetten Ontgrendelen/vergrendelen Keuzehendel Keuzehendelbediening Keuzehendelvergrendeling Kinderen en veiligheid Kindersloten Kinderzitje Groepenindeling Inbouwplaats ISOFIX Op de bijrijdersstoel TOP TETHER K
Laptimer Menupunt Audio Menupunt Hulpsystemen Menupunt Navigatie Menupunt Telefoon Stopwatch Maximumsnelheden MCB Mechanische ruitbediening Openen/sluiten Media Audiobron Bedienen Bestandsformaten Bluetooth-audio Browser Cd/dvd Hoofdmenu Instellen Jukebox Lijst Multimedia-database Ondersteunde bronnen SD-kaart Spraakbediening USB Veilig verwijderen van de datadrager Veilig verwijderen van de gegevensbron Voorwaarden en beperkingen Weergavebediening WLAN Media Command Aansturen Hoofdmenu Ondersteunde formate
Kaartweergave in het digitale instrumentenpaneel 197 Laatste reisdoelen 191 188 Manieren van zoeken/ingeven reisdoel 144 Maximumsnelheden Meestgebruikte routes 200 Navigatiegegevens 185 Navigatiegegevens online updaten 185 Navigatiegegevens updaten 185 Navigatiemeldingen 144, 200 Omleidingspunt 202 Opties van kaartweergave 195 Reisdoeldetails 198 Reisdoelgeheugen 191 Reisdoelimport 193 189 Reisdoel op kaart Reisdoelweergave 195 197 Reisdoelweergave in extra venster Reisdoel zoeken 188 Rijden met aanhangwage
Internetpagina ŠKODA Connect Lokalisatiediensten privémodus Proactieve service ŠKODA Connect Portal internetpagina Toegang op afstand tot de wagen Wisselen van gebruiker Wissen van gebruiker Online-diensten ŠKODA Connect Diensten activeren Registreren Online-reisdoelen Ontgrendelen Afstandsbediening Individuele instellingen KESSY Knop voor centrale vergrendeling Sleutel Ontgrendelen en vergrendelen Ontgrendeling In noodgevallen Opbergplaats voor reflectievest Opbergvakken Zie Praktische uitrustingen Opgesla
L-band 141 Lijst met beschikbare zenders 150 Radiozenderlogo 151 150 Scan 133 Spraakbediening Verkeersinformatie (TP) 152 Voorkeuzetoetsen 151 Radio-apparatuur Informatie over richtlijn 2014/53/EU 9 Radiografische afstandsbediening Extra verwarming (interieurvoorverwarmingen ventilatie) 124 Radiozender 151 Opslaan Zender selecteren en zoeken 150 151 Radiozenderlogo's Updaten 139 Regeling Lichtbundelhoogte 75 Registratie van de online-diensten Elektronisch handboek 14 Instellen 139, 147 14 Instructievideo Re
Route-informatie Routeberekening Rijden met aanhangwagen Routebewerking Routelijst Routeopties Routeplan rSAP Dataverbinding Ruitbediening Ruiten Bedienen Ruitensproeierinstallatie Ruitensproeiervloeistof Bijvullen Controlelampje Ruitenwissers en -sproeiers Automatische achterruitwisser Bedienen Controlelampje voor ruitensproeiervloeistofpeil Ruitenwisserbladen vervangen Servicestand van de ruitenwisserarmen Vloeistof bijvullen 201 199 199 201 202 143 201 167 178 70 70 83 287 49 83 84 84 49 310 310 287 S
SSID 138 Stabiliseringscontrole (ESC) 44, 221 Stabiliteitssystemen 221 75 Stadslicht 130 Standby Start-stop 211 Controlelampje 50 Systeem handmatig deactiveren/activeren 212 Werking 211 Start-stopsysteem 211 Starthulp 304 Starthulp 304 Startknop 210 Contact in-/uitschakelen Motor starten/afzetten 210 211 Problemen bij de motorstart Stuurslot vergrendelen/ontgrendelen 209 199 Start van de routegeleiding Statusregel 128, 186 Navigatie 145 165, 166 Telefoon Stoelen Achterbankleuning 90 Achterin 90 Armsteun 90
Telefoonconferentie 173 Telefoonfuncties 171 Telefoongesprek 173 171 Telefoonnummer Telefoon Premium rSAP 167 Simkaart 170 Teller voor de afgelegde afstand (trip) terug51 zetten Thuisadres 144, 192 Tijd 52, 137, 146 Tijd- en datumaanduiding op het infotainmentbeeldscherm 130 217 Tiptronic TMC Detail van de verkeersmelding 206 Dynamische route 206 205 Lijst met verkeersmeldingen Toegang op afstand tot de wagen 17 Toelichtingen 12 38 Toerenteller Toets CAR 207 129 Toetsenbord Toets HOME 132 Topsnelheid 328 TO
Verlichting Bagageruimte 105 Binnenverlichting 80 80 Instapgedeelte 81 Sfeerverlichting Vermoeidheidsherkenning Vermoeidheidsherkenningsassistent 262 Vermoeidheidsherkenningsassistent 262 Versnellingsbak Aanwijzingsmeldingen 47 Vertraagde vergrendeling van achterklep Zie Achterklep 68 Vertrouwd raken met de wagen 2 Vervangen Accu 291 308 Accu's van uitneembare lamp Batterij 307, 308 315 Gloeilampjes Ruitenwisserbladen 310 Zekeringen 311 274 Vervanging van onderdelen Verversen Motorolie 287 Vervoer van kinde
Winterse omstandigheden Accu Allweather-banden Diesel Sneeuwkettingen Winterbanden Wisinterval WLAN Client Hotspot in-/uitschakelen Hotspot instellen Met de hotspot verbinden Verbinden WPS WLAN client Instellen WLAN hotspot Instellen WPS 295 291 295 282 295 295 84 157, 178 178 178 178 178 178 138, 179 178 138 138 138, 179 X XDS+ 223 Z Zeeniveau Zekeringen In de motorruimte In het dashboard Kunststof klem Zender Zie Hoofdmenu Zender opslaan Zicht Zitplaatsen achterin Zoeken Manieren van zoeken/ingeven re
Trefwoordenlijst 349
350 Trefwoordenlijst
Trefwoordenlijst 351
Nadruk, reproductie, vertaling of andere vormen van gebruik, ook van gedeelten, is zonder schriftelijke toestemming van ŠKODA AUTO a.s. niet toegestaan. ŠKODA AUTO a.s. behoudt zich uitdrukkelijk alle rechten op grond van het auteursrecht voor. Wijzigingen voorbehouden. Uitgegeven door: ŠKODA AUTO a.s. © ŠKODA AUTO a.s.
www.skoda-auto.com Návod k obsluze Octavia holandsky 11.