SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje
Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de benodigde informatie te vergemakkelijken. VOORZICHTIG Een Voorzichtig-aanwijzing wijst u op mogelijke schade aan uw wagen (bijvoorbeeld schade aan de versnellingsbak) of op algemene gevaren voor ongevallen.
Documentatie van de aflevering van de wagen ŠKODA garantieverlenging Afleveringsdatum/1e kentekenregisratiea) (VIN) Chassisnummer Stempel van de ŠKODA Partner Beperking van de ŠKODA garantieverlenginga) Jaar: of ŠKODA Partner Stempel en handtekening verkoper Km: Ik bevestig dat ik de hier vermelde wagen in correcte staat in ontvangst heb genomen en vertrouwd ben gemaakt met het juiste gebruik ervan en de garantiebepalingen.
Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. U heeft een wagen met de modernste techniek en talrijke uitrustingen aangeschaft. Dit instructieboekje daarom aandachtig doorlezen omdat dit een voorwaarde vormt voor een juiste bediening van de wagen. Bij eventuele vragen kunt u contact opnemen met een ŠKODA Partner. Wij wensen u veel plezier met uw ŠKODA en te allen tijde een goede reis. ŠKODA AUTO a.s. (hierna ŠKODA resp.
Gebruikte begrippen In de wagendocumentatie worden de volgende begrippen gebruikt voor de service aan uw wagen. › "Erkend reparateur" - Werkplaats die vakkundig servicewerkzaamheden aan wagens van het merk ŠKODA uitvoert Een erkend reparateur kan zowel een ŠKODA Partner, een ŠKODA Servicepartner als ook een onafhankelijke werkplaats zijn. › "ŠKODA Servicepartner" - Werkplaats die contractueel door de fabrikant ŠKODA AUTO a.s.
Ruitenwissers en -sproeiers Achteruitkijkspiegels Inhoudsopgave Productaansprakelijkheid en ŠKODA garantie voor nieuwe wagens 5 Mobiliteitsgarantie en ŠKODA garantieverlenging 6 Gebruikte afkortingen Bediening Bestuurdersruimte Overzicht 9 8 Instrumenten en controlelampjes Instrumentenpaneel Controlelampjes Controlesymbolen op het display 11 11 15 21 Informatiesysteem Bestuurdersinformatiesysteem Ritgegevens (multifunctie-indicatie) MAXI DOT-display Service-intervalindicatie 27 27 30 32 34 Ontgre
Exterieur verzorgen Interieur verzorgen 212 216 Controleren en bijvullen Brandstof Motorruimte Motorolie Koelvloeistof Remvloeistof Accu 219 219 222 226 228 230 231 Wielen Velgen en banden Winterse omstandigheden 235 235 241 Tips om het zelf te doen Nooduitrusting en tips om het zelf te doen Nooduitrusting Wiel verwisselen Bandenreparatie Starthulp Wagen afslepen Afstandsbediening Noodontgrendeling/-vergrendeling Ruitenwisserbladen vervangen 242 242 244 247 250 251 254 255 257 Zekeringen en gloeilam
Productaansprakelijkheid en ŠKODA garantie voor nieuwe wagens Productaansprakelijkheid Uw ŠKODA Partner is als verkopende partij conform de wettelijke voorschriften en het koopcontract aansprakelijk voor gebreken aan uw nieuwe ŠKODA, aan ŠKODA originele onderdelen en aan ŠKODA originele accessoires. ŠKODA garantie voor nieuwe wagens Naast de aansprakelijkheid voor het product biedt ŠKODA AUTO a.s. u de ŠKODA garantie voor nieuwe wagens (hierna "ŠKODA garantie" genoemd).
Mobiliteitsgarantie en ŠKODA garantieverlenging Mobiliteitsgarantie De mobiliteitsgarantie staat voor een gevoel van zekerheid. Indien u onderweg onverhoopt met pech blijft staan, kunt u door de mobiliteitsgarantie toch uw reis voortzetten. Tot de mobiliteitsgarantie behoren: Pechhulp ter plaatse en het afslepen naar de ŠKODA Servicepartner, telefonische technische ondersteuning resp. herstel ter plaatse.
Gebruikte afkortingen Afkorting Betekenis 1/min Omwentelingen per minuut van de motor ABS Antiblokkeersysteem ACC Automatische afstandsregeling AFS Adaptieve koplampen ASR Aandrijfslipregeling CO2 in g/km Uitgestoten hoeveelheid koolstofdioxide in gram per gereden kilometer DPF Roetfilter DSG Automatische versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSR Actieve stuurondersteuning EDS Elektronisch sperdifferentieel ECE Europese Economische Commissie EPC Controle van de motorelektronica E
Afbeelding 1 Bestuurdersruimte 8 Bediening
17 Bediening 18 Bestuurdersruimte 19 20 Overzicht 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Elektrische ruitbediening Slotgreep Elektrische buitenspiegelverstelling Luchtrooster Parkeertickethouder Bedieningshendel: › Knipperlichten, grootlicht en parkeerlicht, grootlichtsignaal › Snelheidsregelsysteem › Oproepen van het menupunt Hulpsystemen Stuurwiel: › Met claxon › Met bestuurdersvoorairbag › Met toetsen voor de bediening van het informatiesysteem › Met toetsen voor de infotainment-bediening » Inst
› › 35 Parkeerhulp Bandenspanningskalibratie Afhankelijk van de uitrusting: › USB/AUX-ingang » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk USB/AUX-ingangen › MEDIA IN-ingang » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk MEDIA IN-ingang 145 238 Let op Bij wagens met rechts stuur zijn de bedieningselementen gedeeltelijk anders gerangschikt dan weergegeven op » Afbeelding 1. De symbolen van de verschillende bedieningselementen komen echter wel overeen.
ATTENTIE Instrumenten en controlelampjes Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledige verantwoordelijkheid voor een veilig verkeersgedrag.
Rij controlelampjes » pagina 15 Knop voor: › Uren/minuten instellen » pagina 14 › Afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn weergeven » pagina 34 › Service-intervalindicatie terugzetten » pagina 34 › Dagteller terugzetten » pagina 14 › Ladingstoestandweergave » pagina 14 Brandstofmeter » pagina 13 5 6 7 Het instrumentenpaneel kan over een van de volgende displaytypes beschikken » Afbeelding 3.
Brandstofmeter Koelvloeistoftemperatuurmeter Afbeelding 5 Brandstofmeter Afbeelding 4 Koelvloeistoftemperatuurmeter Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 11 en volg deze op. De koelvloeistoftemperatuurmeter » Afbeelding 4 werkt alleen bij ingeschakeld contact. De brandstofmeter » Afbeelding 5 werkt alleen bij ingeschakeld contact. De tankinhoud bedraagt circa 50 liter.
Ladingstoestand van de accu weergeven Teller voor de afgelegde rijafstand Afbeelding 6 Segmentdisplay / MAXI DOT-display Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 11 en volg deze op. › Het contact uitschakelen. › Op toets 6 » Afbeelding 2 op pagina 11 drukken en deze ingedrukt houden, tot op het display Accustatus resp. ACCU SOC wordt weergegeven. 6 loslaten, waarna de ladingstoestand van de accu in % wordt weergegeven.
De toestand van enkele functies en systemen wordt door de controlesymbolen op het display » pagina 21 weergegeven.
Automatische versnellingsbak Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 15 en volg deze op. De controlelampjes geven een storing resp. de toestand van de automatische versnellingsbak aan. Controlelampje Melding Betekenis en actie Fout: versnellingsbak. Achteruit niet mogelijk. STORING VERSN_BAK GEEN ACHTERUIT Storing van de automatische versnellingsbak, de achteruitversnelling kan niet worden ingeschakeld.
Het controlelampje knippert en tegelijkertijd klinkt een waarschuwingstoon als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel niet heeft omgegespt en sneller dan 30 km/h wordt gereden. Remsysteem Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 15 en volg deze op. Als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel vervolgens niet binnen 2 seconden omgespt, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld en brandt het controlelampje continu.
Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Stabiliseringscontrole (ESC) Storing: aandrijfslipregeling STORING ASR Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 15 en volg deze op. De hulp van een erkend reparateur inroepen. Als het controlelampje knippert, doet de ESC momenteel een ingreep. Als het controlelampje direct na het starten van de motor gaat branden, kan de ASR om technische redenen uitgeschakeld zijn.
Voor het afremmen van de wagen wordt alleen nog het gewone remsysteem zonder het ABS gebruikt. Voorgloeisysteem (dieselmotor) De hulp van een erkend reparateur inroepen. Meer informatie » pagina 143, Antiblokkeersysteem (ABS). Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact. Na het uitgaan van het lampje kan de motor direct worden gestart.
Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal. Een van de airbags of gordelspanners is met het diagnose-apparaat buiten werking gesteld › Het controlelampje brandt na het inschakelen van het contact circa 4 seconden en knippert vervolgens nog circa 12 seconden. › Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Als het controlelampje knippert, is er een storing in het systeem aanwezig. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Knipperlicht Snelheidsregelsysteem Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 15 en volg deze op. Afhankelijk van de stand van de knipperlichthendel knippert het linker of rechter controlelampje. Het controlelampje brandt bij ingeschakeld snelheidsregelsysteem. Meer informatie » pagina 151, Snelheidsregelsysteem. Bij een storing van het knipperlicht, knippert het controlelampje ongeveer twee keer zo snel. Dit geldt niet bij aanhangwagengebruik.
Roetfilter (dieselmotor) Ruitensproeiervloeistofpeil Brandstofreserve Grootlichtassistent Start-stopsysteem Waarschuwing voor gladheid Water in het brandstoffilter (dieselmotor) 24 25 25 25 25 26 26 ATTENTIE Het negeren van brandende controlesymbolen en de bijbehorende meldingen resp. aanwijzingen op het display van het instrumentenpaneel kan leiden tot zware verwondingen of schade aan de wagen.
ATTENTIE VOORZICHTIG Als tijdens het rijden behalve het symbool ook het symbool (koelsysteemstoring) gaat branden, moet u direct stoppen en de motor afzetten - gevaar voor motorschade! Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in » pagina 63. De gevarendriehoek moet op de voorgeschreven afstand worden geplaatst - daarbij moeten de nationale wettelijke bepalingen in acht worden genomen.
ATTENTIE Motoroliedruk Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, de rit niet voortzetten! De motor afzetten en de hulp van een erkend reparateur inroepen. ■ Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in » pagina 63.
Als het filter niet succesvol is gereinigd, gaat het controlesymbool niet uit en begint het controlelampje te knipperen. Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Roetfilter: instructieboekje! ROETFILTER INSTRUCTIEBOEKJE Vloeistof bijvullen » pagina 225, Ruitensproeierinstallatie. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Meer informatie » pagina 164, Start-stopsysteem. Waarschuwing voor gladheid Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 21 en volg deze op. Het controlesymbool waarschuwt voor gladheid. Meer informatie » pagina 28, Buitentemperatuur. Water in het brandstoffilter (dieselmotor) Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 21 en volg deze op.
Informatiesysteem Bestuurdersinformatiesysteem Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Informatiesysteem bedienen Buitentemperatuur Schakeladvies Waarschuwing portier, bagageruimte en motorkap Eco-tips Weergave kompasrichting 27 28 28 29 29 29 Het informatiesysteem geeft de bestuurder aanwijzingen en informatie over enkele wagensystemen.
Beschrijving van de bediening Toets/kartelwiel » Afbeelding 7 A B C D Functie Handeling Gegevens selecteren Kort aan boven- of onderzijde drukken Gegevenswaarde instellen Kort aan boven- of onderzijde drukken Hoofdmenu van het MAXI DOT-display oproepen Lang aan boven- of onderzijde drukken Gegevens weergeven Kort drukken Gegevens bevestigen Kort drukken Hoofdmenu van het MAXI DOT-display oproepen Lang drukken Naar een niveau hoger in het menu van het MAXI DOT-display terugkeren Kort drukke
Als het systeem herkent dat het voordelig is van versnelling te wisselen, worden naast de ingeschakelde versnelling het pijlsymbool en de aanbevolen versnelling weergegeven » Afbeelding 8 - . Eco-tips Als op het display bijvoorbeeld wordt weergegeven, betekent dit dat het voordelig is van de 4e naar de 5e versnelling te schakelen. Om een zo laag mogelijk brandstofverbruik te bereiken, kunnen op het display1) tips voor het verlagen van het verbruik worden weergegeven.
Sinds start (MAXI DOT-display) resp. "1" (segmentdisplay) Het geheugen verzamelt de rijgegevens vanaf het inschakelen tot aan het uitschakelen van het contact. Let op De kompasrichting kan in het bovenste resp. onderste displaygedeelte afhankelijk van andere weergegeven informatie worden getoond. Ritgegevens (multifunctie-indicatie) Bij een onderbreking van de rit van meer dan 2 uur wordt het geheugen automatisch gewist. Inleiding voor het onderwerp Langdurig (MAXI DOT-display) resp.
Indicatie-overzicht Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 30 en volg deze op. Het aantal gegevens kan afhankelijk van de uitrusting verschillend zijn. Actieradius De actieradiusindicatie geeft aan welke afstand uw wagen met de huidige tankvulling en bij dezelfde rijstijl nog kan afleggen. De weergave vindt plaats in stappen van 10 km. Als het controlesymbool gaat branden, verandert de weergave in stappen van 5 km.
De maximaal weer te geven waarde bedraagt 9.999 km. Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave automatisch weer vanaf nul. Rijtijd De rijtijd wordt weergegeven die is verstreken sinds het geheugen voor het laatst is gewist. Snelheidslimiet bij rijdende wagen instellen › Het menupunt Waarschuwing bij (MAXI DOT-display) resp. (segmentdisplay) selecteren. › Met de gewenste snelheid gaan rijden, bijvoorbeeld 50 km/h. › De actuele snelheid als snelheidslimiet bevestigen.
Het menupunt Hulpsystemen in het hoofdmenu kan ook direct door drukken op toets E op de bedieningshendel » Afbeelding 10 worden opgeroepen. Het MAXI DOT-display informeert u over de actuele bedrijfstoestand van uw wagen. Bovendien geeft het MAXI DOT-display (afhankelijk van de wagenuitvoering) informatie van het infotainment, van de multifunctie-indicatie en dergelijke.
Tussentijd meten › Gedurende de tijdmeting het menupunt Tussentijd selecteren. Op het display wordt gedurende circa 5 seconden de tussentijd weergegeven. Service-intervalindicatie De tussentijd kan tijdens een ronde herhaaldelijk worden gemeten. Inleiding voor het onderwerp Meting onderbreken In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: De tijdmeting wordt onderbroken; de volgende functies staan ter beschikking.
Terugzetten - Kleine Onderhoud Service › Het contact uitschakelen (bij wagens met het KESSY-systeem dienen tevens alle portieren, de bagageruimte en de motorkap te worden gesloten). › Op toets 6 » Afbeelding 2 op pagina 11 drukken en deze ingedrukt houden. › Het contact inschakelen; de volgende melding verschijnt.
Na het vergrendelen geldt het volgende1). Ontgrendelen en openen › De portieren, de achterklep en de tankklep worden vergrendeld. › De via het portiercontact geschakelde binnenverlichting gaat uit. › De safebeveiliging wordt ingeschakeld. › Het controlelampje in het bestuurdersportier begint te knipperen. › De buitenspiegels worden in de parkeerstand teruggeklapt . › Het alarmsysteem wordt geactiveerd.
ATTENTIE Sleutel Als u de wagen verlaat - ook al is het maar voor even - altijd de sleutel uit het contactslot verwijderen. Dat geldt vooral als er kinderen in de wagen achterblijven.
Met de sleutel ontgrendelen/vergrendelen Beeldbeschrijving » Afbeelding 13 Wagen ontgrendelen Wagen vergrendelen Achterklep ontgrendelen A Sleutelbaard uitklappen/inklappen B Controlelampje Afbeelding 12 Sleutelbewegingen voor het ont- en vergrendelen Ontgrendelen Het ontgrendelen van de wagen wordt weergegeven door het tweemaal knipperen van de knipperlichten. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 36 en volg deze op.
Met het KESSY-systeem (Keyless Entry Start Exit System) is een ontgrendeling en vergrendeling van de wagen mogelijk zonder actief gebruik van de sleutel. De sleutel dient zich hierbij in een van de gebieden A , B resp. C » Afbeelding 14 (tot circa 1,5 m van de wagen verwijderd) te bevinden. VOORZICHTIG ■ De afstandsbediening alleen gebruiken als de portieren en de achterklep gesloten zijn en u visueel contact met de wagen hebt.
De keuzehendel moet bij het verlaten van de wagen in stand P1) staan. De wagen kan anders niet worden vergrendeld. ■ Indien de batterij in de sleutel zwak of ontladen is, kan de wagen niet met het KESSY-systeem worden vergrendeld of ontgrendeld. In dit geval de noodontgrendeling resp. noodvergrendeling van het bestuurdersportier gebruiken » pagina 255. ■ Safebeveiliging Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 36 en volg deze op.
Als de contactsleutel uit het contactslot wordt getrokken, wordt de wagen automatisch weer ontgrendeld. Bovendien kan de wagen door de bestuurder of de bijrijder door het drukken op de toets voor de centrale vergrendeling worden ontgrendeld. De portieren kunnen door eenmaal aan de slotgreep te trekken op elk moment worden ontgrendeld en geopend.
Uitschakelen › De gleuf van de vergrendeling tegen de pijlrichting in draaien » Afbeelding 16 (bij het rechterportier tegengesteld). KESSY Portier openen/sluiten Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Aanwijzing Wagen parkeren 42 43 Met het KESSY-systeem (Keyless Entry Start Exit System) is een ontgrendeling en vergrendeling van de wagen mogelijk zonder actief gebruik van de sleutel.
Deze situatie kan zich voordoen als de sleutel zich buiten de wagen bevindt, de batterij in de sleutel ontladen is, de sleutel defect is of het elektromagnetische veld sterk verstoord is. Alarmsysteem Storing in het KESSY-systeem Als er een storing in het KESSY-systeem aanwezig is, wordt op het display van het instrumentenpaneel de volgende melding weergegeven. Keyless defect.
Inschakelen/uitschakelen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 43 en volg deze op. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 43 en volg deze op. De interieurbewaking activeert het alarm als een beweging in de wagen of een schuine stand hiervan wordt geregistreerd. Inschakelen Het alarmsysteem wordt circa 30 seconden na het vergrendelen van de wagen automatisch ingeschakeld. Uitschakelen › Het contact uitschakelen.
ATTENTIE Afbeelding 20 Greep in de binnenbekleding van de achterklep Na het sluiten controleren of de achterklep goed is vergrendeld.
De vertraagde vergrendeling kan door een erkend reparateur altijd worden gedeactiveerd. VOORZICHTIG Let op Meer informatie krijgt u bij een ŠKODA Partner.
Bedieningsbeschrijving Bedieningsgebieden Het systeem maakt onderscheid tussen 3 bedieningsgebieden waarin de functie van de afzonderlijke bedieningselementen verandert » Afbeelding 22. Er wordt tevens onderscheid gemaakt tussen de eindposities van de klep - volledig gesloten en vergrendeld en volledig geopend. De uitbreiding van het gebied 3 wijzigt proportioneel afhankelijk van de instelling van de bovenste positie van de klep » pagina 48.
Klepbediening met de symbooltoets op de sleutel en met de toets C Gebied Gesloten Geopende Handeling klep klep 1 2 3 Openen Stoppen Sluiten Bovenste positie van de klep instellen/wissen Instellen › De klep in de gewenste positie (elektrisch of handmatig) vasthouden. › Op toets B » Afbeelding 21 op pagina 47 drukken en langer dan 3 seconden ingedrukt houden. Bij ingeschakeld contact kan de achterklep niet met de afstandsbediening worden bediend.
Voorbeelden van functiestoringen Beschrijving van de storing Mogelijke oplossingen De klep kan niet uit het slot worden opgetild De klep reageert niet op een openingssignaal ATTENTIE Let erop dat bij het van buitenaf vergrendelen van de wagen geen personen in de wagen achterblijven, omdat de ruiten in geval van nood niet meer van binnenuit kunnen worden geopend. ■ Het systeem is uitgerust met een sluitkrachtbegrenzing » pagina 51.
Ruiten vanaf de bestuurdersplaats openen/sluiten Afbeelding 23 Schakelaars in bestuurdersportier Veiligheidsschakelaar Door het indrukken van de veiligheidsschakelaar S » Afbeelding 23 kunnen de schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren worden uitgeschakeld. Door het opnieuw indrukken van de veiligheidsschakelaar S zijn de schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren weer actief.
Voorwaarde voor de correcte werking van de comfortbediening van de ruiten is het functioneren van het automatisch openen resp. sluiten van alle ruiten. Sluitkrachtbegrenzing Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 49 en volg deze op. Het openen resp. sluiten kan op een van de volgende manieren. Openen › De symbooltoets op de sleutel ingedrukt houden. › De sleutel in het bestuurdersportier in de ontgrendelingsstand houden.
Panorama-schuif-/kanteldak (Octavia) Comfortstand › De schakelaar in stand C » Afbeelding 25 draaien. Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Als het schuif-/kanteldak in de comfortstand staat, is de intensiteit van het windgeruis lager. 52 53 Bediening Comfortbediening van het schuif-/kanteldak Gedeeltelijk openen › De schakelaar in een stand in gebied D draaien.
Let op Het schuif-/kanteldak is met een rolgordijn uitgerust. Het rolgordijn wordt handmatig bediend. Panorama-schuif-/kanteldak (Octavia Combi) Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Comfortbediening van het schuif-/kanteldak 54 54 55 Bediening Rolgordijn openen en sluiten Comfortbediening van het schuif-/kanteldak Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 52 en volg deze op.
ATTENTIE Bediening Afbeelding 26 Draaischakelaar voor het schuif-/kanteldak Het schuif-/kanteldak voorzichtig sluiten om verwondingen door knellen te voorkomen - gevaar voor verwondingen! VOORZICHTIG In de winterperiode moet u vóór het openen eventueel aanwezig ijs en sneeuw van het schuif-/kanteldak verwijderen om beschadiging van het openingsmechanisme te voorkomen. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 53 en volg deze op.
Comfortbediening van het schuif-/kanteldak Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 53 en volg deze op. Het schuif-/kanteldak kan door het vergrendelen resp. ontgrendelen met de sleutel of bij het KESSY-systeem met behulp van de sensor 1 » Afbeelding 14 op pagina 39 worden bediend. Sluiten › De symbooltoets op de sleutel ingedrukt houden resp.
ATTENTIE Licht en zicht Het inschakelen van de verlichting mag alleen plaatsvinden in overeenstemming met de nationale wettelijke bepalingen. ■ De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor de juiste instelling en het gebruik van de verlichting. ■ De automatische aansturing rijverlichting dient alleen als hulpmiddel. Hierdoor wordt de bestuurder niet van de plicht ontslagen de verlichting te controleren en eventueel de verlichting afhankelijk van de omstandigheden in te schakelen.
ATTENTIE Stads- en dimlicht De lichtbundelhoogteverstelling altijd zodanig instellen dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. ■ Andere verdeersdeelnemers worden niet verblind, met name tegemoetkomende voertuigen. ■ De lichtbundelhoogte is voldoende voor veilig rijden. Afbeelding 28 Lichtschakelaar en draaiknop voor lichtbundelhoogteverstelling Let op Wij adviseren de lichtbundelhoogte bij ingeschakeld dimlicht in te stellen.
Functie dagrijverlichting bij wagens zonder infotainment activeren › De knipperlicht- en grootlichthendel naar het stuurwiel trekken en omhoogschuiven » Afbeelding 29 op pagina 58. › Tegelijkertijd het contact inschakelen en de hendel minstens 3 seconden in deze stand vasthouden. De dagrijverlichting wordt automatisch ingeschakeld als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Het contact is ingeschakeld. De functie dagrijverlichting is geactiveerd.
Adaptieve koplampen (AFS) Automatische aansturing rijverlichting Afbeelding 30 Lichtschakelaar Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 56 en volg deze op. Het AFS-systeem werkt samen met de automatische aansturing rijverlichting , daarom moet ook het onderstaande worden gelezen » pagina 59. Het AFS-systeem zorgt ervoor dat de weg wordt verlicht voor de bestuurder, afhankelijk van de verkeers- en weersomstandigheden.
Deze modus is bij snelheden van 15-70 km/h geactiveerd en als het mistachterlicht langer dan 10 seconden is ingeschakeld. De modus wordt gedeactiveerd als het mistachterlicht langer dan 5 seconden is uitgeschakeld. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 56 en volg deze op. De grootlichtassistent schakelt het grootlicht afhankelijk van de omstandigheden automatisch in resp. uit.
Aanwijzing Mistlampen De meldingen en aanwijzingen worden op het display van het instrumentenpaneel weergegeven. Storing: Light Assist STORING LIGHT ASSIST Afbeelding 32 Lichtschakelaar De hulp van een erkend reparateur inroepen. Light Assist: voorruit schoonmaken! VOORRUIT SCHOONMAKEN Controleren of zich geen obstakels in het detectiegebied van de camera op de voorruit bevinden. ATTENTIE De grootlichtassistent dient alleen als hulp.
De wagen staat stil of rijdt met een snelheid van maximaal 40 km/h. Het dimlicht is ingeschakeld of de lichtschakelaar staat in stand en het dimlicht is ingeschakeld. De dagrijverlichting is niet ingeschakeld. De mistlampen zijn niet ingeschakeld. COMING HOME/LEAVING HOME COMING HOME/LEAVING HOME (hierna functie) schakelt bij slecht zicht kortstondig automatisch de verlichting in na het verlaten van de wagen resp. bij het naderen van de wagen.
ATTENTIE VOORZICHTIG De alarmlichten dienen bijvoorbeeld te worden ingeschakeld in de volgende situaties. ■ De staart van een file wordt genaderd. ■ Er is sprake van een storing aan de wagen. Geen stickers of iets dergelijks voor de lichtsensor op de voorruit plakken, zodat de werking hiervan niet wordt beïnvloed of geblokkeerd. Let op Als deze functie continu geactiveerd is, wordt de accu met name bij stadsverkeer sterk belast.
Binnenverlichting voorin Als de bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar is ingeschakeld, gaat de verlichting branden in een van de volgende situaties: › De wagen wordt ontgrendeld. › Een van de portieren resp. de achterklep wordt geopend. › De contactsleutel wordt verwijderd. Als de bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar is ingeschakeld, dooft de verlichting in een van de volgende situaties: › De wagen wordt vergrendeld. › Het contact wordt ingeschakeld.
Binnenverlichting achterin Binnenverlichting achterin Geldt voor wagens met het panoramaschuifdak. Geldt voor wagens zonder panoramaschuifdak. Afbeelding 37 Binnenverlichting achterin Afbeelding 36 Binnenverlichting zonder leeslampjes / binnenverlichting met leeslampjes Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 63 en volg deze op. De verlichting kan worden bediend door het glas in een van de volgende standen te zetten » Afbeelding 37.
ATTENTIE Voorportierwaarschuwingslampje Als de instapverlichting brandt, de afdekking niet aanraken - gevaar voor verbrandingen! Afbeelding 38 Waarschuwingslampje Let op Als het portier geopend en het contact uitgeschakeld is, gaat het lampje na circa 10 minuten automatisch uit. Zicht Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 63 en volg deze op. Het waarschuwingslampje bevindt zich onder in de portierbekleding » Afbeelding 38.
Voor- en achterruitverwarming Zonnekleppen Afbeelding 39 Toetsen voor de voor- en achterruitverwarming Climatronic/ handbediende airconditioning, verwarming Afbeelding 40 Zonneklep: Links/rechts Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 66 en volg deze op. Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 66 en volg deze op. De zonneklep voor de bestuurder resp. bijrijder kan uit de houder worden getrokken en naar het portier in pijlrichting 1 » Afbeelding 40 worden gedraaid.
Na het inschakelen van de achteruitversnelling wordt bij ingeschakelde ruitenwissers vóór de achterruit automatisch eenmaal gewist. Rolgordijn Het automatisch wissen van de achterruit kan in het infotainment worden inresp. uitgeschakeld » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wageninstellingen (toets CAR). Afbeelding 41 Rolgordijn Ruitensproeiervloeistof bijvullen » pagina 225. ATTENTIE Voor een helder zicht en veilig rijden zijn goede ruitenwisserbladen beslist noodzakelijk » pagina 257.
Als de wisserarmen voor de voorruit zijn opgeklapt het contact niet inschakelen! De ruitenwissers zouden terugkeren in de ruststand en hierbij de lak van de motorkap beschadigen. ■ Bij een obstakel op de voorruit probeert de wisser dit obstakel weg te schuiven. Na 5 pogingen om het obstakel te verwijderen blijven de wissers staan, om beschadiging van de wissers te voorkomen. Obstakel verwijderen en de wisser opnieuw inschakelen.
Het automatisch wissen van de achterruit kan in het infotainment worden inresp. uitgeschakeld » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wageninstellingen (toets CAR). VOORZICHTIG De koplampsproeiers nooit met de hand naar buiten trekken - gevaar voor beschadiging! Winterstand van de ruitenwissers vóór Als de ruitenwissers zich in de ruststand bevinden, kunnen ze niet van de voorruit worden weggeklapt.
ATTENTIE (vervolg) Als elektrolyt is ingeslikt, onmiddellijk naar een arts gaan. ■ Als de ogen en huid met elektrolyt in aanraking zijn gekomen, de betreffende plaats direct gedurende ten minste enkele minuten met veel water afspoelen. Daarna onmiddellijk naar een arts gaan. ■ VOORZICHTIG Elektrisch inklapbare buitenspiegels nooit mechanisch met de hand in- of uitklappen, omdat anders de elektrische aandrijving beschadigd wordt.
Beide buitenspiegels automatisch inklappen/terugklappen De buitenspiegels worden na het vergrendelen van de wagen automatisch in de parkeerstand ingeklapt. Buitenspiegels Afbeelding 45 Voorportier: Draaiknop voor de buitenspiegel De buitenspiegels worden na het vergrendelen van de wagen automatisch in de rijstand teruggeklapt. Het inklappen/terugklappen van de buitenspiegels kan in het infotainment worden geactiveerd resp.
ATTENTIE (vervolg) Stoelen en praktische uitrusting Stoelen instellen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Voorstoelen handmatig instellen Voorstoelen elektrisch instellen Hoofdsteunen Memory-functie van de elektrisch verstelbare stoel Memory-functie van de radiografische afstandsbediening 74 75 75 76 77 De bestuurdersstoel moet zodanig zijn ingesteld dat de pedalen met licht gebogen knieën geheel kunnen worden ingetrapt.
Let op In het verstelmechanisme voor de rugleuning kan na enige tijd speling ontstaan. ■ Om veiligheidsredenen is het niet mogelijk de stoelpositie in het geheugen van de elektrisch verstelbare stoel en de sleutel met radiografische afstandsbediening op te slaan als de hoek van de stoelleuning t.o.v. de zitting groter is dan 102°. ■ Bij elke nieuwe opslag van de positie van de elektrisch verstelbare bestuurders stoel en de buitenspiegel wordt de bestaande instelling gewist.
Voorstoelen elektrisch instellen Hoogte van de zitting instellen › De schakelaar A in de richting van een van de pijlen 3 » Afbeelding 47 drukken. Schuine stand van de rugleuning instellen B in de richting van een van de pijlen » Afbeelding 48 drukken. › De schakelaar Welving van de lendensteun hoger resp. lager zetten › De schakelaar C in de richting van een van de pijlen 4 » Afbeelding 48 drukken. Welving van de lendensteun vergroten resp.
Hoogte instellen › De hoofdsteun voor met beide handen aan de zijkanten vastpakken, op de vergrendelingstoets A » Afbeelding 49 drukken en deze ingedrukt houden en de hoofdsteun verschuiven. › De hoofdsteun achter met beide handen aan de zijkanten vastpakken en omhoog schuiven » Afbeelding 49. › Om de hoofdsteun achter naar beneden te schuiven, de vergrendelingsknop 1 met een hand indrukken en ingedrukt houden en met de andere hand de hoofdsteun omlaag drukken.
of › Lang op de gewenste geheugentoets B drukken bij ingeschakeld contact resp. gesloten bestuurdersportier. Actieve instelling stoppen › Op een willekeurige toets van de bestuurdersstoel of op de toets sleutel met radiografische afstandsbediening drukken. van de Let op Met elke nieuwe opslag van de stoel- en buitenspiegelinstellingen voor vooruitrijden moet ook de instelling van de bijrijdersspiegel voor achteruitrijden opnieuw worden opgeslagen.
Door nogmaals op de toets te drukken, wordt de verwarmingsintensiteit teruggeregeld tot de verwarming uitschakelt. De verwarmingsintensiteit van de stoelverwarming wordt aangegeven aan de hand van het aantal brandende controlelampjes onder resp. in de toets.
Armsteun voorin Armsteun achterin Afbeelding 52 Armsteun instellen Afbeelding 53 Armsteun neerklappen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 78 en volg deze op. De armsteun is in hoogte en lengterichting verstelbaar. Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 78 en volg deze op. Naar voren klappen A » Afbeelding 53 trekken en de armsteun in pijlrichting naar beneden klappen.
De vergrendeling moet hoorbaar vastklikken. Achterbankleuning Terugklappen › De hendel in pijlrichting 1 » Afbeelding 54 trekken. › De rugleuning tegen de pijlrichting in 2 terugklappen. De vergrendeling moet hoorbaar vastklikken. ATTENTIE Als op de neergeklapte rugleuning voorwerpen worden vervoerd, moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden gesteld » pagina 199. ■ De rugleuning alleen bij stilstaande wagen verstellen.
Naar voren klappen Alvorens de rugleuning naar voren te klappen de voorstoelen zodanig verstellen, dat deze niet door de naar voren geklapte rugleuning worden beschadigd 1). › Op de grendelknop A » Afbeelding 55 drukken en de rugleuning volledig neer- klappen. Neerklappen vanuit de bagageruimte De rugleuningen kunnen ook vanuit de bagageruimte worden ontgrendeld en neergeklapt.
Kledinghaken Opbergtassen aan de voorstoelen Opbergvak in de middenconsole achterin 230 volt stopcontact Rugleuning met skiluik Uitneembare skizak 90 90 91 91 92 93 ATTENTIE Voor het begin van de rit moet het ticket altijd worden verwijderd, zodat het zicht van de bestuurder niet wordt gehinderd. Opbergvak aan bestuurderszijde ATTENTIE Niets op het dashboard leggen.
Houder voor reflectievest Opbergvakken in de portieren Afbeelding 60 Bestuurdersstoel: Houder voor reflectievest Afbeelding 59 Opbergvak: In het voorportier / in het achterportier Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 81 en volg deze op. De houder voor het reflectievest bevindt zich onder de bestuurdersstoel » Afbeelding 60. Bij B » Afbeelding 59 en D bevindt zich een flessenhouder.
Het sluiten gebeurt in omgekeerde volgorde. Opbergvak in de middenconsole voorin - niet afsluitbaar Het opbergvak is bedoeld voor het opbergen van kleine voorwerpen, bijvoorbeeld een mobiele telefoon. Afbeelding 61 Het open opbergvak Naar het opbergvak kan een versterkt signaal van de dakantenne worden "gevoerd", om de werking van de mobiele telefoon te verbeteren » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Phonebox.
ATTENTIE ATTENTIE Nooit hete bekers in de bekerhouders plaatsen. Als de wagen rijdt, kan hete drank worden gemorst - gevaar voor brandwonden! ■ Geen breekbare bekers (bijvoorbeeld glas, porselein) gebruiken. Bij een ongeval kan dit tot letsel leiden. Wees voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker! Onjuist gebruik kan tot brandwonden leiden. ■ De sigarettenaansteker werkt ook bij uitgeschakeld contact en als de contactsleutel uit het contact is getrokken.
› Het inzetstuk bij het met pijlen aangegeven gedeelte vastpakken en in pijlrichting 1 » Afbeelding 65 - verwijderen. Het aanbrengen gebeurt in omgekeerde volgorde. De 12 volt stopcontacten en de daarop aangesloten apparaten kunnen ook worden gebruikt als het contact is uitgeschakeld of als de sleutel uit het contact is verwijderd » . ATTENTIE ATTENTIE Onjuist gebruik van de stopcontacten en de elektrische accessoires kan brand, brandwonden en andere zware verwondingen tot gevolg hebben.
Afvalbak Afvalbak openen/sluiten › De afvalbak in pijlrichting 3 » Afbeelding 67 openen. Het sluiten gebeurt in omgekeerde volgorde. Zak vervangen › De afvalbak uit het opbergvak verwijderen. › De beide blokkeringsnokken van het binnenframe in pijlrichting 4 » Afbeelding 68 van de bak losdrukken. › De zak samen met het binnenframe in pijlrichting 5 naar beneden lostrekken. › De zak van het binnenframe verwijderen. › De nieuwe zak door het frame trekken en in pijlrichting 6 over het frame leggen.
Multimediahouder Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 81 en volg deze op. Openen › Het deksel van de armsteun aan greep A in pijlrichting 1 » Afbeelding 70 trekken en openen. Afbeelding 69 Multimediahouder Sluiten › Het deksel tot de aanslag openen, pas dan kan het naar beneden tegen de pijlrichting in 1 » Afbeelding 70 worden neergeklapt. Het gedeelte B » Afbeelding 70 van het opbergvak is bedoeld voor het opbergen van voorwerpen met een grootte van max.
Sluiten › Het deksel van het brillenvak tegen de pijlrichting zwenken » Afbeelding 71, tot het hoorbaar vastklikt. Koeling › Met de draaiknop » Afbeelding 72 - wordt de luchttoevoer geopend resp. gesloten. Als de luchttoevoer is geopend en de airconditioning is ingeschakeld, stroomt gekoelde lucht in het opbergvak.
Sluiten › Het vak bij de handgreep vastpakken en tegen de pijlrichting in 2 » Afbeelding 73 sluiten. › Hierbij de handgreep vasthouden tot het vak gesloten is. Opbergtassen aan de voorstoelen Afbeelding 74 Opbergtassen ATTENTIE Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn gesloten. VOORZICHTIG Het opbergvak is bedoeld om kleine voorwerpen tot een gewicht van 1,5 kg in te bewaren.
Opbergvak in de middenconsole achterin Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 81 en volg deze op. Gebruik › De afdekking van het stopcontact in pijlrichting openen » Afbeelding 76. › De steker van de elektrische verbruiker in het stopcontact steken. Afbeelding 75 Opbergvak openen Het 230 volt stopcontact werkt alleen als het contact is ingeschakeld » .
ATTENTIE (vervolg) Rugleuning met skiluik De kinderbeveiliging van het 230 volt stopcontact wordt ontgrendeld bij het gebruik van adapters en verlengkabels die onder spanning staan - gevaar voor verwondingen! ■ Geen geleidende voorwerpen, bijvoorbeeld breinaalden, in de contacten van het stopcontact steken – levensgevaar! ■ VOORZICHTIG ■ De steker van het elektrische apparaat tot de aanslag in het stopcontact steken, zodat de contacten worden verbonden.
ATTENTIE Uitneembare skizak ■ Na het inpakken van de ski's moet de skizak met de bevestigingsriem B » Afbeelding 78 worden vastgezet. ■ De trekband A moet stevig om de ski's zijn vastgemaakt. ■ Let erop dat de trekband A vóór de binding van de ski's zit (zie ook de mar- Afbeelding 78 Bevestiging van de skizak kering op de uitneembare skizak). Het totale gewicht van de vervoerde ski's mag niet meer dan 24 kg bedragen.
Opbergvakken onder de bodembekleding Multifunctionele tas (Octavia Combi) 101 102 Voor het behouden van de goede rijeigenschappen van de wagen moet op het volgende worden gelet: › De bagage zo gelijkmatig mogelijk verdelen. › Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren leggen › De bagage aan de bevestigingsogen of met de netten bevestigen » pagina 95.
Voor een veilig gebruik van de wagen is een perfecte werking van de elektrische installatie absoluut noodzakelijk. Let erop dat dat deze bij de aanpassing en bij het be- en ontladen van de laadruimte niet wordt beschadigd. Bevestigingselementen Afbeelding 79 Bevestigingselementen Octavia Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 93 en volg deze op. In de bagageruimte bevinden zich de volgende bevestigingselementen » Afbeelding 79 resp. » Afbeelding 80.
VOORZICHTIG Bagagenetten De maximale toelaatbare belasting van de bagagenetten bedraagt 1,5 kg. In de netten geen voorwerpen met scherpe randen opbergen - gevaar voor beschadiging van het net. ■ ■ Uitklapbare dubbele haak Afbeelding 83 Uitklapbare dubbele haak Afbeelding 81 Bevestigingsvoorbeelden voor netten Afbeelding 82 Langstas bevestigen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 93 en volg deze op.
Uitklapbare haken (Octavia Combi) Bodembekleding bevestigen Afbeelding 84 Uitklapbare haken Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 93 en volg deze op. Afbeelding 85 Bodembekleding bevestigen: Octavia / Octavia Combi Aan beide zijden van de bagageruimte bevinden zich uitklapbare haken voor de bevestiging van kleinere bagagestukken, bijvoorbeeld tassen en dergelijke.
VOORZICHTIG Bagageruimteafdekking De dubbelzijdige bodembekleding kan alleen worden gebruikt bij wagens zonder variabele bagageruimtevoer » pagina 102 - gevaar voor beschadiging van de variabele bagageruimtevloer. Let op Voor het gemakkelijk omdraaien van de bekleding kan de op de bekleding aangebrachte lus worden gebruikt. Bagagenet Afbeelding 87 Bagageruimteafdekking uitbouwen / inbouwen Afbeelding 86 Bagagenet Afbeelding 88 Bagageruimteafdekking achter de achterbank opgeborgen.
› De ophangkoorden 1 aan de achterklep bevestigen. Oprolbare bagageruimteafdekking (Octavia Combi) ATTENTIE Op de bagageruimteafdekking mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij een aanrijding. VOORZICHTIG Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet door op de bagageruimteafdekking neergelegde voorwerpen worden beschadigd.
Dakdragers opbergen ATTENTIE Op de oprolbare bagageruimteafdekking mogen geen voorwerpen worden gelegd. Oprolbare bagageruimteafdekking en dakdragers opbergen › De variabele bagageruimtevloer in de bovenste stand samenklappen » pagina 104. › De zij-afdekkingen van de bagageruimte in pijlrichting 1 » Afbeelding 90 verwijderen. › De voorste dakdrager A in de voorste uitsparingen van de zijbekleding aanbrengen. › De achterste dakdrager B in de achterste uitsparingen van de zijbekleding aanbrengen.
Let op Opbergvak in de bagageruimte Wij adviseren, het cargo-element te gebruiken voor de bevestiging van bagage achter de zitplaatsen achterin . Opbergvakken onder de bodembekleding Afbeelding 92 Opbergvak en cargo-element verwijderen / bevestigingsvoorbeeld van bagage met het cargo-element Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 93 en volg deze op. Bagageruimte vergroten › De afdekking van het opbergvak A in pijlrichting 1 » Afbeelding 92 verwijderen.
Multifunctionele tas (Octavia Combi) › De complete multifunctionele tas in pijlrichting 4 inschuiven. › De achterste lijst tegen de voorste lijst leggen en aan beide uiteinden B aan- drukken. › De voorste haken aan beide bagageruimtezijden terugklappen. Verwijderen/aanbrengen › De oprolbare bagageruimteafdekking verwijderen » pagina 99. › De multifunctionele tas in pijlrichting uit de opnames verwijderen » Afbeelding 95. Het aanbrengen gebeurt in omgekeerde volgorde.
Let op De ruimte onder de variabele bagageruimtevloer kan worden gebruikt voor het opbergen van voorwerpen, bijvoorbeeld de uitgebouwde oprolbare bagageruimteafdekking, de dakdragers en dergelijke. » pagina 100. Standen van de variabele bagageruimtevloer In bovenste stand instellen › Het achterste gedeelte van de variabele bagageruimtevloer bij greep A » Afbeelding 96 vastpakken.
Variabele bagageruimtevloer samenklappen Bagageruimte indelen Afbeelding 98 Variabele bagageruimtevloer samenklappen Afbeelding 100 Bagageruimte met variabele bagageruimtevloer indelen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 102 en volg deze op. De bagageruimte kan met de variabele bagageruimtevloer in de onderste en bovenste stand worden ingedeeld. › Het achterste gedeelte van de variabele bagageruimtevloer bij greep A » Afbeelding 100 optillen.
ATTENTIE ■ Controleer of de dwarsstang van het scheidingsnet vast in de steunen Eruit trekken › Een deel van de oprolbare bagageruimteafdekking A in pijlrichting » Afbeelding 101 opklappen. › Het scheidingsnet bij de bovenste dwarsstang B uit de behuizing C trekken. › De dwarsstang in een van de bevestigingen D inhaken. › Aan de andere zijde op de dwarsstang drukken en in de betreffende bevestiging D inhaken. D » Afbeelding 101 op pagina 105 resp. C » Afbeelding 103 op pagina 106 is bevestigd.
Scheidingsnetbehuizing uit- en inbouwen Scheidingsnet achter de voorstoelen gebruiken Afbeelding 104 Achterbank: Scheidingsnetbehuizing uitbouwen Afbeelding 103 Scheidingsnet achter de voorstoelen in uitgetrokken toestand Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 104 en volg deze op. Eruit trekken › De achterbank naar voren klappen » pagina 80. › Het scheidingsnet bij de bovenste dwarsstang A uit de behuizing B » Afbeelding 103 trekken.
ATTENTIE Bevestigingspunten De lading op het dak moet goed worden bevestigd - gevaar voor ongevallen! ■ De lading altijd correct met geschikte en onbeschadigde sjor- of spanbanden vastzetten. ■ De lading gelijkmatig op het dakdragersysteem verdelen. ■ Bij het vervoeren van zware resp. grote voorwerpen op het dakdragersysteem kunnen de rijeigenschappen door de verplaatsing van het zwaartepunt veranderen. Uw rijstijl en snelheid daarom aan de omstandigheden aanpassen.
Bij het gebruik van dakdragersystemen met een geringer draagvermogen kan de toelaatbare dakbelasting niet worden benut. In deze gevallen mag de dakdrager slechts worden belast tot de maximale gewichtsgrens die in de montagehandleiding is aangegeven.
Let op Verwarming en airconditioning De verbruikte lucht wordt via de ontluchtingsopeningen in de bagageruimte afgevoerd. ■ Als de circulatiefunctie is ingeschakeld, adviseren wij in de wagen niet te roken, omdat de aangezogen rook neerslaat op de verdamper van het airconditioningsysteem. Dit zorgt tijdens het gebruik van de airconditioning voor een blijvende stankoverlast die alleen met veel moeite en hoge kosten (vervanging van de verdamper) kan worden opgelost.
Luchtroosters Bij de luchtroosters 3, 4 » Afbeelding 106 en 6 » Afbeelding 107 kan de richting van de luchtstroom worden gewijzigd en kunnen de luchtroosters ook afzonderlijk worden gesloten en geopend. Luchtuitstroomrichting wijzigen › Om de hoogte van de luchtstroom te wijzigen, de horizontale lamellen met behulp van het verschuifbare verstelelement A » Afbeelding 106 resp. » Afbeelding 107 naar boven of naar beneden draaien.
Indien het interieur van de geparkeerde wagen door zonnestraling sterk is opgewarmd, verdient het aanbeveling de ruiten of portieren kort te openen, zodat de warme lucht kan ontsnappen. Bedieningselementen Als de ruiten geopend zijn, mag de koeling niet ingeschakeld zijn. Milieu-aanwijzing Door brandstof te besparen, wordt de uitstoot van schadelijke stoffen verlaagd » pagina 135, Economisch en milieubewust rijden.
Instellen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 111 en volg deze op. Geadviseerde basisinstellingen van de verwarmingsbedieningselementen.
Airconditioning (handbediende airconditioning) Bedieningselementen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Bedieningselementen Instellen Circulatiefunctie 113 114 115 De koelfunctie werkt alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. De koelfunctie is ingeschakeld » pagina 113, Bedieningselementen. De motor draait. De buitentemperatuur is hoger dan circa +2 °C. De aanjagerschakelaar is ingeschakeld (stand 1-6).
Let op Het controlelampje in de toets brandt na het inschakelen, ook als niet aan alle voorwaarden voor de werking van de koelfunctie wordt voldaan » pagina 113. Door het branden van het controlelampje in de toets wordt aangegeven dat de koeling gereed is. Instellen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 113 en volg deze op. Geadviseerde basisinstellingen van de aircobedieningselementen.
Aanjager regelen Voorruit ontwasemen Circulatiefunctie Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 113 en volg deze op. 118 118 De Climatronic in de automatische regeling zorgt voor de optimale instelling van de temperatuur van de uitstromende lucht, de aanjagerstand en de luchtverdeling. In de circulatiefunctie wordt voorkomen dat bijvoorbeeld buitenlucht met sterke geuren in het interieur kan komen, bijvoorbeeld bij het rijden door tunnels of in files.
Bedieningselementen Achterruitverwarming in-/uitschakelen » pagina 67 Voorruitverwarming in-/uitschakelen » pagina 67 Climatronic in het infotainment instellen » Instructieboekje infotainment Temperatuurinstelling in de Dual-functie in-/uitschakelen » pagina 117 Automatische regeling inschakelen » pagina 116 Koelfunctie in-/uitschakelen » pagina 117 Let op De interieurtemperatuursensor B » Afbeelding 110 niet afplakken of afdekken, omdat anders de werking van de Climatronic ongunst
Als een hogere temperatuur dan +29 °C wordt gekozen, gaat bij de betreffende draaiknop een rood symbool branden. Koelfunctie in-/uitschakelen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 115 en volg deze op. In beide eindstanden werkt de Climatronic met het maximale koelings- resp. verwarmingsvermogen en de temperatuur wordt niet automatisch geregeld. › Op symbooltoets drukken. VOORZICHTIG Het controlelampje in de toets gaat branden.
Het in- resp. uitschakelen is ook mogelijk in het infotainment » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wageninstellingen. Voorruit ontwasemen ATTENTIE De circulatiefunctie niet gedurende langere tijd ingeschakeld laten, omdat door de "verbruikte" lucht vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers kunnen optreden, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het gevaar voor ongevallen neem toe. De circulatiefunctie uitschakelen, zodra de ruiten beslaan.
De extra verwarming (interieurvoorverwarming) verwarmt de koelvloeistof door het verbranden van brandstof uit de brandstoftank van de wagen. De koelvloeistof verwarmt de lucht, die in de passagiersruimte stroomt (als het aanjagertoerental B » Afbeelding 108 op pagina 111 resp. C » Afbeelding 110 op pagina 116 niet op nul is ingesteld).
Na het uitschakelen blijft de extra verwarming (interieurvoorverwarming) nog eventjes in werking om de resterende brandstof in de interieurvoorverwarming te verbranden. Beeldbeschrijving » Afbeelding 112 A Antenne B Controlelampje Interieurvoorverwarming inschakelen Interieurvoorverwarming uitschakelen Na het uitschakelen van de extra verwarming (interieurvoorverwarming) draait de waterpomp nog korte tijd door.
Weergave controlelampje B » Afbeelding 112 Betekenis De batterij is zwak, het in- resp. uitKnippert circa 2 seconden oranje, daarschakelsignaal is echter wel ontvanna groen resp. rood. gen. Brandt circa 2 seconden oranje, knippert daarna groen resp. rood. De batterij is zwak, het in- resp. uitschakelsignaal is niet ontvangen. Knippert circa 5 seconden oranje. De batterij is leeg, het in- resp. uitschakelsignaal is niet ontvangen. De batterij vervangen » pagina 255.
ATTENTIE (vervolg) Rijden Het stuurwiel zo verstellen dat de afstand tussen stuurwiel en borstkas ten minste 25 cm bedraagt A » Afbeelding 113. De afstand van de benen tot het dashboard in de omgeving van de kniearbag zodanig instellen dat deze minimaal 10 cm bedraagt B .
ATTENTIE Stuurbekrachtiging Door de stuurbekrachtiging is voor het sturen minder kracht nodig. De stuurbekrachtiging werkt alleen als de motor draait. Bij het uitvallen van de stuurbekrachtiging of als de motor niet draait (afslepen), blijft de wagen volledig bestuurbaar. Voor het sturen moet echter meer kracht worden uitgeoefend. De stuurbekrachtiging kan door het selecteren van de rijmodus worden beïnvloed » pagina 167.
VOORZICHTIG Contactslot Hoge motortoerentallen, volgas en hoge motorbelasting vermijden zolang de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet heeft bereikt - gevaar voor motorschade! ■ Na langdurige hoge motorbelasting de motor niet direct afzetten als de wagen stilstaat, maar nog circa 1 minuut stationair laten draaien. Daarmee wordt warmteophoping in de afgezette motor voorkomen. ■ Afbeelding 115 Standen van de sleutel in het contactslot Milieu-aanwijzing De motor niet bij stilstand laten warmdraaien.
Motor starten Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 123 en volg deze op. Wagens met dieselmotor zijn met een voorgloeisysteem uitgerust. Het controlelampje voorgloeitijd gaat branden na het inschakelen van het contact. Na het doven van het controlelampje de motor starten. Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - de accu wordt anders onnodig belast.
Noodstart motor Nooduitschakeling van het contact 128 128 Met het KESSY-systeem (Keyless Entry Start Exit System) kan het contact worden ingeschakeld resp. afgezet en de motor worden gestart resp. afgezet zonder actief gebruik van de sleutel. Om de stuurinrichting te ontgrendelen, het contact in te schakelen, de motor te starten en te rijden, moet de sleutel in de wagen aanwezig zijn. Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid te horen zijn.
Stuurinrichting ontgrendelen/vergrendelen Afbeelding 116 Startknop Het stuurwiel iets bewegen en het systeem onderneemt na 2 seconden nog 3 ontgrendelingspogingen. Gelijktijdig knippert het controlelampje . Als de stuurinrichting ook dan niet ontgrendeld, dient te worden geprobeerd de mogelijke oorzaak voor de verhindering van de ontgrendeling te verhelpen waarna de ontgrendelingspoging dient te worden herhaald.
VOORZICHTIG Als de motor ook bij de tweede startpoging niet aanslaat, kan een van de volgende zekeringen defect zijn. ■ Benzinemotor - Zekering voor de brandstofpomp. ■ Dieselmotor - Zekering voor het regelapparaat van het voorgloeisysteem of de brandstofpomp. ■ De zekering controleren en zo nodig vervangen » pagina 259 resp. de hulp van een erkend reparateur inroepen.
Na de nooduitschakeling van het contact blijft de stuurinrichting ontgrendeld. Remmen In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: 129 130 ATTENTIE Wanneer de motor is afgezet is meer kracht nodig om te remmen - gevaar voor ongevallen! ■ Tijdens het remmen met een wagen met schakelbak, ingeschakelde versnelling en in een laag toerenbereik, moet het koppelingspedaal worden ingetrapt.
De handremwaarschuwing wordt geactiveerd als langer dan 3 seconden met een snelheid van meer dan 5 km/h wordt gereden. Laag remvloeistofpeil Bij een te laag remvloeistofpeil kunnen er storingen in het remsysteem optreden. Het remvloeistofpeil wordt elektronisch gecontroleerd » pagina 17, Remsysteem. Rembekrachtiger De rembekrachtiger verhoogt de druk die op het rempedaal wordt uitgeoefend. De rembekrachtiger werkt alleen als de motor draait.
De achteruitversnelling alleen inschakelen als de wagen stilstaat. Het koppelingspedaal intrappen en volledig ingetrapt houden. Om schakelgeluiden te voorkomen, een moment wachten alvorens de achteruitversnelling in te schakelen. Automatische versnellingsbak Bij ingeschakelde achteruitversnelling en ingeschakeld contact branden de achteruitrijlampen.
Vóór het inschakelen van stand R vanuit stand P of N moet het rempedaal worden ingetrapt en tegelijkertijd de vergrendeltoets worden ingedrukt » Afbeelding 121. Standen en keuzehendelbediening N - Neutraal (neutraalstand) De krachtoverbrenging naar de aangedreven wielen is in deze stand onderbroken.
Omschakelen naar handmatig schakelen De keuzehendelvergrendeling werkt alleen bij stilstaande wagen en bij snelheden tot 5 km/h. › De keuzehendel vanuit stand D/S naar rechts resp. bij wagens met rechts stuur naar links drukken.
› De keuzehendel in de gewenste stand zetten » pagina 132 en de grendelknop Kick-down Met de kick-down-functie is het mogelijk de maximale acceleratie van de wagen tijdens het rijden te bereiken Stoppen › Het rempedaal intrappen en de wagen op zijn plaats houden. › Het rempedaal intrappen en ingetrapt houden tot de rit wordt voortgezet. Als het gaspedaal volledig wordt ingetrapt, wordt in elke stand voor vooruitrijden de kick-down-functie geactiveerd. weer loslaten.
› Geen volgas geven. › Hoge motortoerentallen voorkomen. › Niet met een aanhangwagen rijden. Nieuwe banden Van 1.000 tot 1.500 kilometer In elke versnelling mogen de rijprestaties geleidelijk worden opgevoerd tot de topsnelheid voor de betreffende versnelling, dus tot het maximum toelaatbare motortoerental. Nieuwe banden moeten worden "ingereden", want in het begin hebben ze nog geen optimale grip. Daarom tijdens de eerste circa 500 km bijzonder voorzichtig rijden.
Om te zorgen dat deze eigenschappen ook zo goed mogelijk worden benut en in de praktijk worden gebracht, moeten de volgende aanwijzingen in dit hoofdstuk in acht worden genomen.
Bij stationair toerental duurt het zeer lang voordat de motor op bedrijfstemperatuur is. Tijdens de warmdraaifase zijn de slijtage en de uitstoot van schadelijke stoffen ook nog eens bijzonder hoog. Daarom direct na het starten van de motor wegrijden. Hierbij echter hoge motortoerentallen vermijden.
Comfortverbruikers zijn onder andere: › Airconditioning. › Achterruitverwarming. › Voorruitverwarming. › Buitenspiegelverwarming. › Mistachterlicht. › Mistlampen. › Verwarmbare voorstoelen. › Extra verwarming (interieurvoorverwarming). Met name in stadsverkeer, waar vaak moet worden geaccelereerd, beïnvloedt het gewicht van de wagen het brandstofverbruik aanzienlijk. Als vuistregel geldt dat per 100 kg extra gewicht het verbruik met circa 1 l/100 km toeneemt.
Productie Let op Wij adviseren het regelmatige onderhoud van uw wagen door een ŠKODA Servicepartner uit te laten voeren. Elektrische energie sparen Terugname en recycling van oude wagens ŠKODA voldoet aan de eisen voor het merk en zijn producten op het gebied van bescherming van milieu en hulpbronnen. Alle nieuwe ŠKODA-wagens zijn voor 95% recycleerbaar en kunnen aan het einde van hun levensduur1) worden teruggegeven.
ATTENTIE Algemene aanwijzingen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 139 en volg deze op. In de volgende situaties met name letten op laaggelegen wagenonderdelen zoals spoilers en het uitlaatsysteem. › Het rijden op slechte straten en wegen. › Het oprijden van stoepranden. › Het oprijden van steile hellingen en dergelijke.
In sommige landen is het ook mogelijk dat het ŠKODA Partnernetwerk slechts beperkt of niet aanwezig is. In een dergelijke situatie kan het verkrijgen van bepaalde onderdelen gecompliceerd zijn en kunnen reparatiewerkzaamheden slechts tot op zekere hoogte worden uitgevoerd. Loodvrije benzine Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 140 en volg deze op. Wagens met benzinemotor mogen uitsluitend loodvrije benzine gebruiken » pagina 220.
Stabiliseringscontrole (ESC) Hulpsystemen Afbeelding 127 ESC-toets Remhulpsystemen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Stabiliseringscontrole (ESC) Antiblokkeersysteem (ABS) Aandrijfslipregeling (ASR) Elektronische differentieelsper (EDS en XDS) Actieve stuurondersteuning (DSR) Remassistent (HBA) Bergwegrijhulp (HHC) Multi Collision Brake 142 143 143 144 144 144 144 145 Met behulp van het ESC-systeem wordt de controle over de wagen tijd
ASR activeren / deactiveren Als onderdeel van het ESC-systeem kan de ASR in het infotainment » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wageninstellingen (toets CAR) of met de symbooltoets » Afbeelding 127 worden gedeactiveerd resp. geactiveerd. › Kort op symbooltoets drukken. In het instrumentenpaneel gaat het controlelampje branden en op het display wordt de volgende melding weergegeven. Aandrijfslipregeling (ASR) uitgeschakeld. ASR UIT › Opnieuw op symbooltoets drukken.
Indien uw wagen met het ESC-systeem is uitgerust, is de ASR in het ESC-systeem geïntegreerd » pagina 142. Actieve stuurondersteuning (DSR) Tijdens een ingreep van het systeem knippert het ASR-controlelampje in het instrumentenpaneel. De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Het is zinvol het systeem alleen in bijvoorbeeld de volgende stituaties te deactiveren: › Bij het rijden met sneeuwkettingen. › Bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond.
ATTENTIE (vervolg) Multi Collision Brake Oppervlakken van bepaalde voorwerpen en van kleding kunnen de systeemsignalen niet altijd reflecteren. Deze voorwerpen en personen die zulke kleding dragen, kunnen niet door de systeemsensoren worden herkend. ■ Externe geluidsbronnen kunnen een storend effect hebben op het systeem. Dit kan er onder ongunstige omstandigheden toe leiden dat voorwerpen of personen niet door het systeem worden herkend.
Werking Afbeelding 129 Reikwijdte van de sensoren / systeemtoets Beeldbeschrijving - reikwijdte van de sensoren (in cm) Gebied » Afbeelding 129 12 sensoren 8 sensoren 4 sensoren A 120 120 - B 90 60 - C 160 160 160 D 90 60 60 E 90 - - Met de vermindering van de afstand tot het obstakel wordt het interval tussen de akoestische signalen korter. Vanaf een afstand van circa 30 cm tot het obstakel klinkt een aanhoudende toon - gevarenzone.
Inparkeersysteem Automatische systeemactivering bij vooruitrijden Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 145 en volg deze op. In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: De automatische activering vindt plaats bij een snelheid lager dan circa 10 km/h onder de volgende omstandigheden: › De afstand tot het obstakel voor is kleiner dan circa 90 cm. › De afstand tot het obstakel achter is kleiner dan circa 30 cm.
ATTENTIE Het systeem ontslaat de bestuurder niet van zijn verantwoordelijkheid bij het inparkeren resp. uitparkeren uit de parkeerruimte. ■ Externe geluidsbronnen kunnen een storend effect hebben op het systeem bij het inparkeren resp. uitparkeren uit de parkeerruimte. Dit kan er onder ongunstige omstandigheden toe leiden dat voorwerpen of personen niet door het systeem worden herkend. ■ Bij het inparkeren resp. uitparkeren voert het systeem automatisch snelle stuurbewegingen uit.
Indien een geschikte parkeerruimte is gevonden, worden de parameters ervan opgeslagen tot een andere geschikte parkeerruimte wordt gevonden of tot een afstand van circa 10 m na de gevonden parkeerruimte is afgelegd. › Nog verder naar voren rijden, tot op het display de weergave » Afbeelding 132 Indien men bij het zoeken naar een parkeerruimte de parkeermodus wil wijzigen, moet opnieuw op symbooltoets worden gedrukt. › De achteruitversnelling inschakelen resp. de keuzehendel in stand R zetten.
› Tijdens het achteruitrijden in de parkeerruimte de achteruitversnelling eruit ge- Automatische remondersteuning haald resp. de keuzehendel uit stand R gezet. › Keuzehendel in stand P gezet. › Als er sprake is van een systeemstoring (systeem tijdelijk niet beschikbaar). › Automatisch remmen ter vermindering van schade. Indien een van de bovengenoemde gevallen zich voordoet, wordt de volgende melding weergegeven. » pagina 150.
Snelheid te hoog. Stuur overnemen! De parkeermanoeuvre is beëindigd omdat de snelheid opnieuw is overschreden. Met een snelheid van maximaal. 7 km/h inparkeren. Park Assist beëindigd. Stuuringreep bestuurder. De parkeermanoeuvre is door een stuuringreep van de bestuurder beëindigd. ASR uitgeschakeld. Stuur overnemen! De inparkeermanoeuvre is beëindigd, omdat de ASR tijdens de inparkeermanoeuvre is gedeactiveerd. Aanhangwagen: Park Assist beëindigd.
VOORZICHTIG Snelheid opslaan en vasthouden Bij het rijden op steile afdalingen kan het snelheidsregelsysteem de snelheid niet constant houden. Door het eigen gewicht van de wagen neemt de snelheid dan toe. In dergelijke gevallen een lagere versnelling inschakelen of de wagen met het rempedaal afremmen. ■ Het snelheidsregelsysteem kan niet worden ingeschakeld als de eerste versnelling of de achteruitversnelling is ingeschakeld (wagens met schakelbak).
Na het loslaten van het gaspedaal daalt de snelheid tot de opgeslagen waarde. C Snelheid met het rempedaal verlagen De snelheid kan ook worden verlaagd door het intrappen van het rempedaal, waardoor het systeem tijdelijk wordt uitgeschakeld » pagina 153.
Let op De ACC is met name bedoeld voor gebruik op snelwegen. Enkele weergaven van de ACC op het display van het instrumentenpaneel kunnen door weergaven van andere functies worden afgedekt. Een ACC-weergave word bij een wijziging van de ACC-status automatisch kort weergegeven. VOORZICHTIG ■ ■ Aanwijzingen en informatie Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 153 en volg deze op.
De sensor kan objecten door het verzenden en ontvangen van elektromagnetische golven onderscheiden. De werking van de sensor kan in een van de volgende situaties beperkt of helemaal niet beschikbaar zijn. › Als de sensor door bijvoorbeeld modder, sneeuw of afzettingen vervuild is. › Als de sensor of de directe omgeving ervan door andere voorwerpen, bijvoorbeeld een sticker, wordt afgedekt. › Bij slecht zicht (bijvoorbeeld mist, stortregen, hevige sneeuwval).
Werking 3 4 Ingestelde tijdsafstand ten opzichte van de voorligger. Voertuig herkend (regeling inactief). Beeldbeschrijving » Afbeelding 137 A B C D Regeling inactief (voertuig herkend). Regeling actief (geen voertuig herkend). Regeling inactief (geen snelheid opgeslagen). Regeling actief (voertuig herkend). De ACC kan de ingestelde snelheid van 30-160 km/h evenals de afstand ten opzichte van voorliggers in een bereik van een zeer korte tot zeer lange tijdsafstand constant houden.
Regeling starten Bedieningsoverzicht Afbeelding 138 Bedieningshendel Basisvoorwaarden voor het starten van de regeling ACC is geactiveerd. ASR is geactiveerd » pagina 142, Remhulpsystemen. Bij wagens met schakelbak moet de tweede versnelling of een hogere versnelling zijn ingeschakeld. Bij wagens met schakelbak moet de actuele snelheid hoger zijn dan circa 25 km/h. Bij wagens met automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in stand D/S of in de tiptronic-stand staan.
Snelheid in sprongen van 10 km/h instellen/wijzigen () - Voorwaarden Let op Indien bij wagens met automatische versnellingsbak de regeling bij een snelheid van minder dan 30 km/h wordt gestart, wordt de snelheid van 30 km/h opgeslagen. De snelheid neemt automatisch toe tot 30 km/h resp. wordt geregeld aan de hand van de snelheid van de voorligger. ■ Bij gedeactiveerde ASR wordt dit bij het starten van de regeling automatisch geactiveerd.
Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de lijn 2 » Afbeelding 136 op pagina 156, die de afstandsverschuiving weergeeft. › Met de schakelaar op de hendel de lijn 2 op de gewenste afstand in- stellen. Let op Indien de afstand in het infotainment is gewijzigd, wordt de wijziging pas na aansluitende activering van de ACC merkbaar. ■ De afstand wordt snelheidsafhankelijk vastgelegd. Des te hoger de snelheid, des te groter is de afstand ten opzichte van de voorligger.
De sensor is vervuild of heeft geen "zicht". Stoppen, de motor afzetten, de sensor reinigen resp. het voorwerp dat het "zicht" » Afbeelding 135 op pagina 154 belemmert verwijderen. Indien na het starten van de motor de ACC nog steeds niet beschikbaar is, de hendel in stand » Afbeelding 138 op pagina 157 drukken. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
ATTENTIE ATTENTIE De Front Assist dient alleen als hulpmiddel. Hierdoor wordt de bestuurder niet van de plicht ontslagen de besturing van de wagen volledig onder controle te hebben. ■ De Front Assist is onderhevig aan natuurkundige en door het systeem bepaalde grenzen. Om deze reden kan de bestuurder enkele reacties van het systeem in bepaalde situaties als ongewenst of vertraagd waarnemen.
De werking van de sensor kan in een van de volgende situaties beperkt of helemaal niet beschikbaar zijn. › Als de sensor door bijvoorbeeld modder, sneeuw of afzettingen vervuild is. › Als de sensor of de directe omgeving ervan door andere voorwerpen, bijvoorbeeld een sticker, wordt afgedekt. › Bij slecht zicht (bijvoorbeeld mist, stortregen, hevige sneeuwval). VOORZICHTIG De sneeuw met een handveger en het ijs met een oplosmiddelvrije ontdooispray van de sensor verwijderen.
De afstand waarbij de waarschuwing wordt gegeven, is afhankelijke van de actuele rijsnelheid. De waarschuwing kan in een snelheidsbereik van circa 60 km/h tot circa 210 km/h worden gegeven. Voorwaarschuwing Indien de Front Assist het gevaar van een aanrijding met een voorligger herkend, verschijnt op het display een symbool en klinkt een akoestisch signaal » Afbeelding 142 - . Tegelijkertijd wordt het remsysteem op een mogelijke noodstop voorbereid.
Aanwijzingen "City"-noodstopfunctie Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 160 en volg deze op. De "City"-noodstopfunctie (hierna noodstopfunctie) is een onderdeel van het Front Assist-systeem De noodstopfunctie ondersteunt de bestuurder als volgt bij het rijden: › Bereidt de remmen bij een herkend gevaar voor op een noodstop.
Informatie over de actuele status van het systeem kan op het infotainmentdisplay worden weergegeven » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wageninstellingen (toets CAR). Het systeem kan alleen werken als aan de volgende basisvoorwaarden wordt voldaan. Het bestuurdersportier is gesloten. De bestuurder heeft de veiligheidsgordel omgegespt. De motorkap is gesloten. De snelheid was na de laatste keer stoppen hoger dan 4 km/h. Er is geen aanhangwagen aangekoppeld.
Meer informatie over de automatische versnellingsbak De motoruitschakeling vindt plaats in de keuzehendelstanden P, D/S, N en in de tiptronic-stand. › De motor heeft de minimumtemperatuur voor het gebruik van de start- In keuzehendelstand P blijft de motor ook na het loslaten van het rempedaal uitgeschakeld. De motor wordt gestart als het gaspedaal wordt ingetrapt of een andere rijstand wordt gekozen en het rempedaal wordt losgelaten. › De buitentemperatuur is zeer laag/hoog.
Storing: Start-stop STORING STARTSTOP Systeem handmatig activeren/deactiveren Er is sprake van een storing in het start-stopsysteem. De hulp van een erkend reparateur inroepen. Afbeelding 145 Toets voor het start-stopsysteem Rijmodus Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Activering/deactivering › Op symbooltoets » Afbeelding 145 drukken. Bij gedeactiveerde start-stopfunctie brandt het controlelampje in de toets.
Modus Sport Rijmodus selecteren Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 167 en volg deze op. Deze modus is geschikt voor een sportieve rijstijl. De keuze van deze modus heeft met name betrekking op de werking van de volgende systemen. Motor (aandrijving) Het gaspedaal reageert sneller op het intrappen en de acceleratie is dynamischer dan in de modus Normal. De automatische versnellingsbak wordt automatisch in de modus S gezet » pagina 131.
De keuze van deze modus heeft met name betrekking op de werking van de volgende systemen. Motor (aandrijving) Het gaspedaal reageert langzamer op het intrappen en de acceleratie is rustiger dan in de modus Normal. Het accelereren vindt na het indrukken van de toets rustiger plaats dan in de modus Normal » pagina 151, Snelheidsregelsysteem.
Rijstrookassistent (Lane Assist) Werking Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 169 en volg deze op. In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: De proactieve inzittendenbescherming (hierna systeem) verhoogt de veiligheid van de inzittenden op de voorstoelen in situaties die tot een aanrijding of tot het over de kop slaan kunnen leiden.
Het systeem herkent met behulp van de camera de begrenzingslijnen van de rijstrook » Afbeelding 147. ATTENTIE Het registratievermogen van de camera kan door verschillende externe invloeden beperkt zijn. In dit geval kan de Lane Assist de begrenzingslijn mogelijk helemaal niet of niet juist herkennen. Het registratievermogen van de camera kan bijvoorbeeld in de volgende situaties beperkt zijn. ■ Bij slecht zicht, bijvoorbeeld mist, stortregen, hevige sneeuwval. ■ Bij het maken van "scherpe" bochten.
Toelichting van de situaties Controlelampjes in het instrumentenpaneel Brandt Omschrijving Het systeem is actief, maar niet gereed voor een ingreep. Het systeem is actief en gereed voor een ingreep of grijpt momenteel in. Aanwijzingen Afbeelding 148 Monochroom display van het instrumentenpaneel: Voorbeelden van systeemweergaven Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 170 en volg deze op.
Verkeerstekenherkenning Werking Inleiding voor het onderwerp Afbeelding 150 Voorruit: Detectiegebied van de camera voor de verkeerstekenherkenning In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Werking Weergaven en instellingen Meldingen 173 174 174 ATTENTIE De verkeerstekenherkenning dient slechts als hulpmiddel. Verticale verkeerstekens hebben altijd voorrang boven de displayweergaven. De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor het inschatten van de verkeerssituatie.
› De verkeerstekens zijn op knipperende neonborden bevestigd. › De verkeerstekens zijn gewijzigd (de navigatiegegevens zijn niet meer actueel). Weergaven en instellingen Verkeerstekenweergave bij aanhangwagengebruik Bij het rijden met een aangekoppelde aanhangwagen kan de weergave van verkeerstekens die bij aanhangwagengebruik gelden, worden geactiveerd. De verkeerstekenweergave voor aanhangwagengebruik kan in het infotainment worden in- resp.
Het systeem kan in het infotainment worden geactiveerd resp. gedeactiveerd » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wageninstellingen (toets CAR). ATTENTIE Voor de rijvaardigheid is steeds de bestuurder verantwoordelijk. Nooit gaan rijden indien u zich moe voelt. ■ Het systeem kan mogelijk niet alle situaties herkennen waarin een rustpauze nodig is. ■ Tijdens lange ritten moeten daarom regelmatig voldoende lange rustpauzes worden ingelast. ■ Bij een zogenaamde microslaap vindt geen waarschuwing plaats.
Beschrijving Aanhangwagengebruik Trekhaak Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Beschrijving Paraatheidsstand instellen Kogelkop monteren Correcte bevestiging controleren Kogelkop verwijderen Gebruik en onderhoud 176 177 177 178 178 179 Afbeelding 152 Drager van de trekhaak / kogelkop Als uw wagen al af fabriek met een trekhaak of met een trekhaak uit het originele ŠKODA accessoireprogramma is uitgerust, voldoet deze aan alle technische en
Paraatheidsstand instellen Kogelkop monteren Afbeelding 153 Paraatheidsstand instellen / paraatheidsstand Afbeelding 154 Kogelkop aanbrengen / slot vergrendelen en slotkap aanbrengen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 176 en volg deze op. De kogelkop vóór het aanbrengen altijd in de paraatheidsstand zetten. › De kap 4 » Afbeelding 152 op pagina 176 naar beneden lostrekken. › De kogelkop in de paraatheidsstand instellen » pagina 177.
VOORZICHTIG Kogelkop verwijderen Na het verwijderen van de sleutel altijd de kap op het slot van de bedieningshendel aanbrengen - gevaar voor vervuiling van het slot. ■ De bevestigingsschacht van de trekhaak altijd schoon houden. Vuil verhindert het correct bevestigen van de kogelkop! ■ Als de kogelkop is verwijderd, altijd de afdekkap op de bevestigingsschacht aanbrengen.
VOORZICHTIG Aanhangwagen Indien de hendel wordt vastgehouden en niet tot de aanslag naar beneden wordt gedrukt, beweegt deze na het verwijderen van de kogelkop weer naar boven en vergrendelt niet in de paraatheidsstand. De kogelkop moet dan vóór de volgende inbouw in deze stand worden gebracht.
› De beschermkap Met toenemende hoogte daalt het motorvermogen en daarbij neem ook het klimvermogen af. Daarom moet per 1.000 m hoogtetoename het maximaal toelaatbare gewicht van de combinatie met 10% worden verminderd. Borgoog Het borgoog B » Afbeelding 157 dient voor het vastmaken van de breekkabel van de aanhangwagen. Het treingewicht bestaat uit het werkelijke gewicht van de beladen, trekkende wagen en de beladen aanhangwagen.
Een ingeschakelde aanhangwagenstabilisator is herkenbaar doordat het ESCcontrolelampje in het instrumentenpaneel circa 2 seconden langer brandt dan het ABS-controlelampje. De koelvloeistoftemperatuur kan worden verlaagd door de verwarming in te schakelen. ATTENTIE Functievoorwaarden van de aanhangwagenstabilisator Het borgoog nooit gebruiken voor het afslepen! ■ De rijstijl moet worden aangepast aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie.
Het alarmsysteem altijd uitschakelen, voordat u een aanhangwagen aankoppelt of loskoppelt » pagina 43. Voorwaarden voor de opname van een aanhangwagen in het alarmsysteem. De wagen is af fabriek met een alarmsysteem en een trekhaak uitgerust. De aanhangwagen is via het stopcontact voor de aanhangwagen elektrisch met de trekkende wagen verbonden. De elektrische installatie van de wagen en de aanhangwagen is gebruiksklaar. De wagen is met de sleutel vergrendeld en het alarmsysteem is ingeschakeld.
Veiligheidsuitrustingen Veiligheid Passieve veiligheid De volgende opsomming omvat een deel van de veiligheidsuitrustingen in uw wagen: › 3-puntsgordels voor alle stoelen, › gordelspankrachtbegrenzers voor de voorstoelen, › gordelspanners voor de voorstoelen, › gordelhoogteverstelling voor de voorstoelen, › voorairbag voor de bestuurder en de bijrijder, › bestuurdersknie-airbag, › voorste zij-airbags, › achterste zij-airbags, › hoofdairbags, › bevestigingspunten voor kinderzitjes met het ISOFIX-systee
› Ervoor zorgen dat alle ruiten een helder en goed zicht naar buiten bieden. › Meegenomen bagagestukken goed vastzetten » pagina 93, Bagageruimte. › Controleren of er geen voorwerpen zijn die de bediening van de pedalen kun- Juiste zithouding van de passagiers op de zitplaatsen achterin Voorbeelden van een verkeerde zithouding ATTENTIE nen beïnvloeden. › De spiegels, de voorstoel en de hoofdsteun op uw lichaamslengte afstellen.
› De leuning zodanig verstellen, dat u het stuurwiel op het bovenste punt met ATTENTIE Aanwijzingen voor de bijrijder ■ Een afstand tot het dashboard van minimaal 25 cm aanhouden. Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! ■ De voeten altijd tijdens het rijden in de voetenruimte houden - leg uw voeten nooit op het dashboard, uit het raam of op de zittingen.
› Niet alleen op het voorste deel van de zitting gaan zitten. › Niet dwars op de stoel gaan zitten. › Niet uit de ruiten leunen. › De voeten niet in de ruitopeningen houden. › De voeten niet op het dashboard leggen. › De voeten niet op de zitting leggen. › Niemand in de voetenruimte meenemen. › Niet zonder omgegespte veiligheidsgordel rijden. › Niet in de bagageruimte verblijven.
Bij het vervoeren van kinderen moet u rekening houden met speciale veiligheidsaspecten » pagina 200. Veiligheidsgordels ATTENTIE Veiligheidsgordels gebruiken Vóór elke rit de veiligheidsgordel correct omgespen - ook in stadsverkeer! Dat geldt ook voor de inzittenden op de zitplaatsen achterin - gevaar voor verwondingen! ■ Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen dat biedt de beste bescherming voor het ongeboren kind » pagina 189, Veiligheidsgordels omgespen en losmaken.
ATTENTIE De volgende aanwijzingen moeten voor een juist gebruik van de veiligheidsgordels worden opgevolgd. ■ Met een veiligheidsgordel mogen nooit 2 personen (ook geen kinderen) worden omgegespt. De veiligheidsgordel mag ook niet over een op de schoot van een passagier zittend kind worden gevoerd. ■ De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slotdeel worden gestoken.
Het gewicht van bijvoorbeeld een persoon van 80 kg "neemt" bij 50 km/h toe tot 4,8 ton (4.800 kg). Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren geslingerd en stoten zij ongecontroleerd tegen delen in het interieur, zoals het stuurwiel, het dashboard of de voorruit » Afbeelding 160 - . U kunt onder bepaalde omstandigheden zelfs uit de wagen worden geslingerd, wat levensgevaarlijk of zelfs dodelijk letsel tot gevolg kan hebben.
Bij zwangere vrouwen moet het heupgordeldeel zo diep mogelijk tegen het bekken liggen, zodat er geen druk op de onderbuik wordt uitgeoefend » Afbeelding 162 - . Gordeloprolautomaten en gordelspanners Losmaken Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen losmaken. Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: › De rode knop in het gordelslot » Afbeelding 161 - indrukken, de slotgesp Gordeloprolautomaten Gordelspanners springt uit het slot.
Bij een frontale aanrijding resp. een aanrijding van opzij met een bepaalde zwaarte wordt de omgegespte 3-puntsgordel aan de zijde van de aanrijding automatisch gespannen. Bij lichte frontale botsingen, aanrijdingen van opzij en van achteren, bij een koprol en bij ongevallen waarbij geen grote krachten van voren werkzaam zijn, vindt er geen activering van de gordelspanners plaats.
ATTENTIE (vervolg) Airbagsysteem Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de afzonderlijke delen van het airbagsysteem, omdat dit tot activeren van een airbag kan leiden. ■ De beschermende werking van het airbagsysteem is beperkt tot slechts één ongeval. Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden vervangen.
Airbagactivering Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 192 en volg deze op. Het opblazen van de airbag vindt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid plaats, om bij een ongeval extra bescherming te kunnen bieden. Het airbagsysteem is alleen bij ingeschakeld contact actief. Bij bijzondere aanrijdingsituaties kunnen meerdere airbags gelijktijdig worden geactiveerd.
Voorairbags Als de airbags worden geactiveerd, ontvouwen ze zich voor de bestuurder en bijrijder » Afbeelding 165 - . Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag wordt de voorwaartse beweging van de bestuurder en de bijrijder gedempt en het gevaar voor letsel voor hoofd en bovenlichaam verminderd.
ATTENTIE Algemeen ■ Het stuurwiel en het oppervlak van de airbageenheid in het dashboard aan bijrijderszijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken. Deze delen mogen alleen met een droge of met water vochtig gemaakte doek worden gereinigd. Op de afdekkingen van de airbageenheid of in de onmiddellijke nabijheid daarvan mogen geen voorwerpen worden gemonteerd, zoals bekerhouders, telefoonhouders enzovoort. ■ Nooit voorwerpen op het dashboardoppervlak van de bijrijdersairbag neerleggen.
Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag wordt de voorwaartse beweging van de inzittenden gedempt en het gevaar voor letsel voor het volledige bovenlichaam (borst, buik en bekken) aan de zijde die naar het portier is gericht verminderd. Zij-airbags ATTENTIE Afbeelding 167 Inbouwplaats van de zij-airbags voor/achter Afbeelding 168 Gasgevulde zij-airbags De volgende aanwijzingen moeten voor een juiste zithouding worden opgevolgd.
Bij een aanrijding van opzij wordt de hoofdairbag samen met de betreffende zijairbag en de gordelspanner van de voorstoel aan de zijde van de aanrijding geactiveerd. ATTENTIE Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. In de zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen laten zitten. ■ Er mogen geen grote krachten, zoals krachtig stoten, trappen enzovoort, op de rugleuningen worden uitgeoefend, omdat anders het systeem kan worden beschadigd.
ATTENTIE Airbags buiten werking stellen Het airbagregelapparaat werkt met de druksensoren die in de voorportieren zijn aangebracht. Daarom mogen zowel aan de portieren als aan de portierbekledingen geen aanpassingen (bijvoorbeeld inbouwen van extra luidsprekers) worden uitgevoerd. De hierbij ontstane beschadigingen kunnen de werking van het airbagsysteem in negatieve zin beïnvloeden. Alle werkzaamheden aan de voorportieren en de portierbekleding mogen alleen door een erkend reparateur worden uitgevoerd.
› Controleren of na het inschakelen van het contact het controlelampje met Let op De nationale wettelijke bepalingen voor het buiten werking stellen van de airbag moeten in acht worden genomen. ■ Een ŠKODA Servicepartner kan u vertellen, of en welke airbags bij uw wagen buiten werking kunnen resp. moeten worden gesteld. de tekst 3 brandt.
ATTENTIE (vervolg) Veilig vervoer van kinderen Het kind dient dient tijdens de gehele duur van de rit beveiligd te zijn! Anders zou het kind in geval van een ongeval door de wagen kunnen worden geslingerd en kan hierdoor zichzelf en de andere passagiers levensgevaarlijk verwonden. ■ Als kinderen tijdens het rijden naar voren leunen of een verkeerde zithouding innemen, staan ze bij een ongeval bloot aan een groter risico op lichamelijk letsel.
Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel Nooit een naar achteren gericht kinderveiligheidssysteem op een stoel aanbrengen die door een zich hiervoor bevindende ingeschakelde airbag wordt beveiligd. Het kind kan hierdoor zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Afbeelding 171 Sticker op de B-stijl aan bijrijderszijde › De bijrijdersstoel zo mogelijk naar achteren verschuiven, zodat geen contact bestaat tussen de bijrijdersstoel en het daarachter aangebrachte kinderzitje.
Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag Groep Gewicht van het kind Leeftijd 0 tot 10 kg tot 9 maanden 0+ tot 13 kg tot 18 maanden 1 9-18 kg tot 4 jaar 2 15 - 25 kg tot 7 jaar 3 22 - 36 kg ouder dan 7 jaar Gebruik van kinderzitjes die met een veiligheidsgordel worden bevestigd Afbeelding 173 Een niet goed vastgezet kind in een niet-correcte zithouding - in gevaar gebracht door de zij-airbag / het met een kinderzitje wel goed vastgezette kind Overzicht van de bruikbaarheid v
Eerst de afdekkappen verwijderen om bij de bevestigingsogen te kunnen komen. Bevestigingssystemen Na het uitbouwen van het kinderzitje de afdekkappen weer aanbrengen.
Groep Klasse van het kinderzitjea) Bijrijdersstoelb) Achterbank buitenste zitplaats Achterbank midden 0 tot 10 kg E X IL-SU X 0+ tot 13 kg D X IL-SU X X IL-SU IUF X E C D 1 9-18 kg C B B1 A a) b) De grootteklasse staat vermeld op een op het kinderzitje aangebracht plaatje. Indien de bijrijdersstoel met bevestigingsogen voor het ISOFIX-systeem is uitgerust, dan is deze geschikt voor de inbouw van een ISOFIX-kinderzitje met de goedkeuring "semi-universeel".
Raadgevingen voor het gebruik › overwegend stop-and-go-gebruik, zoals bijvoorbeeld in de stad, › gebruik onder winterse omstandigheden. Verzorging van de wagen De serviceadviseur van de erkend reparateur kan u informeren of bij de gebruiksomstandigheden van uw wagen werkzaamheden tussen de normale service-intervallen in noodzakelijk zijn. Door de concrete omvang van de noodzakelijke werkzaamheden, afhankelijk van model, uitrusting en toestand van uw wagen, kunnen verschillende servicekosten ontstaan.
› vast service-interval QI4, › variabel service-interval QI6. Let op Bij gebruik van dieselbrandstof met een verhoogd zwavelgehalte geldt een olieverversingstermijn van 7.500 km. In welke landen het zwavelgehalte van de dieselbrandstof verhoogd is, kan een erkend reparateur u vertellen. Bij een variabel service-interval is het beslist noodzakelijk dat alleen de voorgeschreven motorolie wordt gebruikt. Indien deze motorolie niet beschikbaar is, geldt voor de olieverversing een vast service-interval.
De ŠKODA Servicepartners zijn uitgerust met moderne, speciaal ontwikkelde gereedschappen en apparatuur. Ze beschikken over goed geschoold, vakkundig personeel en maken gebruik van het omvangrijke assortiment ŠKODA originele onderdelen en ŠKODA originele accessoires. Vóór de aanschaf van accessoires, onderdelen of het uitvoeren van aanpassingen, reparaties of technische wijzigingen aan uw wagen dient altijd advies te worden ingewonnen bij een ŠKODA Partner » pagina 208.
ŠKODA originele onderdelen Wettelijke controles Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 207 en volg deze op. In vele landen bestaan wettelijke regelingen om de bedrijfszekerheid, de verkeersveiligheid en/of de uitlaatgasemissiewaarden van de wagen regelmatig te laten controleren. Deze controles kunnen door werkplaatsen of testcentra worden uitgevoerd die door de wetgever hiervoor zijn aangewezen.
Wij adviseren voor uw wagen alleen ŠKODA originele accessoires te gebruiken. Voor deze accessoires staat ŠKODA AUTO a.s. garant voor de betrouwbaarheid, de veiligheid en de geschiktheid voor uw wagen. Bij gebruik van andere producten kunnen we de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid voor uw wagen niet beoordelen - ook niet als een rapport van een officiële technische keuringsdienst of van een overheidsinstantie is bijgevoegd.
ATTENTIE Airbags Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 207 en volg deze op. De systeemcomponenten van het airbagsysteem kunnen zich in de voorbumper, in de portieren, voorstoelen, in de hemelbekleding of in de carrosserie bevinden.
Hoe langer insectenresten, vogelpoep, hars van bomen, straat- en industriestof, teer, roetdeeltjes, wegenzout en andere agressieve afzettingen op de lak blijven zitten, des te schadelijker dit is. Hoge temperaturen, bijvoorbeeld door intensieve zonnestraling, versterken de bijtende werking.
Wij adviseren onderhoudsmiddelen uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken, die bij ŠKODA Partners verkrijgbaar zijn. De gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht nemen. ATTENTIE In geen geval roterende sproeikoppen of zogenaamde vuilvrezen gebruiken! ATTENTIE VOORZICHTIG Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid.
Conserveren Een goede conservering beschermt de wagenlak uitgebreid tegen schadelijke milieu-invloeden. Afdichtrubbers De wagen moet uiterlijk dan met een hoogwaardig conserveringsmiddel op basis van vaste was worden behandeld, als op de schone lak geen waterdruppels meer worden gevormd. Alle portierrubbers en ruitgeleidingen worden af fabriek behandeld met een kleurloze matte laklaag waardoor vastvriezen aan gespoten carrosseriedelen en rijgeluiden worden voorkomen.
Vóór het wassen van de wagen onder hoge druk de volgende aanwijzingen opvolgen. › De minimale afstand tussen de sproeikop en de carrosserie moet 50 cm bedragen. › De straal loodrecht op het folie-oppervlak houden. › De maximale watertemperatuur bedraagt 50 °C. › De maximale waterdruk bedraagt 80 bar. VOORZICHTIG In de wintermaanden mogen voor het verwijderen van ijs en sneeuw van de met folie bedekte oppervlakken geen ijskrabbers worden gebruikt. Bevroren sneeuwlagen resp.
Strooizout en remstof regelmatig verwijderen, anders wordt het velgmateriaal aangetast. Portierslotcilinder Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 212 en volg deze op. Een eventuele beschadiging van de laklaag op de velgen moet direct worden gerepareerd. Lichtmetalen velgen Na een grondige wasbeurt de velgen behandelen met een beschermingsmiddel voor lichtmetalen velgen.
Schoonmaakmiddelen met oplosmiddel kunnen het te reinigen materiaal beschadigen. ■ Reinigings- en onderhoudsmiddel uiterst dun aanbrengen. ■ Interieur verzorgen Inleiding voor het onderwerp Milieu-aanwijzing In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Nappaleer Kunstleer, stof en Alcantara® Stoelbekleding Veiligheidsgordels 216 217 218 218 Regelmatig en deskundig onderhoud is belangrijk voor het waardebehoud van de wagen.
Stoffen Bekledingsstoffen en stoffen bekledingen van portieren, bagageruimteafdekking enzovoort met speciale reinigingsmiddelen, bijvoorbeeld droogschuim, reinigen. VOORZICHTIG ■ Let erop dat het leer nergens te nat wordt en dat er geen water in de naden sijpelt! Het leer zou dan bros kunnen worden en gaan scheuren. ■ Langdurig parkeren in de brandende zon voorkomen om verkleuring van het leer te voorkomen.
ATTENTIE Stoelbekleding De veiligheidsgordels mogen voor het schoonmaken niet worden uitgebouwd. ■ Veiligheidsgordels nooit chemisch reinigen omdat chemische reinigingsmiddelen het materiaal kunnen beschadigen. ■ De veiligheidsgordels mogen niet met bijtende vloeistoffen (zuren en dergelijke) in contact komen. ■ De staat van de veiligheidsgordels regelmatig controleren.
Tanken Controleren en bijvullen Brandstof Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Tanken Loodvrije benzine Diesel 219 220 221 Aan de binnenzijde van de tankklep is de juiste brandstofsoort voor uw wagen aangegeven » Afbeelding 178 op pagina 219 - .
› De tankdop op de brandstofvulopening aanbrengen en rechtsom draaien tot Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine RON 95/91 resp. 92 resp. 93 Loodvrije benzine RON 95 gebruiken. Er kan eveneens loodvrije benzine RON 91 resp. 92 resp. 93 worden gebruikt, maar dit leidt tot een licht vermogensverlies. Controleren of de tankklep goed gesloten is. Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine min. RON 95 Loodvrije benzine RON 95 of hoger gebruiken. deze vastklikt.
VOORZICHTIG Diesel Als u in geval van nood benzine met een lager dan het voorgeschreven octaangetal moet tanken, mag u de rit alleen met gemiddelde toerentallen en een geringere motorbelasting voortzetten. Door hoge motortoerentallen of een grote motorbelasting kan de motor zware schade oplopen! Zo snel mogelijk weer benzine met het voorgeschreven octaangetal tanken. ■ Als benzine met een lager dan voorgeschreven octaangetal wordt gebruikt, kan de motor ernstige schade oplopen.
VOORZICHTIG ATTENTIE ■ Slechts een keer tanken van diesel die niet voldoet aan de voorgeschreven norm kan al tot beschadiging van onderdelen van de motor, het brandstofsysteem en het uitlaatsysteem leiden! ■ Als u per ongeluk een andere brandstof dan diesel volgens bovengenoemde normen (bijvoorbeeld benzine) hebt getankt, niet de motor starten of het contact inschakelen! Dit kan zware schade aan de motor veroorzaken! Wij adviseren de reiniging van het brandstofsysteem door een erkend reparateur te laten u
VOORZICHTIG ATTENTIE Bij alle werkzaamheden in de motorruimte bij draaiende motor dienen de volgende waarschuwingen beslist te worden opgevolgd. ■ Met name op draaiende motoronderdelen (bijvoorbeeld geribde riem, dynamo, koelluchtventilator) en de hoogspanningsontsteking letten - levensgevaar! ■ Nooit de elektrische bedrading van het ontstekingssysteem aanraken. ■ Kortsluiting in het elektrische systeem voorkomen - vooral bij de accu.
Motorkap openen en sluiten › De ontgrendelingshendel in pijlrichting 2 drukken, de motorkap wordt ontgrendeld. › De motorkap vastpakken en optillen. › De motorkapsteun in pijlrichting uit de houder 3 nemen » Afbeelding 181 en de geopende motorkap ondersteunen door het uiteinde van de steun in de hiervoor bedoelde opening 4 te steken. Sluiten › De motorkap iets optillen en de motorkapsteun loshaken. De motorkapsteun in de daarvoor bedoelde houder 3 aanbrengen.
ATTENTIE Overzicht motorruimte Nadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator ook bij uitgeschakeld contact nog circa 10 minuten verder draaien. Ruitensproeierinstallatie Afbeelding 183 Motorruimte: Ruitensproeiervloeistofreservoir Afbeelding 182 Principeafbeelding: Motorruimte 1 2 3 4 5 6 Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 222 en volg deze op.
ATTENTIE VOORZICHTIG ■ In geen geval mag u de ruitensproeiervloeistof mengen met antivries voor de radiateur of andere middelen. ■ Als de wagen met koplampsproeiers is uitgerust, mag aan de sproeiervloeistof alleen een reinigingsmiddel worden toegevoegd dat de polycarbonaat coating van de koplampen niet aantast.
Dieselmotoren 1,6 l/66, 77, 81 kW TDI 2,0 l/110, 135 kW TDI a) Specificatie Vulhoeveelheid VW 507 00a) 4,6 De oliepeilstok geeft het motoroliepeil aan » Afbeelding 184. Oliepeil controleren Verzeker u ervan dat de wagen op een vlakke ondergrond staat en dat de motor op bedrijfstemperatuur is. Bij dieselmotoren zonder roetfilter kan optioneel de motorolie VW 505 01 worden gebruikt.
Als vanwege het klimaat bescherming tegen strengere vorst wordt vereist, kunt u het percentage antivries verhogen, echter slechts tot 60% (bescherming tegen bevriezing tot circa -40 °C). Bijvullen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 226 en volg deze op. Wij adviseren voor het bijvullen alleen antivries te gebruiken met de aanduiding die op het koelvloeistofexpansiereservoir is aangegeven » Afbeelding 185 op pagina 229.
Benzinemotoren Het koelvloeistofpeil moet bij koude motor tussen de markeringen A en B liggen. Vulhoeveelheid 1,8 l/132 kW TSI 7,8 2,0 l/162 kW TSI 8.6 Dieselmotoren Vulhoeveelheid 1,6 l/66, 77, 81 kW TDI CR Koelvloeistofpeil onder de markering B Er moet koelvloeistof worden bijgevuld. Bij koude motor koelvloeistof bijvullen tot tussen de markeringen A en B .
Remvloeistof Het remvloeistofreservoir bevindt zich in de motorruimte. Inleiding voor het onderwerp › De motor afzetten. › De motorkap openen. › Het remvloeistofpeil op het reservoir controleren » Afbeelding 186. In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: 230 230 Peil controleren Verversen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 230 en volg deze op. Het peil moet altijd tussen de markeringen "MIN" en "MAX" liggen.
ATTENTIE (vervolg) Accu Bij het werken aan de accu beschermende handschoenen, oog- en huidbeschermers dragen. ■ Het accuzuur heeft een sterke bijtende werking, er moet daarom uiterst zorgvuldig mee worden omgegaan. ■ Bijtende dampen in de lucht zorgen voor irritatie van de luchtwegen en leiden tot ontstekingen aan bindvlies en luchtwegen. ■ Het accuzuur tast het tandglazuur aan, na contact met de huid ontstaan diepe en moeizaam genezende wonden.
VOORZICHTIG Afdekking openen Bij incorrecte handelingen aan de accu kunnen beschadigingen optreden. Daarom adviseren wij alle werkzaamheden aan de accu door een erkend reparateur te laten uitvoeren. Afbeelding 187 Motorruimte: Polyester afdekking van de accu VOORZICHTIG De kabels van de accu alleen bij uitgeschakeld contact losmaken, omdat anders de elektrische installatie (elektronische componenten) van de wagen kunnen worden beschadigd.
VOORZICHTIG Accuvloeistof controleren Afbeelding 188 Accu: Vloeistofpeilmerkteken Bij accu's met de aanduiding "AGM" kan het accuvloeistofpeil om technische redenen niet worden gecontroleerd. Let op Het accuvloeistofpeil wordt ook regelmatig in het kader van de Grote Onderhoud Service bij een erkend reparateur gecontroleerd. Laden Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 231 en volg deze op.
ATTENTIE Het "snelladen" van de accu is gevaarlijk, hiervoor is een speciale acculader en vakkennis nodig. VOORZICHTIG Bij wagens met start-stopsysteem mag de accuklem van de acculader niet rechtstreeks op de minpool van de accu worden aangesloten, maar alleen op de motormassa » pagina 251, Starthulp bij wagens met start-stopsysteem. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 231 en volg deze op.
ATTENTIE (vervolg) Wielen Velgen en banden Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Levensduur van banden Nieuwe banden Draairichtinggebonden banden Bandenspanningscontrole Reservewiel Wieldop Afdekkappen van de wielbouten Wielbouten Nooit de voor de gemonteerde banden toegestane snelheid overschrijden gevaar voor ongevallen! ■ Een verkeerde wieluitlijning voor of achter beïnvloedt het rijgedrag - gevaar voor ongevallen! ■ Ongewone trillingen of s
ATTENTIE Levensduur van banden De volgende aanwijzingen betreffende de wielbouten in acht nemen. ■ Wielbouten moeten schoon zijn en licht draaien. Ze mogen nooit met vet of olie behandeld worden. ■ Het voorgeschreven aantrekmoment van de wielbouten is bij stalen en lichtmetalen velgen 120 Nm.
Voor de bandenspanning van het reservewiel moet de hoogste bandenspanning die voor de wagen is voorgeschreven, worden aangehouden. De bandenspanning altijd controleren als de banden koud zijn. Nooit de verhoogde druk bij warme banden verminderen. Bij hogere belading de bandenspanning overeenkomstig aanpassen. Rijstijl Snel bochtenwerk, snel accelereren en sterk afremmen verhogen de bandenslijtage. Wielen balanceren De wielen van een nieuwe wagen zijn gebalanceerd.
betekent dat de band in week 10 van het jaar 2013 is geproduceerd. Voor de bestmogelijke eigenschappen van deze banden dient de aangegeven draairichting beslist in acht te worden genomen. Belastingindex Het gaat hierbij met name om de volgende eigenschappen. Deze geeft de maximaal toegestane belasting van een afzonderlijke band aan. 615 kg 91 92 630 kg 93 650 kg 94 670 kg 95 690 kg 97 730 kg 99 775 kg › Hogere rijstabiliteit. › Minder kans op aquaplaning.
Als het controlelampje na de kalibratie niet uitgaat, is er een storing in het systeem aanwezig. De hulp van een erkend reparateur inroepen. Reservewiel Bandenspanningsweergave Afbeelding 192 Bagageruimte: Reservewiel Het controlelampje brandt als een van de volgende situaties zich voordoet. › De bandenspanning is te laag. › De structuur van de band is beschadigd. › De wagen is eenzijdig beladen.
Als het reservewiel qua afmetingen of uitvoering afwijkt van de banden waarmee wordt gereden (bijvoorbeeld bij winterbanden, draairichtinggebonden banden), mag het reservewiel alleen in geval van pech korte tijd en met een voorzichtige rijstijl worden gebruikt » . Inbouwen › De wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg drukken. › De wieldop zodanig op de velg drukken tot deze over de gehele omtrek correct vastklikt.
Milieu-aanwijzing Wielbouten Tijdig weer de zomerbanden monteren, want met zomerbanden zijn op sneeuwen ijsvrije wegen alsmede bij temperaturen boven 7 °C de rijeigenschappen beduidend beter, de remweg is korter, er is minder afrolgeluid en de bandenslijtage is minder. Ook het brandstofverbruik is lager. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 235 en volg deze op. Velgen en wielbouten zijn constructief op elkaar afgestemd.
Tips om het zelf te doen Nooduitrusting en tips om het zelf te doen Nooduitrusting Inleiding voor het onderwerp Afbeelding 195 Plaats van de gevarendriehoek: Octavia / Octavia Combi In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: EHBO-set en gevarendriehoek Brandblusser Wagengereedschap 242 243 243 EHBO-set en gevarendriehoek Afbeelding 194 Plaats van de EHBO-set Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 242 en volg deze op.
Let op Brandblusser De brandblusser moet aan de nationale, wettelijke eisen voldoen. De uiterste gebruiksdatum van de brandblusser in acht nemen. Als de brandblusser wordt gebruikt na afloop van de vervaldatum, is de juiste werking niet meer gegarandeerd. ■ De brandblusser behoort slechts in bepaalde exportuitvoeringen tot de leveringsomvang. ■ Afbeelding 196 Brandblusser ■ Wagengereedschap Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 242 en volg deze op.
5 6 7 8 9 10 beugel voor het lostrekken van de wieldoppen, krik, slinger voor de krik, wielsleutel, tang voor het verwijderen van de afdekkappen van de wielbouten, setje vervangingsgloeilampen. ATTENTIE Als u langs de rijbaan staat, de alarmlichten inschakelen en de gevarendriehoek op de voorgeschreven afstand plaatsen! Hierbij moeten de wettelijke voorschriften worden opgevolgd. ■ De wagen zo ver mogelijk van het rijdende verkeer parkeren.
Let op Voorbereidende werkzaamheden Alle wielbouten moeten schoon en goed gangbaar zijn. In geen geval mogen de wielbouten worden ingevet of ingeolied! Bij de montage van draairichtinggebonden banden op de draairichting letten » pagina 235. ■ Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 244 en volg deze op. ■ ■ Het verwisselen van een wiel indien mogelijk uitvoeren op een horizontaal vlak.
Wielbouten losdraaien en vastzetten Wagen opkrikken Afbeelding 199 Steunpunten voor de krik Afbeelding 198 Wiel verwisselen: Wielbouten losdraaien Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 244 en volg deze op. Losdraaien › De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout aanbrengen1). › Het uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de bout circa één omwenteling in pijlrichting draaien » Afbeelding 198.
› Controleren of de grondplaat van de krik met het volledige oppervlak op de vas- Let op te ondergrond staat en loodrecht onder de plaats staat waar de klauw de rand omvat » Afbeelding 200 - . › De wagenkrik verder omhoogdraaien tot het wiel net vrij van de grond is. ATTENTIE De wagen alleen bij de krikpunten opkrikken. Voor het opkrikken van de wagen een vaste en vlakke ondergrond opzoeken.
ATTENTIE Bandenafdichtset Een met bandenafdichtmiddel gevulde band heeft niet dezelfde rijeigenschappen als een gewone band. ■ Niet sneller rijden dan 80 km/h. ■ Volgas accelereren, sterk remmen en het snel nemen van bochten vermijden. ■ Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren. ■ Het bandenafdichtmiddel is schadelijk voor de gezondheid en moet bij huidcontact onmiddellijk verwijderd worden.
› De sluitstop van de vulslang 3 verwijderen en het open uiteinde op het ventiel van de band steken. › De fles 10 ondersteboven houden en de gehele inhoud afdichtmiddel uit de fles in de band vullen. › De lege fles met bandenafdichtmiddel van het ventiel verwijderen. › Het ventielinzetstuk met ventielsleutel 1 weer in het ventiel draaien.
VOORZICHTIG ATTENTIE (vervolg) De luchtcompressor uiterlijk na 8 minuten draaien uitschakelen - gevaar voor oververhitting! De luchtcompressor enkele minuten laten afkoelen, voordat u deze opnieuw inschakelt. Controle na 10 minuten rijden Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 247 en volg deze op.
Starthulp met behulp van de accu van een andere wagen Afbeelding 203 Starthulp: A - ontladen accu, B stroomleverende accu Pluskabel - kleuraanduiding in het algemeen rood. Minkabel - - kleuraanduiding in het algemeen zwart. Starthulp bij wagens met start-stopsysteem Afbeelding 204 Massapunt van de motor: Startstopsysteem Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 250 en volg deze op.
Het beste voor de wagen en het veiligste is het om met een sleepstang te rijden. Alleen als er geen geschikte sleepstang beschikbaar is, moet een sleepkabel worden gebruikt. Bij het afslepen moeten de volgende aanwijzingen worden opgevolgd. Bestuurder van de slepende wagen › De koppeling bij het wegrijden uiterst voorzichtig laten opkomen resp. bij een automatische versnellingsbak bijzonder voorzichtig gas geven. › Bij wagens met schakelbak bij het wegrijden pas gas geven als de kabel strak staat.
› Na het verwijderen van het sleepoog het gedeelte › Na het verwijderen van het sleepoog het gedeelte B van de afdekkap onder de bovenzijde van de boring in de achterbumper aanbrengen (bij de Octavia RS, Octavia Combi RS onder de rechterzijde van de boring). › Op de onderzijde van de afdekkap drukken (bij de Octavia RS, Octavia Combi RS op de linkerzijde van de afdekkap drukken).
VOORZICHTIG Batterij in de afstandsbediening vervangen Bij gebruik van een ongeschikte sleepstang kunnen de afneembare kogelkop en de wagen worden beschadigd. Let op De afneembare kogelkop moet altijd worden meegenomen, om deze zo nodig voor het afslepen te gebruiken.
› De afdekking in pijlrichting tot de uitgangsmarkering draaien en vergrendelen. Afstandsbediening synchroniseren Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 254 en volg deze op. Noodontgrendeling/-vergrendeling Als de wagen bij het bedienen van de afstandsbediening niet wordt ontgrendeld, is het mogelijk dat de sleutel niet is gesynchroniseerd.
Portier vergrendelen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 255 en volg deze op. Ontgrendelen (Octavia) Afbeelding 210 Linkerachterportier: Noodvergrendeling › De rugleuning van de achterbank naar voren klappen » pagina 80. › De sleutel tot de aanslag in de sleuf van de bekleding steken » Afbeelding 211 . › Door bewegen in pijlrichting wordt de klep ontgrendeld. › De achterklep openen. Ontgrendelen (Octavia Combi) › De rugleuning van de achterbank naar voren klappen » pagina 80.
Indien de keuzehendel opnieuw in stand P wordt gezet, wordt deze opnieuw geblokkeerd. De wisserarmen gaan naar de servicestand. Ruitenwisserbladen vervangen Inleiding voor het onderwerp Ruitenwisserblad bevestigen In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen Ruitenwisserblad verwijderen › De ruitenwisseram van de ruit optillen » Afbeelding 213.
› De wisserarm op de ruit terugklappen.
ATTENTIE Zekeringen en gloeilampjes Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de waarschuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen » pagina 222.
Zekeringen in het dashboard - Wagen met rechts stuur Zekeringen in het dashboard - Wagen met links stuur Afbeelding 215 Opbergvak aan bestuurderszijde: Wagen met links stuur Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 259 en volg deze op. Afbeelding 216 Opbergvak aan bijrijderszijde: Wagen met rechts stuur Bij wagens met links stuur bevindt zich de zekeringenhouder achter het opbergvak aan linkerzijde van het dashboard.
Nr.
Nr. Verbruiker 45 Regelapparaat voor bediening van de stoelverstelling 46 230 volt stopcontact 47 Achterruitwisser 48 Vrij 49 Spoel van het startrelais, koppelingspedaalschakelaar 50 Vrij 51 Gordelspanner - bijrijderszijde 52 Vrij 53 Relais voor achterruitverwarming Zekering vervangen › De vergrendelingsknoppen van de afdekking gelijktijdig in pijlrichting 1 samendrukken » Afbeelding 218. › De afdekking in pijlrichting 2 verwijderen. › De betreffende zekering vervangen.
Nr. Verbruiker › Voor het vervangen van gloeilampjes het contact en alle verlichting uitschake- 20 Alarm 21 Voorruitverwarming - links › Defecte gloeilampjes mogen alleen worden vervangen door gloeilampjes van 22 Motorregelapparaat 23 Startmotor 24 Extra verwarming 31 Vrij 32 Vrij 33 Vrij 34 Voorruitverwarming - rechts 35 Vrij 36 Vrij 37 Regelapparaat voor interieurvoorverwarming 38 Vrij len. hetzelfde type. De typeaanduiding staat op de lampvoet of op het glas van de lamp.
Wij adviseren, om na het vervangen van een gloeilampje voor het groot-, dimlicht of de mistlamp de lampafstelling door een erkend reparateur te laten controleren. ■ Bij uitval van een xenon-gasontladingslamp of een led-diode dient een erkend reparateur te worden opgezocht.
› Het gloeilampje vervangen, de sokkel met het nieuwe gloeilampje aanbrengen Gloeilampje van grootlicht en dagrijverlichting vervangen en tot de aanslag tegen de pijlrichting draaien. 4 aanbrengen. › De rubber afdekking Afbeelding 223 Halogeenkoplamp: Gloeilampje van grootlicht en dagrijverlichting Gloeilampje van extra stadslicht vervangen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 263 en volg deze op.
Gloeilampje van mistlamp vervangen › De sokkel met het nieuwe gloeilampje in de mistlamp aanbrengen en rechtsom tot de aanslag draaien. › De steker aansluiten. › Bij het opnieuw inbouwen de mistlamp tegen de pijlrichting in 3 » Afbeelding 226 - aanbrengen en vastdraaien. › Het rooster aanbrengen en voorzichtig vastdrukken. Het rooster moet goed vergrendelen.
Achterlicht (Octavia) › De beide vergrendelingen op de steker in pijlrichting 1 samendrukken » Afbeelding 230 - . › De steker voorzichtig in pijlrichting 2 van het achterlicht lostrekken. Inbouwen › De steker op het achterlicht aansluiten en goed vergrendelen. › Het achterlicht in de bevestigingen in de carrosserie aanbrengen » Afbeelding 230 - . › Het achterlicht voorzichtig zodanig in de carrosserie drukken, dat de pennen 1 » Afbeelding 231 op pagina 268 in de steunen van de carrosserie vallen » .
Gloeilampjes van het achterlicht vervangen (Octavia) Afbeelding 231 Buitenste gedeelte van het achterlicht: Basisachterlicht / achterlicht met LED-diodes Afbeelding 232 Binnenste gedeelte van het achterlicht: Basisachterlicht / achterlicht met LED-diodes Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 263 en volg deze op. Buitenste gedeelte van het achterlicht › De lampenhouder 2 » Afbeelding 231 linksom draaien en uit de behuizing verwijderen.
Achterlicht (Octavia Combi) › De beide vergrendelingen op de steker in pijlrichting 1 samendrukken » Afbeelding 234 - . › De steker voorzichtig in pijlrichting 2 van het achterlicht lostrekken. Inbouwen › De steker op het achterlicht aansluiten en goed vergrendelen. › Het achterlicht in de bevestigingen in de carrosserie aanbrengen » Afbeelding 234 - .
Gloeilampjes van het achterlicht vervangen (Octavia Combi) Afbeelding 235 Buitenste gedeelte van het achterlicht: Basisachterlicht / achterlicht met LED-diodes Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 263 en volg deze op. Buitenste gedeelte van het achterlicht › De lampenhouder 2 » Afbeelding 235 linksom draaien en uit de behuizing verwijderen. › Het defecte gloeilampje in de fitting linksom draaien en verwijderen.
Technische gegevens Technische gegevens Sticker met wagengegevens De sticker met wagengegevens » Afbeelding 236 - bevindt zich onder de bodembekleding in de bagageruimte.
Rijklaar gewicht Het aangegeven rijklaar gewicht dient alleen ter oriëntatie. Deze waarde is bepaald zonder verdere gewichtsverhogende uitrustingen, zoals bijvoorbeeld airconditioning, reservewiel en trekhaak. Het rijklaar gewicht is bepaald met een bestuurder van 75 kg, inclusief bedrijfsvloeistoffen en wagengereedschap en een voor 90% gevulde brandstoftank. Het laadvermogen kan worden berekend uit het verschil tussen het maximaal toegestane gewicht en het rijklaar gewicht » .
Afmetingen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 271 en volg deze op. Wagenafmetingen (in mm) Octavia Octavia RS Octavia Combi Octavia Combi 4x4 Octavia Combi RS 4685 Lengte 4659 4685 4659 4659 Breedte 1814 1814 1814 1814 1814 Breedte incl. de buitenspiegels 2017 2017 2017 2017 2017 Basismaat. 1461 - 1465 1465a)/1463b) - Wagens met het pakket voor slechte wegen. 1476 - 1480 1480a)/1478b) - Wagens met het SPORT-pakket. 1446 1449 1450 - 1452 Basismaat.
Spoorbreedte voor/achter - Dieselmotoren a) Velgafmetingen 1,6 l/66 kW TDI 1,6 l/77 kW TDI 1,6 l/81 kW TDI 2,0 l/105 kW TDI 2,0 l/110 kW TDI 2,0 l/135 kW TDI 15" 1549/1520 1549/1520 (1539/1508)a) 1549/1520 - - - 16" - - - 1543/1514 1543/1514 (1541/1510)a) - 17" - - - - - 1535/1506 Geldt voor de Octavia Combi 4x4.
Specifieke gegevens afhankelijk van het motortype Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 271 en volg deze op. De aangegeven waarden zijn vastgesteld aan de hand van regels en onder omstandigheden die door wettelijke of technische voorschriften voor de bepaling van bedrijfsgegevens en technische gegevens van motorvoertuigen zijn vastgelegd.
1,4 l/103 kW TSI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 103/4500-6000 250/1500-3500 4/1395 Rijprestaties Octavia MG6 Octavia DSG7 Octavia Combi MG6 Topsnelheid (km/h) 215 215 212 212 Acceleratie 0-100 km/h (s) 8,4 8,5 8,5 8,6 620 630 630 640 Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) a) b) Octavia Combi DSG7 1500a)/1800b) Hellingen tot 12%. Hellingen tot 8%.
2,0 l/162 kW TSI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 162/4500-6200 350/1500-4400 4/1984 Rijprestaties Octavia RS MG6a) Octavia RS DSG6a) Octavia Combi RS MG6a) Octavia Combi RS DSG6a) Topsnelheid (km/h) 248 245 244 242 Acceleratie 0-100 km/h (s) 6,8 6,9 6,9 7,1 720 730 Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) a) b) c) 1600b)/1800c) 710 720 Geldt voor wagens met het Green te
1,6 l/77 kW TDI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 77/3000-4000 250/1500-2750 4/1598 Rijprestaties Octavia MG5 Octavia DSG7a) Octavia Combi MG5 Octavia Combi DSG7a) Octavia Combi MG6 4x4a) 188 Topsnelheid (km/h) 194 194 191 191 Acceleratie 0-100 km/h (s) 10,8 10,9 11,0 11,1 Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) a) b) c) 11,7 1500b)/1800c) 640/650a) 650 1700b)/2000c) 65
2,0 l/110 kW TDI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 110/3500-4000 320/1750-3000 4/1968 Octavia MG6 Octavia DSG6a) Octavia Combi MG6 Octavia Combi DSG6a) Octavia Combi MG6 4x4a) Topsnelheid (km/h) 218 215 216 213 213 Acceleratie 0-100 km/h (s) 8,5 8,6 8,6 8,7 Rijprestaties Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) a) b) c) 8,7 1600b)/1800c) 660 670 2000 670 680 720 Geldt
Trefwoordenlijst A Aanbevolen rusttijd Zie Vermoeidheidsherkenning Aandrijfslipregeling (ASR) Aanhangwagen 13-polige contactdoos Beladen Borgoog Met een aanhangwagen rijden Aanhangwagengebruik Aanhangwagenstabilisator Aanpassingen Aanpassingen en technische wijzigingen Airbags Service Spoilers Aanwijzing Zie KESSY ABS Controlelampje Werking ACC Accessoires Accu Accuvloeistof controleren Afdekking Automatische verbruikersuitschakeling Controlesymbool Ladingstoestandweergave Los- en vastmaken Opladen Veilighe
Keuzehendelbediening Keuzehendelvergrendeling Kick-down Meldingen Noodontgrendeling keuzehendel Tiptronic Wegrijden en rijden 132 132 134 16 256 133 133 B Bagagenet 98 Bagageruimte 93 Afdekking 98 Bagagenet 98 Bagagenetten 96 Bevestigingselementen 95 Bodembekleding bevestigen 97 Dakdragers opbergen 100 Dubbelzijdige bodembekleding 97 Multifunctionele tas (Octavia Combi) 102 Opbergvakken onder de bodembekleding 101 Oprolbare bagageruimteafdekking opbergen 100 Oprolbare bagageruimteafdekking (Octavia Combi)
Conserveren Zie Verzorging van de wagen Conservering van de holle ruimtes Contact Zie Contactslot Contact inschakelen Zie KESSY Contactslot Contact uitschakelen Zie KESSY Controlelampjes Controleren Accuvloeistofpeil Koelvloeistof Kogelkop correct bevestigen Motorolie Oliepeil Remvloeistof Ruitensproeiervloeistof Controlesymbolen CORNER Zie Mistlampen met CORNER-functie 212 215 124 127 124 128 15 233 229 178 227 227 230 225 21 61 D Dagrijverlichting Dakdragersysteem Bevestigingspunten Daklast DAY LIGHT Zi
Handbediende airconditioning Bedieningselementen Circulatiefunctie Instellen Handmatig schakelen Zie Schakelen Handrem Controlelampje HBA Hendel Grootlicht Knipperlicht Ruitenwissers HHC Hoofdairbag Hoofdsteun Hulpsystemen ABS ASR Automatische afstandsregeling DSR EDS ESC Front Assist Grootlichtassistent HBA HHC Inparkeersysteem Lane Assist Parkeerhulp Proactieve inzittendenbescherming Rijmodus Snelheidsregelsysteem Start-stopsysteem XDS 113 115 114 130 130 16 144 58 58 69 144 197 75 142 18, 143 17, 143 15
Op de bijrijdersstoel TOP TETHER Kledinghaken Kleppen Zie Rolgordijn Zie Zonnekleppen Klok Knie-airbag Knipperen Knipperlicht Controlelampje Koelluchtventilator Koelvloeistof Bijvullen Controleren Controlesymbool Meldingen Temperatuurmeter Kogelkop Bevestiging controleren Monteren Paraatheidsstand Verwijderen Koplampen Koplampsproeiers Overzicht van gloeilampjes Rijden in het buitenland Koplampsproeiers Koplampsproeiers Krik Aanbrengen Kunstleer 201 204 90 68 67 14 195 58 58 21 225 228 229 229 23 23 13 178
Multifunctie-indicatie Bedienen Functies Geheugen Indicaties Multifunctionele tas (Octavia Combi) 27 30 30 31 102 N N1 Netten Nood Achterklep ontgrendelen Alarmlichten Automatische versnellingsbak Bandenreparatie Bestuurdersportier ontgrendelen Bestuurdersportier vergrendelen Contact uitschakelen - KESSY Motor starten - KESSY Portiervergrendeling Starthulp Wagen afslepen Wagen met de trekhaak afslepen Wiel verwisselen Noodreservewiel Nooduitrusting Brandblusser EHBO-set Gevarendriehoek Krik Wagengereedsch
Regeling Lichtbundelhoogte Reinigen Alcantara Bekleding van elektrisch verwarmde stoelen Koplampglazen Kunstleer Kunststof onderdelen Nappaleer Stof Verchroomde delen Wielen Remassistent (HBA) Rembekrachtiger Remblokken Controlelampje Remmen Controlelampje Handrem Informatie voor het remmen Inrijden Meldingen Rembekrachtiger Remhulpsystemen Remvloeistof Remvloeistof Controleren Meldingen Verversen Reparaties en technische wijzigingen Reservewiel Rijden Brandstofverbruik Door water op de weg rijden Emissiewa
Opgeslagen snelheid wijzigen 152 Snelheid opslaan en vasthouden 152 153 Tijdelijk uitschakelen Weergaven op het display 153 Snelheidswaarschuwing 32 Spiegel Make-up 67 Spiegels Binnenspiegel 71 Buitenspiegels 72 Spoilers 209 Stabiliseringscontrole (ESC) 142 Stadslicht 57 Standen van de automatische versnellingsbak 132 Start-stop Controlesymbool 25 Start-stopsysteem 164 Meldingen 167 Motor afzetten/starten 165 Starthulp 251 Systeem handmatig activeren/deactiveren 167 Werkingsvoorwaarden van het systeem 166 S
Vermoeidheidsherkenning Werking Versnellingsbak Meldingen Vertraagde vergrendeling van de achterklep Zie Achterklep Vervangen Accu Gloeilampjes Gloeilampjes van het achterlicht vervangen (Octavia Combi) Gloeilampjes van het achterlicht vervangen (Octavia) Gloeilampje van dagrijverlichting en stadslicht Gloeilampje van dimlicht Gloeilampje van extra stadslicht Gloeilampje van grootlicht en dagrijverlichting Gloeilampje van kentekenplaatverlichting Gloeilampje van mistlamp Ruitenwisserbladen van de voorruit R
Wielen Algemene aanwijzingen Bandenmaten Bandenslijtagemerktekens Bandenspanning Belastingindex Bouten Draairichtinggebonden banden Levensduur van banden Noodreservewiel Reservewiel Sneeuwkettingen Snelheidscode Verwisselen Wieldop Wielen opslaan Wielen wisselen Winterbanden Wiel verwisselen Werkzaamheden naderhand Wiel verwijderen en aanbrengen Winterbanden Zie Banden Winterse omstandigheden Accu Diesel Ruiten ontdooien Sneeuwkettingen Winterbanden 235 236 236 236 238 241 238 236 240 239 241 238 244 240 2
ŠKODA AUTO a.s. werkt continu aan de verdere verbetering van alle typen en modellen. Wij vragen u om begrip, dat om deze reden wijzigingen van de leveringsomvang in de vorm, uitvoering en techniek mogelijk zijn. De gegevens over uiterlijk, maten, gewichten, normen en functies van de wagen komen overeen met de stand van de informatie op het moment van het ter perse gaan van dit instructieboekje.
www.skoda-auto.com Ook u kunt een bijdrage leveren aan een beter milieu! Het brandstofverbruik van uw ŠKODA en de hiermee samenhangende emissies van schadelijke stoffen wordt hoofdzakelijk bepaald door uw rijstijl. Het geluidsniveau en de slijtage van uw wagen zijn afhankelijk van hoe u met uw wagen omgaat. Hoe u milieubewust gebruikmaakt van uw ŠKODA en tegelijkertijd zuinig kunt rijden, leest u in dit instructieboekje.