SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje
Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de benodigde informatie te vergemakkelijken. Hoofdstukken, inhoudsopgave en trefwoordenlijst De tekst in dit instructieboekje is in relatief korte paragrafen ingedeeld, die in overzichtelijke hoofdstukken zijn samengevat. Het actuele hoofdstuk staat geaccentueerd vermeld aan onderzijde van de rechterpagina.
Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. U heeft een wagen met de modernste techniek en talrijke uitrustingen aangeschaft. Dit instructieboekje daarom aandachtig doorlezen omdat dit een voorwaarde vormt voor een juiste bediening van de wagen. Neem bij het gebruik van uw wagen de nationale wettelijke bepalingen in acht. Bij eventuele vragen kunt u contact opnemen met een ŠKODA Servicepartner. Wij wensen u veel plezier met uw ŠKODA en te allen tijde een goede reis.
De wagendocumentatie In de wagendocumentatie van uw wagen vindt u naast dit "instructieboekje" ook het "Serviceplan" en de brochure "Hulp onderweg". Bovendien kunnen afhankelijk van type en uitrustingsniveau nog andere instructieboekjes en aanvullingen op het instructieboekje aanwezig zijn (bijvoorbeeld instructieboekje infotainment radio). Wanneer u een van bovengenoemde documenten mist, neem dan contact op met een ŠKODA Servicepartner.
Bagageruimte Variabele bagageruimtevloer Scheidingsnet (Octavia Combi) Dakdragersysteem Inhoudsopgave Gebruikte afkortingen Bediening Bestuurdersruimte Overzicht 7 6 Instrumenten en controlelampjes Instrumentenpaneel Controlelampjes Controlesymbolen op het display 8 8 12 18 Informatiesysteem Bestuurdersinformatiesysteem Ritgegevens (multifunctie-indicatie) 23 23 25 Ontgrendelen en openen Ontgrendelen en vergrendelen KESSY Alarmsysteem Achterklep Elektrische achterklep (Octavia Combi) Elektrische ruit
Koelvloeistof Remvloeistof Accu Wielen Velgen en banden Winterse omstandigheden 206 208 209 214 214 220 Tips om het zelf te doen Nooduitrusting en tips om het zelf te doen Nooduitrusting Wiel verwisselen Bandenreparatie Starthulp Wagen afslepen Afstandsbediening Noodontgrendeling/-vergrendeling Ruitenwisserbladen vervangen 221 221 223 226 229 230 232 234 235 Zekeringen en gloeilampjes Zekeringen Gloeilampjes 237 237 241 Technische gegevens Technische gegevens Wagengegevens Trefwoordenlijst 4 Inhoud
Gebruikte afkortingen Afkorting Betekenis 1/min Omwentelingen per minuut van de motor ABS Antiblokkeersysteem ASR Aandrijfslipregeling CO2 in g/km Uitgestoten hoeveelheid koolstofdioxide in gram per gereden kilometer DPF Roetfilter DSG Automatische versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSR Actieve stuurondersteuning EDS Elektronisch sperdifferentieel EPC Controle van de motorelektronica ESC Stabiliteitscontrole HBA Remassistent HHC Bergwegrijhulp kW Kilowatt, eenheid voor het mo
Afbeelding 1 Bestuurdersruimte 6 Bediening
19 Bediening 20 21 Bestuurdersruimte 22 Overzicht 24 23 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 Elektrische ruitbediening Portiergreep aan bestuurderszijde Elektrische buitenspiegelverstelling Luchtrooster aan bestuurderszijde Bedieningshendel: › Knipperlichten, grootlicht en parkeerlicht, grootlichtsignaal › Snelheidsregelsysteem Stuurwiel: › Met claxon › Met bestuurdersvoorairbag › Met toetsen voor de infotainment-bediening Instrumentenpaneel Bedieningshendel: › Ruitenwisser- en sproeier
ATTENTIE Instrumenten en controlelampjes Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledige verantwoordelijkheid voor de besturing van de wagen.
5 6 7 Rij controlelampjes » pagina 12 Knop voor: › Uren/minuten instellen » pagina 11 › Afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn weergeven » pagina 11 › Service-intervalindicatie terugzetten » pagina 11 › Dagteller voor de afgelegde rijafstand terugzetten » pagina 11 › Ladingstoestandweergave » pagina 11 Brandstofmeter » pagina 10 Display Toerenteller Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 8 en volg deze op.
Brandstofmeter Koelvloeistoftemperatuurmeter Afbeelding 5 Brandstofmeter Afbeelding 4 Koelvloeistoftemperatuurmeter Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 8 en volg deze op. De koelvloeistoftemperatuurmeter » Afbeelding 4 werkt alleen bij ingeschakeld contact. De brandstofmeter » Afbeelding 5 werkt alleen bij ingeschakeld contact. De tankinhoud bedraagt circa 50 liter.
Ladingstoestand van de accu weergeven Teller voor de afgelegde rijafstand Afbeelding 6 Segmentdisplay / informatiedisplay Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 8 en volg deze op. › Het contact uitschakelen. › Op toets 6 » Afbeelding 9 op pagina 27 drukken en deze ingedrukt houden, tot op het display Accustatus resp. ACCU wordt weergegeven. 6 loslaten, waarna de ladingstoestand van de accu in % wordt weergegeven.
Service-intervalindicatie terugzetten Indien bij uw wagen het variabele service-interval is ingesteld en de service-intervalindicatie wordt teruggezet, wordt het variabele service-interval naar het vaste service-interval gewijzigd. Auto-Check-Control Alleen de indicatie voor de "Kleine Onderhoud Service" wordt teruggezet, de indicatie voor de "Grote Onderhoud Service" wordt niet teruggezet. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 8 en volg deze op.
Aandrijfslipregeling (ASR) Aandrijfslipregeling (ASR) uitgeschakeld Stabiliseringscontrole (ESC) Antiblokkeersysteem (ABS) Mistachterlicht Uitlaatgascontrolesysteem Voorgloeisysteem (dieselmotor) Controle van de motorelektronica (benzinemotor) Veiligheidssystemen Bandenspanning Remblokdikte Rijstrookassistent (Lane Assist) Knipperlicht Aanhangwagenknipperlichten Mistlampen Snelheidsregelsysteem Keuzehendelvergrendeling Grootlicht 14 15 15 15 16 16 16 16 16 17 17 17 17 1
Het controlelampje knippert en tegelijkertijd klinkt een waarschuwingstoon als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel niet heeft omgegespt en sneller dan 30 km/h wordt gereden. Op het display van het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Handrem loszetten! PARKEERREM LOSZETTEN Remsysteem Meer informatie » pagina 169, Veiligheidsgordels. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 12 en volg deze op.
Als het controlelampje brandt, is er een storing in het ESC-systeem aanwezig. Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Storing: aandrijfslipregeling STORING ASR De hulp van een ŠKODA specialist inroepen. De hulp van een ŠKODA specialist inroepen. Als het controlelampje direct na het starten van de motor gaat branden, kan de ASR om technische redenen uitgeschakeld zijn.
ATTENTIE Als het controlelampje samen met het controlelampje brandt, de rit niet voortzetten! De hulp van een ŠKODA specialist inroepen. ■ Een storing aan het remsysteem resp. aan het ABS kan leiden tot een langere remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen! Controle van de motorelektronica (benzinemotor) ■ Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 12 en volg deze op.
Voetgangersbeschermingssysteem Als het controlelampje gaat branden, zijn de remblokken versleten. Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Storing: voetgangersbescherming STORING VOETGANGERSBESCHERMING Op het display van het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Meer informatie » pagina 182. De hulp van een ŠKODA specialist inroepen.
Als een aanhangwagen is aangekoppeld en het controlelampje niet knippert, is een van de aanhangwagenknipperlichten uitgevallen. Grootlicht Op het display in het instrumentenpaneel wordt bijvoorbeeld de volgende melding weergegeven. Aanhangwagen: knipperlicht links controleren! KNIPPERL_AANHANGW_CONTROLEREN L De aanhangwagen moet correct zijn aangekoppeld » pagina 158, Aanhangwagengebruik. Het controlelampje brandt bij ingeschakeld grootlicht of bij een grootlichtsignaal.
Afhankelijk van de betekenis gaat samen met het betreffende controlesymbool ook het symbool resp. in de rij met controlelampjes 5 » Afbeelding 2 op pagina 8 branden. Het controlesymbool resp. gaat branden na het inschakelen van het contact. Als de veiligheidsgordel op de achterste zitplaats wordt omgegespt resp.
› Indien het koelvloeistofpeil in het voorgeschreven gebied ligt en het controle- Als het controlesymbool knippert, niet verder rijden, ook als het oliepeil in orde is! De motor ook niet stationair laten draaien. symbool desondanks brandt, de zekering van de koelluchtventilator controleren resp. deze vervangen » pagina 240, Zekeringen in de motorruimte.
Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. ATTENTIE Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, de rit niet voortzetten! De motor afzetten en de hulp van een ŠKODA specialist inroepen. Roetfilter: Instructieboekje! ROETFILTER INSTRUCTIEBOEKJE De hulp van een ŠKODA specialist inroepen. ATTENTIE Defecte gloeilamp Het roetfilter bereikt zeer hoge temperaturen.
Op het display van het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Meer informatie » pagina 146. Sproeiervloeistof bijvullen! SPROEIERVLOEISTOF BIJVULLEN Vloeistof bijvullen » pagina 203. Waarschuwing voor gladheid Op het display van het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. Tanken, a.u.b. Actieradius: ... km TANKEN A_U_B_ Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal.
Buitentemperatuur Informatiesysteem Bestuurdersinformatiesysteem Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 23 en volg deze op. Op het display wordt de actuele buitentemperatuur weergegeven. Inleiding voor het onderwerp Als de buitentemperatuur tot beneden +4 °C daalt, verschijnt voor de temperatuurweergave een symbool (waarschuwingssignaal voor gladheid) en klinkt er een geluidssignaal.
Als het systeem herkent dat het voordelig is van versnelling te wisselen, worden naast de ingeschakelde versnelling het pijlsymbool en de aanbevolen versnelling weergegeven » Afbeelding 7 - . Informatiedisplay Als op het display bijvoorbeeld wordt weergegeven, betekent dit dat het voordelig is van de 4e naar de 5e versnelling te schakelen. ATTENTIE De bestuurder is verantwoordelijk voor het kiezen van de juiste versnelling in verschillende rijsituaties, bijvoorbeeld bij het inhalen.
Hoofdmenupunten ATTENTIE U kunt (afhankelijk van de uitvoering van de wagen) de volgende gegevens selecteren.
Bij een stilstaande of langzaam rijdende wagen wordt het brandstofverbruik weergegeven in l/h1) . Olietemperatuur Als de motorolietemperatuur rond de 80-110 °C ligt, is de bedrijfstemperatuur bereikt. Rijafstand Op het display verschijnt de afgelegde afstand sinds het geheugen voor het laatst is gewist. Als u de afgelegde afstand vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op dat tijdstip het geheugen wissen » pagina 27. Als de temperatuur lager dan 80 °C resp.
› Gemiddelde snelheid. › rijtijd. Indicaties selecteren Na het starten Het geheugen verzamelt de rijgegevens vanaf het inschakelen tot aan het uitschakelen van het contact. Als de rit binnen 2 uur na het uitschakelen van het contact wordt voortgezet, worden de bijkomende waarden meegenomen in de berekening van de actuele rij-informatie. Bij een onderbreking van de rit van meer dan 2 uur wordt het geheugen automatisch gewist.
Snelheidswaarschuwing › Door opnieuw op toets B resp. kartelwiel D te drukken de snelheidslimiet bevestigen of circa 5 seconden wachten, de instelling wordt automatisch opgeslagen (de waarde knippert niet meer). Snelheidslimiet wijzigen of wissen › Met toets A » Afbeelding 10 of met het kartelwiel D het menupunt Waarschuwing bij snelheidsoverschrijding selecteren. › De snelheidslimiet kan worden gewist door op toets B resp. kartelwiel D te drukken. › Door opnieuw op toets B resp.
Weergave van een storing Als het controlelampje in het bestuurdersportier eerst circa 2 seconden snel knippert, daarna circa 30 seconden continu blijft branden en vervolgens langzaam gaat knipperen, moet de hulp van een ŠKODA specialist worden ingeroepen.
ATTENTIE Sleutel Als u de wagen verlaat - ook al is het maar voor even - altijd de sleutel uit het contactslot verwijderen. Dat geldt vooral als er kinderen in de wagen achterblijven.
Met de sleutel ontgrendelen/vergrendelen Afbeelding 12 Sleutelbewegingen voor het ont- en vergrendelen A B Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 29 en volg deze op. Wagen ontgrendelen Wagen vergrendelen Achterklep ontgrendelen Sleutelbaard uitklappen/inklappen Controlelampje Ontgrendelen Het ontgrendelen van de wagen wordt weergegeven door het tweemaal knipperen van de knipperlichten.
Safebeveiliging uitschakelen 1 tweemaal binnen 2 seconden met de vingers aanraken. VOORZICHTIG ■ De afstandsbediening alleen gebruiken als de portieren en de achterklep gesloten zijn en u visueel contact met de wagen hebt. ■ Als het bestuurdersportier geopend is, kan de wagen niet met de afstandsbediening worden vergrendeld. › De sensor Ontgrendelings- resp.
Ontgrendeling van de wagen met het KESSY-systeem Met deze functie is de ontgrendeling mogelijk van alle portieren, afzonderlijke portieren, beide portieren aan de linker of rechter wagenzijde. De andere portieren, de tankklep en achterklep blijven vergrendeld en worden pas ontgrendeld bij de volgende ontgrendeling. Op dit feit wordt na het uitschakelen van het contact geattendeerd door de volgende melding op het display van het instrumentenpaneel.
Inschakelen › De gleuf van de vergrendeling in pijlrichting draaien » Afbeelding 16 (bij het rechterportier tegengesteld). Het symbool in de toets gaat uit. Als de wagen met de toets voor de centrale vergrendeling is vergrendeld, geldt het volgende: › Het openen van de portieren en de achterklep van buitenaf is niet mogelijk (vanuit veiligheidsoogpunt, bijvoorbeeld bij het stoppen voor een kruispunt).
Het systeem heeft geen sleutel gevonden ATTENTIE Let erop dat het portier goed gesloten is, anders zou dit tijdens het rijden plotseling open kunnen gaan - levensgevaar! ■ Het portier alleen openen en sluiten als zich geen persoon in het openingsresp.
Activering na 90 uur › De wagen met de toets op de afstandsbediening ontgrendelen. › Het bestuurdersportier noodontgrendelen » pagina 234. Let op Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Inschakelen/uitschakelen Interieurbewaking en afsleepalarm 36 37 Het alarmsysteem verhoogt de beveiliging tegen inbraakpogingen in de wagen. Het systeem geeft akoestische en optische waarschuwingssignalen bij een poging tot inbraak in de wagen (hierna alarm).
VOORZICHTIG Interieurbewaking en afsleepalarm Afbeelding 18 Toets van interieurbewaking en afsleepalarm ■ Een geopend brillenvak veroorzaakt een verminderde werking van de interieurbewaking. Om een ongehinderde werking van de interieurbewaking te waarborgen, moet voor het vergrendelen van de wagen altijd het brillenvak worden gesloten. ■ Het alarmsysteem wordt ook bij het vergrendelen van de wagen met gedeactiveerde safebeveiliging ingeschakeld. De interieurbewaking wordt hierbij echter niet geactiveerd.
Automatische vergrendeling van de achterklep Openen/sluiten Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 37 en volg deze op. Als de wagen nog vóór het sluiten van de achterklep is vergrendeld, wordt de achterklep na het sluiten direct automatisch vergrendeld. De periode waarna de achterklep automatisch wordt vergrendeld, kan door een ŠKODA Servicepartner worden verlengd.
Als tijdens het openen en sluiten van de achterklep haastig wordt ingestapt, kan er een schok in de wagen optreden, waardoor de beweging van de klep wordt onderbroken. Handmatig bedienen Het handmatig openen en sluiten van de achterklep is alleen in uitzonderingsgevallen mogelijk en dan alleen langzaam, zonder heftige bewegingen, en zoveel mogelijk in de buurt van het midden van de achterklep. Door bediening aan zijkant van de klep kan de elektrische achterklep beschadigd raken.
Bedieningsbeschrijving Bedieningsgebieden Het systeem maakt onderscheid tussen 3 bedieningsgebieden waarin de functie van de afzonderlijke bedieningselementen verandert » Afbeelding 22. Er wordt tevens onderscheid gemaakt tussen de eindposities van de klep - volledig gesloten en vergrendeld en volledig geopend. De uitbreiding van het gebied 3 wijzigt proportioneel afhankelijk van de instelling van de bovenste positie van de klep » pagina 41.
Klepbediening met de symbooltoets op de sleutel en met de toets C Gebied Gesloten Geopende Handeling achterklep achterklep 1 2 3 Openen Stoppen Sluiten Bovenste positie van de klep instellen/wissen Instellen › De klep in de gewenste positie (elektrisch of handmatig) vasthouden. › Op toets B » Afbeelding 21 op pagina 40 drukken en langer dan 3 seconden ingedrukt houden.
Voorbeelden van functiestoringen Beschrijving van de storing Mogelijke oplossingen De klep kan niet uit het slot worden opgetild De klep reageert niet op een openingssignaal ATTENTIE Let erop dat bij het van buitenaf vergrendelen van de wagen geen personen in de wagen achterblijven, omdat de ruiten in geval van nood niet meer van binnenuit kunnen worden geopend. ■ Het systeem is uitgerust met een sluitkrachtbegrenzing » pagina 44.
Ruiten vanaf de bestuurdersplaats openen/sluiten Afbeelding 23 Schakelaars in bestuurdersportier Als de schakelaars in de achterportieren zijn uitgeschakeld, brandt het controlelampje in de veiligheidsschakelaar S . Ruiten in het bijrijdersportier en in de achterportieren openen/ sluiten Afbeelding 24 Plaats van de schakelaar in het bijrijdersportier Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 42 en volg deze op.
Voorwaarde voor de correcte werking van de comfortbediening van de ruiten is het functioneren van het automatisch openen resp. sluiten van alle ruiten. Sluitkrachtbegrenzing Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 42 en volg deze op. Openen › De symbooltoets op de sleutel ingedrukt houden. › De sleutel in het bestuurdersportier in de ontgrendelingsstand houden. › De toets A in de ontgrendelingsstand houden » Afbeelding 23 op pagina 43.
Comfortstand Panorama-schuif-/kanteldak (Octavia) › De schakelaar in stand Als het schuif-/kanteldak in de comfortstand staat, is de intensiteit van het windgeruis lager. Inleiding voor het onderwerp Gedeeltelijk openen › De schakelaar in een stand in gebied D draaien. In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: 45 46 Bediening Comfortbediening van het schuif-/kanteldak C » Afbeelding 25 draaien.
Panorama-schuif-/kanteldak (Octavia Combi) Comfortbediening van het schuif-/kanteldak Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 45 en volg deze op. In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Het schuif-/kanteldak kan door het vergrendelen resp. ontgrendelen met de sleutel of bij het KESSY-systeem met behulp van de sensor 1 » Afbeelding 14 op pagina 32 worden bediend.
ATTENTIE Bediening Afbeelding 26 Draaischakelaar voor het schuif-/kanteldak Het schuif-/kanteldak voorzichtig sluiten om verwondingen door knellen te voorkomen - gevaar voor verwondingen! VOORZICHTIG In de winterperiode moet u vóór het openen eventueel aanwezig ijs en sneeuw van het schuif-/kanteldak verwijderen om beschadiging van het openingsmechanisme te voorkomen. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 46 en volg deze op.
Comfortbediening van het schuif-/kanteldak Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 46 en volg deze op. Het schuif-/kanteldak kan door het vergrendelen resp. ontgrendelen met de sleutel of bij het KESSY-systeem met behulp van de sensor 1 » Afbeelding 14 op pagina 32 worden bediend. Sluiten › De symbooltoets op de sleutel ingedrukt houden resp.
ATTENTIE Licht en zicht Het inschakelen van de verlichting mag alleen plaatsvinden in overeenstemming met de nationale wettelijke bepalingen. ■ De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor de juiste instelling en het gebruik van de verlichting. ■ De automatische aansturing rijverlichting dient alleen als assistent, de bestuurder wordt daarmee niet van de plicht ontslagen, de verlichting te controleren en eventueel de verlichting afhankelijk van de omstandigheden in te schakelen.
Let op Stads- en dimlicht De bi-xenonkoplampen passen zich bij het inschakelen van het contact en tijdens het rijden automatisch aan de beladings- en rijomstandigheden van de wagen aan. Wagens die met bi-xenonkoplampen zijn uitgerust, beschikken niet over een handmatige regelmogelijkheid van de lichtbundelhoogte. ■ Wij adviseren de lichtbundelhoogte bij ingeschakeld dimlicht in te stellen.
Let op Knipperlicht en grootlicht Het knipperlicht wordt na het rijden door een bocht resp. na het afslaan automatisch uitgeschakeld. ■ Als een gloeilamp van het knipperlicht defect is, knippert het controlelampje on geveer twee keer zo snel. ■ Afbeelding 29 Bedieningshendel: Knipperlichten grootlichtbediening Automatische aansturing rijverlichting Afbeelding 30 Lichtschakelaar Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 49 en volg deze op.
Modus regen De lichtbundel voor de auto is zo aangepast, dat bij regen verblinding van tegemoetkomend verkeer wordt verminderd. De automatische rijverlichting bij regen kan in het infotainment worden in- resp. uitgeschakeld » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wagensystemen instellen (toets CAR). Deze modus is bij snelheden van 50-90 km/h geactiveerd en als de ruitenwissers continu langer dan 2 minuten werken. De modus wordt gedeactiveerd als de ruitenwissers langer dan 8 minuten zijn uitgeschakeld.
Als u de assistent opnieuw wilt inschakelen, de hendel weer in stand A zetten. Grootlichtassistent Afbeelding 31 Bedieningshendel: Grootlichtassistent De assistent kan ook worden uitgeschakeld door de lichtschakelaar vanuit stand in een andere stand te draaien. Grootlicht handmatig inschakelen Als het grootlicht niet automatisch is ingeschakeld, kan dit ook handmatig worden ingeschakeld - de hendel in stand A zetten. De assistent wordt uitgeschakeld, het controlesymbool dooft.
ATTENTIE (vervolg) Mistlampen met CORNER-functie Het rijden door slechte verlichte plaatsen. ■ Het rijden bij sterk refelecterende oppervlakken. ■ Als de voorruit bij de camera vervuild, bevroren, beslagen of door stickers bedekt is. ■ Als een extern navigatieapparaat op de voorruit is bevestigd. ■ Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 49 en volg deze op.
Als de wagen niet met mistlampen is uitgerust, wordt het mistachterlicht ingeschakeld door de lichtschakelaar direct in stand 2 te trekken. Deze schakelaar beschikt slechts over een stand. Als een portier of de achterklep geopend blijft, gaat de verlichting pas na 60 seconden uit. Bij ingeschakeld mistachterlicht brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje » pagina 12.
Voorportierwaarschuwingslampje Instapverlichting Bij het activeren van de airbags worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld. Als bij ingeschakelde alarmlichten (contact aan) de richtingaanwijzers worden ingeschakeld, knipperen alleen de richtingaanwijzers voor de gekozen rijrichting. 58 58 Binnenverlichting voorin Let op De alarmlichten dienen bijvoorbeeld te worden ingeschakeld in de volgende situaties. ■ De staart van een file wordt genaderd. ■ Er is sprake van een storing aan de wagen.
Bij wagens zonder interieurbewaking is de middenstand met het symbool » Afbeelding 34 - aangegeven. Binnenverlichting achterin Geldt voor wagens zonder panoramaschuifdak. Leeslampjes in-/uitschakelen › Toets of » Afbeelding 35 indrukken. Als de bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar is ingeschakeld, gaat de verlichting branden in een van de volgende situaties: › De wagen wordt ontgrendeld. › Een portier wordt geopend. › De contactsleutel wordt verwijderd.
Binnenverlichting achterin Geldt voor wagens met het panoramaschuifdak. Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 56 en volg deze op. Het waarschuwingslampje bevindt zich onder in de portierbekleding » Afbeelding 38. Afbeelding 37 Binnenverlichting achterin Het lampje wordt in- resp. uitgeschakeld als het voorportier wordt geopend resp. gesloten. Wagens zonder dit waarschuwingslampje beschikken op deze plaats alleen over een reflector.
Milieu-aanwijzing Zicht Zodra de ruit ontdooid of ontwasemd is, moet de verwarming worden uitgeschakeld. Het lagere stroomverbruik heeft een gunstig effect op het brandstofverbruik » pagina 131, Comfortverbruikers.
ATTENTIE Ruitenwissers en -sproeiers De zonnekleppen mogen niet in het werkingsgebied van de hoofdairbag naar de zijruiten worden gedraaid, als daaraan voorwerpen zijn bevestigd, zoals balpennen en dergelijke. Dergelijke voorwerpen kunnen bij het activeren van de hoofdairbags tot verwonding van de inzittenden leiden.
VOORZICHTIG Bij lage temperaturen en in de winter alvorens weg te rijden resp. vóór het inschakelen van het contact controleren of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren.
Bij de reiniging worden de koplampsproeiers telkens tweemaal ingeschakeld. Na het loslaten van de hendel stopt de sproeierinstallatie en de wissers maken nog 2 tot 3 wisbewegingen (afhankelijk van de tijd dat de sproeierinstallatie was ingeschakeld). Om in de winter verzekerd te zijn van de werking van de koplampsproeiers, moet u de houders van de koplampsproeiers sneeuwvrij maken en ijs met een ontdooispray verwijderen.
ATTENTIE (vervolg) Als elektrolyt is ingeslikt, onmiddellijk naar een arts gaan. ■ Als de ogen en huid met elektrolyt in aanraking zijn gekomen, de betreffende plaats direct gedurende ten minste enkele minuten met veel water afspoelen. Daarna onmiddellijk naar een arts gaan. ■ VOORZICHTIG Elektrisch inklapbare buitenspiegels nooit mechanisch met de hand in- of uitklappen, omdat anders de elektrische aandrijving beschadigd wordt.
De spiegels worden teruggeklapt in de rijstand, als de draaiknop vanuit stand in een andere stand wordt gezet. Buitenspiegels Afbeelding 45 Draaiknop Beide buitenspiegels met de radiografische afstandsbediening inklappen op de sleutel met radiografische afstandsbediening ingedrukt houden. › De ontgrendelingstoets Voor het inklappen moeten alle elektrische ruitbedieningen gebruiksklaar zijn » pagina 44, Storingen.
ATTENTIE (vervolg) Stoelen en praktische uitrusting Stoelen instellen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Voorstoelen handmatig instellen Voorstoelen elektrisch instellen Hoofdsteunen Memory-functie van de elektrisch verstelbare stoel Memory-functie van de radiografische afstandsbediening 66 66 67 68 68 De bestuurdersstoel moet zodanig zijn ingesteld dat de pedalen met licht gebogen knieën geheel kunnen worden ingetrapt.
Let op In het verstelmechanisme voor de rugleuning kan na enige tijd speling ontstaan. ■ Om veiligheidsredenen is het niet mogelijk de stoelpositie in het geheugen van de stoel en de sleutel met radiografische afstandsbediening op te slaan als de hoek van de stoelleuning t.o.v. de zitting groter is dan 102°. ■ Telkens als de positie van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt opgeslagen, wordt de vorige instelling gewist.
Schuine stand van de rugleuning instellen › De schakelaar C » Afbeelding 47 in de richting van een van de pijlen 6 » Afbeelding 48 drukken. Om de hoofdsteunen achter naar beneden te schuiven, de vergrendelingsknop 1 met een hand indrukken en ingedrukt houden en met de andere hand de hoofdsteun omlaag drukken. › De schakelaar Welving van de lendensteun vergroten resp. verkleinen A » Afbeelding 47 in de richting van een van de pijlen 2 drukken.
Memory-functie van de elektrisch verstelbare stoel Afbeelding 50 Geheugentoetsen en de SETtoets Actieve instelling stoppen › Op een willekeurige toets van de bestuurdersstoel of op de toets sleutel met radiografische afstandsbediening drukken. van de Let op Met elke nieuwe opslag van de stoel- en buitenspiegelinstellingen voor vooruitrijden moet ook de instelling van de bijrijdersspiegel voor achteruitrijden opnieuw worden opgeslagen.
Na het vergrendelen van de wagen wordt de actuele bestuurdersstoel- en buitenspiegelpositie in het geheugen van de sleutel opgeslagen. Stoelverwarming Functie deactiveren › De wagen met de radiografische afstandsbediening ontgrendelen. › De toets SET A » Afbeelding 50 op pagina 68 indrukken en ingedrukt houden. Tegelijkertijd de toets conden indrukken. op de radiografische afstandsbediening binnen 10 se- Het succesvol deactiveren van de functie wordt door een akoestisch signaal bevestigd.
Let op VOORZICHTIG Voor het aantrekken van de handrem het deksel van de armsteun tot de aanslag naar achteren schuiven. ■ Niet op de stoelen knielen en deze ook niet aan andere puntbelastingen blootstellen. ■ Indien de stoelen niet door personen zijn bezet of als zich hierop voorwerpen bevinden, bijvoorbeeld een kinderzitje, tas of dergelijke, mag de stoelverwarming niet worden gebruikt. Er kan een storing optreden in de verwarmingselementen van de stoelverwarming.
ATTENTIE (vervolg) Inklapbare bijrijdersstoelleuning Bij het verstellen van de rugleuning mogen zich geen ledematen tussen de zitting en de rugleuning bevinden - gevaar voor verwondingen! ■ Op de neergeklapte rugleuning nooit voorwerpen vervoeren die: ■ het zicht voor de bestuurder belemmeren, ■ de bediening van de wagen door de bestuurder onmogelijk kunnen maken, bijvoorbeeld als ze onder de pedalen terechtkomen, ■ bij sterk accelereren, een verandering van richting of remmen letsel aan de inzittenden va
Neerklappen (Octavia Combi) Bij de Octavia Combi kunnen de achterbankleuningen ook vanuit de bagageruimte worden neergeklapt » . Achterbankleuning Aan de rechter zijde van de bagageruimte bevindt zich een hendel voor het neerklappen van de rechter en de middelste achterbankleuning. Aan de linker zijde van de bagageruimte bevindt zich een hendel voor het neerklappen van de linker achterbankleuning. › De hendel in pijlrichting » Afbeelding 56 trekken. De betreffende rugleuning wordt neergeklapt.
Praktische uitrusting Parkeertickethouder Inleiding voor het onderwerp Afbeelding 57 Voorruit: Parkeertickethouder In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Parkeertickethouder Opbergvak aan bestuurderszijde Opbergvakken in de portieren Houder voor reflectievest Opbergvak in de middensconsole voorin Bekerhouder Sigarettenaansteker Asbak 12 volt stopcontact Multimediahouder Opbergvak onder de armsteun voorin Brillenvak Opbergvak aan bijrijderszijde Opbergvak onder de bijrijders
› Het deksel tegen de pijlrichting naar boven zwenken tot dit hoorbaar vastklikt. Houder voor reflectievest ATTENTIE Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn gesloten. Afbeelding 60 Bestuurdersstoel: Houder voor reflectievest Opbergvakken in de portieren Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 73 en volg deze op. De houder voor het reflectievest bevindt zich onder de bestuurdersstoel » Afbeelding 60.
Opbergvak in de middensconsole voorin Bekerhouder Afbeelding 61 Opbergvak openen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 73 en volg deze op. Afbeelding 62 Bekerhouder: In de middenconsole voorin / in de armsteun achterin Openen/sluiten › In pijlrichting op de dekselrand A » Afbeelding 61 drukken. Het sluiten gebeurt in omgekeerde volgorde. In de bekerhouders resp. uitsparingen kunnen twee bekers worden geplaatst.
Sigarettenaansteker Asbak Afbeelding 63 Sigarettenaansteker Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 73 en volg deze op. Bediening › De knop van de sigarettenaansteker indrukken » Afbeelding 63. › Wachten tot de knop terugspringt. › De sigarettenaansteker direct uitnemen en gebruiken. › De sigarettenaansteker weer in het stopcontact steken. ATTENTIE Wees voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker! Onjuist gebruik kan tot brandwonden leiden.
12 volt stopcontact Afbeelding 65 12 volt stopcontact: In de middenconsole voorin / in de bagageruimte Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 73 en volg deze op. Overzicht van de 12 volt stopcontacten In de middenconsole voorin » Afbeelding 65 - . VOORZICHTIG ■ Het stopcontact mag alleen voor de aansluiting van vrijgegeven elektrische accessoires met een totale vermogensafname van maximaal 120 watt worden gebruikt.
Opbergvak onder de armsteun voorin Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 73 en volg deze op. Openen/sluiten › Op het deksel van het brillenvak bij A » Afbeelding 68 drukken. Afbeelding 67 Opbergvak openen Het vak klapt in pijlrichting open. › Het deksel van het brillenvak tegen de pijlrichting zwenken, tot het hoorbaar vastklikt.
Openen/sluiten › De handgreep in pijlrichting 1 » Afbeelding 70 trekken. Openen/sluiten › In pijlrichting aan de greep van de klep trekken » Afbeelding 69 - en deze openklappen. › Het deksel naar boven zwenken tot deze hoorbaar vastklikt. Het vak opent in pijlrichting 2 . › Bij het sluiten van het vak de greep vasthouden tot het vak gesloten is. Koeling › Met de draaiknop » Afbeelding 69 - wordt de luchttoevoer geopend resp. ge- ATTENTIE sloten.
Opbergvak in de middensconsole achterin Opbergtassen aan de voorstoelen Afbeelding 72 Opbergvak openen Afbeelding 71 Opbergtassen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 73 en volg deze op. Het opbergvak is uitgerust met een uitneembaar inzetstuk. Aan de achterzijde van de rugleuningen van de voorstoelen bevinden zich opbergtassen, die zijn bedoeld voor het opbergen van bijvoorbeeld kaarten, tijdschriften en dergelijke » Afbeelding 71.
ATTENTIE 230 volt stopcontact Het stopcontact mag alleen voor de aansluiting van vrijgegeven elektrische accessoires met een tweepins 230 volt stekker en een totale vermogensafname van maximaal 150 watt worden gebruikt. ■ De stopcontacten en daarmee ook de aangesloten elektrische apparaten werken alleen bij ingeschakeld contact! ■ Onjuist gebruik kan zware verwondingen resp. brand veroorzaken.
Bij sommige stroombronnen (bijvoorbeeld voor notebooks) kan bij het aansluiten hiervan op het 230 volt stopcontact een grote stroomstoot plaatsvinden, waardoor het stopcontact automatisch wordt gedeactiveerd. In dit geval de stroombron van de verbruiker losmaken en eerst de stroombron zelf op het stopcontact aansluiten en dan pas de verbruiker. ■ De handleiding van de aangesloten apparaten in acht nemen! Let erop dat de armsteun na het sluiten altijd vergrendeld is.
› Vervolgens de rugleuning terugklappen tot de grendelknop vastklikt - dit con- Opbergvakken onder de bodembekleding Opbergbox Multifunctionele box (Octavia Combi) troleren door aan de rugleuning te trekken. › De bevestigingsriem B in het slot C steken tot hij hoorbaar vastklikt. Voor het behouden van de goede rijeigenschappen van de wagen moet op het volgende worden gelet: ATTENTIE Na het inpakken van de ski's moet de skizak met de bevestigingsriem B » Afbeelding 75 worden vastgezet.
ATTENTIE (vervolg) Bevestigingselementen Wordt bagage of worden voorwerpen met ongeschikte of beschadigde spanbanden aan de bevestigingsogen vastgemaakt, dan kan bij remmanoeuvres of ongevallen lichamelijk letsel ontstaan. Om te voorkomen dat bagage in beweging kan komen, altijd geschikte spanbanden gebruiken die aan de bevestigingsogen moeten worden bevestigd.
Let op ATTENTIE Het bovenste voorste bevestigingsoog bevindt zich achter de neerklapbare achterbankleuning . De maximaal toelaatbare belasting van de bagagenetten niet overschrijden. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - gevaar voor verwondingen! Bagagenetten VOORZICHTIG De maximale toelaatbare belasting van de bagagenetten bedraagt 1,5 kg. In de netten geen voorwerpen met scherpe randen opbergen - gevaar voor beschadiging van het net.
Uitklapbare haken (Octavia Combi) Bodembekleding bevestigen Afbeelding 81 Uitklapbare haken Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 83 en volg deze op. Afbeelding 82 Bodembekleding bevestigen: Octavia / Octavia Combi Aan beide zijden van de bagageruimte bevinden zich uitklapbare haken voor de bevestiging van kleinere bagagestukken, bijvoorbeeld tassen en dergelijke .
Bagagenet Bagageruimteafdekking Afbeelding 83 Bagagenet Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 83 en volg deze op. Afbeelding 84 Bagageruimteafdekking uitbouwen / inbouwen Het bagagenet bevindt zich aan de onderzijde van de bagageruimteafdekking. Afbeelding 85 Bagageruimteafdekking achter de achterbank opgeborgen. Het net is bedoeld voor het vervoeren van lichte voorwerpen.
De uitgebouwde bagageruimteafdekking kan achter de achterbankleuning worden opgeborgen » Afbeelding 85. Oprolbare bagageruimteafdekking (Octavia Combi) ATTENTIE Op de bagageruimteafdekking mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij een aanrijding. VOORZICHTIG ■ Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet door op de bagageruimteafdekking neergelegde voorwerpen worden beschadigd.
Dakdragers opbergen ATTENTIE Op de oprolbare bagageruimteafdekking mogen geen voorwerpen worden gelegd. Oprolbare bagageruimteafdekking en dakdragers opbergen › De variabele bagageruimtevloer in de bovenste stand samenklappen » pagina 94. › De zij-afdekkingen van de bagageruimte in pijlrichting 1 » Afbeelding 87 verwijderen. › De voorste dakdrager A in de voorste uitsparingen van de zijbekleding aanbrengen. › De achterste dakdrager B in de achterste uitsparingen van de zijbekleding aanbrengen.
Let op Opbergvak in de bagageruimte Wij adviseren, het cargo-element te gebruiken voor de bevestiging van bagage achter de zitplaatsen achterin . Opbergvakken onder de bodembekleding Afbeelding 89 Opbergvak en cargo-element verwijderen / bevestigingsvoorbeeld van bagage met het cargo-element Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 83 en volg deze op. Bagageruimte vergroten › De afdekking van het opbergvak A in pijlrichting 1 » Afbeelding 89 verwijderen.
Dwarssteunen verwijderen/aanbrengen Het aanbrengen resp. verwijderen van de dwarssteunen is alleen mogelijk als de box tot de aanslag B » Afbeelding 91 is uitgeschoven. Opbergbox › De borgnok van de dwarssteun in pijlrichting onder de voorste rand van de box 1 » Afbeelding 92 schuiven. › De andere zijde van de dwarssteun in pijlrichting in de boring 2 bevestigen. Het uitbouwen gebeurt in omgekeerde volgorde. VOORZICHTIG De maximale toelaatbare belasting van de opbergbox bedraagt 2,5 kg.
Multifunctionele box (Octavia Combi) › De complete multifunctionele box in pijlrichting 4 inschuiven. › De achterste lijst tegen de voorste lijst leggen en aan beide uiteinden B aan- drukken. › De voorste haken aan beide bagageruimtezijden terugklappen. Verwijderen/aanbrengen › De oprolbare bagageruimteafdekking verwijderen » pagina 88. › De multifunctionele box in pijlrichting uit de opnames verwijderen » Afbeelding 94. Het aanbrengen gebeurt in omgekeerde volgorde.
Let op De ruimte onder de variabele bagageruimtevloer kan worden gebruikt voor het opbergen van voorwerpen, bijvoorbeeld de uitgebouwde oprolbare bagageruimteafdekking, de dakdragers en dergelijke. » pagina 89. Standen van de variabele bagageruimtevloer Bovenste stand instellen › Het achterste gedeelte van de variabele bagageruimtevloer bij greep A » Afbeelding 95 vastpakken.
Variabele bagageruimtevloer samenklappen Bagageruimte indelen Afbeelding 97 Variabele bagageruimtevloer samenklappen Afbeelding 99 Bagageruimte met variabele bagageruimtevloer indelen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 92 en volg deze op. De bagageruimte kan met de variabele bagageruimtevloer in de onderste en bovenste stand worden ingedeeld. Het achterste gedeelte van de variabele bagageruimtevloer bij greep A » Afbeelding 99 optillen.
ATTENTIE ■ Controleer of de dwarsstang van het scheidingsnet vast in de steunen Eruit trekken › Een deel van de oprolbare bagageruimteafdekking A in pijlrichting » Afbeelding 100 opklappen. › Het scheidingsnet bij de bovenste dwarsstang B uit de behuizing C trekken. › De dwarsstang in een van de bevestigingen D inhaken. › Aan de andere zijde in pijlrichting 1 op de dwarsstang drukken en in de betreffende bevestiging D inhaken.
Scheidingsnetbehuizing uit- en inbouwen Scheidingsnet achter de voorstoelen gebruiken Afbeelding 103 Achterbank: Scheidingsnetbehuizing uitbouwen Afbeelding 102 Scheidingsnet achter de voorstoelen in uitgetrokken toestand Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 94 en volg deze op. Eruit trekken › De achterbank naar voren klappen » pagina 72. › Het scheidingsnet bij de bovenste dwarsstang A uit de behuizing B » Afbeelding 102 trekken.
ATTENTIE Bevestigingspunten De lading op het dak moet goed worden bevestigd - gevaar voor ongevallen! ■ De lading altijd correct met geschikte en onbeschadigde sjor- of spanbanden vastzetten. ■ De lading gelijkmatig op het dakdragersysteem verdelen. ■ Bij het vervoeren van zware resp. grote voorwerpen op het dakdragersysteem kunnen de rijeigenschappen door de verplaatsing van het zwaartepunt veranderen. Uw rijstijl en snelheid daarom aan de omstandigheden aanpassen.
Bij het gebruik van dakdragersystemen met een geringer draagvermogen kan de toelaatbare dakbelasting niet worden benut. In deze gevallen mag de dakdrager slechts worden belast tot de maximale gewichtsgrens die in de montagehandleiding is aangegeven.
Let op Verwarming en airconditioning De verbruikte lucht wordt via de ontluchtingsopeningen in de bagageruimte afgevoerd. ■ Als de circulatiefunctie is ingeschakeld, adviseren wij in de wagen niet te roken, omdat de aangezogen rook neerslaat op de verdamper van het airconditioningsysteem. Dit zorgt tijdens het gebruik van de airconditioning voor een blijvende stankoverlast die alleen met veel moeite en hoge kosten (vervanging van de verdamper) kan worden opgelost.
Luchtroosters Bij de luchtroosters 3, 4 » Afbeelding 105 en 6 » Afbeelding 106 kan de richting van de luchtstroom worden gewijzigd en kunnen de luchtroosters ook afzonderlijk worden gesloten en geopend. Luchtuitstroomrichting wijzigen › Om de hoogte van de luchtstroom te wijzigen, de horizontale lamellen met behulp van het verschuifbare verstelelement A » Afbeelding 105 resp. » Afbeelding 106 naar boven of naar beneden draaien.
Indien het interieur van de geparkeerde wagen door zonnestraling sterk is opgewarmd, verdient het aanbeveling de ruiten of portieren kort te openen, zodat de warme lucht kan ontsnappen. Bedieningselementen Als de ruiten geopend zijn, mag de koeling tijdens het rijden niet ingeschakeld zijn. Milieu-aanwijzing Door brandstof te besparen, wordt de uitstoot van schadelijke stoffen verlaagd » pagina 129, Economisch en milieubewust rijden.
Instellen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 101 en volg deze op.
Airconditioning (handbediende airconditioning) Bedieningselementen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Bedieningselementen Instellen Circulatiefunctie 103 104 104 De koelfunctie werkt alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. » Afbeelding 108 op pagina 103 ingeschakeld. De motor draait. De buitentemperatuur is hoger dan circa +2 °C. De aanjagerschakelaar is ingeschakeld (stand 1-6).
Instellen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 103 en volg deze op.
ATTENTIE Bedieningselementen De circulatiefunctie niet gedurende langere tijd ingeschakeld laten, omdat door de "verbruikte" lucht vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers kunnen optreden, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het gevaar voor ongevallen neem toe. De circulatiefunctie uitschakelen, zodra de ruiten beslaan.
Voorruitverwarming in- resp. uitschakelen » pagina 59 Climatronic in het infotainment instellen Temperatuurinstelling in de Dual-functie in- resp. uitschakelen » pagina 106 Automatische regeling inschakelen » pagina 106 Koelfunctie in- resp. uitschakelen » pagina 106 Koelfunctie in-/uitschakelen › Op toets drukken. Het controlelampje in de toets gaat branden. Let op Tussen de toetsen en bevindt zich de interieurtemperatuursensor.
Als een hogere temperatuur dan +29 °C wordt gekozen, gaat bij de draaiknop een rood symbool branden. Het in- resp. uitschakelen is ook mogelijk in het infotainment » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Overige functies. In beide eindstanden werkt de Climatronic met het maximale koelings- resp. verwarmingsvermogen en de temperatuur wordt niet automatisch geregeld.
Extra verwarming (interieurvoorverwarming) De extra verwarming (interieurvoorverwarming) kan zowel bij stilstand, bij afgezette motor voor voorverwarming van de wagen als tijdens het rijden (bijvoorbeeld tijdens de opwarmfase van de motor) worden gebruikt. Voorruit ontwasemen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 105 en volg deze op. De extra verwarming (interieurvoorverwarming) werkt in combinatie met de airconditioning resp. Climatronic.
Na het uitschakelen blijft de interieurvoorverwarming nog eventjes in werking om de resterende brandstof in de interieurvoorverwarming te verbranden. Let op De interieurvoorverwarming schakelt de aanjager pas in, als de koelvloeistoftemperatuur een waarde van circa 50 °C heeft bereikt. ■ Bij lage buitentemperaturen kan er vanuit de motorruimte waterdampvorming ontstaan. Dat is een normaal verschijnsel en geen reden om u zorgen te maken.
De zender en de batterij zijn ondergebracht in de behuizing van de radiografische afstandsbediening. De ontvanger bevindt zich in het interieur. De reikwijdte van de radiografische afstandsbediening bedraagt bij een volle batterij enkele honderden meters. Door obstakels tussen de radiografische afstandsbediening en de wagen, slechte weersomstandigheden en een leegrakende batterij kan het bereik aanzienlijk verminderen.
ATTENTIE (vervolg) Communicatie en multimedia Een mobiele telefoon nooit op een stoel, het dashboard of op een andere plek laten liggen van waaruit de telefoon bij een plotselinge remmanoeuvre, een ongeval of een aanrijding kan worden weggeslingerd. ■ Bij luchtvervoer moet de Bluetooth®-functie van de handsfreeset door een specialist worden uitgeschakeld.
Phonebox Bovendien neemt het stroomverbruik toe en wordt de telefoonaccu sneller ontladen. Om de gevolgen hiervan te verminderen, bevindt zich op de bodem van het opbergvak voorin de middenconsole een inductieplaat » Afbeelding 61 op pagina 75. Deze inductieplaat zorgt voor een inductieveld voor het telefoonsignaal naar de dakantenne en daarnaast voor een versterking.
Multimedia Infotainment op het multifunctiestuurwiel bedienen Op het multifunctiestuurwiel bevinden zich toetsen en kartelwielen voor de bediening van enkele infotainmentfuncties » Afbeelding 113. De toetsen en kartelwielen bedienen de functies voor de bedrijfsfunctie waarin het infotainment zich op dat moment bevindt.
Toets/ kartelwiel a) b) c) d) e) Handeling Radio, verkeersmelding Audio, video, dvd, dvd-menu Navigatie 4 Kort drukken Naar de volgende in de zenderlijst opgeslagen radiozender wisselen resp.
USB-, AUX- en MEDIA IN-ingangen Afbeelding 114 USB- en AUX-ingangen / MEDIA IN-ingang De USB- en AUX-ingangen resp. de MEDIA IN-ingang bevinden zich boven het opbergvak voorin de middenconsole » Afbeelding 114. Op de USB- resp. AUX-ingang kan een opslagmedium resp. een systeem ofwel direct ofwel via een verbindingskabel uit het originele ŠKODA accessoireprogramma worden aangesloten.
ATTENTIE (vervolg) Rijden Als het stuurwiel verder in de richting van het hoofd wordt versteld, neemt bij een ongeval de beschermende werking van de bestuurdersairbag af. Controleren dat het stuurwiel naar de borst is gericht. ■ Het stuurwiel tijdens het rijden met beide handen vasthouden aan de buitenzijde van het stuur op kwart over negen. Nooit het stuurwiel op '12-uur' vasthouden of in een andere stand (bijvoorbeeld in het midden of aan de binnenzijde van het stuurwiel).
Motor met de sleutel starten en afzetten Stand van het stuurwiel instellen Afbeelding 116 Verstelbaar stuurwiel: Hendel onder de stuurkolom Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: 118 118 119 119 Elektronische wegrijblokkering Contactslot Motor starten Motor afzetten Motor bij wagens met het KESSY-systeem starten en afzetten » pagina 119. De motor kan alleen met een correcte originele ŠKODA-sleutel worden gestart.
Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven. VOORZICHTIG ■ De startmotor mag alleen worden ingeschakeld als de motor niet draait. Als de startmotor bij draaiende motor wordt ingeschakeld, kan de startmotor resp. de motor worden beschadigd. ■ Als de motor ook bij de tweede startpoging niet aanslaat, kan de zekering van de elektrische brandstofpomp (bij benzinemotoren) resp.
Motor starten Motor afzetten Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 117 en volg deze op. Wagens met dieselmotor zijn met een voorgloeisysteem uitgerust. Het controlelampje voorgloeitijd gaat branden na het inschakelen van het contact. Na het doven van het controlelampje de motor starten. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 117 en volg deze op.
ATTENTIE Bij het verlaten van de wagen de sleutel nooit in de wagen achterlaten. Dat geldt vooral als er kinderen in de wagen achterblijven. De kinderen zouden anders bijvoorbeeld de motor kunnen starten - gevaar voor ongevallen resp. verwondingen! ■ De motor nooit laten draaien in ongeventileerde of afgesloten ruimtes. De uitlaatgassen van de motor bevatten onder andere het geur- en kleurloze koolmonoxide, een giftig gas - levensgevaar! Koolmonoxide kan tot bewusteloosheid leiden en dodelijk zijn.
De stuurinrichting wordt vergrendeld. Als het bestuurdersportier is geopend en daarna het contact wordt uitgeschakeld, wordt de stuurinrichting pas na het afsluiten van de wagen vergrendeld. Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - de accu wordt anders onnodig belast.
Nooduitschakeling van het contact Motor afzetten Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 119 en volg deze op. › De wagen stilzetten. › Door het indrukken van de startknop » Afbeelding 118 op pagina 120 de motor afzetten - tegelijkertijd wordt ook het contact uitgeschakeld. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 119 en volg deze op.
VOORZICHTIG Adviezen over nieuwe remblokken opvolgen » pagina 129. Nooit de remmen door lichte pedaaldruk laten aanlopen als er niet hoeft te worden geremd. Dit leidt tot oververhitting van de remmen en daardoor tot een lan gere remweg en een hogere slijtage. ■ ■ Informatie voor het remmen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 122 en volg deze op.
Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het handremcontrolelampje . Handmatig schakelen Als per ongeluk met aangetrokken handrem wordt weggereden, klinkt een waarschuwingstoon. Afbeelding 121 5-versnellings schakelbak of 6versnellings schakelbak Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weergegeven.
VOORZICHTIG Pedalen ■ Als de keuzehendel tijdens het rijden in stand N wordt gezet, moet het gas worden losgelaten en de keuzehendel pas weer in een stand voor vooruitrijden worden gezet als de motor stationair draait. ■ Bij temperaturen onder -10 °C kan de motor alleen in keuzehendelstand P worden gestart. ■ Als op een berg (helling) wordt gestopt, nooit proberen de wagen met het gas pedaal op zijn plaats te houden - gevaar voor schade aan de versnellingsbak.
Vóór het inschakelen van stand R vanuit stand P of N moet het rempedaal worden ingetrapt en tegelijkertijd de vergrendeltoets worden ingedrukt » Afbeelding 123. Standen en keuzehendelbediening N - Neutraal (neutraalstand) De krachtoverbrenging naar de aangedreven wielen is in deze stand onderbroken.
De keuzehendelvergrendeling werkt alleen bij stilstaande wagen en bij snelheden tot 5 km/h. Let op Indien men de keuzehendel vanuit stand P in stand D / S of omgekeerd wil zetten, dient de keuzehendel vlot te worden bewogen. Hierdoor wordt voorkomen dat stand R resp. N per ongeluk wordt ingeschakeld. Handmatig schakelen (tiptronic) Tijdelijk naar handmatig schakelen in stand D/S omschakelen › Een van de schakelpeddels - / + kort naar het stuurwiel » Afbeelding 124 trekken.
› De handrem stevig aantrekken. › Op de grendelknop drukken en deze ingedrukt houden » Afbeelding 123 op pa- Functiestoringen gina 126. › De keuzehendel in stand P zetten en de grendelknop weer loslaten. In de neutraalstand in stand E rijden (vrijloop) › De keuzehendel in stand D/S zetten. › De rijmodus Eco selecteren » pagina 149, Rijmodus. › De voet van het gaspedaal nemen.
Milieu-aanwijzing Nieuwe motor Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 128 en volg deze op. Gedurende de eerste 1.500 kilometer moet de motor worden ingereden. Tot 1.000 kilometer › In elke versnelling niet sneller dan met 3/4 van de topsnelheid voor de betreffende versnelling rijden, dus tot hooguit 3/4 van het maximum toelaatbare motortoerental. › Geen volgas geven. › Hoge motortoerentallen voorkomen. › Niet met een aanhangwagen rijden. Van 1.000 tot 1.
De wagen beschikt af fabriek over de technische voorzieningen voor een zuinig en economisch gebruik. ŠKODA legt bijzondere nadruk op een zo gering mogelijke belasting van het milieu. Energiebesparend schakelen Afbeelding 125 Principeafbeelding: Brandstofverbruik in l/100 km afhankelijk van de ingeschakelde versnelling Om te zorgen dat deze eigenschappen ook zo goed mogelijk worden benut en in de praktijk worden gebracht, moeten de volgende aanwijzingen in dit hoofdstuk in acht worden genomen.
Bij stationair toerental duurt het zeer lang voordat de motor op bedrijfstemperatuur is. Tijdens de warmdraaifase zijn de slijtage en de uitstoot van schadelijke stoffen ook nog eens bijzonder hoog. Daarom direct na het starten van de motor wegrijden. Hierbij echter hoge toerentallen vermijden.
Door de hogere luchtweerstand verbruikt de wagen met een onbeladen dakdragersysteem bij een snelheid van 100-120 km/h circa 10% meer brandstof dan normaal. Comfortverbruikers zijn onder andere: › Airconditioning. › Achterruitverwarming. › Voorruitverwarming. › Buitenspiegelverwarming. › Mistachterlicht. › Mistlampen. › Verwarmbare voorstoelen. › Extra verwarming (interieurvoorverwarming).
Let op Milieuvriendelijkheid Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 129 en volg deze op. Meer informatie over terugname en recycling van oude wagens krijgt u bij een ŠKODA Servicepartner. Bij de constructie, materiaalkeuze en productie van uw nieuwe ŠKODA speelt milieubescherming een doorslaggevende rol. Hierbij krijgen onder andere de volgende punten bijzondere aandacht. Schade aan de wagen voorkomen Constructieve maatregelen › Demontagevriendelijke uitvoering van de verbindingen.
VOORZICHTIG Door water op de weg rijden Afbeelding 128 Door water rijden Let op Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 133 en volg deze op. Om beschadigingen aan de wagen bij het rijden door water (bijvoorbeeld overstroomde wegen) te voorkomen, op het volgende letten: › Vóór het rijden door water de diepte van het water vaststellen. Het waterpeil mag maximaal tot de rand van de dorpel reiken » Afbeelding 128. › Niet harder dan stapvoets rijden.
Loodvrije benzine Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 134 en volg deze op. Wagens met benzinemotor mogen uitsluitend loodvrije benzine gebruiken » pagina 199. Informatie over het tankstationnetwerk voor loodvrije benzine wordt bij voorbeeld aangeboden door automobielclubs. Koplampen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 134 en volg deze op. Het dimlicht van de koplampen is asymmetrisch afgesteld. Dit zorgt voor een betere verlichting van de weghelft waarop u rijdt.
Stabiliseringscontrole (ESC) Hulpsystemen Afbeelding 129 ESC-systeem: ASR-toets Remhulpsystemen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Stabiliseringscontrole (ESC) Antiblokkeersysteem (ABS) Aandrijfslipregeling (ASR) Elektronisch sperdifferentieel (EDS) 136 137 137 138 ATTENTIE Met behulp van het ESC-systeem wordt de controle over de wagen tijdens rijdynamische grenssituaties vergroot, bijvoorbeeld bij een plotselinge verandering van rijr
Bij uitgeschakelde ASR brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje . Antiblokkeersysteem (ABS) Actieve stuurondersteuning (DSR) De DSR ondersteunt de bestuurder in kritieke situaties bij het tegensturen om de wagen te stabiliseren. De DSR wordt bijvoorbeeld geactiveerd bij hard remmen op verschillende soorten wegdek aan de rechter- en linkerzijde van de wagen. Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 136 en volg deze op.
De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Het is zinvol het systeem alleen in bijvoorbeeld de volgende stituaties te deactiveren: › Bij het rijden met sneeuwkettingen. › Bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond. › Bij het "losschommelen" van de vastgereden wagen. ATTENTIE De parkeerhulp kan de aandacht van de bestuurder niet vervangen. De verantwoording bij het achteruitrijden en dergelijke rijmanoeuvres ligt bij de bestuurder.
Werking Beeldbeschrijving - Reikwijdte van de sensoren van de wagen Gebied » Afbeelding 131 120 cm B 90 cm C 160 cm 90 cm D E a) b) Afbeelding 131 Parkeerhulp: Reikwijdte van de sensoren / toets voor de parkeerhulp bij wagens met sensoren voor en achter Reikwijdte van de sensorena) A b) 90 cm De reikwijdten van de sensoren zijn slechts een benadering. Geldt alleen voor wagens met 12 sensoren.
Automatische systeemactivering bij vooruitrijden Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 138 en volg deze op. De automatische activering vindt plaats bij een snelheid lager dan circa 10 km/h onder de volgende omstandigheden: › De afstand tot het obstakel voor is kleiner dan circa 90 cm. › De afstand tot het obstakel achter is kleiner dan circa 30 cm. › De afstand tot het obstakel naast de wagen is kleiner dan circa 30 cm.
ATTENTIE Parkeerruimte vinden Het systeem ontslaat de bestuurder niet van zijn verantwoordelijkheid bij het inparkeren resp. uitparkeren uit de parkeerruimte. ■ Externe geluidsbronnen kunnen een storend effect hebben op het systeem bij het inparkeren resp. uitparkeren uit de parkeerruimte. Onder ongunstige omstandigheden kunnen voorwerpen of mensen eventueel niet herkend worden. ■ Bij het inparkeren resp. uitparkeren voert het systeem automatisch snelle stuurbewegingen uit.
Het knipperlicht aan bestuurderszijde bedienen als u aan die kant van de straat wilt parkeren. Op het display van het instrumentenpaneel wordt automatisch het zoekgebied voor de parkeerruimte aan bestuurderszijde weergegeven.
Het systeem ondersteunt de bestuurder met een automatische remondersteuning. De automatische remondersteuning vervangt niet de verantwoording van de bestuurder voor gas, rem en koppeling. Uit een parallel aan de rijbaan staande parkeerruimte uitparkeren Automatisch remmen ter voorkoming van afbrekingen door snelheidsoverschrijding Om het overschrijden van een snelheid van 7 km/h en hierdoor het afbreken van de inparkeerprocedure te voorkomen, kan een automatische remondersteuning plaatsvinden.
De snelheid tot onder 40 km/h (parkeren parallel aan de rijbaan) resp. 20 km/h (parkeren dwars op de rijbaan) verlagen. Deze melding wordt alleen bij snelheden tot circa 50 km/h weergegeven. Bij het overschrijden van een snelheid van 50 km/h dient het systeem met toets opnieuw te worden geactiveerd. Snelheid te hoog. Stuur overnemen! De parkeermanoeuvre is beëindigd, omdat de snelheid is overschreden. Met een snelheid van maximaal. 7 km/h inparkeren. Park Assist beëindigd. Stuuringreep bestuurder.
Inschakelen › Schakelaar A » Afbeelding 135 in stand ON drukken. ATTENTIE Om veiligheidsredenen mag het snelheidsregelsysteem bij druk verkeer en ongunstige wegdekomstandigheden (bijvoorbeeld gladheid, steenslag) niet worden gebruikt - gevaar voor ongevallen! ■ De opgeslagen snelheid mag pas weer worden hervat als deze niet te hoog is voor de actuele verkeerssituatie. ■ Om onbedoeld inschakelen van het snelheidsregelsysteem te voorkomen, het systeem na gebruik altijd uitschakelen.
Als de tuimelschakelaar bij een snelheid van minder dan 30 km/h wordt losgelaten, wordt de snelheid niet opgeslagen en wordt het geheugen gewist. De snelheid moet na een verhoging tot meer dan 30 km/h opnieuw worden opgeslagen door de tuimelschakelaar B in de stand SET te drukken. Beeldbeschrijving A Het snelheidsregelsysteem is tijdelijk uitgeschakeld. B Systeemstoring. De hulp van een ŠKODA specialist inroepen. C Het geheugen voor de snelheid is leeg. D Het snelheidsregelsysteem is ingeschakeld.
ATTENTIE Motor afzetten/starten Bij afgezette motor werken de rembekrachtiger en de stuurbekrachtiging niet. ■ De wagen nooit met afgezette motor laten rollen. ■ Afbeelding 137 Display van het instrumentenpaneel: Motoruitschakeling (stopfase) VOORZICHTIG Bij het rijden door water het start-stopsysteem uitschakelen » pagina 134. Let op Indien in de stop-fase bij wagens met schakelbak resp.
› De intensieve voorruitverwarming (Climatronic) resp. de voorruitverwarming/- Indien gedurende de stop-fase de keuzehendelstand R wordt ingeschakeld, wordt de motor weer gestart. ventilatie is met maximaal ingestelde luchttemperatuur (handbediende airconditioning) ingeschakeld. › De parkeerhulp resp. het inparkeersysteem is ingeschakeld. › De ladingstoestand van de accu is te laag. › De stilstaande wagen staat op een steile helling. › Het stationair motortoerental is te hoog.
Storing: Start-stop STORING START-STOP Systeem handmatig activeren/deactiveren Er is sprake van een storing in het start-stopsysteem. De hulp van een ŠKODA specialist inroepen. Afbeelding 139 Toets voor het start-stopsysteem Rijmodus Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Activering/deactivering › Toets » Afbeelding 139 indrukken. Bij gedeactiveerde start-stopfunctie brandt het controlelampje in de toets.
Deze modus is geschikt voor een sportieve rijstijl. Rijmodus selecteren De keuze van deze modus heeft met name betrekking op de werking van de volgende systemen. Afbeelding 140 Middenconsole: Toets voor het selecteren van de rijmodus Motor (aandrijving) Het gaspedaal reageert sneller op het intrappen en de acceleratie is dynamischer dan in de modus Normal. De automatische versnellingsbak wordt automatisch in de modus S gezet » pagina 125.
De automatische versnellingsbak wordt automatisch in de modus E gezet » pagina 125. Bij buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag » pagina 180 dient de gordelspannerfunctie voor de bijrijdersstoel te worden uitgeschakeld. Adaptieve koplampen (AFS) Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd » pagina 52. Airconditioning (Climatronic) De airconditioning wordt zodanig geregeld om energie te sparen. Om deze reden kan bijvoorbeeld de gewenste interieurtemperatuur later dan in de modus Normal worden bereikt.
Het tweede beschermingsniveau Het systeem grijpt pas in als de situatie als kritiek wordt beoordeeld, bijvoorbeeld een noodstop bij hoge snelheid. Dit beschermingsniveau kan niet worden gedeactiveerd. ATTENTIE (vervolg) Meldingen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 151 en volg deze op. De meldingen worden op het display van het instrumentenpaneel weergegeven. Proactieve inzittendenbescherming niet beschikbaar.
De adaptieve rijstrookgeleiding kan in het infotainment worden geactiveerd resp. gedeactiveerd » Instructieboekje infotainment, hoofdstuk Wagensystemen instellen (toets CAR). Werking Afbeelding 141 Voorruit: Camerazichtvenster voor Lane Assist Toelichting van de situaties Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 152 en volg deze op.
C D Het systeem grijpt in bij het naderen van de rechter begrenzingslijn. Het systeem grijpt in (adaptieve rijstrookgeleiding) Het systeem heeft herkend dat geen handen op het stuurwiel rusten. In dit geval is Lane Assist niet gereed voor een ingreep. De handen op het stuurwiel leggen. Het systeem kan op het display van het instrumentenpaneel in het volgende menupunt worden geactiveerd resp.
ATTENTIE Afbeelding 145 Display van het instrumentenpaneel: Voorbeeld van de verkeersbordherkenningsweergave / aanvullende weergave De verkeersbordherkenning dient slechts als hulpmiddel. Verticale verkeersborden hebben altijd voorrang boven de displayweergaven. De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor het inschatten van de verkeerssituatie. ■ De verkeersborden kunnen eventueel niet of onjuist door het systeem worden herkend. In dat geval worden de verkeersborden mogelijk niet of onjuist weergegeven.
De vermoeidheidsherkenning adviseert de bestuurder op basis van informatie over het stuurgedrag een rustpauze in te lassen. Het systeem adviseert een pauze bij snelheden van 65 km/h tot 200 km/h. Meldingen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 154 en volg deze op. Na het inschakelen van het contact analyseert het systeem 15 minuten lang het stuurgedrag. Deze referentie-analyse wordt continu met het actuele stuurgedrag vergeleken.
Meldingen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 156 en volg deze op. Op het display van het instrumentenpaneel verschijnen gedurende enkele seconden het symbool en de volgende melding: Vermoeidheid herkend. Pauze a.u.b. VERMOEIDHEID HERKEND PAUZE AUB Daarbij klinkt er een akoestisch signaal.
VOORZICHTIG Aanhangwagengebruik ■ Bij een storing in de verlichting van de aanhangwagen de zekeringen in de zekeringenhouder in het dashboard controleren » pagina 239. ■ Voorzichtig met de kogelkop omgaan om lakschade aan de bumper te vermijden.
6 7 8 9 10 11 Kogelkop Bedieningshendel Slotkap Ontspanpen Sleutel Vergrendelingskogels Kogelkop monteren Let op Bij verlies van de sleutel een ŠKODA Servicepartner opzoeken. Paraatheidsstand instellen Afbeelding 148 Kogelkop aanbrengen / slot vergrendelen en slotkap aanbrengen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 158 en volg deze op. › De kap 4 » Afbeelding 146 op pagina 158 naar beneden lostrekken.
VOORZICHTIG Kogelkop verwijderen Na het verwijderen van de sleutel altijd de kap op het slot van de bedieningshendel aanbrengen - gevaar voor vervuiling van het slot. ■ De bevestigingsschacht van de trekhaak altijd schoon houden. Vuil verhindert het correct bevestigen van de kogelkop! ■ Als de kogelkop is verwijderd, altijd de afdekkap op de bevestigingsschacht aanbrengen.
VOORZICHTIG Aanhangwagen Indien de hendel wordt vastgehouden en niet tot de aanslag naar beneden wordt gedrukt, beweegt deze na het verwijderen van de kogelkop weer naar boven en vergrendelt niet in de paraatheidsstand. De kogelkop moet dan vóór de volgende inbouw in deze stand worden gebracht.
Met toenemende hoogte daalt het motorvermogen en daarbij neem ook het klimvermogen af. Daarom moet per 1.000 m hoogtetoename het maximaal toelaatbare gewicht van de combinatie met 10% worden verminderd. Borgoog Het borgoog 2 » Afbeelding 146 op pagina 158 dient voor het vastmaken van de breekkabel van de aanhangwagen. Het treingewicht bestaat uit het werkelijke gewicht van de beladen, trekkende wagen en de beladen aanhangwagen.
ATTENTIE Het borgoog nooit gebruiken voor het afslepen! De rijstijl moet worden aangepast aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie. ■ Ondeskundig of verkeerd aangesloten elektrische kabels kunnen de aanhangwagen onder stroom zetten en storingen in de gehele wagenelektronica veroorzaken, wat tot ongevallen en zware verwondingen kan leiden. ■ Werkzaamheden aan de elektrische installatie mogen alleen door een ŠKODA specialist worden uitgevoerd.
Let op Aanhangwagens met LED-achterlichten kunnen om technische redenen niet in het alarmsysteem worden opgenomen.
De volgende opsomming omvat een deel van de veiligheidsuitrustingen in uw wagen: › 3-puntsgordels voor alle stoelen, › gordelspankrachtbegrenzers voor de voorstoelen, › gordelspanners voor de voorstoelen, › gordelhoogteverstelling voor de voorstoelen, › voorairbag voor de bestuurder en de bijrijder, › bestuurdersknie-airbag, › voorste zij-airbags, › achterste zij-airbags, › hoofdairbags, › bevestigingspunten voor kinderzitjes met het ISOFIX-systeem, › bevestigingspunten voor kinderzitjes met TOP TETHER-syst
› Kinderen beschermen met een geschikt kinderzitje en een op een juiste wijze omgegespte veiligheidsgordel » pagina 184, Veilig vervoer van kinderen. › De juiste zithouding innemen » pagina 166, Juiste zithouding. Uw passagiers erop wijzen de juiste zithouding in te nemen. › De veiligheidsgordel juist omgespen. Ook de passagiers erop wijzen de veiligheidsgordels juist om te gespen » pagina 169, Veiligheidsgordels gebruiken.
› De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zoveel ATTENTIE Als bijrijder de volgende aanwijzingen opvolgen. ■ Een afstand tot het dashboard van minimaal 25 cm aanhouden. Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! ■ De voeten altijd tijdens het rijden in de voetenruimte houden - leg uw voeten nooit op het dashboard, uit het raam of op de zittingen.
Juiste zithouding van de passagiers op de zitplaatsen achterin Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 166 en volg deze op. Om het gevaar voor verwondingen bij plotseling remmen of een ongeval te verminderen, moeten de passagiers op de zitplaatsen achterin op het volgende letten: › De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zoveel mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd C » Afbeelding 152 op pagina 167.
Bij het vervoeren van kinderen moet u rekening houden met speciale veiligheidsaspecten » pagina 184. Veiligheidsgordels ATTENTIE Veiligheidsgordels gebruiken Vóór elke rit de veiligheidsgordel correct omgespen - ook in stadsverkeer! Dat geldt ook voor de inzittenden op de zitplaatsen achterin - gevaar voor verwondingen! ■ Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen dat biedt de beste bescherming voor het ongeboren kind » pagina 171, Veiligheidsgordels omgespen en losmaken.
ATTENTIE De volgende aanwijzingen moeten voor een juist gebruik van de veiligheidsgordels worden opgevolgd. ■ Met een veiligheidsgordel mogen nooit 2 personen (ook geen kinderen) worden omgegespt. De veiligheidsgordel mag ook niet over een op de schoot van een passagier zittend kind worden gevoerd. ■ De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slotdeel worden gestoken.
Het gewicht van bijvoorbeeld een persoon van 80 kg "neemt" bij 50 km/h toe tot 4,8 ton (4.800 kg). Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren geslingerd en stoten zij ongecontroleerd tegen delen in het interieur, zoals het stuurwiel, het dashboard of de voorruit » Afbeelding 154 - . U kunt onder bepaalde omstandigheden zelfs uit de wagen worden geslingerd, wat levensgevaarlijk of zelfs dodelijk letsel tot gevolg kan hebben.
Losmaken Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen losmaken. Gordeloprolautomaten en gordelspanners › De rode knop in het gordelslot » Afbeelding 155 - indrukken, de slotgesp springt uit het slot. › De gordel met de hand teruggeleiden, zodat deze gemakkelijker volledig oprolt Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: en daarbij niet verdraait.
Bij een frontale aanrijding resp. een aanrijding van opzij met een bepaalde zwaarte wordt de omgegespte 3-puntsgordel aan de zijde van de aanrijding automatisch gespannen. Bij lichte frontale botsingen, aanrijdingen van opzij en van achteren, bij een koprol en bij ongevallen waarbij geen grote krachten van voren werkzaam zijn, vindt er geen activering van de gordelspanners plaats.
ATTENTIE (vervolg) Airbagsysteem Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de afzonderlijke delen van het airbagsysteem, omdat dit tot activeren van een airbag kan leiden. ■ De beschermende werking van het airbagsysteem is beperkt tot slechts één ongeval. Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden vervangen.
Airbagactivering Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 174 en volg deze op. Het opblazen van de airbag vindt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid plaats, om bij een ongeval extra bescherming te kunnen bieden. Het airbagsysteem is alleen bij ingeschakeld contact actief. Bij bijzondere aanrijdingsituaties kunnen meerdere airbags gelijktijdig worden geactiveerd.
Voorairbags Als de airbags worden geactiveerd, ontvouwen ze zich voor de bestuurder en bijrijder » Afbeelding 159 - . Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag wordt de voorwaartse beweging van de bestuurder en de bijrijder gedempt en het gevaar voor letsel voor hoofd en bovenlichaam verminderd. ATTENTIE Juiste zithouding Het is belangrijk dat de bestuurder en bijrijder een afstand van minstens 25 cm tot het stuurwiel resp. het dashboard aanhouden A » Afbeelding 159.
ATTENTIE Algemeen ■ Het stuurwiel en het oppervlak van de airbageenheid in het dashboard aan bijrijderszijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken. Deze delen mogen alleen met een droge of met water vochtig gemaakte doek worden gereinigd. Op de afdekkingen van de airbageenheid of in de onmiddellijke nabijheid daarvan mogen geen voorwerpen worden gemonteerd, zoals bekerhouders, telefoonhouders enzovoort. ■ Nooit voorwerpen op het dashboardoppervlak van de bijrijdersairbag neerleggen.
Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag wordt de voorwaartse beweging van de inzittenden gedempt en het gevaar voor letsel voor het volledige bovenlichaam (borst, buik en bekken) aan de zijde die naar het portier is gericht verminderd. Zij-airbags ATTENTIE Afbeelding 161 Inbouwplaats van de zij-airbags voor/achter Afbeelding 162 Gasgevulde zij-airbags De volgende aanwijzingen moeten voor een juiste zithouding worden opgevolgd.
Bij een aanrijding van opzij wordt de hoofdairbag samen met de betreffende zijairbag en de gordelspanner van de voorstoel aan de zijde van de aanrijding geactiveerd. ATTENTIE Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. In de zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen laten zitten. ■ Er mogen geen grote krachten, zoals krachtig stoten, trappen enzovoort, op de rugleuningen worden uitgeoefend, omdat anders het systeem kan worden beschadigd.
Het buiten werking stellen van de airbags is alleen bedoeld voor de volgende situaties. › Indien een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel moet worden gebruikt (in sommige landen in verband met afwijkende wettelijke bepalingen in rijrichting) » pagina 184, Veilig vervoer van kinderen. › Indien ondanks een correcte instelling van de bestuurdersstoel de afstand van ten minste 25 cm tussen het midden van het stuurwiel en het borstbeen niet kan worden aangehouden.
ATTENTIE Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen De bestuurder is verantwoordelijk voor het buiten werking stellen of in paraatheid brengen van de airbag. ■ De airbag alleen bij afgezet contact buiten werking stellen! Anders kunt u een storing in het systeem voor het buiten werking stellen van de airbag veroorzaken.
Het systeem wordt bij een frontale aanrijding met een voetganger bij snelheden van 30-55 km/h automatisch geactiveerd. Het achterste gedeelte van de motorkap wordt bij de aanrijding circa 55 mm opgetild en vormt hiermee een deformatieruimte boven de motor. voetgangersbescherming Voetgangersbeschermingssysteem De systeemsensoren bevinden zich in de voorbumper. De status van het systeem wordt door het controlelampje in het instrumentenpaneel weergegeven » pagina 16.
De motorkap kan na een systeemactivering alleen worden geopend als deze niet is vervormd. ATTENTIE Na de activering kan het systeem zijn beschermende werking niet meer vervullen. Onmiddelijk en met aangepaste rijstijl de dichtstbijzijnde ŠKODA Servicepartner opzoeken, waar het het systeem wordt vervangen. Maximaal 80 km/h rijden. ■ De zittinghoogte voor de rit aanpassen, zodat de opgetilde motorkap het zicht naar voren niet belemmerd » Afbeelding 165 - .
ATTENTIE (vervolg) Veilig vervoer van kinderen Het kind dient dient tijdens de gehele duur van de rit beveiligd te zijn! Anders zou het kind in geval van een ongeval door de wagen kunnen worden geslingerd en kan hierdoor zichzelf en de andere passagiers levensgevaarlijk verwonden. ■ Als kinderen tijdens het rijden naar voren leunen of een verkeerde zithouding innemen, staan ze bij een ongeval bloot aan een groter risico op lichamelijk letsel.
ATTENTIE Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel Nooit een naar achteren gericht kinderveiligheidssysteem op een stoel aanbrengen die door een zich hiervoor bevindende ingeschakelde airbag wordt beveiligd. Het kind kan hierdoor zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Afbeelding 166 Sticker op de B-stijl aan bijrijderszijde / waarschuwingssticker Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 184 en volg deze op.
Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag Groep Gewicht van het kind Leeftijd 0 tot 10 kg tot 9 maanden 0+ tot 13 kg tot 18 maanden 1 9-18 kg tot 4 jaar 2 15 - 25 kg tot 7 jaar 3 22 - 36 kg ouder dan 7 jaar Gebruik van kinderzitjes die met een veiligheidsgordel worden bevestigd Afbeelding 167 Een niet goed vastgezet kind in een niet-correcte zithouding - in gevaar gebracht door de zij-airbag / het met een kinderzitje wel goed vastgezette kind Overzicht van de bruikbaarheid v
Bevestigingssystemen Tussen de rugleuning en zitting van de buitenste zitplaatsen achterin resp. de bijrijdersstoel bevinden zich twee bevestigingsogen voor de bevestiging van een kinderzitje met het ISOFIX-systeem » Afbeelding 168.
Groep Grootteklasse van het kinderzitjea) Bijrijdersstoelb) Achterbank buitenste zitplaats Achterbank midden X IL-SU IUF X D 1 9-18 kg C B B1 A a) b) De grootteklasse staat vermeld op een op het kinderzitje aangebracht plaatje. Indien de bijrijdersstoel met bevestigingsogen voor het ISOFIX-systeem is uitgerust, dan is deze geschikt voor de inbouw van een ISOFIX-kinderzitje met de goedkeuring "semi-universeel".
ATTENTIE Raadgevingen voor het gebruik Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid.
Na het einde van het koude jaargetijde moet ook de onderzijde van de wagen grondig worden gereinigd. Bij het wassen van de wagen in een automatische wasinstallatie moeten de buitenspiegels worden ingeklapt om deze niet te beschadigen. Elektrisch verstelbare buitenspiegels in geen geval handmatig, maar alleen elektrisch in- of uitklappen. ■ Voor Alcantara® geen oplosmiddelen, boenwas, schoenpoets, vlekkenverwijderaar, leerreiniger en dergelijke gebruiken.
Als het gebruikte polijstmiddel geen conserverende bestanddelen bevat, moet de lak vervolgens worden geconserveerd. Wassen met hogedrukreiniger Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 189 en volg deze op. VOORZICHTIG Er mag nooit was op de ruiten terechtkomen. Mat gelakte delen of kunststof delen mogen niet met polijstmiddelen of vaste was worden behandeld. ■ De lak van de wagen niet in een stoffige omgeving polijsten, anders kan de lak worden beschadigd.
VOORZICHTIG Kunststof onderdelen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 189 en volg deze op. De kunststof delen kunnen met een vochtige doek worden gereinigd. Indien dit niet afdoende is, mogen deze onderdelen alleen met speciaal hiervoor bedoelde oplosmiddelvrije reinigingsmiddelen worden behandeld. Onderhoudsmiddelen voor lak zijn niet geschikt voor kunststof delen.
Velgen Bij het regelmatig wassen van de wagen moeten ook de velgen grondig worden gewassen. Strooizout en remstof moet elke twee weken van de velgen worden verwijderd, anders wordt het velgmateriaal aangetast. Een eventuele beschadiging van de laklaag op de velgen moet direct worden gerepareerd.
Stof en vuildeeltjes in poriën, plooien en naden kunnen schuren en het oppervlak beschadigen. Als de wagen lang in de buitenlucht staat, de Alcantara® stoelbekleding tegen direct zonlicht beschermen om verbleken te voorkomen. Lichte verkleuringen door het gebruik zijn normaal. De ŠKODA Servicepartners beschikken over de geschikte middelen, hebben de noodzakelijke apparatuur en kennen de toepassingsvoorschriften.
Sterkere verontreiniging Let erop dat het leer nergens te nat wordt en dat er geen water in de naden sijpelt. Het leer met een zachte, droge doek droogwrijven. Vlekken verwijderen Verse vlekken op waterbasis (zoals koffie, thee, sap, bloed enzovoort) met een absorberende doek of keukenrol verwijderen. Bij een reeds ingedroogde vlek een geschikt reinigingsmiddel gebruiken. Verse vlekken op vetbasis (zoals boter, mayonaise, chocolade enzovoort) verwijderen met een absorberende doek of keukenrol resp.
Let op Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Originele ŠKODA accessoires en originele ŠKODA onderdelen zijn verkrijgbaar bij de ŠKODA Servicepartners. Deze kunnen ook de montage van de aangekochte onderdelen vakkundig voor u uitvoeren.
ATTENTIE (vervolg) Componentenbescherming Nooit uit oude wagens uitgebouwde of uit de recycling voortkomende airbagonderdelen in de wagen inbouwen. ■ Een wijziging aan de wielophanging van de wagen inclusief het gebruik van niet toegelaten velg-bandcombinaties kan de werking van de airbag veranderen en het risico op een zware of dodelijke verwonding bij een ongeval verhogen. ■ Onderdelen van het airbagsysteem kunnen bij het uit- resp.
Tanken Controleren en bijvullen Brandstof Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Tanken Loodvrije benzine Diesel 198 199 200 Afbeelding 171 Tankklep openen / tankklep met losgeschroefde tankdop Aan de binnenzijde van de tankklep is de juiste brandstofsoort voor uw wagen aangegeven » Afbeelding 171 op pagina 198 - .
› Het vulpistool uit de brandstofvulopening nemen en weer op de pomp aanbren- Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine min. RON 95 Loodvrije benzine RON 95 gebruiken. gen. › De tankdop rechtsom vastdraaien, totdat deze hoorbaar vergrendelt. › De tankdop met een hand vasthouden, vergrendelen door de sleutel rechtsom te draaien en de sleutel weer verwijderen. › De tankklep sluiten tot deze vergrendelt. › Controleren of de tankklep goed gesloten is.
VOORZICHTIG ■ Alle ŠKODA-wagens met benzinemotor mogen alleen met loodvrije benzine worden gebruikt. Slechts één keer tanken van loodhoudende benzine leidt al tot ernstige beschadiging van de katalysator! ■ Als u in geval van nood benzine met een lager dan het voorgeschreven octaangetal moet tanken, mag u de rit alleen met gemiddelde toerentallen en een geringere motorbelasting voortzetten.
ATTENTIE Bij werkzaamheden in de motorruimte kan gevaar voor ongevallen en brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschuwingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen. De motorruimte van de wagen is een gevaarlijk gebied! ATTENTIE Vóór werkzaamheden in de motorruimte op de volgende aanwijzingen letten. ■ De motor afzetten en de sleutel uit het contact trekken. ■ De handrem stevig aantrekken.
ATTENTIE (vervolg) Motorkap openen en sluiten Wanneer er onder de wagen moet worden gewerkt, moet de wagen tegen wegrollen zijn beveiligd en met passende steunbokken goed worden ondersteund, de krik is hiervoor onvoldoende - gevaar voor verwondingen! ■ De motor nooit met extra dempingsmateriaal (bijvoorbeeld een deken) afdekken - brandgevaar! ■ De motorkap dient tijdens het rijden altijd goed gesloten te zijn.
› De ontgrendelingshendel in pijlrichting 2 drukken, de motorkap wordt ontgrendeld. › De motorkap vastpakken en optillen. › De motorkapsteun uit de houder 3 in pijlrichting nemen en de geopende motorkap ondersteunen door het uiteinde van de steun in de hiervoor bedoelde opening 4 te steken. 5 6 209 203 Let op De indeling van de motorruimte is bij alle benzine- en dieselmotoren praktisch ge lijk. Sluiten › De motorkap iets optillen en de motorkapsteun loshaken.
Gewoon water is niet voldoende om de ruiten en de koplampen intensief te reinigen. Wij adviseren daarom schoon water met een ruitenreiniger uit het programma aan originele ŠKODA accessoires te gebruiken om het vastzittende vuil te verwijderen (in de winter met antivries)). De ŠKODA Servicepartners worden door ŠKODA over actuele wijzigingen geïnformeerd. Daarom adviseren wij om het verversen van de olie door een ŠKODA Servicepartner uit te laten voeren.
VOORZICHTIG Specificaties en vulhoeveelheid Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 204 en volg deze op.
De motorolie moet volgens de in het Serviceplan aangegeven intervallen of volgens de service-intervalindicatie worden ververst » pagina 11. Oliepeil in gebied C Er moet olie worden bijgevuld, zodat het oliepeil minimaal in gebied B ligt. De motor verbruikt een kleine hoeveelheid olie. Afhankelijk van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden kan het olieverbruik tot circa 0,5 l per 1.000 km bedragen. Tijdens de eerste 5.000 kilometer kan het olieverbruik ook daarboven liggen.
VOORZICHTIG Peil controleren Het percentage antivries in de koelvloeistof mag nooit lager zijn dan 40%. Bij een percentage antivries van meer dan 60% neemt de bescherming tegen bevriezing af evenals de koelende werking. ■ Koelvloeistofadditieven die niet voldoen aan de voorgeschreven specificatie kunnen de bescherming tegen corrosie aanzienlijk verminderen.
Een te laag koelvloeistofpeil in het koelvloeistofexpansiereservoir wordt door het controlesymbool in het instrumentenpaneel weergegeven » pagina 19, Koelvloeistof. Toch raden wij aan het koelvloeistofpeil regelmatig via het reservoir te controleren. Verlies van koelvloeistof Koelvloeistofverlies duidt in de eerste plaats op lekkages. Het is niet voldoende alleen koelvloeistof bij te vullen. Het koelsysteem door een ŠKODA specialist laten controleren.
Als het vloeistofpeil echter binnen korte tijd duidelijk daalt of tot onder de markering "MIN" zakt, kan dit te wijten zijn aan een lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofpeil te laag is, wordt dit door het branden van het controlelampje in het instrumentenpaneel weergegeven » pagina 14, Remsysteem. Waarschuwingssymbolen op de accu Symbool Verversen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 208 en volg deze op. De remvloeistof trekt vocht aan.
ATTENTIE (vervolg) Als u accuzuur in de ogen krijgt, moet u het betreffende oog een aantal minuten met schoon water spoelen - zo snel mogelijk een arts raadplegen! ■ Zuurspatten op de huid of op de kleding direct met zeepsop neutraliseren en met veel water naspoelen. Bij het inslikken van accuzuur - zo snel mogelijk een arts raadplegen. ■ ATTENTIE Open vuur en licht zijn verboden. Roken en bezigheden waarbij vonken ontstaan, zijn verboden.
Bij wagens die zijn uitgerust met een accu met een kleurindicator, het zogenaamde magische oog » Afbeelding 181, kan het accuvloeistofpeil aan de hand van de verkleuring worden vastgesteld. Accuafdekking Afbeelding 180 Motorruimte: Polyester afdekking van de accu Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur van de indicator. Daarom voor de controle voorzichtig op de indicator tikken. › Zwarte kleur - accuvloeistofpeil in orde.
› De poolklemmen van de acculader op de accupolen klemmen (rood = "plus", Accu loskoppelen resp. aansluiten zwart = "min"). › De stekker van de acculader in het stopcontact steken en het apparaat inscha- kelen. › Na de laden: De acculader uitschakelen en de stekker uit het stopcontact trekken. Na het los- en weer vastmaken van de accukabels zijn aanvankelijk de volgende functies buiten werking of kunnen niet meer storingsvrij worden gebruikt: › Nu de poolklemmen van de acculader losnemen.
VOORZICHTIG ■ Ook ondanks eventuele ingrepen van het boordnetmanagement kan de accu ontladen raken. Bijvoorbeeld wanneer het contact langere tijd is ingeschakeld bij afgezette motor of wanneer stads- of parkeerlicht bij lang parkeren is ingeschakeld. ■ Verbruikers die via de 12 vol contactdoos van stroom worden voorzien, kunnen bij uitgeschakeld contact het ontladen van de accu veroorzaken.
ATTENTIE (vervolg) Wielen Velgen en banden Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Levensduur van banden Nieuwe banden Draairichtinggebonden banden Bandenspanningscontrole Reservewiel Wieldop Afdekkappen van de wielbouten Wielbouten 215 216 217 217 218 219 219 219 ATTENTIE Bij het gebruik van banden de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen.
ATTENTIE Levensduur van banden De volgende aanwijzingen betreffende de wielbouten in acht nemen. ■ Wielbouten moeten schoon zijn en licht draaien. Ze mogen nooit met vet of olie behandeld worden. ■ Wanneer de wielbouten met een te laag aantrekmoment zijn aangetrokken, kunnen de velgen tijdens het rijden losraken - gevaar voor ongevallen! Een te hoog aantrekmoment kan de bouten en de schroefdraad beschadigen en kan leiden tot een blijvende vervorming van de draagvlakken op de velg.
Voor de bandenspanning van het reservewiel moet de hoogste bandenspanning die voor de wagen is voorgeschreven, worden aangehouden. De bandenspanning altijd controleren als de banden koud zijn. Nooit de verhoogde druk bij warme banden verminderen. Bij hogere belading de bandenspanning overeenkomstig aanpassen. Rijstijl Snel bochtenwerk, snel accelereren en sterk afremmen verhogen de bandenslijtage. Wielen balanceren De wielen van een nieuwe wagen zijn gebalanceerd.
betekent dat de band in week 10 van het jaar 2013 is geproduceerd. Het gaat hierbij met name om de volgende eigenschappen. Belastingindex Deze geeft de maximaal toegestane belasting van een afzonderlijke band aan. 615 kg 91 92 630 kg 93 650 kg 95 690 kg 97 730 kg 99 775 kg Hogere rijstabiliteit. Minder kans op aquaplaning. Minder bandengeluid en een lagere bandenslijtage.
Als het controlelampje na de kalibratie niet dooft, is er een storing in het systeem aanwezig. De hulp van een ŠKODA specialist inroepen. Reservewiel Bandenspanningsweergave Afbeelding 185 Bagageruimte: Reservewiel Het controlelampje gaat branden als zich het volgende voordoet. › De bandenspanning is te laag. › De structuur van de band is beschadigd. › De wagen is eenzijdig beladen.
ATTENTIE Afdekkappen van de wielbouten In geen geval een beschadigd reservewiel gebruiken. Als het reservewiel qua afmetingen of uitvoering afwijkt van de banden waarmee wordt gereden, nooit sneller rijden dan 80 km/h resp. 50 mph. ■ Volgas accelereren, sterk remmen en het snel nemen van bochten vermijden. ■ ■ Afbeelding 186 Afdekkap lostrekken VOORZICHTIG De aanwijzingen op de waarschuwingssticker van het reservewiel in acht nemen.
Bij winterse wegomstandigheden verbeteren sneeuwkettingen niet alleen de tractie, maar ook het remgedrag. Winterse omstandigheden Sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen worden gemonteerd. Inleiding voor het onderwerp De montage van sneeuwkettingen is om technische redenen alleen bij de volgende velg-bandcombinaties toegestaan.
Tips om het zelf te doen Nooduitrusting en tips om het zelf te doen Nooduitrusting Inleiding voor het onderwerp Afbeelding 188 Plaats van de gevarendriehoek: Octavia / Octavia Combi In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: EHBO-set en gevarendriehoek Brandblusser Wagengereedschap 221 222 222 EHBO-set en gevarendriehoek Afbeelding 187 Plaats van de EHBO-set Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 221 en volg deze op.
Brandblusser Wagengereedschap Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 221 en volg deze op. De brandblusser is met een riem in een houder onder de bestuurdersstoel bevestigd. De instructies die op de brandblusser zijn aangebracht zorgvuldig doorlezen. De brandblusser moet door een daartoe bevoegde persoon jaarlijks worden gecontroleerd. De nationale wettelijke voorschriften moeten worden opgevolgd.
ATTENTIE ATTENTIE De af fabriek meegeleverde krik is alleen voor uw wagenmodel bedoeld. In geen geval hiermee zwaardere voertuigen of andere lasten opkrikken - gevaar voor verwondingen! ■ Ervoor zorgen dat het wagengereedschap in de bagageruimte goed is bevestigd. ■ Let erop dat de box altijd met de riem is vastgezet. De volgende aanwijzingen voor het opkrikken moeten worden opgevolgd.
› Alle passagiers laten uitstappen. Tijdens het repareren van de band mogen de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail). › De motor afzetten. › De versnellingshendel in de neutraalstand resp. de keuzehendel van de automatische versnellingsbak in de P-stand plaatsen. › De handrem stevig aantrekken. › Indien een aanhangwagen is aangekoppeld, dan deze afkoppelen. › Het wagengereedschap » pagina 222 en het reservewiel » pagina 218 uit de ba gageruimte nemen.
Wielbouten losdraaien en vastzetten Wagen opkrikken Afbeelding 191 Steunpunten voor de krik Afbeelding 190 Wiel verwisselen: Wielbouten losdraaien Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 223 en volg deze op. Losdraaien › De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout aanbrengen1). › Het uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de bout circa één omwenteling in pijlrichting draaien » Afbeelding 190.
› Controleren of de grondplaat van de krik met het volledige oppervlak op de vas- Bandenreparatie te ondergrond staat en loodrecht onder de plaats staat waar de klauw de rand omvat » Afbeelding 192 - . › De wagenkrik verder omhoogdraaien tot het wiel net vrij van de grond is. ATTENTIE Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: De wagen alleen bij de krikpunten opkrikken. Voor het opkrikken van de wagen een vaste en vlakke ondergrond opzoeken.
7 Milieu-aanwijzing 8 Gebruikt of verouderd bandenafdichtmiddel moet met inachtneming van de milieuvoorschriften worden afgevoerd. 9 10 11 Let op De met de bandenafdichtset gerepareerde band zo snel mogelijk laten vervangen resp. bij een ŠKODA specialist informeren naar de reparatiemogelijkheden. luchtaftapventiel, aan-uitschakelaar, 12 volt kabelstekker, fles met bandenafdichtmiddel, reserve-ventielinzetstuk. De ventielsleutel 1 heeft aan de onderzijde een gleuf, waarin het ventielinzetstuk past.
› Het ventieldopje eraf draaien. › Met de ventielsleutel 1 het ventielinzetstuk uit het ventiel draaien en het ventielinzetstuk op een schone ondergrond leggen (doek, stuk papier e.d.) Wanneer een bandenspanning van 2,0 - 2,5 bar is bereikt, kan de rit met maximaal 80 km/h worden voortgezet. Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren » pagina 228. ATTENTIE Band afdichten en oppompen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 226 en volg deze op.
Starthulp Starthulp met behulp van de accu van een andere wagen Inleiding voor het onderwerp Afbeelding 195 Starthulp: A - ontladen accu, B stroomleverende accu In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Starthulp met behulp van de accu van een andere wagen Starthulp bij wagens met start-stopsysteem 229 230 ATTENTIE Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 °C bevriezen.
Pluskabel - kleuraanduiding in het algemeen rood. Minkabel - - kleuraanduiding in het algemeen zwart. Het beste voor de wagen en het veiligste is het om met een sleepstang te rijden. Alleen als er geen geschikte sleepstang beschikbaar is, moet een sleepkabel worden gebruikt. Op de volgende aanwijzingen letten. Starthulp bij wagens met start-stopsysteem Bestuurder van de slepende wagen › De koppeling bij het wegrijden uiterst voorzichtig laten opkomen resp.
De sleepkabel resp. de sleepstang aan het sleepoog » pagina 231, Sleepoog voor resp. » pagina 231, Sleepoog achter resp. aan de afneembare kogelkop van de trekhaak » pagina 158 bevestigen. ■ De sleepkabel mag niet zijn verdraaid, omdat onder bepaalde omstandigheden het sleepoog voorop uw wagen zou kunnen worden losgedraaid. ■ Let op Wij adviseren een sleepkabel uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken, die bij een ŠKODA Servicepartner verkrijgbaar is.
Sleepoog in- en uitbouwen › Het sleepoog met de hand in pijlrichting 2 » Afbeelding 198 tot de aanslag vastdraaien » . Let op De afneembare kogelkop moet altijd worden meegenomen, om deze zo nodig voor het afslepen te gebruiken. Voor het vastdraaien adviseren wij bijvoorbeeld de wielsleutel, het sleepoog van een andere wagen of een gelijksoortig voorwerp te gebruiken dat door het oog kan worden gestoken. › Het sleepoog tegen de pijlrichting in Afstandsbediening 2 eruit draaien.
Batterij in de afstandsbediening vervangen Als de wagen bij het bedienen van de afstandsbediening niet wordt ontgrendeld, is het mogelijk dat de sleutel niet is gesynchroniseerd. Dat kan gebeuren als de toetsen van de sleutel met radiografische afstandsbediening meerdere malen buiten het werkingsgebied van het systeem zijn ingedrukt of als de batterij van de sleutel is vervangen. De sleutel als volgt synchroniseren. › Een willekeurige toets op de afstandsbediening indrukken.
Noodontgrendeling/-vergrendeling Portier vergrendelen Inleiding voor het onderwerp Afbeelding 202 Achterportier: Noodvergrendeling In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Bestuurdersportier ont-/vergrendelen Portier vergrendelen Achterklep ontgrendelen Noodontgrendeling keuzehendel 234 234 235 235 Bestuurdersportier ont-/vergrendelen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 234 en volg deze op.
Achterklep ontgrendelen Noodontgrendeling keuzehendel Afbeelding 203 Noodontgrendeling: Octavia / Octavia Combi Afbeelding 204 Noodontgrendeling keuzehendel Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 234 en volg deze op. › De handrem stevig aantrekken. › Het opbergvak voorin de middenconsole » pagina 75 openen. › De afdekking 1 bij de pijl vastpakken en voorzichtig in pijlrichting Ontgrendelen (Octavia) › De rugleuning van de achterbank naar voren klappen » pagina 72.
› De wisserarmen op de voorruit terugklappen. › Het contact inschakelen en de hendel in stand ATTENTIE Om veiligheidsredenen moet u de ruitenwisserbladen jaarlijks een- tot tweemaal vervangen. Deze zijn verkrijgbaar bij een ŠKODA Servicepartner. De wisserarmen gaan naar de basisstand. Afbeelding 206 Ruitenwisserblad van de achterruit Afbeelding 205 Ruitenwisserblad van de voorruit Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 235 en volg deze op.
Kleurcode Zekeringen en gloeilampjes Zekeringen Inleiding voor het onderwerp 15 geel/blauw 20 wit 25 groen/roze 30 oranje/groen 40 rood 50 In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Zekeringen in het dashboard - Wagen met links stuur Zekeringen in het dashboard - Wagen met rechts stuur Zekeringenoverzicht in het dashboard Zekeringen in de motorruimte Zekeringenoverzicht in de motorruimte 238 238 239 240 240 Max.
Zekeringen in het dashboard - Wagen met links stuur Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 237 en volg deze op. Bij wagens met rechts stuur bevindt zich de zekeringenhouder aan de bijrijderszijde achter het opbergvak aan linkerzijde van het dashboard. Afbeelding 207 Opbergvak aan bestuurderszijde: Wagen met links stuur Opbergvak uitbouwen en zekering vervangen › Een schroevendraaier onder de zij-afdekking schuiven » Afbeelding 208.
Nr.
Nr.
Nr. Verbruiker › Voor het vervangen van gloeilampjes het contact en alle verlichting uitschake- F20 Alarm F21 ABS › Defecte gloeilampjes mogen alleen worden vervangen door gloeilampjes van F22 Motorregelapparaat F23 Startmotor F24 Extra verwarming F31 Vrij F32 Vrij F33 Vrij F34 Voorruitverwarming - rechts F35 Vrij F36 Vrij F37 Regelapparaat voor interieurvoorverwarming F38 Vrij len. hetzelfde type. De typeaanduiding staat op de lampvoet of op het glas van de lamp.
Koplampen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 241 en volg deze op. › De rubber dop 1 » Afbeelding 212 op pagina 242 verwijderen. › De stekker met het gloeilampje door verschuiven naar beneden in pijlrichting A » Afbeelding 213 en in pijlrichting B lostrekken. › De stekker lostrekken. › Het nieuwe gloeilampje zodanig aanbrengen, dat de grendelnokken van het gloeilampje in de uitsparingen van de reflector passen. › De stekker monteren.
Gloeilampje van dagrijverlichting en stadslicht vervangen Afbeelding 217 Gloeilampje vervangen Afbeelding 215 Xenonkoplamp: Gloeilampje van dagrijverlichting en stadslicht vervangen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 241 en volg deze op. Rooster verwijderen › Het beschermrooster in pijlrichting » Afbeelding 216 - met behulp van de beugel voor het lostrekken van de wieldoppen » pagina 222, Wagengereedschap losmaken.
Gloeilampje van kentekenplaatverlichting vervangen Achterlicht (Octavia) Afbeelding 218 Kentekenplaatverlichting uitbouwen / gloeilampje vervangen Afbeelding 219 Afdekking / achterlicht uitbouwen Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 241 en volg deze op. › De achterklep openen. › Op de met de pijl gemarkeerde plaats » Afbeelding 218 - een schroevendraaier aanbrengen, licht indrukken en de veer ontgrendelen. › De kentekenplaatverlichting verwijderen.
› De beide vergrendelingen op de stekker in pijlrichting 1 samendrukken » Afbeelding 220 - . › De stekker voorzichtig in pijlrichting 2 van het achterlicht lostrekken. Inbouwen › De stekker op het achterlicht aansluiten en goed vergrendelen. › Het achterlicht loodrecht in de bevestigingen in de carrosserie aanbrengen » Afbeelding 220 - . › Het achterlicht voorzichtig zodanig in de carrosserie drukken, dat de pennen 1 » Afbeelding 221 op pagina 245 in de steunen van de carrosserie vallen » .
Achterlicht (Octavia Combi) › De beide vergrendelingen op de stekker in pijlrichting 1 samendrukken » Afbeelding 224 - . › De stekker voorzichtig in pijlrichting 2 van het achterlicht lostrekken. Inbouwen › De stekker op het achterlicht aansluiten en goed vergrendelen. › Het achterlicht loodrecht in de bevestigingen in de carrosserie aanbrengen » Afbeelding 224 - .
Gloeilampjes van het achterlicht vervangen (Octavia Combi) Afbeelding 225 Buitenste gedeelte van het achterlicht: Basisachterlicht / achterlicht met LED-diodes Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 241 en volg deze op. Buitenste gedeelte van het achterlicht › De lampenhouder 2 » Afbeelding 225 linksom draaien en uit de behuizing verwijderen.
Sticker met wagengegevens De sticker met wagengegevens » Afbeelding 226 bevindt zich op de bodem van de bagageruimte en is ook in het Serviceplan geplakt.
Het laadvermogen kan worden berekend uit het verschil tussen het maximaal toegestane gewicht en het rijklaar gewicht » . De berekening van het gemiddelde brandstofverbruik gebeurt met een wegingsfactor van ongeveer 37% voor de stadscyclus en 63% voor de buitenwegcyclus.
Afmetingen Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 248 en volg deze op. Afmetingen (in mm) OCTAVIA Lengte OCTAVIA COMBI 4659 Breedte 1814 Breedte inclusief de buitenspiegels 2017 Hoogte Bodemvrijheid Basismaat. 1461 1465 Wagens met het pakket voor slechte wegen. 1476 1480 Wagens met het SPORT-pakket. 1446 140 Wagens met het pakket voor slechte wegen. 155 Wagens met het SPORT-pakket. Wielbasis 125 Basismaat. 2686 Wagens met de 1,8 l/132 kW TSI motor.
Specifieke gegevens afhankelijk van het motortype Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 248 en volg deze op. De aangegeven waarden zijn vastgesteld aan de hand van regels en onder omstandigheden die door wettelijke of technische voorschriften voor de bepaling van bedrijfsgegevens en technische gegevens van motorvoertuigen zijn vastgelegd.
1,4 l/103 kW TSI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 103/4500-6000 250/1500-3500 4/1395 OCTAVIA MG6a) OCTAVIA DSG7 OCTAVIA COMBI MG6a) Topsnelheid (km/h) 215 215 212 212 Acceleratie 0-100 km/h (s) 8,4 8,5 8,5 8,6 620 630 630 640 Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) a) b) c) OCTAVIA COMBI DSG7 1500b)/1800c) Geldt voor wagens met het Green tec-pakket Hellingen tot 12%.
1,6 l/77 kW TDI motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) 77/3000-4000 250/1500-2750 4/1598 OCTAVIA MG5a) OCTAVIA DSG7a) OCTAVIA COMBI MG5a) Topsnelheid (km/h) 194 194 191 191 Acceleratie 0-100 km/h (s) 10,8 10,9 11,0 11,1 650 650 660 660 Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) a) b) c) OCTAVIA COMBI DSG7a) 1500b)/1800c) Geldt voor wagens met het Green tec-pakket Hellingen tot 1
Trefwoordenlijst A Aanbevolen rusttijd Zie Vermoeidheidsherkenning Aandrijfslipregeling (ASR) Aanhangwagen 13-polige contactdoos Beladen Borgoog Met een aanhangwagen rijden Aanhangwagengebruik Aanhangwagenstabilisator Aanwijzing Zie KESSY ABS Controlelampje Werking Accessoires Accu Accuvloeistof controleren Afdekking Automatische verbruikersuitschakeling Controlesymbool Laden Ladingstoestandweergave Loskoppelen resp.
Uitklapbare dubbele haak 85 Uitklapbare haken (Octavia Combi) 86 90 Vak met cargo-element Variabele bagageruimtevloer 92 Verlichting 83 Zie achterklep 38 Bagageruimteafdekking 87 Bagageruimteafdekking (Octavia Combi) 88 Banddraagvermogen Zie Wielen 217 Banden 214 Maten 215 Nieuwe 216 Slijtagemerktekens 215 Spanning 215 Zie Wielen 216 Bandenafdichtset 227 Bandenreparatie Band afdichten en oppompen 228 Spanning controleren 228 Voorbereidende werkzaamheden 227 Bandenspanning Controlelampje 17 Bandenspanningsco
D Dagrijverlichting Dakdragersysteem Bevestigingspunten Daklast Diesel Winterse omstandigheden Zie Brandstof Digitale klok Dimlicht Display Door water rijden Dragers Driehoek 50 96 97 97 200 200 11 50 9 134 96 221 E Eco-tips Economisch rijden Anticiperend rijden Ballast Bandenspanning Korte ritten Met volgas rijden Regelmatig onderhoud Stationair draaien EDS EHBO-set Elektrische achterklep Akoestische signalen Bedienen Bovenste positie van de klep instellen Bovenste positie van de klep wissen Functiestori
Schakeladvies Waarschuwing portier Inparkeersysteem Inparkeren Meldingen Parkeerruimte vinden Inrijden Banden De eerste 1.
Bestuurdersruimte COMING HOME/LEAVING HOME Dagrijverlichting Dimlicht Gloeilampjes vervangen Grootlicht Grootlichtsignaal In- en uitschakelen Knipperlicht Lichtbundelhoogteverstelling Mistachterlicht Mistlampen Mistlampen met CORNER-functie Parkeerlicht Stadslicht Toeristisch licht Licht in- en uitschakelen Luchtroosters 56 55 50 50 241 51 51 50 51 50 54 54 54 56 50 52 50 100 M Milieu Milieubewust rijden Milieuvriendelijkheid Mistachterlicht Controlelampje Mistlampen Controlelampje Mistlampen met CORNER-f
Opbergvak in de middenconsole voorin Opbergvakken in de portieren Opbergvak onder de armsteun voorin Parkeerhulp 138 Opbergvak onder de bijrijdersstoel Automatische systeemactivering bij vooruitrijden 140 Parkeertickethouder Rijbaanweergave 140 Rugleuning met skiluik Werking 139 Sigarettenaansteker Parkeertickethouder 73 Uitneembare skizak Parkeren Proactieve inzittendenbescherming Automatische remingreep 143 Meldingen Inparkeersysteem 140 Werking Parkeerhulp 138 Uit een parallel aan de rijbaan staande park
Schakelaar in het bestuurdersportier Elektrische ruitbediening Schakeladvies Schakelen Energiebesparend rijden Schakeladvies Versnellingshendel Scheidingsnet Achter de achterbank Achter de voorstoelen Behuizing uit- en inbouwen Schuif-/kanteldak Bedienen (Octavia Combi) Bedienen (Octavia) Openen en omhoogzetten (Octavia Combi) Openen en omhoogzetten (Octavia) Rolgordijn openen (Octavia Combi) Rolgordijn sluiten (Octavia Combi) Sluiten (Octavia Combi) Sluiten (Octavia) Service-indicatie Sigarettenaansteker S
Variabele bagageruimtevloer 92 Bagageruimte indelen 94 94 Samenklappen Stand wijzigen 93 Veiligheid 165 Hoofdsteunen 67 ISOFIX 187 Juiste zithouding 166 Kinderzitjes 184 TOP TETHER 188 Veilig vervoer van kinderen 184 Veiligheidsgordel Controlelampje 14 Controlesymbool 19 Veiligheidsgordels Gordeloprolautomaten 172 Gordelspanners 172 Het natuurkundige principe van een frontale botsing 170 Hoogteverstelling 172 Omgespen en losmaken 171 Reinigen 195 Veilig vervoer van kinderen Zij-airbag 186 Velgen 214 Verchro
Wagengereedschap Wagenhoogte Wagenlengte Wagen opkrikken Wagen parkeren Wagentoestand Zie Auto-Check-Control Wagen van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen Wassen Automatische wasinstallatie Hogedrukreiniger Met de hand Water Rijden Weergave Brandstofhoeveelheid Koelvloeistoftemperatuur Wegrijblokkering Wielbouten Afdekkappen Antidiefstalwielbout Losdraaien en vastzetten Wielen Algemene aanwijzingen Bandenmaten Bandenslijtagemerktekens Bandenspanning Belastingindex Bouten Draairichtinggebonden banden Leve
ŠKODA werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling van alle modellen en typen. Wij vragen u om begrip, dat om deze reden wijzigingen van de leveringsomvang in de vorm, uitvoering en techniek mogelijk zijn. De gegevens over uiterlijk, maten, gewichten, normen en functies van de wagen komen overeen met de stand van de informatie op het moment van het ter perse gaan van dit instructieboekje.
www.skoda-auto.com Ook u kunt een bijdrage leveren aan een beter milieu! Het brandstofverbruik van uw ŠKODA en de hiermee samenhangende emissies van schadelijke stoffen wordt hoofdzakelijk bepaald door uw rijstijl. Het geluidsniveau en de slijtage van uw wagen zijn afhankelijk van hoe u met uw wagen omgaat. Hoe u milieubewust gebruikmaakt van uw ŠKODA en tegelijkertijd zuinig kunt rijden, leest u in dit instructieboekje.