INSTRUCTIEBOEKJE Wagen en infotainment ŠKODA FABIA
Documentatie van de aflevering van de wagen Datum van aflevering van de wagena) ŠKODA Partner Stempel en handtekening verkoper Ik bevestig dat de hier vermelde wagen in correcte staat aan mij is overhandigd en dat ik vertrouwd ben gemaakt met het juiste gebruik ervan en de garantiebepalingen. Handtekening van de klant Heeft de wagen verlengde garantie? Ja Nee Beperking van de ŠKODA garantieverlengingb) Jaar: a) b) of Km: resp.
1e eigenaar 2e eigenaar Deze wagen met kenteken (vult de verkoper in) is eigendom van: Deze wagen met kenteken is eigendom van: Titel, naam / firma: Titel, naam / firma: Adres: Adres: Telefoon: ŠKODA Partner ŠKODA Partner Telefoon: Serviceadviseur: Telefoon: 6V0012732AH Serviceadviseur: Telefoon:
Nuttige verwijzingen Voor de rit Stoel instellen Stuurwiel instellen Buitenspiegels Koplampen/verlichting Ruitenwissers en -sproeiers Verwarming en ventilatie Ruitverwarming » pag. 70 » pag. 20 » pag. 69 » pag. 62 » pag. 68 » pag. 94 » pag. 66 Instrumentenpaneel Controlelampjes Displaybediening Tijd instellen » pag. 37 » pag. 48 » pag. 46 Ontgrendelen en openen Sleutelloos ontgrendelen (KESSY) Achterklep Ruitbediening Motorkap » pag. 54 » pag. 59 » pag. 59 » pag.
Inhoudsopgave Productaansprakelijkheid en ŠKODA garantie voor nieuwe wagens 6 Radio-apparatuur - informatie over richtlijn 2014/53/EU 8 Over dit instructieboekje Inleidende informatie Algemeen Gedrukt instructieboekje Elektronische versie van het instructieboekje Videohandleidingen MyŠKODA App applicatie Toelichtingen 24 24 26 Veilig vervoer van kinderen Kinderzitje Bevestigingssystemen 28 28 31 Bediening 9 9 9 9 10 10 11 Online-diensten ŠKODA Connect Dienstenpakket ŠKODA Connect Internetpagina ŠKO
Infotainment-instellingen - Swing Infotainment-systeeminstellingen Instellingen van het menu Radio Instellingen van het menu Media Instellingen van het menu Telefoon 117 117 118 119 119 Infotainment-instellingen - Blues Infotainment-systeeminstellingen Instellingen van het menu Radio Instellingen van het menu Media 120 120 120 120 Radio Bediening 121 121 Media Bediening Audiobronnen 126 126 129 Afbeeldingen Viewer 133 133 Media Command Bediening 135 135 Telefoon Inleidende informatie Koppeling e
Noodontgrendeling/-vergrendeling Ruitenwisserbladen vervangen Zekeringen en gloeilampjes Zekeringen Gloeilampjes 239 240 242 242 245 Technische gegevens Technische gegevens Fundamentele wagengegevens Wagenspecifieke gegevens afhankelijk van het motortype 253 253 258 Trefwoordenlijst Inhoudsopgave 5
Productaansprakelijkheid en ŠKODA garantie voor nieuwe wagens Productaansprakelijkheid Uw ŠKODA Partner is als verkopende partij conform de wettelijke voorschriften en het koopcontract aansprakelijk voor gebreken aan uw nieuwe ŠKODA, aan ŠKODA originele onderdelen en aan ŠKODA originele accessoires. ŠKODA garantie voor nieuwe wagens Naast de aansprakelijkheid voor het product biedt de firma ŠKODA AUTO u de ŠKODA garantie voor nieuwe wagens (hierna "ŠKODA garantie" genoemd).
Mobiliteitsgarantie De mobiliteitsgarantie staat voor een gevoel van zekerheid. Indien u onderweg onverhoopt met pech blijft staan, kunt u door de mobiliteitsgarantie toch uw reis voortzetten. Tot de mobiliteitsgarantie behoren: Pechhulp ter plaatse en het afslepen naar de ŠKODA Servicepartner, telefonische technische ondersteuning resp. herstel ter plaatse.
Radio-apparatuur - informatie over richtlijn 2014/53/EU Afb. 1 ŠKODA-internetpagina's Uw wagen beschikt over diverse radio-apparatuur. De fabrikanten van deze apparatuur verklaren dat deze apparatuur voldoet aan de voorschriften conform richtlijn 2014/53/EU. Voor de weergave van de conformiteitsverklaring als volgt te werk gaan. 1. De QR-code » afb. 1 inlezen of het volgende adres in de webbrowser ingeven. http://go.skoda.
Over dit instructieboekje Inleidende informatie Algemeen Dit instructieboekje aandachtig doorlezen, omdat dit een voorwaarde vormt voor een juiste bediening van de wagen. Gedrukt instructieboekje In het gedrukte instructieboekje staat alleen de belangrijkste informatie vermeld aangaande de bediening van de wagen. De volledige informatie staat in de elektronische versie van het instructieboekje. Elektronische versie van het instructieboekje Afb.
Videohandleidingen Afb. 3 Videohandleidingen De MyŠKODA App applicatie bevat bv. de elektronische versie van het instructieboekje, snelle tips om bepaalde situaties met betrekking tot de wagen op te lossen of een beschrijving van de Simply Clever-oplossingen. Door middel van de applicatie kunt u contact opnemen met een ŠKODA Partner en een beroep doen op zijn diensten of snel toegang krijgen tot de reparatiedienst. De applicatie kan ook worden gebruikt als RSS-lezer voor favoriete websites.
Toelichtingen Gebruikte begrippen "Specialist" - Werkplaats die vakkundig servicewerkzaamheden aan wagens van het merk ŠKODA uitvoert. Een specialist kan zowel een ŠKODA Partner, een ŠKODA Servicepartner als ook een onafhankelijke werkplaats zijn. "ŠKODA Servicepartner" - Werkplaats die contractueel door de firma ŠKODA AUTO of de importeur is geautoriseerd om servicewerkzaamheden aan wagens van het merk ŠKODA uit te voeren en ŠKODA originele onderdelen te verkopen.
Let op De beschikbaarheid van de vermelde diensten is afhankelijk van de geldigheidsduur van het contract. Gedurende de looptijd van het contract zijn tussentijdse inhoudelijke wijzigingen van deze diensten mogelijk. Online-diensten ŠKODA Connect Dienstenpakket ŠKODA Connect De ŠKODA Connect online-diensten breiden de wagen- en infotainment-functies uit met de dienstenpakketten Care Connect en Infotainment Online.
De ŠKODA Connect Portal kan worden geopend door het inlezen van de QRcode » afb. 6 of na het invoeren van het volgende adres in de webbrowser. http://go.skoda.eu/connect-portal Informatie over de registratie en activering van de online-diensten http://go.skoda.eu/connect-manual Let op Voor hulp bij de registratie, activering en de internetverbinding kunt u contact opnemen met een ŠKODA Servicepartner. Afb. 7 Instructievideo over de registratie en activering van de diensten Afb.
Activering van de online-diensten in het infotainment › Het contact en het infotainment inschakelen. › Op de toets drukken en vervolgens de functietoets → ŠKODA Connect (online-diensten) → Registratie aantippen. › De bij de gebruikers- en wagenregistratie op de ŠKODA Connect Portal ontvangen registratie-pincode ingeven en bevestigen.
› Op het infotainmentbeeldscherm of op het display van het instrumentenpa- Geactiveerde lokalisatiediensten neel de verbindingsopbouw bevestigen. Afb. 9 Symbolen van de geactiveerde lokalisatiediensten De handmatige verbindingsopbouw kan zo bv. worden gebruikt om een ongeval te melden waarbij u niet direct betrokken bent. De systeemtoestand wordt na het inschakelen van het contact door het branden van het controlelampje A » afb. 10 aangegeven.
Toetsen en controlelampje van de Care Connect-diensten » afb. 11 A Controlelampje voor de systeemtoestand. B Door op de toets te drukken wordt de verbinding met het informatienummer opgebouwd bij problemen met de online-diensten of voor informatie over de producten en diensten van het merk ŠKODA. C Door op de toets te drukken wordt de verbinding met het pechnummer opgebouwd in geval van pech. De systeemtoestand wordt na het inschakelen van het contact door het branden van het controlelampje A » afb.
Online-import van de categorieën bijzondere reisdoelen » pag. 152 Voorwaarden voor het gebruik van de online-diensten Instellingen van de online-diensten » pag. 113 Meer informatie over de beschikbare diensten kunt u op de ŠKODA Connect internetpagina vinden » pag. 12. Let op De beschikbaarheid van de vermelde diensten is afhankelijk van de geldigheidsduur van het contract. Gedurende de looptijd van het contract zijn tussentijdse inhoudelijke wijzigingen van deze diensten mogelijk.
Veiligheid Passieve veiligheid Algemene aanwijzingen Inleiding voor het onderwerp In dit hoofdstuk van het instructieboekje vindt u belangrijke informatie met betrekking tot het thema passieve veiligheid. We hebben hier alles samengevat wat u bv. over veiligheidsgordels, airbags, de veiligheid van kinderen enz. moet weten. Verdere belangrijke informatie met betrekking tot de veiligheid kunt u ook vinden in de volgende hoofdstukken van dit instructieboekje.
ATTENTIE Instelbare stoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamslengte worden ingesteld en de veiligheidsgordels moeten altijd goed omgegespt zijn, zodat de inzittenden zo optimaal mogelijk worden beschermd. ■ Iedere inzittende in de wagen moet de bij die zitplaats horende veiligheidsgordel juist omgespen en dragen. Kinderen moeten met een geschikt veiligheidssysteem worden vastgezet » pag. 28, Veilig vervoer van kinderen.
Stand van het stuurwiel instellen Juiste zithouding van de bijrijder Afb. 15 Stuurwielstand instellen Lees en bekijk eerst op bladzijde 19. De stand van het stuurwiel kan in hoogte en in lengterichting worden versteld. › De borghendel onder het stuurwiel in pijlrichting 1 zwenken » afb. 15. › Het stuurwiel in de gewenste stand zetten. Het stuurwiel kan in pijlrichting 2 worden versteld. › De borghendel tot de aanslag in pijlrichting 3 drukken.
Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels gebruiken Inleiding voor het onderwerp Correct omgegespte veiligheidsgordels bieden een goede bescherming bij ongelukken. Ze verkleinen het risico op lichamelijk letsel aanzienlijk en vergroten de kans een zwaar ongeval te overleven. De gordels reduceren de bewegingsenergie aanzienlijk. Verder voorkomen ze ongecontroleerde bewegingen die zwaar letsel tot gevolg kunnen hebben. Bij het vervoeren van kinderen de volgende aanwijzingen in acht nemen » pag.
Goed verloop van gordelband Gordelhoogteverstelling voor de voorstoelen › De doorvoerplaat in pijlrichting omhoog verschuiven » afb. 17 - . › Of: De borgklem in de richting van de pijlen 1 samendrukken en de doorvoerplaat omlaag verschuiven in pijlrichting 2 » afb. 17 - . › Na het verstellen met een ruk aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of de doorvoerplaat goed is vergrendeld en of de gordel goed blokkeert » pag. 23, Gordeloprolautomaten.
Omgespen › De gordelband langzaam over borst en bekken trekken. › De slotgesp in het bij de stoel behorende gordelslot » afb. 18 - steken tot deze hoorbaar vastklikt. › Aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of de slotgesp goed in het slot is vastgeklikt. Losmaken › De slotgesp vastpakken en de rode knop in het gordelslot indrukken » afb. 18 - , de slotgesp springt uit het slot.
Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Inleiding voor het onderwerp Het airbagsysteem biedt als aanvulling op de veiligheidsgordels een extra inzittendenbescherming bij ernstige aanrijdingen van voren en van opzij. De maximale beschermende werking van de airbag wordt alleen bereikt in combinatie met een correct omgegespte veiligheidsgordel, de airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordel.
Bij het opblazen van de airbag komt rook vrij. Dat is geen teken dat de wagen in brand staat. Activeringsvoorwaarden De voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden van het airbagsysteem kunnen niet exact worden gedefinieerd. Belangrijk hierbij is de hardheid van het voorwerp waar de wagen tegenaan botst, de botshoek, de rijsnelheid, enz. Doorslaggevend voor de activering van de airbags is de optredende mate van vertraging.
ATTENTIE (vervolg) Bij gebruik van een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel, moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld » pag. 26, Airbags buiten werking stellen. Als dat niet gebeurt, kan het kind door de geactiveerde bijrijdersvoorairbag zwaar gewond raken of zelfs worden gedood. ■ In het gebied waarin de voorairbags naar buiten komen, mogen zich vóór de inzittenden op de voorstoelen geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden.
▶ In de wagen zijn extra bedieningselementen voor bestuurders met een lichaamsbeperking ingebouwd. ▶ In de wagen zijn speciale stoelen (bv. orthopedische stoelen zonder zij-airbags) ingebouwd. ATTENTIE Als bij de verkoop van de wagen een airbag buiten werking is gesteld, dan moet de koper daarvan op de hoogte worden gebracht! Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen › Controleren of na het inschakelen van het contact het controlelampje brandt. In paraatheid brengen › Het contact uitschakelen.
Veilig vervoer van kinderen Kinderzitje Inleiding voor het onderwerp Om het gevaar voor verwondingen bij een ongeval te verminderen, is het vervoer van kinderen uitsluitend in kinderzitjes toegestaan! Voor de montage en het gebruik van het kinderzitje de aanwijzingen in dit instructieboekje en in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje in acht nemen. Wij adviseren u om veiligheidsredenen kinderen altijd op de zitplaatsen achterin mee te nemen.
Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel (variant 1) Geldt niet voor Taiwan ▶ De veiligheidsgordel van de bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar boven verstellen. ▶ Bij kinderzitjes van de groepen 2 en 3 dient erop te worden gelet dat de doorvoerplaat aan de hoofdsteun van het kinderzitje zich voor of op gelijke hoogte bevindt met de doorvoerplaat op de B-stijl aan bijrijderszijde. De hoogte van de bijrijdersveiligheidsgordel zo instellen, dat de gordel in de doorvoerplaat niet "geknikt" is.
Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag Groepenindeling van kinderzitjes Afb. 25 Een niet goed vastgezet kind in een niet-correcte zithouding - in gevaar gebracht door de zij-airbag / het met een kinderzitje wel goed vastgezette kind Lees en bekijk eerst Lees en bekijk eerst op bladzijde 28. Groepenindeling van kinderzitjes volgens de ECE-R 44-norm. op bladzijde 28.
U Kinderzitjecategorie "universeel" - Kinderzitje dat voor de bevestiging op de stoel met de veiligheidsgordel is bedoeld. Bij de buitenste zitplaatsen achterin bevinden zich twee bevestigingsogen voor de bevestiging van een kinderzitje met het -systeem » afb. 26. ATTENTIE Bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje met het -systeem beslist de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje in acht nemen.
Groep 2 15-25 kg 3 22-36 kg a) Klasse van het kinderzitjea) Bijrijdersstoel Buitenste zitplaatsen achterin Middelste zitplaats achterin - X IL-SU X - X IL-SU X De grootteklasse staat vermeld op een op het kinderzitje aangebracht plaatje. IL-SU IUF X De stoel is geschikt voor -kinderzitjes met de goedkeuring "semi-universeel". De categorie "semi-universeel" betekent dat het kinderzitje is goedgekeurd voor het -systeem in uw wagen.
Veilig vervoer van kinderen 33
Afb.
18 Bediening 19 Bestuurdersruimte 20 Overzicht 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 Elektrische ruitbediening Portiergreep Elektrische buitenspiegelverstelling Luchtroosters Parkeerkaarthouder Bedieningshendel (afhankelijk van de uitrusting): ▶ Knipper- en grootlicht ▶ Snelheidsregelsysteem ▶ Snelheidsbegrenzer Stuurwiel met claxon / met bestuurdersvoorairbag Toetsen voor de bediening van het informatiesysteem Instrumentenpaneel Bedieningshendel: ▶ Ruitenwissers en -sproeiers ▶ Informatiesyst
Instrumenten en controlelampjes 3 Instrumentenpaneel 4 Inleiding voor het onderwerp 5 6 7 Snelheidsmeter ▶ Met controlelampjes » pag. 37 Rij controlelampjes » pag. 37 Bedieningstoets: ▶ Tijd instellen » pag. 46 ▶ Teller voor de afgelegde afstand (trip) terugstellen » pag. 46 ▶ Afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn weergeven » pag. 52 Koelvloeistoftemperatuurmeter » pag. 37 Brandstofmeter » pag.
De tankinhoud bedraagt ongeveer 45 liter. Koelvloeistoftemperatuurmeter Afb. 31 Koelvloeistoftemperatuurmeter Geldt alleen voor wagens met het instrumentenpaneel - Variant 1 » afb. 29 op pag. 36. De weergave » afb. 31 werkt alleen bij ingeschakeld contact. Koude bereik - de naald staat in het bereik A , de motor heeft zijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt. Hoge motortoerentallen en sterke motorbelasting moeten worden voorkomen. Wanneer de naald het reservebereik A resp.
Controle van de motorelektronica (benzinemotor) Airbagsysteem Bandenspanning Brandstofreserve Knipperlichten Aanhangwagenknipperlichten Mistlampen Snelheidsregelsysteem Snelheidsbegrenzer Rempedaal (automatische versnellingsbak) Grootlicht Automatische versnellingsbak Gordelwaarschuwingslampje achter Dynamo Koelvloeistof Motoroliedruk Motoroliepeil Defecte lamp Roetfilter (dieselmotor) Ruitensproeiervloeistofpeil Start-stopsysteem Weergave van een lage temperatuur
Remsysteem Lees en bekijk eerst op bladzijde 38. brandt - het remvloeistofpeil in het remsysteem is te laag. ▶ De motor afzetten, niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen. ATTENTIE Een storing aan het remsysteem kan leiden tot een langere remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen! Gordelwaarschuwingslampje voor Lees en bekijk eerst op bladzijde 38. brandt - de bestuurder resp. bijrijder heeft de veiligheidsgordel niet omgegespt.
Als de motor opnieuw wordt gestart en het controlelampje na een korte rit niet uitgaat, is er sprake van een storing in het systeem. ▶ Er kan voorzichtig verder worden gereden. Onmiddellijk de hulp van een specialist inroepen. Stabiliseringscontrole (ESC)/tractiecontrole (ASR) Lees en bekijk eerst op bladzijde 38. knippert - de ESC resp. de ASR grijpt nu in. brandt - er is een ESC- of ASR-storing. ▶ Er kan voorzichtig verder worden gereden. Onmiddellijk de hulp van een specialist inroepen.
Als het controlelampje na het inschakelen van het contact niet of continu brandt, is er een storing in het voorgloeisysteem aanwezig. ▶ Er kan voorzichtig verder worden gereden. Onmiddellijk de hulp van een specialist inroepen. Controle van de motorelektronica (benzinemotor) Lees en bekijk eerst op bladzijde 38. brandt - er is een storing in de motorregeling. Het systeem biedt de mogelijkheid voor het rijden in een noodprogramma - er kan een merkbaar vermogensverlies ontstaan.
▶ Sneeuwkettingen zijn gemonteerd. ▶ Een wiel werd verwisseld. VOORZICHTIG Onder bepaalde omstandigheden (bv. bij een sportieve rijstijl en op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje in het instrumentenpaneel vertraagd of helemaal niet gaan branden. Lees en bekijk eerst op bladzijde 38. brandt - de brandstofvoorraad in de brandstoftank heeft de reservehoeveelheid (circa 7 liter) bereikt. ▶ Tanken » pag. 216.
▶ Niet verder rijden! Stoppen en de motor afzetten. Na het uitgaan van het controlelampje kan de rit worden voortgezet. ▶ Indien het controlelampje niet uitgaat, niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen. Versnellingsbakstoring Het controlelampje verschijnt alleen op het MAXI DOT-display. brandt Melding: ▶ De Versnellingsbak defect. Wagen veilig stoppen! VERSN_BAK DEFECT WERKPLAATS motor afzetten, niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen.
▶ Er kan voorzichtig verder worden gereden. Onmiddellijk de hulp van een specialist inroepen. Motoroliedruk Lees en bekijk eerst op bladzijde 38. VOORZICHTIG Als het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, niet verder rijden - gevaar voor motorschade! De motor afzetten en de hulp van een specialist inroepen. knippert - de motoroliedruk is te laag. ▶ Stoppen, de motor afzetten en het motoroliepeil controleren.
ATTENTIE De snelheid altijd aan het weer, het wegdek en de terrein- en verkeersomstandigheden aanpassen. ■ Het roetfilter bereikt bijzonder hoge temperaturen, er bestaat brandgevaar en er kunnen zware verwondingen ontstaan. Daarom de wagen nooit op plaatsen stoppen waar de onderzijde van de wagen met licht ontvlambare materialen (bv. droog gras, struikgewas, bladeren, gemorste brandstof) in contact kan komen.
Informatiesysteem Bestuurdersinformatiesysteem Display in instrumentenpaneel Buitentemperatuur Controlelampjes Rijgegevens (multifunctie-indicatie) 10 Totale afgelegde afstand Afgelegde afstand na het terugzetten van het geheugen (trip) Snelheidsregelsysteem/snelheidsbegrenzer Service-intervalindicatie Meldingen 11 Brandstofmeter 9 Waarschuwing portier, achterklep en motorkap Bij geopend portier of geopende achterklep/motorkap verschijnt op het display een grafische waarschuwing.
Schakeladvies Afb. 35 Informatie over de ingeschakelde versnelling / schakeladvies Bij ingeschakeld contact worden in de wagen continu de werking en toestanden van de afzonderlijke wagensystemen gecontroleerd. Als een systeemstoring aanwezig is, wordt op het display in het instrumentenpaneel de betreffende melding weergegeven. Zolang de functiestoringen niet zijn verholpen, worden de meldingen telkens weer weergegeven.
Bediening van het informatiesysteem Bediening via de bedieningshendel Afb.
Olietemperatuur - als de olietemperatuur lager is dan 50 °C of als in het systeem voor het controleren van de olietemperatuur een storing aanwezig is, verschijnen de symbolen . Waarschuwing bij overschrijden van de ingestelde snelheid - maakt het instellen van een snelheidslimiet mogelijk, bij overschrijding waarvan een akoestisch waarschuwingssignaal klinkt en een waarschuwingsmelding op het display in het instrumentenpaneel verschijnt. Actuele rijsnelheid - digitale snelheidsweergave.
Geheugen Afb. 40 Geheugenweergave: MAXI DOTdisplay () / segmentdisplay () De volgende rijgegevens worden in de geheugens opgeslagen. ▶ Gemiddeld brandstofverbruik ▶ Afgelegde afstand ▶ Gemiddelde snelheid ▶ Rijtijd Let op Door het loskoppelen van de accu worden alle opgeslagen waarden gewist. MAXI DOT-display Het systeem slaat gegevens op in de drie hierna beschreven geheugens, die op het display op positie A worden weergegeven » afb. 40. Sinds start () resp.
Menupunt Navigatie In het menupunt Navigatie worden de volgende gegevens weergegeven. ▶ Rijadviezen ▶ Kompas ▶ Laatste reisdoelen Menupunt Audio In het menupunt Audio worden de volgende gegevens weergegeven. Radio ▶ Actueel beluisterde zender (naam/frequentie). ▶ Het gekozen frequentiegebied (bv. FM) eventueel met het nummer van de voorkeuzetoets (bv. FM 3), als de zender in de geheugenlijst is opgeslagen. ▶ Lijst met beschikbare zenders (als er meer dan 5 zenders kunnen worden ontvangen).
Let op Aan alle servicewerkzaamheden en het vervangen resp. bijvullen van bedrijfsvloeistoffen zijn voor de klant kosten verbonden, ook gedurende de garantieperiode, tenzij anders is vermeld in de garantiebepalingen van ŠKODA AUTO of in andere bindende overeenkomsten. Afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn weergeven Afb. 41 Toets in het instrumentenpaneel Service-intervalindicatie terugzetten Laat het terugzetten van de indicatie door een specialist uitvoeren.
Ontgrendelen en openen Ontgrendelen en vergrendelen Inleiding voor het onderwerp De wagen is met een systeem voor centrale vergrendeling uitgerust, dat het mogelijk maakt, alle portieren, de tankklep en de achterklep tegelijk te ontgrendelen/vergrendelen. VOORZICHTIG Elke sleutel bevat elektronische componenten; u dient de sleutels dan ook tegen vocht en harde schokken te beschermen. ■ De groef in de sleutel schoon houden.
Met de afstandsbediening ontgrendelen/vergrendelen Ontgrendelen/vergrendelen - KESSY Afb. 43 Sleutel met uitklapbare sleutelbaard Lees en bekijk eerst en op bladzijde 53. Beschrijving van de sleutel » afb.
Indien de achterklep pas na het vergrendelen van de wagen wordt gesloten en de sleutel waarmee de wagen is vergrendeld in de bagageruimte achterblijft, wordt de achterklep automatisch ontgrendeld (gedeeltelijk geopend). Na het automatisch ontgrendelen knipperen de knipperlichten viermaal. De achterklep blijft ontgrendeld (gedeeltelijk geopend), de andere portieren blijven vergrendeld. VOORZICHTIG Enkele handschoensoorten kunnen de ontgrendelings- resp.
Het controlelampje in het bestuurdersportier knippert 2 seconden snel, gaat vervolgens uit en begint na ongeveer 30 seconden regelmatig met langere tussenpozen te knipperen. Als de wagen is vergrendeld terwijl de safebeveiliging is uitgeschakeld, kan het portier afzonderlijk van binnenuit worden geopend door eenmaal aan de portiergreep te trekken. De safebeveiliging wordt ingeschakeld als de wagen weer wordt vergrendeld.
› Om het portier van binnenuit te sluiten, de portiergreep het portier sluiten.
VOORZICHTIG Om een correcte werking van het alarmsysteem te waarborgen, moet u voor het verlaten van de wagen controleren of alle portieren en ruiten zijn gesloten. Interieurbewaking en afsleepalarm Afb. 49 Toets van interieurbewaking en afsleepalarm Let op Het alarmsysteem heeft een eigen voedingsbron, waarvan de levensduur 5 jaar bedraagt. Om de goede werking van het alarmsysteem te garanderen, adviseren wij, het alarmsysteem na afloop van deze periode door een specialist te laten controleren.
Achterklep Vertraagde vergrendeling van achterklep instellen Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE ■ Nooit met een geopende achterklep rijden, omdat dan giftige uitlaatgassen het interieur kunnen binnendringen - gevaar voor vergiftiging! ■ Na het sluiten controleren of de klep goed is vergrendeld.
Mechanische ruitbediening Afb. 53 Schakelaar voor de ruitbediening aan bijrijderszijde Afb. 51 Ruitbediening: Links/rechts Lees en bekijk eerst en op bladzijde 59. › Om de ruit te openen de ruitslinger in pijlrichting A draaien » afb. 51. › Om de ruit te sluiten de ruitslinger in pijlrichting B draaien. Elektrische ruitbediening Afb. 52 Schakelaars voor de ruitbediening: Variant 1 / variant 2 Lees en bekijk eerst en op bladzijde 59.
Schakelaars in de achterportieren deactiveren/activeren › Voor het deactiveren/activeren van de ruitbedieningsschakelaars in de achterportieren, de knop E indrukken. Als de schakelaars zijn gedeactiveerd, gaat het controlelampje in de knop E branden. Sluitkrachtbegrenzing Lees en bekijk eerst en op bladzijde 59. Alleen de variant 2 van de elektrische ruitbediening is voorzien van sluitkrachtbegrenzing (geldt niet voor de bijrijdersruit).
Wagen volledig bezet, bagageruimte beladen Bestuurdersstoel bezet, bagageruimte beladen Licht en zicht Licht ATTENTIE De lichtbundelhoogteverstelling altijd zodanig instellen dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan - anders bestaat gevaar voor ongevallen. ■ Andere verkeersdeelnemers worden niet verblind, met name tegemoetkomende voertuigen. ■ De lichtbundelhoogte is voldoende voor veilig rijden.
Functie bij wagens zonder infotainment activeren › Het contact uitschakelen, de knipperlicht-/grootlichthendel naar het stuurwiel trekken, naar boven schuiven en in deze stand vasthouden. › Het contact inschakelen en de bedieningshendel in de bovengenoemde stand houden tot een geluidssignaal te horen is (ongeveer 3 seconden). ATTENTIE Bij slecht zicht altijd het dimlicht inschakelen. Knipper- en grootlicht Afb. 55 Bedieningshendel: Knipperlichten grootlichtbediening Bedieningshendelstanden » afb.
Instelling, activering resp. deactivering De volgende functies kunnen in het infotainment in het menu → → Licht worden ingesteld resp. worden geactiveerd/gedeactiveerd.
Alarmlichten Afb. 58 Toets voor alarmlichten VOORZICHTIG Door het inschakelen van het parkeerlicht wordt de accu aanzienlijk belast. Het parkeerlicht kan vanwege een te geringe acculadingstoestand automatisch uitschakelen. Als het parkeerlicht aan beide zijden bij uitgeschakeld contact wordt ingeschakeld, wordt het niet automatisch uitgeschakeld! ■ ■ Rijden in het buitenland › Om de alarmlichten in en uit te schakelen de toets indrukken » afb. 58.
In-/uitschakelen (door indrukken van de betreffende schakelaar B ) » afb. 59 Linkerleeslampje Rechterleeslampje Automatische bediening - stand Het lampje wordt ingeschakeld, als een van de volgende situaties zich voordoet. ▶ De wagen wordt ontgrendeld. ▶ Een portier wordt geopend. ▶ De contactsleutel wordt verwijderd.
ATTENTIE Het rolgordijn voorzichtig bedienen om verwondingen door knellen te voorkomen - gevaar voor verwondingen! Zonnekleppen voor Ruitenwissers en -sproeiers Inleiding voor het onderwerp De ruitenwissers werken alleen bij ingeschakeld contact en gesloten motorkap. Afb. 62 Klep omlaagklappen / klep omhoogklappen / make-upspiegel en parkeertickethouder Lees en bekijk eerst ATTENTIE Bij lage temperaturen de ruitensproeierinstallatie niet gebruiken zonder eerst de voorruit te verwarmen.
Ruitenwissers en -sproeiers vóór Achterruitwisser en -sproeier / achteruitrijcamerareinigingsinstallatie Afb. 64 Bediening van de ruitenwisseren sproeierinstallatie vóór Lees en bekijk eerst en Afb. 65 Bediening van ruitenwisser- en sproeierinstallatie op bladzijde 67.
Om de juiste werking van het systeem ook in de winter te waarborgen, moet dit regelmatig van sneeuw en ijs (bv. met een ontdooiingsspray) worden ontdaan. Binnenspiegel Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE Buitenspiegels vergroten het gezichtsveld, maar laten objecten kleiner en verder weg lijken. Daarom de binnenspiegel gebruiken om de afstand tot achteropkomend verkeer te bepalen.
Als de elektrische spiegelinstelling eens zou uitvallen, kunnen de spiegelglazen met de hand worden ingesteld door voorzichtig op de rand van het spiegelglas te drukken. De draaiknop van de elektrisch instelbare spiegels kan in de volgende standen worden gezet » afb. 67 - .
› De buitenste veiligheidsgordel naar de zijbekleding in pijlrichting Armleuning instellen Afb. 69 Armleuning instellen Lees en bekijk eerst op bladzijde 70. › Om de hoogte in te stellen de armleuning in pijlrichting A in een van de vier grendelstanden optillen » afb. 69. › Om omlaag te klappen de armleuning in pijlrichting A voorbij de bovenste aanslag optillen en dan weer omlaagklappen. Zitplaatsen achterin Rugleuningen Afb.
ATTENTIE De achterbank mag bij het terugklappen niet onder de bevestigingsogen A worden getrokken. De achterbank kan anders niet correct worden geborgd. Achterbank Geldt voor de Fabia Combi VOORZICHTIG De achterbank mag bij het terugklappen niet onder de bevestigingsogen A worden getrokken - gevaar voor beschadiging van de achterbank. Hoofdsteunen Afb. 71 De achterbank neerklappen / gedeelde achterbank verwijderen Afb.
VOORZICHTIG Wanneer aan de geleidestangen van de hoofdsteun voorin de adapter van de tablethouder is bevestigd » pag. 82, de hoofdsteun niet tot de aanslag omlaagdrukken - hierdoor kan de hoofdsteun worden beschadigd. Voorstoelverwarming Afb. 75 Toets voor verwarming van de voorstoelen Verwijderen/aanbrengen De rugleuningen en zittingen van de voorstoelen kunnen elektrisch worden verwarmd. Afb.
VOORZICHTIG De volgende aanwijzingen moeten in acht worden genomen om schade aan de stoelen te vermijden. ■ Niet op de stoelen knielen en deze ook niet aan andere puntbelastingen blootstellen. ■ De stoelverwarming niet inschakelen bij stoelen waarop geen personen zitten. ■ De stoelverwarming niet inschakelen bij stoelen waarop voorwerpen (bv. een kinderzitje, een tas) zijn neergelegd of bevestigd. ■ De stoelverwarming niet inschakelen bij stoelen waarop extra stoelhoezen of beschermhoezen zijn aangebracht.
Kaarthouder Afb. 76 Kaarthouder ATTENTIE Het opbergvak A » afb. 77 in het voorportier mag uitsluitend worden gebruikt voor het opbergen van voorwerpen die niet uitsteken - gevaar voor een beperkt werkingsbereik van de zij-airbag. Opbergvak voorin de middenconsole Afb. 78 Opbergvak Lees en bekijk eerst en op bladzijde 74. De tickethouder is bedoeld voor het bevestigen van bv. parkeertickets. Opbergvakken in de portieren Lees en bekijk eerst en op bladzijde 74.
Munt- en kaarthouder Bekerhouders Afb. 80 Munt- en kaarthouder Lees en bekijk eerst en op bladzijde 74. De munthouder A en kaarthouder B bevinden zich voorin de middelconsole » afb. 80. Opbergvak in het dashboard Afb. 82 Bekerhouder Lees en bekijk eerst en op bladzijde 74. In de bekerhouder » afb. 82 kunnen twee bekers worden geplaatst. ATTENTIE Geen breekbaar drinkgerei (bv. van glas, porselein) gebruiken. Bij een ongeval kan dit tot letsel leiden.
Multimediahouder Afb. 85 Multimediahouder Afb. 84 Zak vervangen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 74. De afvalbak kan in het opbergvak in het portier worden geplaatst. Afvalbak aanbrengen › De afvalbak aan voorzijde aan de rand van het opbergvak aanbrengen. › De afvalbak aan achterzijde in pijlrichting A » afb. 83 indrukken. › De afvalbak naar behoefte in pijlrichting B verschuiven. Afvalbak verwijderen › De afvalbak tegen de pijlrichting in A verwijderen » afb. 83.
Brillenvak Afb. 87 Brillenvak openen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 74. Uitrustingsafhankelijk is het opbergvak voorzien van een binnenverlichting (brandt bij het openen van het opbergvak), een flessenhouder met een inhoud van max. 1 l B en een kaarthouder C » afb. 88. › Om het deksel te openen, in pijlrichting 1 aan de openingshendel A trekken. Het deksel klapt in pijlrichting 2 . › Om het deksel te sluiten, dit tegen de pijlrichting in 2 zwenken tot het hoorbaar vergrendelt.
Opbergvak voor de paraplu ATTENTIE In de zakken van de opgehangen kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen laten zitten - gevaar voor verwondingen. ■ Voor het ophangen van kleding geen kledingbeugel gebruiken - gevaar voor een beperking van de functionaliteit van de hoofdairbag resp. gevaar voor verwondingen door de kledingbeugel. ■ Let erop dat het zicht naar buiten niet wordt belemmerd door opgehangen kledingstukken. ■ Afb.
Opbergtassen aan de binnenzijden van de voorstoelen Afb. 93 Opbergtas Elektrische stopcontacten Inleiding voor het onderwerp ATTENTIE Niets op het dashboard leggen.
12 volt stopcontact Asbak Afb. 95 Afdekking van de 12 volt stopcontacten: In het middelste deel van het dashboard / in de bagageruimte Lees en bekijk eerst en op bladzijde 80. › Vóór het gebruik de afdekking van het stopcontact verwijderen » afb. 95 - of de afdekking van het stopcontact openen » afb. 95 - . › De stekker van de elektrische verbruiker in het stopcontact steken.
› De gloeiende aansteker direct uitnemen, gebruiken en terug in het stopcontact plaatsen. ATTENTIE De sigarettenaansteker werkt ook bij uitgeschakeld contact. Daarom bij het verlaten van de wagen nooit personen, die niet volledig zelfstandig zijn (bv. kinderen), zonder toezicht in de wagen achterlaten - gevaar voor verwonding, brand of beschadiging van het interieur. ■ Voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker - gevaar voor brandwonden.
Afb. 101 Grootte van de houder aanpassen Vervoeren van lading Bagageruimte en transport Inleiding voor het onderwerp Bij het vervoeren van zware voorwerpen veranderen de rijeigenschappen door de verplaatsing van het zwaartepunt. De snelheid en rijstijl daarom daarop afstemmen. Lees en bekijk eerst op bladzijde 82. De houder kan 30° in pijlrichting 1 worden gekanteld en 360° in pijlrichting 2 worden gedraaid» afb. 100.
ATTENTIE (vervolg) Een losse lading kan een activerende airbag raken en de inzittenden verwonden - levensgevaar! ■ Bij het vervoeren van lading die vastgezet is in de vergrote bagageruimte, die ontstaat door het naar voren klappen van rugleuning, moet beslist worden gelet op het waarborgen van de veiligheid van de persoon die op de resterende zitplaats achterin zit. ■ VOORZICHTIG ■ De maximale toegestane belasting van de betreffende bevestigingselementen, netten, haken enz.
Afb. 104 Langstas bevestigen VOORZICHTIG Bij wagens met variabele bagageruimtevloer is de bevestiging van de tas aan de bevestigingselementen niet mogelijk. Haak Afb. 106 Haak Lees en bekijk eerst en op bladzijde 83. Bevestigingsvoorbeelden voor netten » afb. 103 en » afb. 104 A Dwarstas B Bodemnet C Langstas (geldt alleen voor sommige wagens) De maximale toelaatbare belasting van de betreffende bagagenetten bedraagt 1,5 kg.
ATTENTIE Tijdens het rijden mogen zich geen voorwerpen op de afdekking bevinden gevaar voor verwondingen bij een plotselinge remmanoeuvre of een aanrijding! Bagageruimteafdekking VOORZICHTIG Op de volgende aanwijzingen letten, om het kantelen van de afdekking en daardoor het beschadigen van de afdekking en de zijbekleding te voorkomen. ■ De afdekking moet op juiste wijze worden geplaatst en de lading mag niet hoger zijn dan de afdekking.
In de onderste stand is de afdekking geschikt voor het opbergen van kleine voorwerpen met een totaalgewicht van 2,5 kg.
› De gordels aan de vrije uiteinden D straktrekken. Cargo-element Het uitbouwen gebeurt in omgekeerde volgorde. Let op Bij wagens met variabele bagageruimtevloer kan het scheidingsnet alleen worden ingebouwd als de variabele bagageruimtevloer zich in de onderste positie bevindt » pag. 89. Opbergvakken in bagageruimte Afb. 111 Opbergvakken Afb. 112 Cargo-element verwijderen / bevestigingsvoorbeeld van de lading Lees en bekijk eerst en op bladzijde 83.
Het flexibele opbergvak is bedoeld om kleine voorwerpen tot een gewicht van 8 kg in te bewaren. Variabele bagageruimtevloer › Voor het aanbrengen de beide uiteinden van het opbergvak in de openingen In de bovenste/onderste stand instellen in de zijbekleding van de bagageruimte aanbrengen en het opbergvak om te vergrendelen naar beneden schuiven. › Voor het verwijderen het opbergvak bij de beide bovenste hoeken vastpakken en door trekken naar boven en naar u toe verwijderen.
De ruimte onder de variabele laadvloer kan voor het opbergen van kleinere voorwerpen worden gebruikt. De maximaal toelaatbare belasting van de variabele bagageruimtevloer in deze stand bedraagt 75 kg. Voor het transport van zware voorwerpen moet de variabele bagageruimtevloer in de onderste stand worden gezet. Omhoogklappen/bevestigen Verwijderen/aanbrengen Afb. 116 Variabele bagageruimtevloer verwijderen Afb.
› De hoofdsteunen achterin tot de aanslag in de rugleuningen schuiven » pag. 72. › De achterbank » pag. 72 en de rugleuningen naar voren klappen » pag. 71. ATTENTIE Bij het vervoeren van fietsen moet beslist op de veiligheid van de inzittenden worden gelet. VOORZICHTIG Bij de omgang met de fiets voorzichtig te werk gaan - gevaar voor beschadiging van de wagen! Let op De fietsendrager kan niet worden ingebouwd als de variabele bagageruimtevloer in de bagageruimte is opgeborgen.
Fiets in de drager plaatsen Fietsendrager in-/uitbouwen Afb. 121 Voorvork van de fiets in de drager plaatsen / bevestigingsvoorbeeld voor het voorwiel Lees en bekijk eerst en op bladzijde 91. › Het voorwiel uit de fiets verwijderen. › De snelspanner A » afb. 121 op de drager losmaken en overeenkomstig de breedte van de voorvork van de fiets instellen. › De voorvork op de bevestigingsas plaatsen en met de snelspanner Afb. 120 Fietsendrager inbouwen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 91.
Stabiliteit van de fietsen waarborgen met een riem Transport op de dakdragers Afb. 122 Stabiliteit van de fietsen waarborgen met een riem Lees en bekijk eerst en op bladzijde 91. › Om het rubberdeel van de klem op de riem los te maken, beide delen tegen Afb. 123 Bevestigingspunten De dakdwarsdragers kunnen afhankelijk van de uitrusting aan de bevestigingspunten » afb. 123 of aan de dakreling worden bevestigd. elkaar drukken en de klem openen.
Let op Wij adviseren om dakdragers uit het ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken. Verwarming en ventilatie Verwarming, handmatige airconditioning, Climatronic Inleiding voor het onderwerp De verwarming verwarmt en ventileert het interieur van de wagen. De airconditioning koelt en droogt het interieur. Het verwarmingsvermogen is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, het volledige verwarmingsvermogen wordt daarom pas bij bedrijfswarme motor bereikt.
Let op De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van bv. ijs, sneeuw en bladeren zijn, zodat de verwarming en de koeling optimaal kunnen functioneren. ■ Na het inschakelen van de koelfunctie kan condenswater van de verdamper van de airconditioning lekken en onder de wagen een waterplas vormen. Dit betekent niet dat er een lekkage aanwezig is! ■ Bij een te hoge koelvloeistoftemperatuur wordt de koelfunctie uitgeschakeld om de motorkoeling te kunnen garanderen.
Luchtstroomrichting Circulatiefunctie ingeschakeld 8 Koelfunctie ingeschakeld 9 Ingesteld aanjagertoerental 10 Aanjagertoerental instellen (het ingestelde aanjagertoerental wordt weergeven door het aantal segmenten op het display) ▶ Linksom draaien: toerental verlagen / Climatronic uitschakelen ▶ Rechtsom draaien: toerental verhogen 11 Interieurtemperatuursensor Intensieve luchtstroom naar de voorruit in-/uitschakelen - bij ingeschakelde functie brandt in de toets het controlelampje Automatische rege
Climatronic Als de luchtvochtigheid in de wagen toeneemt, kan de circulatiefunctie automatisch worden uitgeschakeld. ATTENTIE De circulatiefunctie niet langdurig ingeschakeld laten, want in dat geval wordt geen buitenlucht toegevoerd. De "verbruikte" lucht kan vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers veroorzaken, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan.
Infotainment Inleidende informatie Mobiele apparaten en applicaties Geldt niet voor het infotainment Blues. Afb. 127 QR-code met verwijzing naar de internetpagina's voor de controle van de compatibiliteit van de apparaten Belangrijke aanwijzingen Inleiding ATTENTIE Het infotainment alleen zo gebruiken, dat u in elke verkeerssituatie de wagen volledig onder controle hebt (bv.
Infotainmentoverzicht Beschrijving - infotainment Bolero Beschrijving - Infotainment Amundsen Afb. 129 Infotainment Bolero Afb. 128 Infotainment Amundsen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 Draaiknop voor het in- en uitschakelen van het infotainment, instellen van het volume Draaiknop voor oproepen en bevestigingen - Menu Radio » pag. 121 - Menu Media » pag. 126 - Menu Telefoon » pag. 137 - Spraakbediening » pag. 107 - Menu Navigatie » pag.
Beschrijving - Infotainment Swing Beschrijving - Infotainment Blues Afb. 131 Infotainment Blues Draaiknop (hierna symbool ) Display 3 SD-kaartopening In-/uitschakelen van het infotainment Menu Radio » pag. 122 / Keuze van radioband Menu Media » pag. 126 / Keuze van audiobron Instellingen van het geselecteerde menu (Radio » pag. 120 /Media » pag. 120) Infotainment-instellingen » pag. 120 Klankinstellingen » pag.
Externe module Infotainmentbediening Geldt niet voor het infotainment Swing, Blues. Afb. 132 Externe module: Infotainment Amundsen, Bolero Infotainmentbediening Beeldschermgebieden Geldt niet voor het infotainment Blues. Afb. 133 Amundsen, Bolero: Beeldschermgebieden De externe module bevindt zich aan de zijkant van het opbergvak aan bijrijderszijde.
Bedieningsprincipes Geldt niet voor het infotainment Blues. Afb. 135 Amundsen, Bolero: Schermweergave Afb. 136 Swing: Schermweergave Functietoetsen De beeldschermgedeelten die een functie of een menu bevestigen, worden "functietoetsen" genoemd.
Bedieningsprincipes en displaygedeelten Bediening van de menu's Geldt voor het infotainment Blues. Geldt niet voor het infotainment Blues. Afb. 137 Displayweergave Beschrijving van de displayweergave » afb. 137 A Totaal aantal menupunten van betreffende instelling B Positie van het actuele menupunt C Omschrijving van het actuele menupunt D Wisselen naar de vorige menupuntwaarde E Wisselen naar de volgende menupuntwaarde F Actuele menupuntwaarde Afb.
Afb. 140 Swing: Voorbeeld van toetsenbordweergave Naar rechts verschuiven van de cursor binnen de invoerregel Bevestiging van de ingegeven tekens (geldt voor het infotainment Amundsen, Bolero) Zoeken Tijdens het typen wordt er gezocht naar relevante vermeldingen. Het te zoeken resultaat (bv. een telefooncontact) moet inclusief de speciale tekens (diakritische tekens) worden ingevoerd. Met het alfanumerieke toetsenbord kunnen letters, cijfers en tekens worden getypt.
Tijd en datum op het beeldscherm weergeven Geldt niet voor het infotainment Blues. Op het infotainmentbeeldscherm is tijd- en datumweergave in stand-bymodus mogelijk. In het infotainment Amundsen en Bolero is dit ook mogelijk in de modus "Beeldscherm uit". Standby-modus Bij ingeschakeld contact en uitgeschakeld infotainment (standby-modus) bestaat de mogelijkheid, de tijd en de datum in het infotainmentbeeldscherm weer te geven.
› Voor de weergave van het overzicht van de infotainmentmenu's de toets indrukken. › Voor de instelling van de weergavemodus de toets indrukken en vervolgens de functietoets → Beeldscherm → Menu: aantippen. › De optie Rasterweergave » afb. 141 of Horizont. weergave » afb. 142 selecteren. Overzicht van het infotainmentmenu Menu Radio » pag. 121 Menu Media » pag. 126 ŠKODA Connect » pag. 12 online-diensten Menu SmartLink » pag.
Spraakbediening Inleiding Geldt voor het infotainment Amundsen, Bolero. De menu's Navigatie, Telefoon, radio en Media kunnen met spraakcommando's worden bediend. De spraakbediening kan zowel door de bestuurder als de bijrijder worden gebruikt. Functievoorwaarden van de spraakbediening Het infotainment is ingeschakeld. Er volgt geen telefoongesprek via een met het infotainment verbonden telefoon. De parkeerhulp is niet actief.
Bedieningsprincipe Spraakcommando's Afb. 144 Voorbeeld van de beeldschermweergave In het hoofdmenu van de spraakbediening » afb. 143 op pag. 107 staan de basisspraakcommando's voor de afzonderlijke menu's. Verdere spraakcommando's worden getoond door de betreffende functietoets aan te tippen resp. de naam van het betreffende commando (bv. Navigatie) uit te spreken. Op het beeldscherm wordt het volgende weergegeven » afb. 144.
Spraakcommando's die tijdens de spraakbediening kunnen worden gebruikt Spraakcommando Functie "Terug" "Help" Update van de infotainment-software Afb.
Infotainment-instellingen - Amundsen, Bolero Infotainment-systeeminstellingen Klankinstellingen › Op de toets drukken en vervolgens de functietoets aantippen.
Instelling van de infotainmenttaal › Op de toets drukken en vervolgens de functietoets → Spraak / Language aantippen. › De infotainmenttaal selecteren. Bij enkele talen wordt na het bevestigen de functietoets Vrouwelijk resp. Mannelijk voor de keuze van de stem voor de infotainmentmeldingen getoond. Let op Het infotainment toont met een melding op het beeldscherm als er een taal wordt gekozen waarvoor geen spraakbediening beschikbaar is. ■ De meldingen worden door het infotainment gegenereerd.
■ Bluetooth®-instellingen › Op de toets pen.
Instellingen van de ŠKODA Connect onlinediensten › Op de toets drukken en vervolgens de functietoets → ŠKODA Connect (online-diensten) aantippen. Dienstenbeheer - Informatie over licenties van de betreffende online-diensten en de mogelijkheid deze in of uit te schakelen ■ Registratie - Invoeren van de activeringspincode van de online-diensten (in het gebruikersprofiel op de ŠKODA Connect Portal aanwezig) ■ Systeeminformatie › Op de toets aantippen.
Automatisch wisselen van DAB naar FM Bij slechte DAB-ontvangst probeert het infotainment een FM-zender te vinden. Als de zender via het FM-bereik wordt ontvangen, wordt () achter de zendernaam weergegeven. Indien de corresponderende DAB-zender weer ontvangbaar is, wordt automatisch van FM naar DAB gewisseld. Als een DAB-zender bij slechte ontvangst ook in het FM-bereik niet kan worden teruggevonden, wordt het geluid van het infotainment onderdrukt.
Dynamische route - In-/uitschakelen van de dynamische routewijziging op basis van TMC-verkeersmeldingen of online-verkeersmeldingen ■ Autosnelwegen mijden - In-/uitschakelen van het niet gebruiken van autosnelwegen voor de routeberekening ■ Veerboten en autotreinen mijden - In-/uitschakelen van het niet gebruiken van veerboten en autotreinen voor de routeberekening ■ Tolwegen mijden - In-/uitschakelen van het niet gebruiken van tolplichtige autosnelwegen voor de routeberekening ■ Tunnel mijden - In-
Geen navigatiemeldingen bij tel.-oproep - In-/uitschakelen van de navigatiemeldingen tijdens een telefoongesprek ■ Aanwijzing: ""Mijn bijzondere reisdoelen"" - In-/uitschakelen van een akoestische aanwijzing voor benadering van eigen reisdoel (als dit wordt ondersteund door het geïmporteerde eigen reisdoel) ■ Maximumsnelheden › In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Maximumsnelheid aantippen. De geldende maximumsnelheden in het betreffende land worden getoond.
Infotainment-instellingen - Swing Infotainment-systeeminstellingen Geluidsinstellingen › De toets pen. of indrukken en vervolgens de functietoets Klank aantip- Volume - Volume-instelling Max. inschakelvolume - Instelling van het maximumvolume bij het inschakelen van het infotainment ■ Berichten - Volume-instelling voor verkeersmeldingen (TP) ■ Volumeregeling -Volumeverhoging bij snelheidsverhoging ■ Entertainm.
Veilig verwijderen van de externe gegevensbron › Op de toets drukken, vervolgens functietoets SD-kaart veilig uithalen/USBapparaat veilig verw. aantippen en de overeenkomstige melding betreffende veilig verwijderen van de bron bevestigen. Op fabrieksinstellingen terugzetten › Op de toets aantippen. drukken en vervolgens de functietoets Fabrieksinstellingen In dit menu kunnen afzonderlijke of alle instellingen tegelijkertijd worden hersteld.
Alternat. frequentie (AF) - In-/uitschakelen van het zoeken naar alternatieve frequenties voor de momenteel beluisterde zender ■ Radio Data Systeem (RDS) - In-/uitschakelen van de RDS-functie (ontvangst van aanvullende informatie van de zender) ■ Zenderlt. sort.
Infotainment-instellingen - Blues Infotainment-systeeminstellingen Inleiding Afzonderlijke menupunten voor de infotainment-instelling kunnen door het indrukken van een van de volgende toetsen worden opgeroepen. Klankinstellingen » pag. 120 Infotainment-instellingen » pag. 120 Instellingen van de actueel opgeroepen menu's Radio » pag. 120 of Media » pag. 120 Klankinstellingen › Meerdere malen op de toets drukken.
■ AUX vol. - Instelling van het ingangsvolume van de AUX-audiobron (het menupunt is alleen bij aangesloten audiobron beschikbaar) ■ Low - Laag volume ■ Middle - Gemiddeld volume ■ High - Hoog volume Radio Bediening Inleiding Afhankelijk van de wagenuitrusting en van het infotainmenttype is analoge radio-ontvangst van FM- en AM-frequentiegebieden en digitale radio-ontvangst DAB mogelijk.
› Voor de weergave van het hoofdmenu de toets indrukken. › of: Op de toets drukken en vervolgens de functietoets aantippen. Hoofdmenu » afb. 146 resp. » afb.
Afhankelijk van de instelling → Pijltoetsen: wordt een beschikbare zender uit de zenderlijst of een onder de voorkeuzetoetsen opgeslagen zender van het momenteel gekozen frequentiebereik ingesteld. Frequentie selecteren › Voor de weergave van de waarde van de actueel gekozen frequentie in het hoofdmenu Radio de functietoets aantippen. › Voor de instelling van de gewenste frequentiewaarde de schuifknop of de functietoetsen in het onderste beeldschermgedeelte gebruiken resp. de regelaar draaien.
Symbool (bv.) Afb. 150 Swing: Voorbeeld van lijst met beschikbare FM/DAB-zenders (hiërarchisch gesorteerd) Geldt voor het infotainment Amundsen, Bolero › Voor de weergave van de lijst met beschikbare zenders van het actueel gekozen frequentiebereik in het hoofdmenu Radio de functietoets aantippen. › Voor de weergave de functietoets van de gewenste zender aantippen. › Voor sortering (FM) van de zenders op naam, groep of genre, de functietoets A » afb. 149 aantippen » .
Zendertoetsen voor favoriete zenders Geldt voor het infotainment Blues. Handmatige opslag › Een geheugengroep (bv. FM1) selecteren. › Een van de voorkeuzetoetsen - ingedrukt houden. De momenteel ingestelde zender wordt op de gekozen positie opgeslagen. Het geheugen wordt door een akoestisch signaal alsmede door de weergave van het nummer van de voorkeuzetoets in de statusregel op het display bevestigd. Automatische opslag › De toets ingedrukt houden.
Let op De informatie over de weergegeven titel wordt op het beeldscherm getoond, als deze als zogenaamde ID3-tag op de audiobron is opgeslagen. Indien geen ID3-tag beschikbaar is, wordt alleen de titelnaam weergegeven. ■ Bij titels met variabele bitrate (VBR) hoeft de weergegeven resterende weergavetijd niet overeen te komen met de daadwerkelijk resterende weergavetijd. Media ■ Bediening Hoofdmenu Geldt niet voor het infotainment Blues. Afb.
Symbolen in de informatieregel A Weergaveregeling - Swing Symbolen in de statusregel C Weergaveregeling - Amundsen, Bolero Functie Handeling Afspelen/Pauze Aantippen van Aantippen van (binnen 3 s na de start van de titelweergave) Aantippen van (na 3 s na de start van de titelweergave) Ingedrukt houden van Ingedrukt houden van Aantippen van Functie Handeling Weergeven van de vorige titel Afspelen/Pauze Aantippen van Aantippen van (na 3 s na de start van de titelweergave) Vinge
Functie Handeling Wisselen naar de vorige map/afspeellijst binnen de actuele audiobrona) Wisselen naar de volgende map/afspeellijst binnen de actuele audiobrona) a) Indrukken van Indrukken van De functie wordt door Apple-apparaten niet ondersteund. Mappen-/titellijst Geldt niet voor het infotainment Blues.
› Voor de weergave van de multimedia-database in het hoofdmenu Media de functietoets aantippen (als deze weergave door de actueel gekozen bron ondersteund wordt). SD-kaart Afb. 158 Amundsen, Bolero: SD-kaart erin schuiven De audiobestanden worden naar hun eigenschappen in afzonderlijke categorieen B gesorteerd. › Voor de weergave moet de categorie en vervolgens de titel worden gekozen. Multimedia-database » afb. 156 resp. » afb.
USB-ingang Inbouwplaats van de USB-ingang en informatie over het gebruik ervan » pag. 75. Op de USB-ingang kan een audiobron rechtstreeks of via een verbindingskabel worden aangesloten. › Voor het aansluiten de USB-audiobron in de betreffende ingang steken. › Voor het verwijderen van de USB-audiobron in het hoofdmenu Media de functietoets → Veilig verwijd. resp. SD-kaart veilig uithalen aantippen. › De audiobron uit de betreffende USB-ingang trekken.
gestart. Pas als USB als audiobron wordt geselecteerd, wordt het Appleapparaat als Bluetooth®-speler verwijderd. Hierover verschijnt een betreffende melding op het infotainmentbeeldscherm. Als een Apple-apparaat op de USB-ingang is aangesloten en de weergave is ingeschakeld, kan dit apparaat niet als Bluetooth®-speler worden verbonden. Hierover verschijnt een betreffende melding op het infotainmentbeeldscherm.
Ondersteunde audiobestandsformaten Codec-type BestandsufMax. bitrate (bestandsformaat) fix Windows Media Audio 9 en 10 WAV wma wav MPEG-1; 2 en 2,5 Layer 3 mp3 MPEG-2 en 4 aac; mp4; m4a FLAC; OGG-Vorbis flac; ogg Ondersteunde audiobronnen en bestandsformaten - Swing Max. samplingfrequentie Afspeellijsten Ondersteunde audiobronnen Bron Interface Type Specificatie SD-kaart SD-lezer Standaardformaat SD, SDHC, SDXC 384 kbit/s Door het formaat bepaald (ca.
Bestanden die via de DRM-techniek zijn beschermd, worden door het infotainment niet afgespeeld. Viewer Ondersteunde audiobronnen en bestandsformaten - Blues Hoofdmenu Ondersteunde audiobronnen Bron SD-kaart Interface Type Specificatie SD-lezer Standaardformaat SD; SDHC MSC USB 1.x; 2.x en 3.x of hoger met USBde onderapparaten steuning van USB 2.
Doorbladeren aansturen Functie Ondersteunde afbeeldingbronnen en bestandsformaten Handeling Vingerbeweging over het beeldscherm naar Weergave van het volgende links (bij uitgangsweergave) beeld Aantippen van Vingerbeweging over het beeldscherm naar Weergave van het vorige rechts (bij uitgangsweergave) beeld Aantippen van Beeldscherm met twee vingers aanraken en deze uit elkaar trekken Vergroting van weergave Draaien van draaiknop naar rechts Beeldscherm met twee vingers aanraken en deze naar elkaar
VOORZICHTIG Als meerdere apparaten via WLAN met het infotainment verbonden zijn, dan bestaat het gevaar voor WLAN-overbelasting en daarmee ook voor een onjuiste werking van het Media Command. ■ Videoweergave in hoge resolutie (bv. als HD) kan leiden tot weergaveproblemen of verbindingsproblemen van de tablet met het infotainment. Media Command ■ Bediening Inleiding Geldt voor het infotainment Amundsen. Afb.
Bron selecteren en weergave aansturen Ondersteunde bestandsformaten › Voor de keuze van de weergavebron in het hoofdmenu de functietoets aantippen en de bron-tablet kiezen. › Voor de weergave moet de categorie en vervolgens de titel worden gekozen. Type Wanneer twee tablets verbonden zijn, start de titelweergave op de beide tablets op hetzelfde moment. Video De weergave kan via het infotainment of via elke tablet, en zelfs onafhankelijk van elkaar, aangestuurd worden.
Telefoon Inleidende informatie Inleiding ATTENTIE Altijd de algemeen geldende landspecifieke wettelijke bepalingen voor het bedienen van mobiele telefoons in de wagen in acht nemen. Hoofdmenu Geldt voor het infotainment Amundsen, Bolero. Afb. 163 Telefoon: Hoofdmenu Lijst met telefooncontacten Menu met tekstberichten (SMS) Oproeplijst Instellingen van het menu Telefoon » pag.
C D Functietoetsen van favoriete contacten Kiezen van het noodoproepnummer resp. functietoets van het favoriete contact » pag. 141 Keuze van geheugengroep voor favoriete contacten Ingeven van het telefoonnummer Weergave van de telefooncontactenlijst Weergave van de oproeplijst (bij oproepen bij afwezigheid wordt naast de functietoets het aantal oproepen bij afwezigheid getoond) Instellingen van het menu Telefoon » pag.
Geldt voor het infotainment Swing Mogelijke verbindingstypen Afhankelijk van het aantal verbonden Bluetooth®-apparaten en het verbindingstype zijn de volgende functies beschikbaar.
Functietoetsen van het numerieke toetsenbord Ingeven van het laatst gekozen nummer / keuze van ingegeven telefoon nummer Noodoproep (geldt alleen voor sommige landen) Pechoproep in geval van pech Informatie-oproep (informatie betreffende de producten en diensten van het merk ŠKODA) Keuze van het voicemailnummer (voor het infotainment Swing wordt de functie niet ondersteund) Wissen van het laatst ingegeven nummer Weergave van de functietoetsen voor de beweging van de cursor in de
C Keuze van het telefoonnummer in de contactdetails Bewerken van het telefoonnummer van het contact voordat er wordt gebeld Infotainment Amundsen, Bolero: Voorlezen van de contactnaam door de gegenereerde infotainmentstem Openen van het menu voor het verzenden van een tekstbericht (sms) Beheer voorkeurscontacten (favorieten) Afb.
Favoriet wissen › In het hoofdmenu Telefoon de functietoets → Gebruikersprofiel → Favorieten beheren aantippen. › De gewenste functietoets van het favoriete contact aantippen en het wissen bevestigen. Alle favoriete contacten kunnen door het aantippen van de functietoets Alle wissen / Alle gebieden en het bevestigen van het wissen worden gewist. Functietoets voor noodoproep Wanneer de wagen niet met de toetsen van de Care Connect-dienst » pag.
Beltoon uit-/inschakelen Gesprek in de wacht zetten Microfoon uit-/inschakelen Infotainment Amundsen, Bolero: Conferentie tot stand brengen Oproepdetails tonen (voor zover het contact in de lijst is opgeslagen) Handsfreeset uit-/inschakelen (gesprek naar de telefoon/naar het infotainment omschakelen) ▶ Voor het uitschakelen van de handsfreeset, in het hoofdmenu Telefoon de functietoets → Handsfree tel. tijdens een actief gesprek aantippen.
› Een tekstbericht schrijven en bevestigen, er wordt een weergave van het tekstbericht getoond. › De functietoets aantippen. › De ontvanger van het bericht uit de getoonde contactenlijst selecteren of de functietoets aantippen en het telefoonnummer ingeven. › Om verdere ontvangers toe te voegen, de functietoets aantippen. › Om het tekstbericht te versturen, de functietoets aantippen.
Dataverbinding Internetverbinding Infotainment Amundsen verbinden › Ongeveer een minuut wachten tot een andere dan het rode controlelampje op de CarStick continu brandt (indien de rode brandt, dan de CarStick verwijderen en opnieuw aanbrengen). › Als de simkaart met een pincode is beveiligd, de pincode ingeven. › De ingegeven pincode door aantippen van bevestigen. › of: De functietoets aantippen, de pincode wordt opgeslagen en bevestigd.
Veiligheidsniveau: - Type toegangsbeveiliging (altijd WPA2 ingesteld) Netwerksleutel - Toegangswachtwoord ■ SSID: ... - Hotspot-naam ■ Netwerknaam (SSID) niet uitzenden - In-/uitschakelen van de zichtbaarheid van de hotspot ■ ■ ▶ Om de ingestelde parameters op te slaan, de functietoets Opslaan aantippen. Extern apparaat met de infotainment-hotspot verbinden › Het contact inschakelen.
De spraakbediening van het aangesloten externe apparaat kan door het ingedrukt houden van de toets of het ingedrukt houden van de toets op het multifunctiestuurwiel worden geactiveerd. SmartLink+ Inleidende informatie Inleiding Geldt voor het infotainment Amundsen, Bolero. Afb.
Weergave van de informatie over SmartLink Verbreken van de actieve verbinding Instellingen van het menu SmartLink » pag. 114 Verbinding opbouwen/verbreken Verbinding opbouwen › Het contact inschakelen. › Het infotainment inschakelen. › Het externe apparaat inschakelen. › Voor de verbinding via Apple CarPlay de dataverbinding en de spraakbediening (Siri) op het aan te sluiten externe apparaat inschakelen. › Het externe apparaat via een kabel op de USB-ingang aansluiten » pag. 75.
Apple CarPlay Inleiding Een verbinding opbouwen is alleen mogelijk met een extern apparaat, dat het communicatiesysteem Apple CarPlay ondersteunt. Door de verbinding van het externe apparaat met Apple CarPlay worden alle op dat moment verbonden Bluetooth®-apparaten losgekoppeld. Tijdens de duur van de verbinding kunnen geen Bluetooth-apparaten met het infotainment worden verbonden. Hoofdmenu » afb.
B Verdere pagina's met applicaties Bedienen van de applicaties is niet mogelijk tijdens het rijden De ŠKODA One App applicatie is in de onlineshops App Store en Google Play verkrijgbaar. Weergave van de functietoetsen tijdens de actieve applicatie Terugkeren naar het hoofdmenu MirrorLink® Weergave van de functietoetsen boven/onder Door het inlezen van de QR-code » afb.
Verbinding verbreken De verbinding kan op een van de volgende manieren worden verbroken. Navigatie › Het contact gedurende meer dan 5 s uitschakelen (bij wagens met een start- Inleidende informatie knop de motor afzetten en het bestuurdersportier openen). › De verbinding in de ŠKODA OneApp applicatie beëindigen. › De mobiele telefoon losmaken van de USB-ingang resp. de WLAN-verbinding beëindigen. Navigatie - Werkingsverloop Geldt voor het infotainment Amundsen.
Hoogte boven de zeespiegel Aantal ontvangen/beschikbare satellieten ▶ De gewenste lijstvermeldingen selecteren. ▶ De functietoets Oproepen aantippen en de downloadprocedure bevestigen. Als geen GPS-satellietsignaal beschikbaar is, worden geen waarden weergegeven. Tijdens de updateprocedure is het infotainment volledig beschikbaar. Hoofdmenu Navigatiegegevens Navigatiegegevensbron De navigatiegegevens zijn op een originele SD-kaart opgeslagen. Afb.
Bediening van de Media/Radio-weergave Weergave van de volume-instelling voor de navigatiemeldingen / herhaling van de navigatiemelding » pag. 165 Instellingen van de Navigatie » pag. 114 Extra venster Afb. 182 Extra venster Kaart Afb. 181 Kaartbeschrijving › Voor het in-/uitschakelen in het menu Navigatie de functietoets → Splitscreen aantippen. › Voor het selecteren van de inhoud van het splitscreen A » afb.
› Er vindt geen routegeleiding plaats - in het hoofdmenu Navigatie de func- tietoets → aantippen. › Er vindt een routegeleiding plaats - in het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Reisd. ing. → aantippen. Functietoetsen » afb. 183 A Zoeken naar een reisdoel of bijzonder reisdoel (POI) aan de hand van de naam » pag. 154 B Ingave reisdoel via het adres » pag. 155 C Online bijzondere reisdoelen zoeken » pag.
Reisdoel via het adres ingeven Afb. 186 Reisdoel via het adres ingeven: Hoofdmenu / lijst met gevonden plaatsen Menu weergeven › Er vindt geen routegeleiding plaats - in het hoofdmenu Navigatie de func- tietoets aantippen. › Er vindt een routegeleiding plaats - in het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Reisd. ing. aantippen. › Vervolgens de functietoets → B » afb. 183 op pag. 153 aantippen. Reisdoel ingeven › Het adres van het reisdoel ingeven en vervolgens bevestigen » afb. 186 - .
Reisdoel via het kaartpunt invoeren Tankstation, restaurant of parkeerplaats zoeken Afb. 188 Menu na het aantippen van het kaartpunt Door het aantippen van de kaart worden het symbool en een menu met de volgende menupunten (contextafhankelijk) weergegeven » afb. 188. A B C Weergave van de reisdoeldetails » pag.
▶ Er vindt geen routegeleiding plaats - de dichtstbijzijnde reisdoelen in een omtrek van 200 km van de actuele wagenpositie worden weergegeven. ▶ Er vindt een routegeleiding plaats - de reisdoelen op de route of in de directe omgeving van de route worden weergegeven. Reisdoel online zoeken Bij geactiveerde Infotainment Online » pag.
Reisdoel opslaan ▶ In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Laatste reisdoelen aantippen. ▶ De functietoets op het gewenste reisdoel aantippen, de reisdoeldetails worden aangegeven. ▶ De functietoets Opslaan aantippen. ▶ Het reisdoel eventueel hernoemen en het opslaan bevestigen. "Vlaggetjesreisdoel" (actuele wagenpositie) opslaan ▶ In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Huidige positie opslaan aantippen.
De eigen reisdoelen kunnen m.b.v. de ŠKODA-applicatie "MyDestination", in het gebruikersprofiel op de ŠKODA Connect Portal of in de ŠKODA Connect applicatie worden aangemaakt. Door het inlezen van de QR-code » afb. 192 of na het invoeren van het volgende adres in de webbrowser, wordt nadere informatie over de applicatie "MyDestination" weergegeven. http://go.skoda.eu/my-destination De toegang tot de ŠKODA Connect Portal is te vinden op de ŠKODA Connect internetpagina's.
› De functietoets Bijz. reisd. → Oproepen aantippen. Indien nieuwe categorieën bijzondere reisdoelen beschikbaar zijn, wordt het aantal en de bestandsgrootte door het infotainment weergegeven. › De functietoets Starten aantippen, om de import te starten. › Om de import af te ronden de functietoets Volgende aantippen en de import bevestigen. Categorie bijzondere reisdoelen op de kaart weergeven › In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → Kaart → Categorieën voor bijz. reisdoelen kiezen → Mijn bijz.
Kaart Kaartschaal Opties voor de kaartweergave Afb. 195 Opties voor de kaartweergave Afb. 196 Functietoetsen voor de kaartschaalwijziging › In het hoofdmenu Navigatie de functietoets aantippen. De volgende functietoetsen worden weergegeven » afb. 195. 2D - tweedimensionale kaartweergave 3D - driedimensionale kaartweergave Weergave van de route vanaf de actuele wagenpositie tot aan het reisdoel Weergave van de positie van het reisdoel resp.
Het uitschakelen gebeurt tevens als de kaart wordt verschoven of de schaal handmatig wordt gewijzigd. Kaartweergave op verkleinde schaal het hoofdmenu Navigatie de functietoets A → aantippen. ▶ In De kaartschaal wordt gedurende enkele seconden verkleind en vervolgens weer hersteld. In rijrichting gerichte kaart De kaart en het Poolster-symbool draaien, het symbool van de wagenpositie draait niet. Kaartcentrering Afb. 198 Kaartcentrering Wijziging van de kaartrichting Afb.
Voor sommige wagens bestaat de mogelijkheid om een waarschuwing in te stellen bij het overschrijden van de toegestane, door een verkeersteken begrensde snelheid. Reisdoeldetails › Op de toets drukken en vervolgens de functietoets → Bestuurdershulpsysteem → Snelheidswaarsch.: aantippen. Voor het rijden met aanhangwagen adviseren wij om de herkenning van verkeerstekens m.b.t. aanhangwagens in te schakelen.
▶ Bewerking van het reisdoel (het reisdoel kan worden gewist, hernoemd of als favoriet worden opgeslagen). ▶ Kiezen van het telefoonnummer van het bijzondere reisdoel (als een telefoon met het infotainment is verbonden » pag. 138, Koppeling en verbinding). Routeberekening en start van de routegeleiding Afb. 200 Alternatieve routes Routeberekening voor rijden met aanhangwagen Voor het rijden met een aanhangwagen resp.
Grafische rijadviezen De laatste navigatiemelding kan in het hoofdmenu Navigatie door het aantippen van de functietoets → worden herhaald. Het tijdstip van de navigatiemelding is afhankelijk van het wegtype waarop wordt gereden en de gereden snelheid. De soort van de navigatiemeldingen kan worden gekozen: → Navigatiemeldingen. Let op De routegeleiding op de meestgebruikte route vindt plaats zonder navigatiemeldingen. Afb.
› In het hoofdmenu Navigatie door het aantippen van de functietoets → Routegeleiding stoppen. › Door het uitschakelen van het contact gedurende langer dan 120 min. Afbreken van de routegeleiding Als het contact uit- en weer ingeschakeld wordt, dan wordt de routegeleiding, afhankelijk van de onderbroken tijd, op een van de volgende manieren voortgezet. ▶ Binnen 15 minuten - de routegeleiding wordt voortgezet rekening houdend met de berekende route.
Bij op de route al bereikte reisdoelen wordt onder de reisdoelnaam de aanwijzing Reisdoel bereikt getoond. Het is niet meer mogelijk om deze tussenstops onderling te verwisselen. › Het contact inschakelen. Als een nieuwe route aanwezig is, verschijnt op het Route opslaan ▶ Bij A de functietoets Opslaan aantippen. ▶ De bewerkte route als nieuwe route opslaan of de bestaande berekende route vervangen.
Het infotainment biedt de mogelijkheid tot ontvangst van verkeersmeldingen met informatie over verkeersopstoppingen via TMC (Traffic Message Channel) of online (bij geactiveerde Infotainment Online » pag. 13 online-diensten). › Voor de weergave van de lijst met verkeersmeldingen de toets ken en vervolgens de functietoets aantippen.
A B C D E Kaart met de betreffende plaats Beschrijving van de verkeersopstopping Ontvangsttijdstip en informatie over de verkeersmeldingenaanbieder (is ŠKODA Connect de aanbieder dan gaat het om een online-verkeersmelding) Symbool van de verkeersopstopping Lengte van de verkeersopstopping › In het hoofdmenu Navigatie de functietoets → "File vooruit" opheffen aantippen.
Wagensystemen CAR - Wageninstellingen Inleiding Geldt niet voor het infotainment Blues. In het menu CAR kunnen ritgegevens en wageninformatie worden getoond en enkele wagensystemen worden ingesteld. Op fabrieksinstellingen terugzetten Het terugzetten op de fabrieksinstellingen kan in het infotainment in het menu → → Fabrieksinstellingen worden uitgevoerd. Let op De instellingen van de wagensystemen kunnen alleen bij ingeschakeld contact worden uitgevoerd. Hoofdmenu Afb.
Rijden Wegrijden en rijden Motor starten en afzetten Inleiding voor het onderwerp Afhankelijk van de uitrusting bestaat de mogelijkheid, met de sleutel in het contact of de startknop het contact in- of uit te schakelen en de motor te starten/af te zetten. ATTENTIE ■ Nooit de motor afzetten voordat de wagen stilstaat - gevaar voor ongevallen! ■ Als de wagen wordt voortbewogen met niet-draaiende motor moet het contact altijd ingeschakeld zijn.
› Bij wagens met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P of Contact in-/uitschakelen N zetten » en het rempedaal intrappen en ingetrapt houden, tot de motor is aangeslagen. Motor starten › Bij wagens met contactslot de sleutel in stand 3 draaien » afb. 206 op pag. 172 - , er wordt gestart. Vervolgens de sleutel loslaten, de motor slaat automatisch aan. Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, de sleutel in stand 1 draaien. De startprocedure na 30 s herhalen.
Let op Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid te horen zijn. ■ Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - de accu wordt anders onnodig belast. ■ Nadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator (ook bij uitgeschakeld contact) nog circa 10 minuten verder draaien. ■ Problemen bij de motorstart - Wagens met startknop Afb. 207 Motor starten - knop met de sleutel indrukken Als het systeem herkent, dat bij het stoppen (bv.
Voorwaarden voor de systeemfunctie Voor een correcte systeemfunctie dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan. Het bestuurdersportier is gesloten. De bestuurder heeft de veiligheidsgordel omgegespt. De snelheid was na de laatste keer stoppen hoger dan 4 km/h. Op het stopcontact voor de aanhangwagen is geen aanhangwagen resp. geen ander accessoire aangesloten. Systeemtoestand De systeemtoestand wordt bij het stoppen op het display weergegeven » afb. 208.
Remmen en parkeren ATTENTIE Wanneer de motor is afgezet is meer kracht nodig om te remmen - gevaar voor ongevallen! ■ Tijdens het remmen met een wagen met schakelbak, ingeschakelde versnelling en in een laag toerentalbereik, moet het koppelingspedaal worden ingetrapt. Anders zou dit een negatieve invloed op de rembekrachtiger kunnen hebben - gevaar voor ongevallen! ■ Het rempedaal niet intrappen wanneer er niet hoeft te worden geremd.
Loszetten › De handremhendel iets omhoogtrekken en tegelijkertijd de grendelknop » afb. 210 indrukken. › De hendel met ingedrukte grendelknop volledig omlaag bewegen. Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het controlelampje in het instrumentenpaneel. Als per ongeluk met aangetrokken handrem wordt weggereden, klinkt een waarschuwingstoon. De handremwaarschuwing wordt geactiveerd als langer dan ongeveer 3 seconden met een snelheid van meer dan 5 km/h wordt gereden.
Het koppelingspedaal bij het schakelen altijd volledig intrappen. Daardoor wordt een overmatige slijtage van de koppeling vermeden. Achteruitversnelling inschakelen - variant 1 › De wagen stilzetten. › Het koppelingspedaal volledig intrappen. › De versnellingshendel in stand N zetten. › De versnellingshendel omlaag drukken, volledig naar links bewegen en vervolgens naar voren in stand R plaatsen » afb. 211. Achteruitversnelling inschakelen - variant 2 (geldt voor de 1,0 l MPI motor) › De wagen stilzetten.
Keuzehendelstand kiezen Keuzehendelvergrendeling Afb. 212 Keuzehendelstanden / displayweergave Lees en bekijk eerst en op bladzijde 177. Afb. 213 Grendelknop Lees en bekijk eerst en op bladzijde 177. Door de keuzehendel te verplaatsen kan deze in een van de volgende standen worden gezet » afb. 212. In sommige standen moet de grendelknop worden ingedrukt » pag. 178, Keuzehendelvergrendeling.
Handmatig schakelen (Tiptronic) Wegrijden en rijden Afb. 214 Keuzehendel Lees en bekijk eerst en op bladzijde 177. Lees en bekijk eerst en op bladzijde 177. Wegrijden en tijdelijk stoppen › Het rempedaal intrappen en vasthouden. › De motor starten. › De grendelknop indrukken en de keuzehendel in de gewenste stand zetten » pag. 178. › Het rempedaal loslaten en gas geven. Bij het tijdelijk stoppen (bv. bij een kruising) hoeft stand N niet te worden ingesteld.
Voor een zuinige rijstijl de volgende aanwijzingen in acht nemen. ▶ Onnodig accelereren en remmen vermijden. ▶ Op het schakeladvies letten » pag. 47. ▶ Volgas en hoge snelheden vermijden. ▶ De motor minder stationair laten draaien. ▶ Korte ritten vermijden. ▶ De correcte bandenspanning in acht nemen » pag. 225. ▶ Onnodige ballast vermijden. ▶ Vóór het rijden de dakdragers verwijderen als deze niet worden gebruikt. ▶ Elektrische verbruikers (bv. stoelverwarming) slechts zo lang inschakelen als nodig is.
Schade aan de wagen voorkomen › Vóór het rijden door water de diepte van het water vaststellen. Het waterpeil Aanwijzingen voor het rijden › Ten hoogste stapvoets rijden, anders kan zich voor de wagen een boeggolf mag maximaal tot de onderrand van de dorpel reiken » afb. 216. Alleen op wegen en in terrein rijden, die geschikt zijn voor de technische toestand van de wagen » pag. 253, Technische gegevens.
Hulpsystemen De sensor maakt onderdeel uit van het ACC-systeem » pag. 192 en Front Assist » pag. 197. Algemene aanwijzingen De werking van de sensor kan in een van de volgende situaties beperkt of helemaal niet beschikbaar zijn. ▶ De sensorafdekking is (bv. door modder, sneeuw en dergelijke) verontreinigd. ▶ Het gedeelte vóór en om de sensor is (bv. door stickers, extra koplampen en dergelijke) afgedekt. ▶ Bij slecht zicht (bv. mist, stortregen, hevige sneeuwval).
Stabiliseringscontrole (ESC) Lees en bekijk eerst Tractiecontrole (ASR) op bladzijde 182. Afb. 218 Toets van het ASR-systeem De ESC verbetert de wagenstabiliteit in rijdynamische grenssituaties (bv. als de wagen dreigt te gaan slingeren) door het afremmen van de afzonderlijke wielen, om de rijrichting aan te houden. Tijdens een ESC-ingreep knippert het controlelampje in het instrumentenpaneel. Antiblokkeersysteem (ABS) Lees en bekijk eerst op bladzijde 182.
De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Het is zinvol het systeem alleen in bv. de volgende situaties te deactiveren: ▶ Bij het rijden met sneeuwkettingen. ▶ Bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond. ▶ Bij het "losschommelen" van de vastgereden wagen. Elektronisch sperdifferentieel (EDS en XDS+) Lees en bekijk eerst op bladzijde 182. Bergwegrijhulp Lees en bekijk eerst op bladzijde 182.
ATTENTIE De algemene aanwijzingen m.b.t. het gebruik van de hulpsystemen dienen in acht te worden genomen » pag. 182, in alinea Inleiding voor het onderwerp. ■ Bewegende personen of objecten kunnen door de systeemsensoren mogelijk niet worden herkend. ■ Oppervlakken van bepaalde voorwerpen en van kleding kunnen de systeemsignalen niet altijd reflecteren. Het gevaar bestaat, dat dergelijke objecten of personen door de systeemsensoren mogelijk niet kunnen worden herkend.
Afhankelijk van de uitrusting zijn er de volgende systeemvarianten » afb. 220. ▶ Variant 1: Waarschuwt voor obstakels in de gebieden C , D . ▶ Variant 2: Waarschuwt voor obstakels in de gebieden A , B , C , D . Globaal bereik van de sensoren (in cm) Gebied » afb. 220 Variant 1 (3 sensoren) Variant 2 (7 sensoren) A 160 60 120 60 160 60 B C D Geluidssignalen Met de vermindering van de afstand tot het obstakel wordt het interval tussen de akoestische signalen korter.
Activering/deactivering Automatische systeemactivering bij vooruitrijden Afb. 222 Systeemtoets (variant 2) Lees en bekijk eerst en op bladzijde 185. Activering Het systeem wordt geactiveerd door het inschakelen van de achteruitversnelling, bij wagens met variant 2 ook door te drukken op toets » afb. 222. Bij het activeren klinkt een akoestisch signaal en in de toets gaat het symbool branden.
VOORZICHTIG Het camerabeeld is in vergelijking met het echte zicht vervormd. Daarom is de beeldschermweergave maar beperkt geschikt om de afstand tot achterliggers in te schatten. ■ Sommige obstakels (bv. smalle palen, gaashekwerk, roosters of oneffenheden in het wegdek) kunnen als gevolg van de beeldschermresolutie mogelijk onvoldoende goed worden weergegeven. ■ Bij een aanrijding resp. schade aan de achterzijde van de wagen kan de camera eventueel uit de juiste stand worden gebracht.
De afstand tussen de zijlijnen komt ongeveer overeen met de wagenbreedte incl. de buitenspiegels. Werking Functietoetsen » afb.
Bij wagens met automatische versnellingsbak staat de keuzehendel in stand D/S of in de tiptronic-stand. De actuele snelheid is hoger dan 20 km/h. Dit is echter alleen mogelijk als het motorvermogen of de motorremwerking dit toelaten. De automatische regelingsonderbreking vindt plaats als een van de volgende situaties zich voordoet. ▶ Het rempedaal wordt bediend. ▶ Bij een ingreep van een van de remondersteunende hulpsystemen (bv. ESC). ▶ Door de activering van een airbag.
Werking Bedieningsbeschrijving Afb. 229 MAXI DOT-display (monochroom): Voorbeelden van statusindicaties van de snelheidsbegrenzer Afb. 231 Bedieningselementen van de snelheidsbegrenzer: Wagens met snelheidsbegrenzer / wagens met SRS en snelheidsbegrenzer Afb. 230 Segmentdisplay: Voorbeelden van statusindicaties van de snelheidsbegrenzer Lees en bekijk eerst op bladzijde 190. Statusindicaties van de snelheidsbegrenzer » afb. 229, » afb. 230 Snelheidslimiet ingesteld, echter regeling inactief.
Bij het overschrijden van de snelheidslimiet (bv. bij bergaf rijden) klinkt er een akoestisch signaal en het controlelampje in het instrumentenpaneel knippert. ATTENTIE De ACC uit veiligheidsoverwegingen niet in de volgende situaties gebruiken. ■ Bij het nemen van afritten op snelwegen of bij wegwerkzaamheden om zo een ongewenste acceleratie naar de opgeslagen snelheid te voorkomen. ■ Bij slecht zicht (bv. mist, stortregen, hevige sneeuwval). ■ Op slecht wegdek (bv.
3 Werking 4 Ingestelde afstand ten opzichte van de voorligger Voertuig herkend (regeling inactief) Statusindicaties van de ACC » afb. 233 Regeling inactief. Regeling actief - geen voertuig herkend. Regeling inactief - geen snelheid opgeslagen. Regeling actief - voertuig herkend. Afb.
Bedieningsoverzicht Regeling starten Lees en bekijk eerst op bladzijde 192. Basisvoorwaarden voor het starten van de regeling De ACC is geactiveerd. Bij wagens met schakelbak is de tweede versnelling of een hogere versnelling ingeschakeld en de actuele snelheid is hoger dan 30 km/h. Bij wagens met automatische versnellingsbak staat de keuzehendel in stand D/S of in de tiptronic-stand en de actuele snelheid is hoger dan 2 km/h. Afb.
Let op De regeling wordt eveneens onderbroken als het koppelingspedaal langer dan 30 s wordt ingetrapt of de ASR wordt gedeactiveerd. Gewenste snelheid instellen/wijzigen Lees en bekijk eerst op bladzijde 192. De gewenste snelheid wordt met de bedieningshendel ingesteld of gewijzigd » afb. 234 op pag. 194. Snelheid in sprongen van 10 km/h instellen/wijzigen () - Voorwaarden De ACC is geactiveerd.
Voertuigen met bijzondere lading of speciale opbouwen Lading of opbouwdelen van andere voertuigen die aan de zijkant, aan achterzijde of bovenzijde voorbij de voertuigcontouren steken, kan de ACC mogelijk niet herkennen. Inhalen en rijden met aanhangwagen Afb. 236 Verandering van rijstrook van andere voertuigen / stilstaande voertuigen Lees en bekijk eerst op bladzijde 192.
ACC-storing Bij een ACC-storing verschijnt een storingmelding. De hulp van een specialist inroepen. Front Assist Inleiding voor het onderwerp Front Assist (hierna systeem) waarschuwt voor het gevaar van een aanrijding met een wagen of met een ander zich voor de wagen bevindend obstakel en probeert zo nodig door een automatische remingreep een aanrijding te voorkomen resp. de gevolgen ervan te minimaliseren. Het gedeelte voor de wagen wordt door een radarsensor » pag. 182 gecontroleerd.
Zo snel mogelijk de afstand laten toenemen, rekening houdend met de actuele verkeerssituatie! De afstand waarbij de waarschuwing wordt gegeven, is afhankelijke van de actuele rijsnelheid. De waarschuwing kan in een snelheidsbereik van circa 60 km/h tot 210 km/h worden gegeven. Waarschuwing en automatisch remmen Afb. 238 Display van het instrumentenpaneel: Voorwaarschuwing resp.
Het systeem kan alleen in uitzonderingssituaties worden gedeactiveerd » . Storingen Bij wagens met MAXI DOT-display kan het systeem in het hoofdmenu worden gedeactiveerd/geactiveerd » pag. 51, Menupunt Hulpsystemen. Deactivering/activering bij wagens met segmentdisplay Als het systeem niet beschikbaar is, dan wordt op het display in het instrumentenpaneel een overeenkomstige melding weergegeven. Toets » afb.
ATTENTIE De algemene aanwijzingen m.b.t. het gebruik van de hulpsystemen dienen in acht te worden genomen » pag. 182, in alinea Inleiding voor het onderwerp. ■ Voor de rijvaardigheid is steeds de bestuurder verantwoordelijk. Nooit gaan rijden indien u zich moe voelt. ■ Het systeem kan mogelijk niet alle situaties herkennen waarin een rustpauze nodig is. ■ Tijdens lange ritten moeten daarom regelmatig voldoende lange rustpauzes worden ingelast. ■ Bij een zogenaamde microslaap vindt geen waarschuwing plaats.
Een melding op het beeldscherm informeert over het opslaan van de bandenspanningswaarden. Trekhaak en aanhangwagen Let op Bij brandend controlelampje in het instrumentenpaneel kan in het infotainment de betreffende band worden weergegeven » afb. 240. Trekhaak Opslaan van de bandenspanningswaarden met de toets Afb. 241 Toets voor opslaan van de bandenspanningswaarden Inleiding voor het onderwerp De maximale kogeldruk bij aanhangwagengebruik is afhankelijk van het motortype en de wagenuitrusting.
Drager van de trekhaak en kogelkop » afb. 242 1 Afdekkap voor de bevestigingsschacht 2 Bevestigingsschacht 3 Beschermkap 4 Kogelkop 5 Bedieningshendel 6 Slotkap 7 Ontspanpen 8 Sleutel 9 Vergrendelingskogel Paraatheidsstand instellen Lees en bekijk eerst op bladzijde 201. De kogelkop kan alleen worden gemonteerd als deze zich in de paraatheidsstand bevindt. › De kogelkop onder de beschermkap beetpakken. › De kap A van het slot in pijlrichting 1 » afb. 243 verwijderen.
Als de bedieningshendel C niet zelfstandig draait of als de ontspanpen D niet naar buiten komt, moet de kogelkop door het tot de aanslag omlaagdraaien van de hendel C uit de bevestigingsschacht worden verwijderd en moeten de contactoppervlakken van de kogelkop en de bevestigingsschacht worden gereinigd.
ATTENTIE Na de montage van de kogelkop altijd het slot vergrendelen en de sleutel verwijderen. De kogelkop mag niet met aangebrachte sleutel worden gebruikt. Correcte bevestiging controleren Afb. 249 Correct bevestigde kogelkop Afb. 251 Sleutel in het slot steken / slot ontgrendelen Lees en bekijk eerst op bladzijde 201. Op de stang met kogelkop mag geen aanhangwagen resp. geen ander accessoire aangekoppeld zijn.
In deze stand is de kogelkop los en valt vrij naar beneden in de hand. Indien de kogelkop na het losmaken niet vrij in de hand valt dan met de andere hand van bovenaf hierop drukken. Het maximaal toegestane gewicht van het gemonteerde accessoire incl. belading komt overeen met de maximale kogeldruk bij aanhangwagengebruik, maar mag niet hoger zijn dan 50 kg. Afsluitende werkzaamheden › De afdekkap B » afb. 246 op pag. 203 tegen de pijlrichting 2 aanbrengen. › De afdekkap A » afb. 246 op pag.
› De stekker van de aanhangwagen (de accessoire) in het 13-polige stopcon- ATTENTIE (vervolg) Na de elektrische verbinding tussen de wagen en de aanhangwagen (accessoire) moet de aanhangwagen-/accessoireverlichting op goede werking worden gecontroleerd. ■ Het borgoog nooit gebruiken voor het afslepen - gevaar voor ongevallen! tact A steken » afb. 253. (Als de aanhangwagen/de accessoire over een 7polige stekker beschikt, een overeenkomstige adapter uit de originele ŠKODA accessoires gebruiken).
Toegestaan aanhangwagengewicht - Fabia Motor 1,0 l/44 kW MPI 1,0 l/55 kW MPI 1,0 l/70 kW TSI 1,0 l/81 kW TSI 1,6 l/66 kW MPI 1,6 l/81 kW MPI 1,4 l/55 kW TDI CR 1,4 l/66 kW TDI CR 1,4 l/77 kW TDI CR Versnellingsbak MG MG MG MG DSG MG AG MG MG DSG MG Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) bij hellingen tot 12%.
Aanhangwagengebruik Rijsnelheid Om veiligheidsredenen met de aanhangwagen niet sneller dan 100 km/h (als de trekkende wagen een personenwagen uit klasse M1 is) resp. 80 km/h (als de trekkende wagen een bedrijfswagen uit klasse N1 is) rijden. Direct snelheid verminderen, zodra u ook maar de minste slingerbeweging van de aanhangwagen waarneemt. Nooit proberen een slingerende wagen met aanhangwagen weer "recht te trekken" door te accelereren.
Raadgevingen voor het gebruik Verzorging en onderhoud Servicewerkzaamheden, aanpassingen en technische wijzigingen Inleiding voor het onderwerp Bij het gebruik van accessoires en bij het uitvoeren van aanpassingen, reparaties of technische wijzigingen aan uw wagen moeten de aanwijzingen en richtlijnen van ŠKODA AUTO in acht worden genomen. De richtlijnen en aanwijzingen worden nageleefd in het belang van de verkeersveiligheid en de goede technische toestand van uw wagen.
De ŠKODA Servicepartners zijn conform de wettelijke voorschriften tot 2 jaar na verkoop aansprakelijk voor eventuele gebreken aan ŠKODA originele accessoires, voor zover in het koopcontract niet iets anders is overeengekomen. Spoiler Lees en bekijk eerst op bladzijde 209.
Verzorging en onderhoud Inleiding voor het onderwerp Regelmatige en deskundige verzorging is belangrijk voor het waardebehoud van uw wagen. Bij het gebruik van de verzorgingsmiddelen de gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht nemen. Wij adviseren u de conserveringsmiddelen uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken. ATTENTIE Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid.
VOORZICHTIG De wagen niet in de volle zon wassen, bij het wassen geen druk op de carrosserie uitoefenen. Daarbij mag de temperatuur van het water max. 60 °C bedragen - anders bestaat gevaar voor beschadiging van de lak van de wagen. ■ Vóór het rijden door een automatische wasstraat de buitenspiegels inklappen - gevaar voor beschadiging. ■ Bij wagens met dakantenne moet vóór het rijden door een wasstraat de antennestaaf eraf worden geschroefd - er bestaat anders gevaar voor beschadiging.
Wij adviseren de beschermlaag - bij voorkeur voor het begin en na afloop van het koude jaargetijde - te laten controleren. Levensduur van de folie Milieu-invloeden (bv. zonnestraling), vocht, luchtvervuiling, steenslag) hebben een negatief effect op de levensduur van de folie. De folie veroudert en wordt poreus. Dit is volledig normaal en is geen defect. De zonnestraling kan eveneens de sterkte van de kleur van de folie beïnvloeden. Bij het transport van lading op de dakdragers (bv.
VOORZICHTIG De ijskrabber in één richting bewegen, anders bestaat gevaar voor beschadiging van het ruitoppervlak. ■ Sneeuw of ijs niet verwijderen van oppervlakken die ernstig vervuild zijn (bv. met fijn zand of strooizout) - gevaar voor beschadiging van het oppervlak. ■ Sneeuw of ijs voorzichtig verwijderen, anders bestaat gevaar voor beschadiging van de op de wagen af fabriek aangebrachte stickers.
Ruiten ■ Geen stickers op de verwarmingsdraden of ruitantenne plakken - gevaar voor beschadiging. ■ Bekleding van elektrisch verwarmde stoelen ■ Niet met water of andere vloeistoffen schoonmaken - gevaar voor beschadiging van het verwarmingssysteem. ■ Niet drogen door de verwarming in te schakelen. ■ Veiligheidsgordels ■ De gordels na het schoonmaken laten drogen voordat ze worden opgerold. ■ Controleren en bijvullen Brandstof Inleiding voor het onderwerp Afb.
De wagen alleen gebruiken met loodvrije benzine gebruiken, die maximaal 10% bioethanol (E10) bevat. Benzine en diesel tanken Loodvrije benzine moet aan de Europese norm EN 228 ( in Duitsland ook DIN 51626-1 resp. E10 voor loodvrije benzine met octaangetal 95 en 91 of DIN 51626-2 resp. E5 voor loodvrije benzine met octaangetal 95) voldoen. Voorgeschreven benzine 95/91 resp. 92 resp. 93 RON Wij adviseren benzine 95 RON te gebruiken. Optioneel kan ook benzine 91, 92 resp.
Let op Loodvrije benzine met een hoger octaangetal dan voorgeschreven kan zonder beperkingen worden gebruikt. ■ Bij wagens waarvoor benzine 95/91 resp. 92 resp. 93 RON wordt voorgeschreven, zorgt het gebruik van benzine met een hoger octaangetal dan 95 RON niet voor een merkbare vermogenstoename of een lager brandstofverbruik. ■ Bij wagens waarvoor benzine van minimaal 95 RON wordt voorgeschreven, kan het gebruik van benzine hoger dan 95 RON voor een vermogenstoename en een lager brandstofverbruik zorgen.
ATTENTIE (vervolg) Nooit in de koelluchtventilator grijpen. De koelluchtventilator kan nog ongeveer 10 minuten na het uitschakelen van het contact plotseling gaan draaien! ■ In de buurt van de motor niet roken en geen open vuur of vonkgevaarlijke voorwerpen gebruiken. ■ Geen voorwerpen (bv. poetsdoeken of gereedschap) in de motorruimte laten liggen. Er bestaat gevaar voor brand en motorschade. ■ De informatie en waarschuwingen op de verpakkingen van bedrijfsvloeistoffen lezen en opvolgen.
VOORZICHTIG Bij het sluiten de motorkap "niet nadrukken" - gevaar voor beschadiging van de kap. Ruitensproeiervloeistof Afb. 259 Ruitensproeiervloeistofreservoir Overzicht motorruimte Lees en bekijk eerst en op bladzijde 217. Het ruitensproeiervloeistofreservoir A bevindt zich in de motorruimte » afb. 259. Het reservoir heeft een inhoud van 3,5 liter, bij wagens met koplampsproeiers 5,4 liter (in sommige landen 5,4 liter voor beide uitvoeringen).
▶ Benzinemotoren: VW 504 00, VW 502 00, VW 508 00, ACEA A3/ACEA B4 of API SN, (API SM); ▶ Dieselmotoren: VW 507 00, ACEA C3 of API CJ-4. Controleren en bijvullen Afb. 260 Varianten van de oliepeilstok ATTENTIE Bij werkzaamheden in de motorruimte moeten de volgende waarschuwingsaanwijzingen in acht worden genomen » pag. 217. VOORZICHTIG Het oliepeil mag in geen geval buiten het gebied A liggen » afb. 260 - gevaar voor beschadiging van de motor en het uitlaatsysteem.
ATTENTIE (vervolg) Als bescherming tegen koelvloeistofspatten de vuldop bij het openen met een doek afdekken. ■ Koelvloeistof en koelvloeistofdampen zijn schadelijk voor de gezondheid contact met koelvloeistof voorkomen. Als de ogen en huid met koelvloeistof in aanraking zijn gekomen, de betreffende plaats direct gedurende ten minste enkele minuten met veel water afspoelen en indien nodig medische hulp inroepen. ■ VOORZICHTIG De radiateur niet afdekken en geen onderdelen (bv.
Remvloeistof Accu Afb. 262 Remvloeistofreservoir De remvloeistof onder de volgende omstandigheden controleren. De wagen staat op een horizontale ondergrond. De motor is afgezet. Remvloeistofpeil controleren - het remvloeistofpeil moet tussen markeringen "MIN" en "MAX" liggen » afb. 262. Specificatie - de remvloeistof moet voldoen aan de norm VW 501 14 (deze norm voldoet aan de eisen van de norm FMVSS 116 DOT4). De verversing van de remvloeistof vindt plaats in het kader van de inspectie.
ATTENTIE (vervolg) De accu uit de buurt houden van personen die niet volledig zelfstandig zijn (bv. kinderen). ■ De accu niet kantelen, omdat er accuzuur uit de ontluchtingsopeningen van de accu kan lopen. ■ ATTENTIE Bij werkzaamheden aan de accu bestaat gevaar voor explosie, brand, verwondingen of bijtende werking! De volgende waarschuwingsaanwijzingen in acht nemen. ■ Niet roken, geen open vuur of licht gebruiken en geen vonkgevaarlijke werkzaamheden uitvoeren.
Voor het volledig laden van de accu moet een laadstroom van een tiende van de accucapaciteit (of lager) worden ingesteld. ATTENTIE Bij het opladen van de accu komt waterstof vrij - explosiegevaar. Een explosie kan ook worden veroorzaakt door een vonk die ontstaat bij het loskoppelen van de accu of het lostrekken van een stekker. ■ Het zogenaamde "snelladen" van de accu is gevaarlijk. Hiervoor is een speciale acculader en vakkennis nodig. Daarom het "snelladen" door een specialist laten uitvoeren.
Wielen Velgen en banden Gebruiksinstructies voor wielen Nieuwe banden leveren ongeveer de eerste 500 km nog niet de optimale grip, daarom bijzonder voorzichtig rijden. Banden met het meeste profiel moeten altijd op de voorwielen worden gebruikt. Velgen en wielbouten zijn constructief op elkaar afgestemd. Wij adviseren om velgen en wielbouten uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken. Wielen en banden koel, droog en donker opslaan. De banden zelf dienen staand te worden opgeslagen.
De bandenspanning moet altijd aan de belading worden aangepast. B Bandenspanning voor halve belading C Bandenspanning voor het milieu ontlastend gebruik (iets lager brandstofverbruik en iets lagere uitstoot van schadelijke stoffen) D Bandenspanning voor volle belading E Banddiameter in inch Deze informatie dient slechts als informatie voor de voorgeschreven bandenspanning. Het is geen opsomming van de goedgekeurde bandenmaten voor uw wagen.
Reservewiel Een volwaardig reservewiel is identiek aan de wielen die op de wagen zijn gemonteerd. En niet-volwaardig reservewiel is van een waarschuwingssticker voorzien die op de velg is aangebracht. Dit alleen gebruiken tot de dichtstbijzijnde specialist, omdat dit wiel niet bestemd is voor continu gebruik. Aanwijzingen voor het gebruik van een niet-volwaardig reservewiel ▶ De waarschuwingssticker niet afdekken. ▶ Tijdens het rijden bijzonder voorzichtig zijn.
Indien de wagen beschikt over allweather- of "winter"-banden met een lagere snelheidscategorie dan de vermelde topsnelheid van de wagen (betreft niet af fabriek geleverde banden) moet in het interieur in het gezichtsveld van de bestuurder een waarschuwingssticker met de topsnelheid voor de snelheidscategorie van de gemonteerde banden worden aangebracht.
Tips om het zelf te doen Nooduitrusting en tips om het zelf te doen Nooduitrusting Plaatsing van verbanddoos en gevarendriehoek Afb. 266 Plaats van de verbanddoos en de gevarendriehoek - variant 1 Plaatsing van de gevarendriehoek - variant 2 De gevarendriehoek kan met behulp van een spanband aan de rechterzijde van de bagageruimte worden bevestigd » afb. 267. › Voor het losmaken de vergrendeling aan de band in pijlrichting 1 drukken en de band A in pijlrichting 2 openklappen » afb. 267.
De brandblusser is met twee riemen in een houder onder de bijrijdersstoel bevestigd. › Voor het verwijderen van de brandblusser de vergrendelingen aan beide riemen in pijlrichting losmaken » afb. 269 en de brandblusser verwijderen. › Voor bevestiging van de brandblusser deze weer in de houder plaatsen en met de riemen vastzetten. De gebruiksaanwijzing staat op de brandblusser. De uiterste gebruiksdatum van de brandblusser in acht nemen.
Wiel verwisselen › Het reservewiel verwijderen » pag. 231. › De wieldop » pag. 232 of de afdekkappen » pag. 232 verwijderen. › De wielbouten losdraaien » pag. 233 » . › De wagen zo ver opkrikken » pag. 233 dat het te verwisselen wiel de bodem niet meer raakt. › De wielbouten verwijderen en op een schone ondergrond leggen (doek, pa- De beschadigde banden vervangen. Een bandenreparatie wordt afgeraden.
Wieldop Afdekkappen van de wielbouten Wieldop lostrekken › De beugel voor het lostrekken van de wieldoppen om de rand van een van de beluchtingsopeningen in de wieldop haken. › De wielsleutel door de beugel schuiven, de wielsleutel op de band laten rusten en de wieldop lostrekken. Wieldop aanbrengen › De wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg drukken. › De wieldop zodanig op de velg drukken tot deze over de gehele omtrek correct vastklikt.
Let op Wij adviseren de sticker met het codenummer te bewaren. Aan de hand hiervan kan een vervangende adapter uit het originele ŠKODA onderdelenprogramma worden aangeschaft. Wagen opkrikken Afb. 275 Steunpunten voor de krik Wielbouten losdraaien en vastzetten Afb. 274 Wielbouten losdraaien › De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout steken. Voor de antidiefstalwielbout de bijbehorende adapter gebruiken » afb. 273 op pag. 232.
ATTENTIE De volgende aanwijzingen in acht nemen, anders bestaat gevaar voor verwondingen. ■ De wagen beveiligen tegen onverwacht wegrollen. ■ De grondplaat van de krik altijd beveiligen tegen wegglijden. ■ Op losse ondergrond (bv. grind) onder de krik een brede en stabiele onderlegger plaatsen. ■ Op gladde oppervlakken (bv. kasseien) onder de krik een slipvaste onderlegger (bv. een rubberen vloermat) plaatsen. ■ De wagen altijd opkrikken terwijl de portieren zijn gesloten. ■ Nooit met een lichaamsdeel (bv.
bandenspanningmeter, 12 volt kabelstekker, 9 aan-uitschakelaar, 10 fles met bandenafdichtmiddel, 11 reserve-ventielinzetstuk. 7 8 Let op De conformiteitsverklaring zit bij de luchtcompressor of in de wagendocumentiemap. Voorbereidende werkzaamheden voor gebruik van de bandenafdichtset Lees en bekijk eerst op bladzijde 234. Veiligheidshalve vóór een wielreparatie langs de weg de volgende aanwijzingen in acht nemen.
VOORZICHTIG De luchtcompressor uiterlijk na afloop van de werkingstijd volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de bandenafdichtset uitschakelen - anders bestaat gevaar voor schade aan de compressor! De luchtcompressor enkele minuten laten afkoelen, voordat u deze opnieuw inschakelt. Aanwijzingen voor het rijden met een gerepareerde band Lees en bekijk eerst op bladzijde 234. ATTENTIE (vervolg) Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 °C bevriezen.
› Bij wagens zonder start-stopsysteem het andere uiteinde 4 aansluiten op een massief, vast met het motorblok verbonden metalen onderdeel of direct op het motorblok zelf. Motor starten › De motor van de stroomgevende wagen starten en stationair laten draaien. › Daarna de wagen met de ontladen accu starten. › Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, de startprocedure afbreken en na een halve minuut herhalen. › De startkabels precies in omgekeerde volgorde van het vastmaken verwijderen.
ATTENTIE Voor het slepen geen gedraaide sleepkabel gebruiken » afb. 279 - , het sleepoog kan anders uit de wagen worden gedraaid - er bestaat gevaar voor ongevallen. ■ De sleepkabel mag niet verdraaid zijn - er bestaat gevaar voor ongevallen. ■ VOORZICHTIG De motor niet starten door de wagen aan te slepen - gevaar voor motorschade. Als starthulp kunt u de accu van een andere wagen gebruiken » pag. 236, Starthulp.
Sleutel met uitklapbare sleutelbaard Noodontgrendeling/-vergrendeling Bestuurdersportier ont-/vergrendelen Afb. 282 Deksel openen / batterij verwijderen Lees en bekijk eerst op bladzijde 238. › De sleutelbaard uitklappen. › Het batterijdeksel A » afb. 282 met de duim of met een platte schroeven- draaier bij B losmaken. › Het batterijdeksel in pijlrichting 1 openklappen. › De ontladen batterij in pijlrichting 2 verwijderen en een nieuwe batterij plaatsen.
Portier zonder slotcilinder vergrendelen Afb. 284 Portier links/portier rechts Noodontgrendeling keuzehendel Afb. 286 Deksel verwijderen / keuzehendel ontgrendelen › Het betreffende portier openen. › Bij wagens met het paneel A dit paneel verwijderen » afb. 284. › De sleutel in de sleuf steken en in pijlrichting draaien (tegen de veerdruk in). › De afdekking A weer plaatsen. Na het sluiten wordt het portier vergrendeld. Achterklep ontgrendelen Afb. 285 Klep ontgrendelen › De handrem stevig aantrekken.
Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen Afb. 287 Servicestand van de ruitenwisserarmen instellen Ruitenwisserblad bevestigen › Het ruitenwisserblad tegen de pijlrichting 3 in schuiven, tot het blad vergrendelt. Controleren of het ruitenwisserblad correct is bevestigd. › De wisserarm op de ruit terugklappen. › Het contact inschakelen en de bedieningshendel in pijlrichting drukken » afb. 287. De wisserarmen gaan naar de basisstand. Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen Afb.
Zekeringen in het dashboard Zekeringen en gloeilampjes Zekeringen Afb. 291 Afdekking verwijderen Inleiding voor het onderwerp Afb. 290 Doorgebrande zekering Lees en bekijk eerst en op bladzijde 242. De zekeringen zitten aan onderzijde van het dashboard achter een afdekking. De afzonderlijke stroomkringen zijn door middel van smeltzekeringen beveiligd. Een doorgebrande zekering is aan een doorgesmolten metalen strookje te herkennen » afb. 290 /.
Zekeringenoverzicht in het dashboard Afb. 292 Zekeringen: Wagen met links stuur / - Wagen met rechts stuur Lees en bekijk eerst en op bladzijde 242. Nr.
Nr.
Nr. Zekeringenoverzicht in de motorruimte Afb. 294 Zekeringen Verbruiker Elektrische extra verwarming, koelluchtventilator, laaddrukregelaar, olietemperatuurvoeler, klep voor adsorptiekoolfilter, klep voor inlaatspruitstukklep Lambdasonde Voorgloeisysteem, verwarming voor carterontluchting, bobines 18 19 20 Gloeilampjes Lees en bekijk eerst en op bladzijde 242. Nr. Verbruiker 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Koelluchtventilator Voorgloeisysteem ABS resp.
VOORZICHTIG Het glas van de gloeilamp niet met blote vingers aanraken - ook de allerkleinste vervuiling verkort de levensduur van de gloeilamp. Een schone doek, servet of iets dergelijks gebruiken. ■ De afdekking van de gloeilamp in de koplamp moet altijd goed worden geplaatst, anders kan er water en vuil in de koplamp komen, gevaar voor schade aan de koplamp. ■ Afdekking in de voorste wielkuip verwijderen/aanbrengen Afb.
Steun van de ruitensproeiervloeistofvulpijp verwijderen/aanbrengen De steun moet goed vastklikken. › De reservoirvulpijp tegengesteld aan pijlrichting 1 in de steun schuiven. Gloeilampje van dagrijverlichting (halogeenkoplamp) vervangen Afb. 298 Gloeilampje van dagrijverlichting vervangen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 245. › De betreffende afdekking in de voorste wielkuip verwijderen » pag. 246. › De fitting met het gloeilampje in pijlrichting 1 draaien » afb. 298.
Gloeilampje van dim- en grootlicht (halogeenkoplamp) vervangen Afb. 299 Gloeilampje van dim- en grootlicht vervangen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 245. › De betreffende afdekking in de voorste wielkuip verwijderen » pag. 246. Voor het vervangen van het lampje in de rechterkoplamp eerst de steun van de ruitensproeiervloeistofvulpijp verwijderen » pag. 247. › De beschermkap B » afb. 295 op pag. 246 verwijderen.
Gloeilampje van knipperlicht voor (halogeenkoplamp) vervangen Gloeilampje van dimlicht (halogeenprojectorkoplamp) vervangen Afb. 301 Gloeilampje van knipperlicht voor vervangen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 245. Afb. 302 Gloeilampje van dimlicht vervangen Vóór het vervangen van het lampje in de rechterkoplamp eerst de steun van de ruitensproeiervloeistofvulpijp verwijderen » pag. 247. Lees en bekijk eerst en op bladzijde 245. › De beschermkap C » afb. 295 op pag. 246 verwijderen.
Gloeilampje van grootlicht (halogeenprojectorkoplamp) vervangen Gloeilampje van knipperlicht (halogeenprojectorkoplamp) vervangen Afb. 303 Gloeilampje van grootlicht vervangen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 245. Vóór het vervangen van het lampje in de rechterkoplamp eerst de steun van de ruitensproeiervloeistofvulpijp verwijderen » pag. 247. › De beschermkap E » afb. 295 op pag. 246 verwijderen. › De stekker met het gloeilampje in pijlrichting 1 draaien » afb. 303.
Gloeilampje van mistlamp vervangen › De stekker monteren. Koplamp en beschermrooster plaatsen › De mistlamp tegen de pijlrichting in 3 » afb. 305 plaatsen en vastdraaien. › Het beschermrooster plaatsen en voorzichtig erin drukken, tot het hoorbaar vastklikt. Achterlicht uit- en inbouwen Afb. 306 Achterlicht uitbouwen / stekker lostrekken Afb. 305 Mistlamp uitnemen/gloeilampje vervangen Lees en bekijk eerst en op bladzijde 245. Beschermrooster en koplamp verwijderen › In opening A » afb.
› De achterklep sluiten. › Het betreffende gloeilampje tot de aanslag linksom draaien en uit de houder VOORZICHTIG ■ Let erop dat bij het inbouwen van het achterlicht de kabelstreng niet wordt ingeklemd tussen de carrosserie en de verlichting - gevaar voor beschadiging van de elektrische installatie en waterlekkage. ■ Wij adviseren, om bij onzekerheid of de kabelstreng niet is ingeklemd, de aansluiting van het achterlicht door een specialist te laten controleren.
Kenmerkende wagengegevens Technische gegevens Technische gegevens Afb. 308 Typeplaatje Fundamentele wagengegevens Inleiding voor het onderwerp De informatie in de technische wagendocumentatie heeft altijd voorrang boven de informatie in dit instructieboekje. De rijprestaties zijn bepaald zonder prestatieverminderende meeruitvoeringen (bv. airconditioning).
Maximaal toegestaan treingewicht Het vermelde maximum toegestane aanhangwagengewicht geldt alleen voor hoogtes tot 1.000 m boven de zeespiegel. Rijklaar gewicht - Fabia Combi Met toenemende hoogte daalt het motorvermogen en daarbij neem ook het klimvermogen af. Daarom moet per 1.000 m hoogtetoename het maximaal toelaatbare gewicht van de combinatie met 10% worden verminderd. 1,0 l/55 kW MPI Het treingewicht bestaat uit het werkelijke gewicht van de beladen, trekkende wagen en de beladen aanhangwagen.
De meting van de cyclus voor het stadsverkeer begint met een koude start van de motor. Vervolgens wordt een stadsrit gesimuleerd. Bij de cyclus voor buitenwegen wordt het alledaagse gebruik gesimuleerd door de wagen in alle versnellingen meermaals te accelereren en af te remmen. De rijsnelheid varieert daarbij tussen 0 en 120 km/h. De berekening van het gemiddelde brandstofverbruik gebeurt met een wegingsfactor van ongeveer 37% voor de stadscyclus en 63% voor de buitenwegcyclus.
Afmetingen Afb. 309 Wagenafmetingen De wagenafmetingen in de technische wagendocumentatie hebben altijd voorrang boven de informatie in dit instructieboekje. De hierna vermelde afmetingen gelden voor het basismodel zonder speciale uitvoeringen. Wagenafmetingen bij rijklaargewicht zonder bestuurder (in mm) » afb.
Overbouwhellingshoek Afb. 310 Overbouwhellingshoek Hoek » afb. 310 A Overbouwhellingshoek voor B Overbouwhellingshoek achter De overbouwhellingshoek-waarden geven de maximale hoek van een helling aan die de wagen met langzame snelheid kan rijden, zonder met de bumper of de bodemplaat de grond te raken. De vermelde waarden komen overeen met de maximale asbelasting voor resp. achter.
Wagenspecifieke gegevens afhankelijk van het motortype Inleiding voor het onderwerp De aangegeven waarden zijn vastgesteld aan de hand van regels en onder omstandigheden die door wettelijke of technische voorschriften voor de bepaling van bedrijfsgegevens en technische gegevens van motorvoertuigen zijn vastgelegd. Deze uitlaatgasnorm is opgenomen in de technische wagendocumenten en in de conformiteitsverklaring (het zgn. COC-document). De conformiteitsverklaring (het zgn.
1,0 l/70 kW TSI-motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 70/5000-5500 160/1500-3500 3/999 Fabia MG 185 10,6 Fabia Combi MG 187 10,8 1,0 l/81 kW TSI-motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 81/5000-5500 200/2000-3500 3/999 Fabia MG 196 9,5 Fabia Co
1,6 l/81 kW MPI-motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 81/5800 155/3800-4000 4/1598 Fabia AG 190 11,0 Fabia Combi AG 190 11,1 1,4 l/55 kW TDI CR-motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 55/3000-3750 210/1500-2000 3/1422 Fabia MG 172 13,1 Fabia C
1,4 l/77 kW TDI CR-motor Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm3) Carrosserie Versnellingsbak Topsnelheid (km/h) Acceleratie 0-100 km/h (s) 77/3500-3750 250/1750-2500 3/1422 Fabia MG 193 10,1 Fabia Combi MG 196 10,2 Technische gegevens 261
Trefwoordenlijst A A2DP/AVRCP Aanhangwagen Aan- en loskoppelen Aanhangwagengebruik Beladen Aanhangwagengebruik Aanpassingen en technische wijzigingen Aanwijzingen voor het afslepen ABS ACC Zie Automatische afstandsregeling Accessoires Accu Automatische verbruikersuitschakeling Controlelampje Losmaken en aansluiten Opladen Rijden in de winter Staat controleren Veiligheidsaanwijzingen Vervangen Accu opladen Achterklep Achterklep ontgrendelen Automatische vergrendeling Handmatig ontgrendelen Openen/sluiten Ach
Storingen 196 Werking 193 Automatische verbruikersuitschakeling 222 177 Automatische versnellingsbak 42 Controlelampje Keuzehendel 178 Keuzehendel uit stand halen 178 Keuzehendelvergrendeling 178 Kickdown 179 Noodontgrendeling keuzehendel 240 Storingen 42 Tiptronic 179 Wegrijden en rijden 179 Automatisch uitschakelen van het infotainment 104 75, 130 AUX B Bagageruimte Afdekking Bagagenetten Bevestigingselementen Cargo-element Fietsendrager Flexibel opbergvak Haak Opbergvakken Opbergvak onder de bodem Oprol
Brandstof Brandstofmeter Controlelampje Diesel Loodvrije benzine Tanken Zie Brandstof Brandstof besparen Brandstofreserve Brandstofverbruik Brillenvak Buiten werking stellen Airbag 215 37 42 217 216 216 215 179 42 254 78 26 C CAR Care Connect Cargo-element CarStick Categorieën eigen bijzondere reisdoelen Centrale vergrendeling Problemen Chassisnummer (VIN) Circulatiefunctie Claxon Climatronic Automatische regeling Bedieningselementen Circulatiefunctie Comfortknipperen COMING HOME Compatibiliteit van de te
Extra venster Manoeuvre Extra's Handmatig zoeken Scan 153 165 123 123 F Fabrieksinstellingen 111, 118, 170 Favoriet 157, 163 Fietsendrager 90 Flexibel opbergvak 88 FM 121, 122 Instellen 113, 118 212 Folie Frequentiebereik 121, 122 Front Assist 197 197 Afstandswaarschuwing Controlelampje 45 198 Deactivering/activering Instellingen in het infotainment 197 Radarsensor 182 199 Storingen Waarschuwing en automatisch remmen 198 197 Werking Functietoetsen 102 G Garantie Gebruikersaccount Configuratie-assistent G
Onderhoud 101 Toetsenbord 103 Infotainmentbeschrijving Amundsen 99 100 Blues Bolero 99 Swing 100 Infotainmentmenu's Horizontale weergave 105 Rasterweergave 105 Infotainment met de hotspot van het externe apparaat verbinden 146 Infotainment Online 16 99 Infotainmentoverzicht Infotainmenttaal 111, 117 Inrijden Banden 225 179 Motor Remblokken 175 Inschakelen van het infotainment 104 Instellen Bovenste stand van de variabele bagageruim89 tevloer Gordelhoogte 22 Hoofdsteunen 72 Onderste stand van de variabele ba
KESSY Contact in-/uitschakelen Deactiveren Motor starten/afzetten Ontgrendelen/vergrendelen Keuzehendel Keuzehendelbediening Keuzehendelvergrendeling Kinderen en veiligheid Kindersloten Kinderzitje Groepenindeling Inbouwplaats ISOFIX Op de bijrijdersstoel TOP TETHER Klank Kledinghaken Kleppen Klok Weergave wijzigen Knipperen Knipperlicht Knipperlichten Controlelampje Knop voor centrale vergrendeling Koelvloeistof Bijvullen Controlelampje Controleren Temperatuurweergave Kogelkop Bevestiging controleren Monte
Veilig verwijderen van de datadrager Veilig verwijderen van de gegevensbron Voorwaarden en beperkingen Weergaveregeling WLAN Media Command Aansturen Hoofdmenu Ondersteunde formaten Meestgebruikte routes Meter Brandstofhoeveelheid MG MirrorLink® Mistachterlicht Controlelampje Mistlampen Controlelampje Mistlampen/mistachterlicht Mistlampen met CORNER-functie Mobiele telefoon Disclaimer Modi van de automatische versnellingsbak Motor Aanwijzingsmeldingen Inrijden Motor afzetten Motorkap Motornummer Motorolie Bi
Thuisadres Tussenstop Uitgebreide instellingen Update van de navigatiegegevens Verkeersopstopping Versie-informatie Voorwoord Weergave van reisdoel Werken met de navigatie Navigatiegegevens Navigatiegegevens actualiseren Navigatiegegevens updaten Navigatiemeldingen Netten Netwerk Dataroaming Dataverbinding Instellen Waarden van de gedownloade data Nieuwe route Nood Wagen met de trekhaak afslepen Wiel verwisselen Noodgeval Alarmlichten Bandenreparatie Keuzehendelontgrendeling Motor per knopdruk starten/afzet
Instellingen in het infotainment 185 Weergave op het infotainmentbeeldscherm 186 Werking 185 156 Parkeerplaats 176 Parkeren Parkeerhulp 184 ParkPilot 184 Passieve veiligheid 18 Rijveiligheid 18 Vóór elke rit 18 Pechoproep 139 Pedalen 177 Vloermatten 177 Pincode Instellen 114 159 POI Portier Kindersloten 57 Noodvergrendeling 240 Noodvergrendeling van het bestuurdersportier 239 Openen/sluiten 56 46 Portierwaarschuwing Praktische uitrusting 12 volt stopcontacten in de bagageruimte 81 12 volt stopcontacten in h
Informatie voor het remmen Inrijden Rem- en stabiliteitssystemen Rembekrachtiger Remvloeistof Rempedaal (automatische versnellingsbak) Controlelampje Remsystemen Remvloeistof Controleren Specificatie Reparaties en technische wijzigingen Reservewiel Verwijderen/opbergen Restaurant Richtlijn 2014/53/EU Rijbaanadviezen Rijden Brandstofverbruik Emissiewaarden Rijden door water Topsnelheid Rijden in de winter Accu Rijden met aanhangwagen Navigatie Rijden met een aanhangwagen Rijgegevens Rijklaar gewicht Roetfilt
Software-update 109, 113, 118 SOS-toets 15 Sound 120 110 Soundsysteem 42, 190 Speedlimiter Spiegel 67, 69 Spoiler 210 Spraakbediening 107 Bedieningsprincipe 108 Commando's 108 Correctie van een spraakcommando-ingave 108 Help 108 In-/uitschakelen 107 108 Ingave stoppen/herstellen Instellen 111 108 Niet herkennen van een spraakcommando SSID 112 40, 183 Stabiliseringscontrole (ESC) Stabiliteitssystemen 182 Stadslicht 62 105 Standby Start-stop 173 45 Controlelampje Systeem handmatig deactiveren/activeren 174 We
Telefoonboek 140 Telefoonconferentie 143 Telefoonfuncties 139 142 Telefoongesprek 139 Telefoonnummer Teller voor de afgelegde afstand (trip) terugzetten 46 Thuisadres 115, 158 Tijd 46, 110, 117 Zie Klok 120 Tijd- en datumaanduiding op het infotainmentbeeldscherm 105 Tiptronic 179 TMC Detail van de verkeersmelding 168 169 Dynamische route Lijst met verkeersmeldingen 167 16 Toegang op afstand tot de wagen Toelichtingen 11 Toerenteller 36 170 Toets CAR Toetsenbord 103 258 Topsnelheid TOP TETHER 32 Touchscreen
Vervanging van onderdelen Verversen Motorolie Vervoer van kinderen Verwarming Achterruit Buitenspiegel Circulatiefunctie Stoelen Verwisselen Wielen Verzorging en onderhoud Verzorging van de wagen Buitenzijde Interieur Vest Videohandleidingen Viewer VIN Chassisnummer Vlaggetjesreisdoel Vloermatten Zie Vloermatten Voertuigcomputer Zie Multifunctie-indicatie Voicemailbox Volume Volume-instelling Voorgloeisysteem Voorkeurscontacten Voorstoelen Voorwaarden voor de koppeling Voorwaarschuwing/ noodstop 209 219 28
Zicht Zitplaatsen achterin Zoeken Manieren van zoeken/ingeven reisdoel Online-reisdoelen Parkeerplaats Reisdoel Restaurant Tankstation Zonnekleppen Zuinig rijden 66 71 153 154 156 154 156 156 67 179 Andere tekens ŠKODA Connect Dienstenbeheer Instellen Registreren Zie Online-diensten ŠKODA Connect onlinediensten Diensten activeren Registreren ŠKODA OneApp applicatie 113 113 113 12 113 113 150 Trefwoordenlijst 275
Nadruk, reproductie, vertaling of andere vormen van gebruik, ook van gedeelten, is zonder schriftelijke toestemming van ŠKODA AUTO a.s. niet toegestaan. ŠKODA AUTO a.s. behoudt zich uitdrukkelijk alle rechten op grond van het auteursrecht voor. Wijzigingen voorbehouden. Uitgegeven door: ŠKODA AUTO a.s. © ŠKODA AUTO a.s.
www.skoda-auto.com Návod k obsluze Fabia holandsky 11.