Operation Manual

4. De draadloze router installeren
4.1
Fysieke installatie
Controleer voordat u met de hardware-installatie van start gaat of de breedbandrouter
en het kabel- of DSL-modem niet op een stroombron zijn aangesloten. Handhaaf de
verbinding van het kabel- of DSL-modem met de kabelaansluiting respectievelijk de
telefoonlijn.
1. Sluit de kabel- of DSL-modem aan op de WAN-poort op de draadloze router.
Gebruik de kabel die bij de kabel- of DSL-modem werd geleverd. Indien er geen
kabel werd bijgeleverd, gebruik dan een standaard netwerkkabel.
2. Zet de kabel- of DSL-modem aan.
3. Sluit de voedingsadapter aan op de draadloze router. Gebruik geen andere
adapter dan de bijgeleverde adapter.
4. Controleer de LED-indicators:
De LED-indicators Power, Internet en WLAN zouden moeten branden.
Voor elke computer die is aangesloten via een LAN-kabel moet één van de
LAN LED-indicators (10 of 100) branden.
4.2 Verbinding maken met de client-computer
Zet de computer aan waarop de draadloze CardBus-adapter is geïnstalleerd.
Wanneer de computer is opgestart moet het pictogram van het Sitecom-
hulpprogramma voor het draadloze netwerk groen zijn.
1. Als het pictogram van het hulpprogramma, zoals hierboven, groen is, controleer
dan of de verbinding naar behoren functioneert:
o Dubbelklik op het pictogram van het hulpprogramma en klik op Network
Status.
o Controleer de volgende punten:
De signaalsterkte en signaalkwaliteit moeten groter zijn dan 0.
De Network Name (SSID) moet zijn: Untitled.
Het netwerktype moet zijn: Infrastructure.
Het IP-adres moet zijn: 192.168.1.x (waarbij x=2..254).
Sitecom
-
hulpprogramma