s Synco™ living Montage en inbedrijfstelling Uitgave 3.0 Regelaarserie C CE1C2707nl 22.12.
Van harte geluk gewenst… … met uw keuze voor het Siemens Systeem Synco living en wij danken u voor uw aanschaf van de woningcentrale! Deze documentatie beschrijft de montage en inbedrijfstelling van de woningcentrale en de overige systeemcomponenten. Maakt u zich vooraf vertrouwd met de bedienfilosofie van de woningcentrale. De bediening van de woningcentrale is beschreven in het document "Bedieningshandleiding" (B2707nl).
Inhoudsopgave Veiligheidsaanwijzingen................................................................................. 9 Montage en installatie................................................................................... 10 Montage van de woningcentrale............................................................... 10 Montagevoorschriften......................................................................... 10 Montageplaats............................................................................
Ingangen configureren ....................................................................... 38 Bedrijfswijze contact .................................................................... 38 Zomerbedrijf................................................................................. 38 Omschakeling verwarmen / koelen.............................................. 39 Afwezigheid ................................................................................. 40 Schemering....................................
Ingang voor ventilatie contacten 1 en 2 verbinden ...................... 62 Uitgangen voor de trappenschakelaar verbinden ........................ 63 Uitgangen voor de WTW bypass verbinden ................................ 64 Tapwatercomponenten verbinden...................................................... 64 Ingang voor tapwateropnemer verbinden .................................... 64 Uitgang voor tapwaterzone-pomp / afsluiter verbinden ............... 65 Uitgang voor elektrisch element verbinden.........
Functie-instellingen ...................................................................................... 86 Algemeen ................................................................................................. 86 Zoemervolume ................................................................................... 86 Wachtwoord installateur-niveau ......................................................... 86 Woning ............................................................................................
Vorstbewaking-instelling................................................................... 103 Legionellatemperatuur...................................................................... 103 Legionella interval ............................................................................ 103 Legionella starttijd ............................................................................ 103 Legionella duur.................................................................................
Veiligheidsaanwijzingen Productaansprakelijkheid • De apparaten mogen alleen in gebouwtechnische installaties en alleen voor de beschreven toepassingen worden gebruikt. • De lokale voorschriften (installatie enz.) moeten worden nageleefd. • Het openen van de apparaten is niet toegestaan. Bij overtreding ervan vervalt de garantieverplichting. • Een defect of zichtbaar beschadigd apparaat moet onmiddellijk van de voeding worden losgekoppeld en worden vervangen.
Montage en installatie Montage van de woningcentrale Montagevoorschriften • De ruimte unit is volgens de richtlijnen van beveiligingsklasse II ontworpen en moet overeenkomstig deze voorschriften worden gemonteerd. • Het apparaat mag pas onder spanning worden gezet, wanneer de montage volledig is afgerond. Anders bestaat het gevaar van een elektrische schok bij de klemmen. • Het apparaat mag niet aan druipwater zijn blootgesteld.
• Het zendbereik tussen zender en ontvanger bedraagt in woningen afhankelijk van de uitvoering 30 m of twee verdiepingen resp. twee betonvloeren. Afhankelijk van de constructie en materialen kunnen de effectief bereikte afstanden echter belangrijk groter of kleiner zijn. Voor overbrugging van grotere afstanden kunnen RF-repeaters worden gebruikt. Maatschets woningcentrale Alle maten zijn aangegeven in mm. Maatschets sokkel Alle maten zijn aangegeven in mm.
Montagevolgorde Montagewijze / breekopeningen De aansluiting van de sokkel kan bij opbouw- of inbouwmontage plaatsvinden. De sokkel beschikt over een uitsparingsopening aan de achterzijde en over twee breekopeningen aan de zijkanten (boven en onder). Breek de eventueel benodigde breekopeningen uit, voordat u de sokkel op de wand schroeft. Boringen De sokkel van de woningcentrale wordt met tenminste drie schroeven vast op de wand aangebracht.
Klap het elektronische gedeelte 45 ° naar boven en trek dit deel naar voren eraf. Sokkel bevestigen Bevestig de sokkel met tenminste drie schroeven op de wand. Aansluiting De aansluiting is beschreven in het volgende hoofdstuk "Aansluitklemmen / bedrading" (zie pag. 14) Elektronisch gedeelte aanbrengen Steek het elektronisch gedeelte in een hoek van ca. 45° van voren op de sokkel (links en rechts). Klap dit gedeelte aansluitend naar onder, tot het elektronisch gedeelte in de sokkel vastklikt.
Elektrische installatie van de woningcentrale Installatievoorschriften • De lokale voorschriften (installatie enz.) moeten worden nageleefd. • De elektrische installatie moet door een erkend installateur worden uitgevoerd. • De elektrische voeding moet voor de installatie worden onderbroken! • De aansluitingen voor laag- en netspanning moeten van elkaar gescheiden worden aangebracht. • Voor de bedrading moeten de eisen van beveiligingsklasse II worden aangehouden.
c d 2707Z24 CEKNX CE+ M B N L Q13 Q14 230 V Detailbeeld e Legenda c Netspanning of laagspanning Q13, Q14 Potentiaalvrije, universele relaisuitgang d Netspanning N L Voedingsspanning, nul AC 230 V Voedingsspanning, fase AC 230 V e Laagspanning CE-, CE+ M B Aansluiting data-bus KNX TP1- en KNX TP1+ Massa voor universele ingang Universele ingang F Bevestigingsbeugel voor kabelbinder 15 / 120 Siemens Building Technologies Synco™ living Montage en installatie CE1C2707nl 22.12.
Inbedrijfstelling van het systeem Voorwaarden Regelingeer voor aanvang van de inbedrijfstelling van het systeem van eenan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: • U bent vertrouwd met de bedieningselementen en de bedienniveaus van de woningcentrale • Alle componenten zijn op de juiste wijze aangebracht • Componenten met netvoeding zijn op het elektrische net aangesloten • Voor batterijgevoede componenten liggen nieuwe batterijen klaar *.
Bij de eerste inbedrijfstelling van de woningcentrale wordt u gevraagd, om de taal te kiezen alsmede tijd, jaar en datum in te stellen. Aansluitend gaat de display over naar het basisbeeld. Het instellen van de taal en het tijdformaat kan ook tijdens bedrijf plaatsvinden. De beschrijving daarvoor vindt u in de bedieningshandleiding. Dinsdag 01:32 14.02.2006 20°C 1013 hPa 5°C Wanneer de woningcentrale reeds eerder in bedrijf was (bijv.
Menu Inbedrijfstelling selecteren Selecteer in het "Hoofdmenu" van de woningcentrale, het submenu "Inbedrijfstelling" en bevestig met de Menu/ok-toets. U wordt er op attent gemaakt, dat de installatie wordt gestopt. Bevestig met de Menu/ok-toets, om de installatie uit te schakelen en om in het menu "Inbedrijfstelling" te komen. Waarschuwing Installatie stopt U bevindt zich nu in het menu "Inbedrijfstelling" – de installatie werd gestopt.
De standaard verwarmingstypen zijn meestal voldoende. Gebruik de gebruikergedefinieerde instellingen alleen in installaties met een sterk afwijkend regelgedrag.
Ruimtenummer 1 Ruimtenaam Fabrieksinstelling ruimtetype --- ………….. 2 --………….. 3 --…………..
Ruimtenummer 4 Ruimtenaam Fabrieksinstelling ruimtetype --- ………….. 5 --………..... 6 --…………..
Ruimtenummer 7 Ruimtenaam Fabrieksinstelling ruimtetype --- ………….. 8 --………….. 9 --…………..
Ruimtenummer 10 Ruimtenaam Fabrieksinstelling ruimtetype --- ………..... 11 --………..... 12 --………….
B3 B2 M2 M3 U2 U1 U1 U2 B2 / B3 M2 / M3 T Y1 Y2 Regelafsluiter voor ruimtegroep 1 (radiatoren) Regelafsluiter voor ruimtegroep 2 (vloerverwarming) Aanvoertemperatuur opnemer ruimtegroep 1 en 2 Ruimtegroep pompen 1 en 2 Ruimtebedienapparaat of temperatuur opnemer Radiatorregelaandrijving Verwarmingsgroep afsluiter (2-punts) Ruimtegroep namen Aan elke ruimtegroep kan een naam worden gegeven. U kunt de naam ook geven of wijzigenna afsluiting van de inbedrijfstelling.
Ruimtegroep pompen De ruimtegroep pomp wordt door de betreffende uitgang in werking gesteld.
--- Inactief --- geen ruimtegroep pomp Draadloos Ruimtegroep pomp op relais uitgang Qx van een RRV91… verwarmingsregelaar of RRV934 multiregelaar B (locaal) Ruimtegroep pomp op relais uitgang Q1 van de woningcentrale Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Basisconfiguratie > Ruimtegroepen > Ruimtegroep X > Ruimtegroep pomp: Ruimtegroep 1 Fabrieksinstelling --- 2 --- Uw instelling --- (geen) Draadloos Q1 (locaal) --- (geen) Draadloos Q1 (locaal) Type retourtemperatuur begrenzing De retourtemperatuur van
Ruimtegroep 1 Fabrieksinstelling --- 2 --- Uw instelling --- (geen) Minimum Maximum --- (geen) Minimum Maximum Tapwaterbereiding configureren 2707Z30 Indien u de tapwaterbereiding direct door de woningcentrale wilt laten regelen, activeert u de gewenste tapwatercomponenten (tapwateropnemer, pomp / afsluiter, elektrisch element). Indien u een externe tapwateropwarming via KNX TP1 op afstand wil bedienen, activeert u de "bediening externe boiler".
Een externe tapwaterverwarming kan alleen op afstand worden bediend, wanneer geen lokale tapwaterverwarming beschikbaar is. Tapwateropnemer Definieer of een tapwateropnemer beschikbaar is hoe de woningcentrale de meetwaarde ontvangt. --- Inactief – geen tapwateropnemer beschikbaar Draadloos Tapwateropnemer aangesloten op de universele ingang B van een verwarmingsregelaar RRV91… of op universele ingang Xx van een RRV934 multi-regelaar.
Elektrisch element Geef aan of een elektrisch element beschikbaar is en hoe deze wordt bestuurd.
Ventilatie configureren De woningcentrale bidet de mogelijkheid om woningventilatie via de multiregelaar te besturen. Voor overage instellingen zie hoofdstuk “Extra configuratie“ en de gebruikershandleiding hoofdstuk “Ventilatie“.
1A, 1B 2A, 2B 3A, 3B 4A, 4B Toetsen van schakelgroep 1 Toetsen van schakelgroep 2 Toetsen van schakelgroep 3 Toetsen van schakelgroep 4 Om apparaten voor de besturing van verlichting en zonwering, scènes of Infopagina's aan een schakelgroep te kunnen toewijzen, moeten de schakelgroepen worden benoemd en geactiveerd. Geef een schakelgroep een duidelijke naam.
Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Basisconfiguratie > Schakelgroepen > Schakelgroep X > Functie: Schakelgroep 1 2 Fabrieksinstelling Info Info 3 Info 4 Info 5 --- 6 --- 7 --- 8 --- Uw instelling --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène Info --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène Info --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène Info --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène Info --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène --Schakelen Dimmen Jalouzie Scène Schakelgro
De woningcentrale geeft de commando's draadloos en via de draad-bus aan de actoren van de schakelgroepen door.
Schakelgroep 4 Fabrieksinstelling --- 5 --- 6 --- 7 --- 8 --- Uw instelling --- (geen) Draadloos Q1 (locaal) --- (geen) Draadloos Q1 (locaal) --- (geen) Draadloos Q1 (locaal) --- (geen) Draadloos Q1 (locaal) --- (geen) Draadloos Q1 (locaal) Deuren configureren De centrale unit kan tot twee deuren bewaken en de toestand weergeven op het info blad. Aan elke deur kan een naam worden gegeven.
Lamp 1 Fabrieksinstelling --- (Inactief) 2 --- (Inactief) 3 --- (Inactief) 4 --- (Inactief) Uw instelling --- (Inactief) Actief --- (Inactief) Actief --- (Inactief) Actief --- (Inactief) Actief Naam verlichting ………………… ………………… ………………… ………………… De Info-pagina "Toestand verlichting" wordt pas weergegeven wanneer tenminste één van de vier lampen is geactiveerd.
Weergave storingsmelding bus Definieer van eenlleen de regelaarinterne storingen van eenanvullend ook de via de bus binnenkomende storingen een melding op de woningcentrale moeten geven. Deze instelling beïnvloedt ook een eventueel geactiveerde storingsuitgang.
Storingsingang 1 Fabrieksinstelling --- 2 --- 3 --- 4 --- 5 --- 6 --- 7 --- 8 --- Uw instelling --Draadloos / S-mode B (locaal) --Draadloos / S-mode B (locaal) --Draadloos / S-mode B (locaal) --Draadloos / S-mode B (locaal) --Draadloos / S-Mode B (locaal) --Draadloos / S-Mode B (locaal) --Draadloos / S-Mode B (locaal) --Draadloos / S-Mode B (locaal) Storingsuitgang 1 en 2 De in het systeem optredende storingen kunnen, door het sluiten van een storingsuitgang, aan een extern apparaat worden
Ingangen configureren Door het sluiten van een contact op een ingangsklem wordt een betreffende functie geschakeld. Activeer de betreffende ingangsfunctie door aan te geven hoe de woningcentrale het signaal van die ingang ontvangt (---, Draadloos/S-mode, B (locaal). Bedrijfswijze contact Door het sluiten van de betreffende ingangsklem vindt omschakeling plaats van de bedrijfswijze van de verwarming voor de gehele woning en de tapwater bedrijfswijze.
--- Inactief – contact zomerbedrijf niet beschikbaar Draadloos / S-mode • Contact zomerbedrijf aangesloten op de universele ingang B van een verwarmingsregelaar RRV91… of op universele ingang Xx van een RRV934 multi-regelaar.
Afwezigheid Door het sluiten van de betreffende ingangsklem wordt de "Afwezigheid" geactiveerd. De ruimtetemperatuur-instellingen worden omgeschakeld op de overeenkomstige afwezigheids-instelling (per ruimte) en een eventueel geactiveerd klokprogramma voor de aanwezigheidssimulatie via de schakelgroepen wordt gestart. Tapwater, ventilatie en koeling werken eveneens volgens de bedrijfswijze welke vooer afwezigheid is ingesteld.
--- Inactief – schemerschakelaar niet beschikbaar Draadloos / S-mode • Schemerschakelaar aangesloten op de universele ingang B van een verwarmingsregelaar RRV91… of op universele ingang Xx van een RRV934 multi-regelaar.
Warmtevraag 0…10 V De actuele warmtevraag kan via een spanningssignaal DC 0…10 V naar de warmteopwekking worden doorgegeven. De temperatuurwaarden voor DC 0 en 10 V alsmede de drempelwaarde voor een geldige warmtevraag kunnen worden ingesteld (zie pag. 110) Geef aan of de warmtevraaguitgang DC 0…10 V moet worden gebruikt en hoe deze wordt bestuurd.
Melduitgang Door het sluiten van de betreffende uitgangsklem kan het optreden van gebeurtenissen op de woningcentrale zichtbaar worden gemaakt via externe componenten (bijv. signaallamp of sirene). Welke gebeurtenissen (rook, venster, storing-ingang 1 - 4) de melduitgang sluiten, kan met "Acties op melduitgang" worden gedefinieerd. Voor beschrijving hiervan, zie de bedieningshandleiding hoofdstuk "Bewaking". Stel in of een melduitgang moet worden gebruikt en hoe deze wordt bestuurd.
Fabrieksinstelling Uw instelling ----Draadloos / S-mode Q1 (locaal) Wasemkap Om de wasemkap vrij te geven, moet mistens één van de vensters zijn geopend in de geselecteerde ruimten, om veilig te stellen dat de wasemkap geen onderdruk in de ruimte veroorzaakt. Stel vast of een relais voor vrijgave moet worden gebruikt en hoe dit moet worden bestuurd.
Infobladen configureren Vensters / deuren Geef aan of u open ramen / deuren wilt weergeven (info blad). Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Basisconfiguratie > Info bladen > Vensters/deuren: Fabrieksinstelling Uw instelling Nee Ja Nee Visitekaart Definieer of de visitekaart (Info-pagina) moet worden weergegeven.
Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Basisconfiguratie > Diversen > 2-pijps verw/koelen: Fabrieksinstelling Uw instelling Nee Ja Nee Extra configuratie Extra configuratie wordt gebruikt om individuele ruimte toe te wijzen aan een ruitegroep. Daarnaast is het, voor elke ruimte, mogelijk om te kiezen hoe de koelvrijgave wordt geregeld. Bovendien kan in de extra configuratie het aantal trappen van de ventilatie en de in- en uitgangen daarvoor worden opgegeven.
Koelvrijgave uitgang Leg vast hoe de koelvrijgave uitgang van de betreffende ruimte is aangesloten. --- Inactief – koelvrijgave uitgang niet aanwezig Draadloos / S-Mode Koelvrijgave uitgang via: • Relais uitgang Qx van een RRV91..
Ventilatie configureren Trappenschakelaars Deze instellingen definieren welke relais moeten worden bestuurd en in welke volgorde / combinatie om de betreffende ventilatie trappen in te schakelen. Op deze wijze kan de schakelvolgordeworden aangepast aan de fabrikaat specifieke schema’s van de het gebruikte ventilatie systeem. De relais voor besturing van de ventilatie trappen bevinden zich in de RRV934 multi-regelaar, welke de codering van de trappen ontvangt van de woningcentrale.
Binnenluchtkwaliteit opnemer Een binnenluchtkwaliteit opnemer maakt regeling van de ventilatie mogelijk op basis van de ingestelde binnenluchtkwaliteit. Stel vast of een binnenluchtkwaliteit opnemer is geinstalleerd en van waar de woningcentrale de meetwaarde ontvangt --- Inactief – geen binnenluchtkwaliteit opnemer Draadloos / S-Mode • Vochtopnemer (DC 0..
Ventilatie contacten 1 en 2 Door de ventilatie contacten, kan de ventilatie op een gedefinieerde trap worden gezet. Er zijn twee ventilatie contact ingangen beschikbaar. Zo lang minstens één contact is gesloten, werkt de ventilatie op de ingestelde trap. Stel vast of er ventilatie contacten aanwezig zijn en van waar de woningcentrale hun toestand ontvangt.
Draadloze componenten verbinden Opmerkingen Draadloze componenten worden aan ruimten of functies toegewezen. In de woningcentrale moeten de benodigde ruimten vooraf worden geconfigureerd (zie pag. 18), de gewenste functies worden geactiveerd en de wijze van de overdracht op "Draadloos" of "Draadloos / S-mode" worden ingesteld (zie pag. 27 e.v.). Wordt een apparaat per abuis twee keer verbonden, dan negeert de woningcentrale de tweede verbinding, genereert een storingsmelding geeft geen pieptoon.
Ruimteapparaat QAW910 verbinden Het inschakelen van het ruimteapparaat vindt automatisch plaats na het aanbrengen van de batterijen. Na het inschakelen van het ruimteapparaat verschijnt gedurende twee seconden de volledige display. Is de batterijspanning te laag, dan verschijnt vervolgens het symbool voor een lege batterij. Zolang het ruimteapparaat niet is verbonden, verschijnt het verbindingssymbool en de ruimtetemperatuur op de display.
Ruimtetemperatuuropnemer QAA910 verbinden Het inschakelen van de ruimtetemperatuuropnemer volgt automatisch na het aanbrengen van de batterijen. Bij het inschakelen (Power Up) vindt een test van de batterijen plaats. Bij voldoende batterijspanning brandt tijdens deze test de LED gedurende twee seconden groen. Indien de batterijspanning voor het bedrijf niet voldoende is, brandt de LED rood gedurende twee seconden – voor zover de batterijcapaciteit dit nog toelaat.
Is de radiator-regelaandrijving reeds eerder verbonden, dan regelingeert deze, na de test van de batterijspanning, zijn instellingen als hoofdregelaar (master) van eenls parallelregelaar (slave). Bij een instelling als hoofdregelaar brandt de LED afwisselend driemaal rood / groen, bij de instelling als parallelregelaar brandt de LED niet. Daarna bevindt het apparaat zich in normaal bedrijf. Druk nu op de functietoets op de radiatorregelaandrijving.
Verwarmingsregelaar RRV912 en RRV 918 verbinden Het inschakelen van de verwarmingsregelaars vindt automatisch plaats door het aansluiten van de spanning. Vervolgens vindt een test van de LED’s plaats. Alle LED’s branden gedurende één seconde. De spannings-LED brandt, zodra het apparaat gereed is voor gebruik. Voor zover nog geen kanaal van de verwarmingsregelaar is verbonden, flitst de verbinding-LED. Alle andere LED’s zijn uit.
Na een succesvolle verbinding wordt de verwarmingsregelaar opnieuw gestart. De verwarmingsregelaar komt nu weer in de kanaalkeuze en is gereed voor het verbinden van een volgend kanaal. Venstercontacten verbinden Het venster- / deurcontact wave AP 260 is bedrijfsgereed zodra deze via de aangebrachte batterijen van spanning wordt voorzien. Uitgebreide informatie vindt u in de documentatie van de GAMMA wave-apparaten.
RRV934 multi-regelaars verbinden De multi-regelaar wordt automatisch ingeschakeld als de voedingsspanning aanwezig is. Vervolgens worden de LEDs getest. Alle LEDs branden één seconde. De voedings LED gaat branden als de regelaar gereed is voor bedrijf. Zo lang er geen van de multi-regelaar kanalen zijn verbonden, knippert de verbindings LED. Alle andere LEDs blijven uit. Wanneer u op de verbindingstoets drukt, wordt de toestand van de individuele kanelen weergegeven.
Een kanaalgroep verbinden Functies, die meer dan één kanaal nodig hebben, worden verbonden als kanaalgroep. In dat geval vindt de verbinding gezamenlijk voor de hele kanaalgroep plaats. Kanaalgroepen kunnen worden gemaakt met de multifunctieele uitgangen Q1..3 en Q4/5. Wanneer u met de kanaalkeuzetoets (CH) het eerste kanaal van een nog niet verbonden kanaalgroep selecteert, knipperen alle LEDs van de tot de kanaalgroep behorende kanalen, bv. Q1..Q3.
Een successvolle verbinding wordt gemeld op de woningcentrale en bevestigd met een pieptoon. Sluit het verbindingsproces af met een druk op de Menu/ok toets. RF contactdooss KRF960 en KRF961 verbinden Wanneer de RF contactdoos nog niet is verbonden, knippert de verbindings LED. Druk nu op toets van de RF contactdoos. De LED gaat continu branden. Wanneer deze gaat knipperen, moet u de toets loslaten. Een successvolle verbinding wordt gemeld op de woningcentrale en bevestigd met een pieptoon.
geselecteerde kanaal nog niet is verbonden, begint de verbindings LED te knipperen. Druk nu op de verbindingstoets van de multi-regelaar. De LED brandt groen. Wanneer de LED gaat knipperen, moet u de verbindingstoets loslaten. Een successvolle verbinding wordt gemeld op de woningcentrale en bevestigd met een pieptoon. Sluit het verbindingsproces af met een druk op de Menu/ok toets. 3-Punts uitgang (Q4/Q5) van de multi-regelaar verbinden Bevestig submenu “Apparaat verbinden“ met een druk op de Menu/ok toets.
Uitgang voor ruimtegroep pomp verbinden Informeer de woningcentrale dat u een universele relais uitgang Qx van de verwarmingsregelaar of multi-regelaar wilt gebruikenvoor aansluiting van de ruimtegroep pomp: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ruimtegroepen > Ruimtegroep X > Ruimtegroep pomp > Apparaat verbinden: Bevestig submenu “Apparaat verbinden“ met een druk op de Menu/ok toets. Om de verbinding tot stand te brengen, wordt u gevraagd de verbindingstoets op de regelaar in te drukken.
Bevestig submenu “Apparaat verbinden“ met een druk op de Menu/ok toets. Om de verbinding tot stand te brengen, wordt u gevraagd de verbindingstoets op de multi-regelaar in te drukken. Gebruik de kanaalkeuzetoets (CH) op de multi-regelaar om de gewenste universele ingang Xx te kiezen. De LED van het geselecteerde kanaal knippert. Als het geselecteerde kanaal nog niet is verbonden, gaat de verbindings LED knipperen. Druk nu op de verbindingstoets op the multi-regelaar. De LED brandt groen.
Als u een universele ingang B van een verwarmingsregelaar of een universele ingang Xx van een multi-regelaar als ingang voor een ventilatie contact wilt gebruiken, kies deze dan met de kanaalkeuzetoets (CH) en druk op de verbindingstoets. De LED brandt groen. Wanneer de LED gaat knipperen, moet u de verbindingstoets loslaten. Als u een deur / venster contact wave AP 260 als ingang voor een ventilatie contact wilt gebruiken, druk dan op de toets van het deur / venster contact gedurende 1 seconde.
Uitgangen voor de WTW bypass verbinden Informeerde woningcentrale dat u de potentiaalvrije relais contacten Q4 en Q5 van een multi-regelaar voor verbinding van de WTW bypass wilt gebruiken: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling >Radioverbinding > Ventilatie > Uitgangen > WTW bypass > Apparaat verbinden: De WTW bypass kan alleen worden verbonden via de universele relais uitgangen Q4/Q5 van een multi-regelaar. Bevestig submenu “Apparaat verbinden“ met een druk op de Menu/ok toets.
LED van het geselecteerde kanaal knippert. Wanneer het geselecteerde kanaal nog niet is verbonden, flitst de verbindings-LED. Druk nu op de functietoets van de verwarmingsregelaar / multi-regelaar. De LED brandt intussen constant groen. Zodra de LED knippert, kunt u de verbindingstoets loslaten. Een succesvolle verbinding wordt op de display van de woningcentrale weergegeven en door een pieptoon bevestigd. Sluit het verbindingsproces af met de Menu/ok-toets.
Druk nu op de functietoets op de verwarmingsregelaar of multi-regelaar. De LED brandt intussen constant groen. Zodra de LED knippert, kunt u de verbindingstoets loslaten. Een succesvolle verbinding wordt op de display van de woningcentrale weergegeven en door een pieptoon bevestigd. Sluit het verbindingsproces af met de Menu/ok-toets.
Actoren voor verlichting en zonwering verbinden RF contactdozen en GAMMA wave actoren voor verlichting en zonwering kunnen alleen schakelgroepen worden toegewezen, welke tevoren voor de overeenkomstige functie werden ingesteld. Zie onder "Activeren van de schakelgroepen" pag. 30. De actoren voor verlichting en zonwering worden ingeschakeld, zodra ze van spanning worden voorzien. Bij de GAMMA wave actoren voor verlichting moet voor de inbedrijfstelling één lamp zijn aangesloten.
Schakelgroeprelais verbinden Informeer de woningcentrale dat u een universele relaisuitgang Qx van een verwarmingsregelaar of multi-regelaar als schakelgroeprelais wilt toepassen: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling >Radioverbinding > Schakelgroepenrelais > Schakelgroep X > Apparaat verbinden: Bevestig de subinvoer "Apparaat verbinden" met de Menu/ok-toets. U wordt gevraagd, om de verbindingstoets op het aan te sluiten apparaat in te drukken, om de verbinding tot stand te brengen.
Bevestig "Apparaat verbinden" door op Menu/ok toets te drukken. U wordt nu gevraagd om de verbindingstoets op het te verbinden apparaat te bedienen om de verbinding tot stand te brengen. Druk nu op de functietoets van de ruimte opnemer. De LED gaat branden in overeenstemming met debatterij toestand (groen: Bat. ok, rood: Bat niet ok). Als de LED gaat knipperen moet u de toets loslaten. Een succesvolle verinding wordt weergegeven in de display van de centrale unit en bevestigd door een piep.
Druk nu op de functietoets van de verwarmingsregelaar of multi-regelaar. De LED brandt intussen constant groen. Zodra de LED knippert, kunt u de verbindingstoets loslaten. Een succesvolle verbinding wordt op de display van de woningcentrale weergegeven en door een pieptoon bevestigd. Sluit het verbindingsproces af met de Menu/ok-toets.
Een succesvolle verbinding wordt op de display van de woningcentrale weergegeven en door een pieptoon bevestigd. Sluit het verbindingsproces af met de Menu/ok-toets.
Ingang voor schemerschakelaar verbinden Informeer de woningcentrale dat u een universele ingang B van een verwarmingsregelaar, of een universele ingang Xx van een multi-regelaar, of een deur- / venstercontact wave AP 260 voor het aansluiten van een schemerschakelaar wilt gebruiken: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ingangen > Schemering > Apparaat verbinden: Bevestig de subinvoer "Apparaat verbinden" met de Menu/ok-toets.
Warmtevraag 2-punts verbinden Informeer de woningcentrale dat u een universele relaisuitgang Qx van een verwarmingsregelaar of een multi-regelaar als storingsuitgang wilt gebruiken: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Uitgangen > Warmtevraag 2-punts > Apparaat verbinden: Bevestig de subinvoer "Apparaat verbinden" met de Menu/ok-toets. U wordt gevraagd, om de verbindingstoets op het aan te sluiten apparaat in te drukken, om de verbinding tot stand te brengen.
Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Uitgangen > Melduitgang > Apparaat verbinden: Bevestig de subinvoer "Apparaat verbinden" met de Menu/ok-toets. U wordt gevraagd, om de verbindingstoets op het aan te sluiten apparaat in te drukken, om de verbinding tot stand te brengen. Selecteer met de kanaalkeuzetoets (CH) een universele relaisuitgang Qx op de verwarmingsregelaar of multi-regelaar. De LED van het geselecteerde kanaal knippert.
Bevestig de subinvoer "Apparaat verbinden" met de Menu/ok-toets. U wordt gevraagd, om de verbindingstoets op het aan te sluiten apparaat in te drukken, om de verbinding tot stand te brengen. Selecteer met de kanaalkeuzetoets (CH)een universele relaisuitgang Qx op de verwarmingsregelaar of multi-regelaar. De LED van het geselecteerde kanaal knippert. Wanneer het geselecteerde kanaal nog niet is verbonden, flitst de verbindings-LED. Druk nu op de functietoets van de verwarmingsregelaar of multi-regelaar.
Uitgebreide Informatie over de inbedrijfstelling van de Hager tebiscomponenten vindt u in de documentatie van de Hager tebisapparaten. RF-repeater verbinden U kunt maximaal drie RF-repeaters verbinden. Om een RF-repeater (1…3) te kunnen verbinden, moet deze vooraf in de basisconfiguratie geactiveerd zijn (zie pag. 44). Het inschakelen van een RF-repeater vindt automatisch plaats door deze via de meegeleverde AC-adapter van spanning te voorzien. De groene LED brandt gedurende twee seconden.
Toewijzen van de apparaten aan de RF-repeaters Voor elk met de woningcentrale verbonden apparaat kan afzonderlijk worden vastgelegd, via welke repeater de overeenkomstige radiosignalen moeten worden doorgegeven.
Radioverbinding testen De radioverbinding tussen de woningcentrale en de navolgende apparaten kan te allen tijde worden getest: • • • • • • • Ruimtetemperatuuropnemer Ruimteapparaat Radiator-regelaandrijving Verwarmingsregelaar Multi-regelaar RF-repeater Meteo opnemer Druk telkens kort op de verbindings- resp. functietoets op het apparaat. Werkt de verbinding, dan piept de woningcentrale telkens drie keer kort achter elkaar.
Koelvrijgave uitgang (ruimte 1..
Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Koelvrijgave uitgang > Ruimte X > Apparaat scheiden: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ruimtegroepen > Ruimtegroep X > … > Apparaat scheiden: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ventilatie > Ingangen > … > Apparaat scheiden: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ventilatie > Uitgangen > … > Apparaat scheiden: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Tapwater > … > Apparaat scheiden: Hoofdmenu > Inbedrijfstel
Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Koelvrijgave uitgang > Ruimte X > Regelaaroverzicht: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ruimtegroepen > Ruimtegroep X > … > Regelaaroverzicht: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ventilatie > Ingangen > … > Regelaaroverzicht: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Ventilatie > Uitgangen > … > Regelaaroverzicht: Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Radioverbinding > Tapwater > … > Regelaaroverzicht: Hoofdmenu > Inbedrijfstel
Apparaat uit het regelaaroverzicht verwijderen Wanneer u een apparaat wilt verwijderen, selecteert u – indien mogelijk - de functie "Apparaat scheiden" (zie pag. 79). Defecte apparaten kunnen in sommige gevallen niet meer worden gescheiden.
Adresseerstand Wanneer u het regelaaradres in de KNX systeemmodus wilt verstrekken (met ETS3-Professional), dan activeert u de adresseerstand (In) via de volgende menuregel. Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Buscommunicatie > Basisinstellingen > Adresseerstand: Fabrieksinstelling Uw instelling Uit Uit In Klokfunctie Met de instelling "Autonoom" ontvangt of verstuurt het apparaat geen tijd.
apparaat het vakantie- / uitzonderingsdagen-bedrijf op master worden ingesteld en bij de andere apparaten op slave. Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Buscommunicatie > Vakantie / Uitz dagen > Kalenderbedrijf: Fabrieksinstelling Uw instelling Autonoom Autonoom Slave Master Aanvullend stelt u bij een master- / slave-bedrijf de gewenste vakantie- / uitzonderingsdagen-zone in (1..
Bij klokprogrammafunctie = slave moet via de volgende menuregel de tapwaterzone-zone van de schakelklok-master worden ingesteld (1..31): Hoofdmenu > Inbedrijfstelling > Buscommunicatie > Tapwaterzone > Klokpr-slave Tapw: Fabrieksinstelling Uw instelling 1 Verdeelzone instellen De apparaten in het systeem wisselen de gegevens via de bus binnen hun verdeelzone uit. Een opwekker in de warmteverdeelzone 1 ontvangt bijvoorbeeld de warmtevraagsignalen uit de warmteverdeelzone 1.
Verlaten van het inbedrijfstelling-menu Na afsluiting van de inbedrijfstelling verlaat u het inbedrijfstelling-menu met de Esc-toets. De installatie is nog steeds niet actief. Wanneer u deze melding met OK bevestigt, wordt de installatie met de nieuwe instellingen in bedrijf genomen en de display keert terug in het hoofdmenu. Let op! Installatie start Ongeldige instellingen worden met deze melding weergegeven. Met de Esc- of de Menu/ok-toets keert u terug naar inbedrijfstelling.
Wanneer u het wachtwoord wijzigt, noteer het dan en bewaar het op een veilige plaats. Een vergeten wachtwoord maakt een servicebeurt noodzakelijk! Voer via het onderstaande pad het gewenste nieuwe wachtwoord in (tussen 0 en 9999) en bevestig de instelling met OK. Hoofdmenu > Instellingen > Wachtwoorden > Installateur: Fabrieksinstelling Uw instelling 9 Woning Vrijgave van de setpointbegrenzing Legt vast of de setpointbegrenzing van de ruimtetemperaturen principieel geblokkeerd of vrijgegeven is.
Afsluiteroversturing Door middel van de afsluiteroversturing kunnen alle ruimteafsluiters van de woning gemeenschappelijk naar de gewenste afsluiterstand (0..100%) worden bewogen (bijv. voor de hydraulische afregeling). Hoofdmenu > Verwarming > Woning > Instellingen > Afsluiteroversturing: Richtwaarde Uw instelling --- (Uit) De afsluiteroversturing moet handmatig weer worden uitgeschakeld, anders blijft de ruimtetemperatuurregeling gedeactiveerd.
Ruimten Ruimtetemperatuurstijging Tijdens de inschakeloptimalisering meet de woningcentrale de ruimtetemperatuurstijging (min / K) van de desbetreffende ruimte en houdt ook rekening met deze waarde bij de volgende optimaliseringsfase.
Ruimtenummer 1 Ruimtenaam Fabrieksinstelling 0 % Instelling Ruimtenummer 7 Ruimtenaam Fabrieksinstelling 0 % Instelling 2 3 4 5 6 0% 0% 0% 0% 0% 8 9 10 11 12 0% 0% 0% 0% 0% De instelling heeft het volgende effect, afhankelijk van het gebruikte type aandrijving: RRV912: 3-punts aandrijving De aandrijving neemt exact de gewenste stand in. RRV918 / RRV912: 2-punts aandrijving (NC / NO) De aandrijving wordt niet bestuurd met een instelling 0..
Ruimteregeling instellingen Deze instellingen zijn alleen zichtbaar, wanneer een gebruikergedefinieerd verwarmingstype is ingesteld (zie "Ruimten configureren" pag. 18). P-Band Xp U kunt de P-Band voor iedere ruimte naar wens instellen.
Differentiatietijd Tv Voor iedere ruimte kan de regelaar-differentiatietijd worden ingesteld.
Ruimtetype Radiatorenverwarming traag Radiatorenverwarming snel Vloerverwarming traag Vloerverwarming snel Richtwaarde schakeldifferentie 0.8 K 0.8 K 0.8 K 0.8 K Hoofdmenu > Ruimten > Ruimte X > Ruimteregeling > Schakeldiff 2-punts: Ruimtenummer 1 Ruimtenaam Fabrieksinstelling 0.8 K Instelling SD Ruimtenummer 7 Ruimtenaam Fabrieksinstelling 0.8 K Instelling SD 2 3 4 5 6 0.8 K 0.8 K 0.8 K 0.8 K 0.8 K 8 9 10 11 12 0.8 K 0.8 K 0.8 K 0.8 K 0.
Ruimtegroepen Aanvoertemperatuur begrenzing Gebaseerd op de warmtevraag, bepaalt de woningcentrale de aanvoertemperatuur instelling voor elke ruimtegroep. Minimum en maximum begrenzing van deze instelling is mogelijk. Minimum begrenzing Minimum begrenzing beperkt de aanvoertemperatuur instelling van de ruimtegroep aan de onderzijde. Zelfs wanneer er minder warmte wordt gevraagd, daalt de aanvoertemperatuur niet onder de ingestelde grenswaarde.
Aanvoertemperatuur min Met de pijl toetsen, kunt u de gemengde buitentemperatuur voor curvepunt 1 instellen. Sluit af met druk op de Menu/ok toets. Aanvoertemperatuur min Stel de minimum aanvoertemperatuur in die niet mag worden onderschreden bij die gemengde buitentemperatuur. Sluit af met druk op de Menu/ok toets. Aanvoertemperatuur min De instellingen worden overgenomen en de display toont de resulterende curve. Gebruik de pijl toets en ga naar de instelling voor curvepunt 2.
Maximum begrenzing Maximum begrenzing beperkt de aanvoertemperatuur instelling aan de bovenzijde. Ook als er hogere warmtevraag is, wordt deze temperatuur grenswaarde niet overschreden. De maximum begrenzing is geen veiligheids functie, zoals die bijvoorbeeld nodig is voor vloerverwarming.
Temperatuurvraag winterbedrijf Deze instelling definieert de geldigheid van een warmtevraag voor ruimte verwarming van een ruimtegroep tijdens winterbedrijf: Continue In winterbedrijf is de warmtevraag altijd geldig. Schakelend Als de gemiddelde klepstand onder een bepaalde waarde komt, wordt de warmtevraag uitgeschakeld.
Hoofdmenu > Ruimtegroepen > Ruimtegroep X > Voorregeling > Looptijd servomotor: Fabrieksinstelling Uw instelling Ruimtegroep 1 150 s Ruimtegroep 2 150 s …………… s …………… s P-band Xp U kunt de P-band Xp van de voorregeling voor elke ruimtegroep instellen (1..100 K).
De binnenluchtkwaliteit opnemer moet in de ruimte worden geplaatst, zodat de binnenlucht rond de opnemer circuleert, ook bij uitgeschakelde ventilatie. Installeer de opnemer niet in het afzuigkanaal. Het ppm niveau voor 0 V en 10 V (0..2000 ppm) kan worden ingesteld.
r.F. r.F. max SD ON I OFF ON V OFF t r.F. r.F.
Luchtvochtigheid at 0 V / 10 V Om de vochtigheid te kunnen begrenzen moet een vochtopnemer (DC 0..10 V) worden aangesloten. De vochtopnemer moet in de ruimte worden geplaats, thus ensuring zodat de binnenlucht rond de opnemer circuleert, ook bij uitgeschakelde ventilatie. Installeer de opnemer niet in het afzuigkanaal. De vochtigheid voor 0 V en 10 V (0..100% r.h.) kan hier worden ingesteld. Hoofdmenu > Ventilatie > Vochtbegrenzing > Rel.vocht bij 0 V: Fabrieksinstelling Uw instelling 0% r.h.
Hoofdmenu > Ventilatie > Zomernachtventilatie > Buitentemp.grenswaarde: Fabrieksinstelling Uw instelling 12 °C Ruimte - buitentemperatuur delta zomernachtventilatie Stel hier in hoeveel de buitentemperatuur onder de ruimtetemperatuur (0..20 K) moet liggen om de zomernachtventilatie in te schakelen. Hoofdmenu > Ventilatie > Zomernachtventilatie > Ruimte-buitentempdelta: Fabrieksinstelling Uw instelling 5K Startvertraging De startvertraging (00.00..60.00 mm.
Tapwater Vorstbewaking-instelling Stel de tapwatertemperatuur in, die in de bedrijfswijze Bewakingsbedrijf (Protection) moet worden gehandhaafd. Hoofdmenu > Tapwater > Instellingen >Vorstbew-instel: Richtwaarde Uw instelling 5 °C Legionellatemperatuur Stel de temperatuur in, waarop de boiler tijdens de legionellabeschermingsfunctie moet worden verwarmd.
Legionella duur Bij een actieve legionellabeschermingfunctie wordt de boiler tijdens de hier ingestelde duur (0.00…6.00 h) op de legionellatemperatuur verwarmd. Hoofdmenu > Tapwater > Legionellafunctie > Legionella duur: Richtwaarde Uw instelling 00.30 h.min Tapwater-voorrang Met de tapwater-voorrang kan de boilerregeling door een vermogensreductie van de verwarmingsgroepen met voorrang worden behandeld.
Met de instelling "---" vindt de tapwater opwarming zonder begrenzing van de laadduur plaats. Hoofdmenu > Tapwater > Instellingen > Maximale laadduur: Fabrieksinstelling Uw instelling 60 min. Gedwongen lading Normaliter wordt een boileropwarming alleen gestart, wanneer de boilertemperatuur onder het inschakelpunt (boilertemperatuur-instelling – schakeldifferentie) komt. Met de gedwongen lading kan een opwarming worden afgedwongen, ook wanneer dit inschakelcriterium niet is bereikt.
Instelverhoging tapwater oplading Om de tapwaterbereiding mogelijk te maken, moet de aanvoertemperatuur hoger zijn dan de gevraagde tapwater instelling. Stel hier de gewenste verhoging van de instelling (0..50 K) in.
Hoofdmenu > Tapwater > Instellingen > Zomerbedr el elem: Fabrieksinstelling Uw instelling Met schakelklok Zonder schakelklok Met schakelklok Schakelgroepen Scènenummer De bij de inbedrijfstelling gedefinieerde scènes worden automatisch genummerd (1..16). Om het overlappen van de scènenummers met andere aanwezige scèneschakelaars (bijv. GAMMA wave, Hager tebis) af te dwingen of te voorkomen, kunnen de scènenummers van de woningcentrale naar behoefte worden gewijzigd.
Datum / Tijd Begin zomertijd / Begin wintertijd De omschakeling van zomertijd op wintertijd en omgekeerd vindt automatisch plaats. De data van de vroegste omschakeling kunnen bij aanpassing van de huidige normen worden aangepast. De ingestelde data voor de omschakeling op zomertijd resp. op wintertijd zorgen ervoor, dat op de eerste zondag na deze datum de tijd van 02:00 (wintertijd) naar 03:00 (zomertijd) resp. van 03:00 (zomertijd) naar 02:00 (wintertijd) wordt omgezet.
Ingangen / uitgangen Simulatie buitentemperatuur Voor testdoeleinden kan de buitentemperatuur tussen -50 en 50 °C worden gesimuleerd op de woningcentrale. In dat geval wordt de buitenopnemer genegeerd. De gesimuleerde buitentemperatuur word took gebruikt voor de gemengde en gedempte buitentemperatuur. Zolang de simulatie actief is, word teen storingsmelding “Buitentemperatuur simulatie actief“ weergegeven. De simulatie moet handmatig worden teruggezet (instelling ---).
Visitekaart titel en regels 1 – 4 De elektronische visitekaart wordt als Info-pagina weergegeven en beschikt over een titel- en vier tekstregels, waarin bijvoorbeeld de gegevens kunnen worden ingevoerd van de voor de installatie verantwoordelijke firma of persoon. Hoofdmenu > Instellingen > Teksten > Visitekaart > Titel: Hoofdmenu > Instellingen > Teksten > Visitekaart > Tekst 1 – 4: Temperatuurvraag 0..10 V Om door middel van een spanningssignaal 0..
Wasemkap Invloed van venstercontacten Voor inschakeling van de wasemkap moet minstens één van de vensters in de hier opgegevn ruimten open staan.
Systeemgrenzen Systeemgrenzen (Bus TP1) 126 Woningcentrales QAX910 Grenzen per woningcentrale 1 12 2 4 Meteo opnemer Ruimten Deurcontacten Actoren voor verlichting met statusweergave (alleen op KNX TP1 (S-mode)) RF-repeaters Draadloze componenten (totaal, incl. woningcentrale) 3 64 Actoren voor schakelen, dimmen en zonwering kunnen in onbeperkt aantal naast bovenstaande worden toegepast.
Onderhoud / Service Veldapparatuur Fabrieksinstelling herstellen Om de fabrieksinstelling van de veldapparatuur weer te herstellen, drukt u gedurende tenminste 20 seconden op de functietoets van het apparaat. Aansluitend vindt een herstart plaats. Het apparaat bevindt zich in de fabrieksinstelling en is niet meer met de woningcentrale verbonden.
Trefwoordenregister 0 0..10 V.................................... 110 2 2-punts-schakeldifferentie ........ 92 3 3-punts uitgang ........................ 60 A Aandeel ruimteapparaat........... 89 Aansluitklemmen...................... 14 Aantal apparaten.................... 112 Aanvoeropnemer verbinden.............................. 60 Aanvoertemperatuur begrenzing............................ 94 Actoren verlichting verbinden........................ 67, 75 Actoren zonwering verbinden........................
Differentiatietijd ........................ 92 Drempelwaarde Temperatuurvraag ............. 110 E Economy verhoging ................. 88 Elektrisch element.................... 29 ERF910.............................. 44, 76 Externe tapwaterbereiding ....... 29 Extra configuratie ..................... 46 F Fabrieksinstelling ............... 3, 113 Functie ruimtegroep .......................... 24 ventilatie ............................... 30 G GAMMA wave actor verbinden ..............
Maximum begrenzing aanvoer. 96 Melduitgang.............................. 43 Meteo opnemer verbinden ........ 66 Min. afsluiterstand Comfort ...... 90 Minimale inschakelduur zomernachtventilatie .......... 101 Minimum begrenzing aanvoer.. 94 Montageplaats.......................... 10 Montagevolgorde ..................... 12 Montagevoorschriften............... 10 Multi-regelaar verbinden .......... 57 N Naam Ruimtegroep......................... 24 ruimtegroep 1 - 2 ................ 109 verlichting ...........
Setpointbegrenzing .................. 87 Simulatie buiten temp. ........... 109 SSA955.................................... 53 SSA955 handbediening ......... 113 Starvertraging ventilatie trappen................ 102 Stijging ruimtetemperatuur....... 89 Storingshistorie ...................... 108 Storingsingangen ..................... 36 verbinden ............................. 69 Storingsmeldingen bus ............ 36 Storingsuitgang ........................ 37 Storingsuitgang verbinden ....... 69 Symbolen ...
Voorrang tapwater.................. 104 Voorregeling integratietijd Tn..................... 98 looptijd servomotor ............... 97 P-band Xp ............................ 98 Vorstbewaking-instelling ........ 103 VVS-ID ................................... 111 W Wachtwoord installateur........... 86 Warmtevraag............................ 97 0..10 V .................................. 42 2-punts ................................. 41 Warmtevraagverhoging regelafsluiter.........................
Siemens Nederland N.V. HVAC Products Prinses Beatrixlaan 800 2595 BN Den Haag Postbus 16068 2500 BB Den Haag Tel.: 070 333 8200 Fax: 070 333 7980 www.siemens.nl/sbt © 2006-2008 Siemens Nederland N.V. Wijzigingen voorbehouden Siemens Switzerland Ltd Building Technologies Group International Headquarters Gubelstrasse 22 CH-6301 Zug Tel. +41 41-724 24 24 Fax +41 41-724 35 22 www.sbt.siemens.