SYNERGYR® Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling Bedrijfshandboek Edition 2.0 OZW30, AZW30 van V4.0 4 319 2423 0 b CE1U2841H 08.06.
/120 Building Technologies HVAC Products Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling CE1U2841H 08.06.
Contents 1 Algemeen over het handboek............................7 1.1 Sommige nota’s over de inhoud van de werkende handboek .............................................7 1.2 Nota's over de softwareversie van de centrale eenheid ...................................................8 1.3 Compatibiliteitslijst ................................................9 2 Beschrijving van het SYNERGYR-systeem ....11 2.1 Gebouwcentrale OZW30 ....................................11 2.
.2 Bedieningskaart 2 – Verbruiker ..........................24 4.3 Bedieningskaart 3 – Diagnose gebouw ..............30 4.4 Bedieningskaart 4 – Diagnose verbruiker ...........35 4.5 Bedieningskaart 5 – Regeling van de verwarmingsgroep ..............................................41 4.6 Bedieningskaart 6 – Inbedrijfstelling gebouw...............................................................49 4.7 Bedieningskaart 7 – Inbedrijfstelling verbruiker .................................................
7.1.1 7.1.2 7.1.3 Bedrijfsspanning en bedrading ...........................82 Heating plant and heat source............................83 Drukregeling en overstortventiel .........................83 7.2 7.2.1 Inbedrijfstelling van de gebouwcentrale..............84 Parametreren van de ruimtetemperatuurregelingen van de appartementen ...................................................84 Parametreren van de belastingsinvloed .............84 Parametreren van de LPB verwarmingsgroep van de regelaar ..........
7.6 Afsluiten van de werkzaamheden aan de gebouwcentrale ..................................................97 7.7 7.7.1 7.7.2 7.7.3 Parametrering van de verwarmingsgroep...........98 Instellingen aan de regelaar RVL50 / 55 ............98 Regelaars RVP40 / 45 / 75 / 97 ..........................98 Regelaars RVL4…, RVA…, RVP3…, RVD2… ..............................................................99 7.8 Inbedrijfstelling van het ruimtebedieningsapparaat QAW… .....................
1 Algemeen over het handboek 1.1 Sommige nota’s over de inhoud van de werkende handboek Dit handboek bevat alle informatie die u nodig hebt om uw gebouwcentrale optimaal te gebruiken. Daar SYNERGYR een volledig nieuw systeem is, krijgt u eerst en beschrijving van het systeem als geheel en van zijn afzinderlijke compinenten. Op die manier kunt u de talrijke functies en mogelijkheden van de gebouwcentrale leren kennen en gebruiken.
1.2 Nota's over de softwareversie van de centrale eenheid Dit Werkende Handboek beschrijft de functies en de mogelijkheden van de centrale eenheid gebruik makend van softwareversie 4.0 of hoger. Sinds de introductie van de eerste centrale eenheid (softwareversie 1.0), zijn een aantal functies lichtjes verbeterd (softwareversie 1.10). Versie van de software 2.0 veroorlooft zich communicatie met een PC via modem. Bovendien werden bepaalde functies en mogelijkheden verder uitgebreid.
1.3 Compatibiliteitslijst ACS30 4.0 RVA…, RVL4…, RVD2…, RVP3… 3.0 RVL50, RVL55 WRI80 1.3 1.11 1.20 Van 1.0 1.10 2.0 RVP45.500/900, RVP97, RVP75.230/237/900 RVP40.3 Software versie WRV… Eenheid, SYNERGYR component OZW30 Volgens de compatibiliteitslijst, is het mogelijk om te weten te komen of de geïnstalleerde software voor de gewenste hulpfunctie geschikt is. Van Van * Van 2.01 3.01 4.01 4.0 D-series, 1.13 1.21 1.0 2.0 4.0 1.14 1.22 1.15 1.
1.13 1.21 1.0 ACS30 4.0 RVA…, RVL4…, RVD2…, RVP3… 3.0 RVP45.500/900, RVP97, RVP75.230/237/900 RVP40.3 OZW30 WRI80 1.3 1.11 1.20 Van 1.0 1.10 2.0 RVL50, RVL55 Software versie WRV… Eenheid, SYNERGYR component Van Van * Van 2.01 3.01 4.01 4.0 D-series, 2.0 4.0 1.14 1.22 1.15 1.30 Afsluiterstand display z – z z z – – – – Display positie afsluiterstand Display van de belastingsinvloed als verandering in ruimtetemp.
2 Beschrijving van het SYNERGYR-systeem SYNERGYR is een gecombineerd system om de ruimtetemperatuur te regelen in appartementen, praktijk- en soortgelijke ruimten. Een afzinderlijke opname van de verbruikte warmte-energie maakt het mogelijk om de verwarmingskosten af te rekenen in functie van het verbruik. Alle compinenten zijn inderling verbinden via een gegevensleiding die gebouwbus genoemd wordt.
2.2 Ruimtebedieningsapparaten QAW10 en QAW20 In elk appartement is een ruimtebedieningsapparaat aanwezig waarop de bewiner de gewenste ruimtetemperatuur instelt. Dit gebeurt naargelang van het type apparaat ofwel als autinome gewenste waarde, ofwel als correctie van de centrale gewenste waarde die op de gebouwcentrale voor alle appartementen ingesteld is. Op de QAW20 kan de bewiner een compleet weekprogramma invoeren voor zijn normale aanwezigheidstijden.
consumptiewaarde (b.v. DHW, elektriciteit, enz.) verwerven en opslaan. Alle benodigde parameters zijn ingegeven en weggeschreven bij de opstartprocedure. 2.5 Universele adaptor AEW2.1 Indien in een appartement naast het verwarmingsenergieverbruik ook twee of meer andere verbruikswaarden opgenomen moeten worden, bestaat ere en adaptor die deze warden registreert en SYNERGYR-aangepast opslaat. Ook hier worden alle nodige waarden bij de inbedrijfstelling van de installatie ingevoerd en geprotocolleerd. 2.
3 Bediening van de gebouwcentrale 2 3 4 2841Z25 1 6 5 7 Voorkant 1 2 3 4 5 6 7 Links toetsenbord Display Rechts toetsenbord Geheugentoets Bedieningskaarten Slot Opening voor de plombeerbare schroef 9 10 2841Z26 8 Inderkant 8 9 10 Aansluiting voor modemvoeding RS-232 interface Geheugenkaart 14/120 Building Technologies HVAC Products Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling Bediening van de gebouwcentrale CE1U2841H 08.06.
3.1 Toetsenbord en display 2841Z09 Het display bestaat uit twee delen: • Het linkse gedeelte is het “adres”: het bepaalt waar de aangewezen grootheden (functie, meetplaats, doel,…) op slaan. Het linkse toetsenblok , en behoort tot dit gedeelte • Het rechtse gedeelte duidt de getalswaarden van de aangewezen grootheden aan. Tot dit gedeelte behoort het , en rechtse toetsenblok Alle grootheden zijn met getallen voorgesteld.
3.2 Links gedeelte van het display Het linkse gedeelte van het display omvat vier getallen die bestaan uit één resp. twee cijfers. Zij definiren de invoer- of de aanwijsfunctie waar- van u de getalswaarde in het rechtse gedeelte afleest. • Het eerste getal definieert het toepassingsgebied.
4: Vreemde meter op de eerste universele adaptor (ingang 2) aangesloten 5: Vreemde meter op de tweede universele adaptor (ingang 1)aangesloten 6: Vreemde meter op de tweede universele adaptor (ingang 2) aangesloten • Het vierde getal staat altijd voor een invoer- resp. afleesfunctie. De betekenis van deze getallen kunt u aflezen van de bedieningskaarten waarop ze afzinderlijk beschrevenzijn.
, tot het 4. Druk op de toets of op de toets tweede getal 46 is 5. Druk op de toets , tot de markering inder het derde getal staat , tot het derde of op de toets 6. Druk op de toets getal 1 is 7. Druk op de toets , tot de markering inder het vierde getal staat 8. Druk op de toets , tot het vierde of op de toets getal 25 is Nu is de gewenste functie geselecteerd.
Waarde verlagen: Door op deze toets te drukken, verlaagt u het inderstreepte cijfer. Een waarde kunt u als volgt invoeren: Verinderstel dat u b.v. het klantennummer 5234 moet invoeren in het toepassingsgebied 6 “Inbedrijfstelling Gebouw”: 1. Selecteer in het linkse gedeelte van het display het toepassingsgebied 6 “Inbedrijfstelling Gebouw” en roep grootheid “01 klantennummer” op. , tot de markering inder het eerste 2. Druk op de toets cijfer staat.
display DATA. De kaart mag pas uit de gebouwcentrale verwijderd worden nadat DATA uitgedoofd is. 3.5 Invoergegeven wissen en terugzetten op standaardwaarde U kunt de invoergegevens als volgt wissen en op hun oorsprinkelijke waarde terugzetten: 1. Roep de betreffende regel op. en samen in. 2. Druk de toetsen Ö Na 2 seconden, streeplijn verschijnt ipv de instelwaarde (--- ). Ö Na nog eens 2 seconden, de instelwaarde wordt gewist of overschreven met de standaardwaarde.
Ter bescherming van het privleven en van de gegevens wordt de gebouwcentrale als volgt beveiligd: • Het doorzichtig deksel beveiligt het bedieningsgedeelte van de gebouwcentrale tegen inbevoegden. Het kan slechts met een speciale sleutel geopend worden. • Het oproepen van de ruimtetemperaturen van appartementen kan geblokkeerd worden door een ingreep in de gebouwcentrale.
4 Beschrijving van de bedieningsregels SYNERGYR kent twee soorten functies: • Instelfuncties: hiermee kunt u de getalswaarde van de aangewezen grootheden veranderen • Afleesfuncties: Hiermee leest u gemeten waarden, toestanden enz. . Deze velden hebben op de bedieningskaarten een dinkere achtergrind. Bedieningskaart 1 4.1 Bedieningskaart 1 – Gebouw Deze bedieningskaart bevat gegevens en parameters die dienen om de verbruikswaarden te bepalen. Ze slaan altijd op het ganse gebouw.
Bedieningskaart 1 De graaddagmeter wordt op de indexopnamedag op nul gezet. 04 Bedrijfsuren Deze regel is de bedrijfsurenteller voor de gebouwcntrale; hij duidt de actuele meterstand aan en registreert het aantal bedrijfsuren aan de hand van de AC 24 V-spanning. 05 Datum Hier verschijnt de actuele datum. Controleer de datum vóór elke werkzaamheid aan de centrale. Hij is de grindslag van vele functies.
Bedieningskaart 1 11 Graaddaggetal van de voorlaatste indexopnamedag Deze regel toint u het graaddaggetal van de voorlaatste indexopnamedag. 13 Bedrijfsuren voorlaatste indexopnamedag Deze regel geeft u het totaal aantal bedrijfsuren van de gebouwcentrale op de voorlaatste indexopnamedag aan. 14 Datum van de voorlaatste indexopnamedag Hier leest u de datum van de voorlaatste indexopnamedag.
Bedieningskaart 2 De adressen zijn tijdens de opstart ingegeven met de hulp van de AZW30. Met behulp van het service-apparaat AZW30, is het adres te lezen op de caloriemeter 02 Meterstand Hier kunt u in het opgeroepen appartement de actuele meterstand van al de geregistreerde verbruiksgrootheden opnemen. De afzinderlijke apparaten die in alle appartementen de verbruiksgegevens meten, moet u achtereenvolgens selectern in de kolom apparatennummers.
Bedieningskaart 2 07 Meterstand op de laatste indexopnamedag De meterstand van elk apparaat van het appartement wordt telkens op de ingevoerde indexopnamedag in het geheugen opgeslagen. Normaal sluit de indexopnamedag een verwarmingsperiode af, b.v. 30 juni. In deze regel roept u – weer per apparaat – de meterstanden van de laatste indexopnamedag op. Om de verbruiksaarden tussen de laatste en de voorlaatste indexopnamedatum (verwarmingsperiode) te kunnen verglijken, kunt u op klz.
Bedieningskaart 2 13 Bedrijfsuren voorlaatste indexopnamedag Voor vergelijkings- en controledoeleinden vindt u op deze regel voor elk apparaat van het appartement de meterstanden van de bedrijfsurenteller op de voorlaatste indexopnamedag. 14 Datum van de voorlaatste indexopnamedag Hier vindt u de datum van de voorlaatste indexopnamedag.
Bedieningskaart 2 24 Meterstand eind april Deze regel duidt per apparaat de meterstanden op eind april II. aan. 25 Meterstand eind mei Deze regel duidt per apparaat de meterstanden op eind mei II. aan. 26 Meterstand eind juni Deze regel duidt per apparaat de meterstanden op eind juni II. aan. 27 Meterstand eind juli Deze regel duidt per apparaat de meterstanden op eind juli II. aan. 28 Meterstand eind augustus Deze regel duidt per apparaat de meterstanden op eind september II. aan.
Bedieningskaart 2 32 Meterstand eind december Deze regel duidt per apparaat de meterstanden op eind december II. aan. 86 Omrekeningsfactor De factor op deze lijn definieert per apparaat de maateenheid alsook de omrekeningsfactor die voor de juiste aanwijzing noodzakelijk is (nadere verklaring: bedieningskaart 7, regel 86). Als aflezing heeft deze regel geen betekenis. De waarden worden immers al als werkelijke waarde en in de juiste eenheid weergegeven.
Bedieningskaart 2 Bedienings- 90 Bij de impulsgevers stemt ieder impuls met een bepaalde verbruikte hoeveelheid overeen. Het verband – de impulswaarde – staat op deze regel inder de vorm van een breuk (ZZZZ = teller, NNNN = noemer). Als aflezing heeft deze regel geen betekenis omdat de waarden toch als werkelijke waarden weergegeven worden. 4.3 kaart 3 Impulswaarde Bedieningskaart 3 – Diagnose gebouw De informatie op bedieningskaart 3 heeft betrekking op het ganse gabouw.
Bedieningskaart 3 37 Ruimtetemperatuur graaddaggetal Deze regel geeft de referentie-ruimtetemperatuur voor de berekening van de verwarmingsgraaddagen. 39 Bedrijfsuren Ingang 1 Een bedrijfsurenteller voor een willekeurig apparaat kan met ingang 1 verbinden zijn.
Bedieningskaart 3 42 Bedrijfsuren brander 2 Deze regel stemt overeen met regel 41. Hiermee kan een tweede warmte-opweeking (inafhankelijk van de eerste) opgenomen worden. Als deze functie intbreekt, verschijnt er geen aanwijzing. 43 Geheugencapaciteit Memory-card U kunt de verbruiksgegevens op een geheugenkaart opslaan.
Bedieningskaart 3 Er wordt geen rekening gehouden met ruimtebedieningsapparaten zoals hulpeenheden, verdeeldozen, buitentemperatuurvoelers, regelaars enz. . De aanwijzing 0 betekent dat de gebouwbus uitgevallen is. Een verschil tussen de uitlezing en de werkelijk voorhanden apparaten wijst op een inderbreking in de gebouwbus of op defecte apparaten. 46 Aantal H-busapparaten Deze lijn staat u toe om het aantal apparaten op de H-bus of LPB (nieuw vanaf softwareversie 3.
Bedieningskaart 3 10…19: 20…29: 30…49: 50…59: 60…69: 70…79: Apparatenfouten (hardware en software) Takort aan bedrijfsspanning Communicatiestoringen Meetfouten Externe ingrepen Diverse fouten, meldingen intvangen aan de meldingsingangen 80…89: Fouten afkomstig van de verwarmingsinstallatie (H-bus) 90…99: Inbedrijfstellingsfouten Wanneer u de fout ter kennis genomen hebt door te drukken op een willekeurige toets behalve de Filetoets (kwiteren), dan verschijnt om de beurt de datum van het optreden van de f
Bedienings- 4.4 kaart 4 Bedieningskaart 4 – Diagnose verbruiker Alle regels van bedieningskaart 4 betreffen gegevens en functies voor de appartementen. Daarom moet u eerst het nummer van het betreffende appartement opvragen, d.w.z. het tweede getal in het linkse gedeelte van het display. Bedieningskaart 4 bevat uitsluitend uitleesfuncties; u kunt hier geen getalswaarden veranderen.
Bedieningskaart 4 60…69: 70…79: 80…89: 90…99: Externe ingrepen Diverse fouten, meldingen aan de meldingangen intvangen Fout uit de verwarmingsinstallatie (H-bus) Fout bij de inbedrijfstelling Als u de fout opheft door op een willekeurige toets behalve de FILE-to-ets te drukken (kwiteren), dan verschijnt om beurt de datum van het optreden van de fout enerzijds en, het uur en het foutnummer. 13-08-1993 15:48 37 De aanwijzing betekent dus dat fout nr. 37 om 15:48 uur op 13 augustus optrad.
Bedieningskaart 4 Deze informatie kan eveneens nuttig zijn voor de servicedienst. 69 Minimum debiet Het aangespaste minimum debiet kan worden gelezen van aan de WRI80. Een minimum debiet van 0 l/h toont aan dat het aangesloten ventiel volledig gesloten is wanneer er geen warmtevraag is. Het minimum debiet wordt bij het WRV ventiel niet ondersteunt.
Bedieningskaart 4 73 Aanvoertemperatuur Deze regel wijst de aanvoertemperatuur aan die in de aanvoer van de appartement gemeten wordt. Met de WRI80, wordt de aanvoertemperatuur afgelzen op de aangesloten warmtemeter. 74 Retourtemperatuur Deze lijn toont de benodigde retourtemperatuur van het appartement. Met de WRV, wordt de retourtemperatuur bekomen door een geintegreerde sensor in het ventiel. Met de WRI80, wordt de retourtemperatuur afgelzen op de aangesloten warmtemeter.
Bedieningskaart 4 78 Slagverhouding Afsluiter Hier kan u de openingsverhouding zien van het WRV-ventiel. Het display geeft de periodetijd weer dat het ventiel open was gedurende het laatste uur (wordt als een percentage gelezen) Hier, via de WRI80 toont men de middenpositie van het ventiel gedurende het laatste uur. 79 Afsluiterstand Afsluiter Hier kunt u de momentele stand van de afsluiter opvragen.
Bedieningskaart 4 Co: Cold: WRV…: de afsluiter is gesloten, omdat het temperatuurverschil tussen aanvoer- en retourtemperatuur te klein is. Hi: High debiet: WRV…: de afsluiter is gesloten of pendelt (= Open/ gesloten-bedrijf), omdat het debiet groter is dan het ingestelde maximale debiet (bedieningskaart 7, regel 76) WRI80: Beperking van het maximum debiet.
Bedieningskaart 4 83 Ruimtetoestel Hier kunt u het type van het ruimtebedieningsapparaat lezen.
Bedieningskaart 5 De instellingen op de regels 57 tot 61 hebben betrekking op de ruimtetemperaturen in de appartementen. Raadpleeg de tips in de paragraaf 6 “Tips voor de praktijk”. 55 Begin Standaardinstelling: Bedrijfstijd Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 00:00 Hier stelt u het begin van de algemene bedrijfstijd voor het gebouw in, d.w.z. voor alle appartementen die van de gebouwcentrale afhangen.
Bedieningskaart 5 56 Einde Standaardinstelling: Bedrijfstijd Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 24:00 Hier stelt u het einde van de algemene bedrijfstijd van het gebouw in. Buiten de bedrijfstijden heerst er in alle appartementen gereduceerde termperatuur (absolute voorrang). De op de ruimtebedieningsapparaten van het type QAW20 ingestelde verwarmingsprogramma’s kunnen deze grens niet overschrijden. Met softwareversie 1.
Bedieningskaart 5 De maximale gewenste waarde moet u gelijk of hoger instellen dan de gewenste waarde van de normale ruimtetemperatuur (volgende instelwaarde, regel 58); hoogst mogelijke waarde; 30 °C. Met deze instelling belet u de oververwarming van de appartementen. 58 Normale ruimtetemperatuur Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Bedrijfstijd Uw 3de instelling: 20.
Bedienings- w [°C] kaart 5 30 Regel 57: wmax QAW10/20 b.v. 22 Regel 58: wnorm QAW10 b.v. 20 Regel 59: wred QAW10 b.v. 18 Regel 60: wmin QAW10/20 Regel 58: wnorm QAW10 b.v.
Bedieningskaart 5 60 Minimale ruimtetemperatuur Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Bedrijfstijd Uw 3de instelling: 16.0 Op deze regel stelt u de minimale gewenste waarde in voor alle ruimtebedieningsapparaten van het type QAW20. Op de QAW20 kan geen lagere gewenste waarde ingesteld worden. Het appartement wordt op de temperatuur verwarmd die u hier instelt.
Bedieningskaart 5 • Op de linkse helft van het uitleesscherm, de aard van de belastings-invloed: 0: geen belastingsinvloed 1: schakelende en glijdende belastingsinvloed 2: alleen schakelende belastingsinvloed 3: allen glijdende belastingsinvloed • Op de rechtse helft van het uitleesscherm, de strategie: De vereisten voor energiebesparing en comfort staan steeds diametraal tegenover elkaar. Met de strategieparameter kan bepaald worden welke prioriteit aan welke vereiste toegekend wordt: 0.
Bedieningskaart 5 0: Belastingsinvloed niet in werking (wijziging = 0 °C per uur) 1: Wijziging = 1 °C per uur 2: Wijziging = 2 °C per uur, enz., tot 10: Wijziging = 10 °C per uur 64 Werkelijke belastingsinvloed Per groep Deze regel toint u het momentele effect van de belastingsinvloed.
Bedieningskaart 5 Bedienings- • De instelwaarde van het linkse gedeelte is het segment nummer (00…14) • De tweede instelwaarde is het aantal toestellen (00…16) • De instelwaarde op het rechtse gedeelte geeft de verwarmingskring weer (1…3) Van het moment dat instellingen van de verwarmingsgroep regelaars gebeurt zijn, is er geen H-bus communicatie meer mogelijk. 4.
Bedieningskaart 6 05 Datum Hier voert u de momentele datum in, in inderstaande volgorde: • 2 plaatsen voor de dag (1…31) • 2 plaatsen voor de maand (1…12) • 4 plaatsen voor het jaar (1992…2091) 06 Weekdag / Kloktijd Hier voert u de actuele weekdag en de momentele kloktijd in, in inderstaande vorm: • Een plaats voorde weekdag (1 = maandag, 2 = dinsdag, enz.
Bedieningskaart Een indexopnamedag: 6 Ap Ap Gegevensset van 30.6. is opgeslagen Gegevensset van 30.6. wordt overschreven Twee indexopnamedagen: Ap Ap Ap Ap Gegevensset van 30.6. is opgeslagen 30.6.2005 31.12.2005 30.6.2006 2841D02H Gegevensset van 30.6. wordt overschreven t 30.6.2007 31.12.2006 1 en 2 indexopnamedagen: Voorbeeld van het opslaan van een gegevensset op 30.6. 2005 AP Afrekeningsperiode t Tijd Gegevensset van 30.6.2005 wordt opgeslagen Gegevensset van 30.6.
Bedieningskaart 6 Als u één indexopnamedag per jaar kiest, blijft de laatste gegevensset gedurende twee jaar (twee afrekeningsperiodes) behouden; in het derde jaar worden de gegevens overschreven. Wanneer u twee indexopnamedagen per jaar invoert, dan duurt een afrekeningsperiode een half jaar; de laatste gegevensset blijft dus een jaar (twee afrekeningsperiodes) behouden. Door een tweede indexopnamedag in te brengen, halveert u dus de duur van de gegevensopslag in de gebouwcentrale.
Bedieningskaart 6 Met deze instelling kan een eventuele jaarafwijking van de klok gecorrigeerd worden. Instelvoorbeeld: Als de klok per jaar tien minuten te snel loopt, moet de waarde – 10 ingevoerd worden. Op deze manier kunnen afwijkingen van maximaal 30 minuten gecompenseerd worden. 19 Begin van de zomertijd Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: dag – maand Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 25 – 03 Slechts instelbaar bij gebouwcentrales vanaf softwareversie 2.0 of hoger.
Bedieningskaart 6 36 Verwarmingsgrens Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 15.0 Hier kriest u de bovenste grens van de bruitentemperatuur voor de berekening van de verwarmingsgraaddagen. Als er voor deze grootheden geen landspecifieke voorschriften bestaan, stelt u als richtwaarde 15 °C in. 37 Ruimtetemperatuur graaddaggetal Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 20.
Bedieningskaart 6 44 Aantal appartementen Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 0 Op deze regel geeft u het aantal gebruikseenheden in. Deze instelling mag alleen veranderd worden als het absoluut niet anders kan (b.v. bij uitbreiding van het systeem). Zolang de instelling 0 is, bevindt de gebouwcentrale zich in de inbedrijfstellingsmodus. In deze bedrijfssoort worden alle foutmeldingen inderdrukt.
Bedieningskaart 6 0: automatische herkenning van het aangesloten apparaat. Vanaf versie 2.0 is de instelling 0 niet meer mogelijk 1: er wordt een modem aangesloten 2: Connectie van een PC met ACS30 3: Connectie van een PC met ACS Alarm Gebruikmakende van softwareversie 3.0 of hoger, is het ook mogelijk om alarmen te zenden naar de aangesloten PC. Deze instellingen mag niet gebruit worden met ACS30. Voor een geode werking, moet de juiste instelling (1 of 2) geselecteerd worden.
Bedieningskaart 6 84 Besturing van alle afsluiters Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 2 Met deze regel kunt u alle afsluiters manueel besturen vanuit de gebouwcentrale. Dit kan b.v. bij de hydraulische afstelling van de installatie nodig zijn. De manuele besturing van de afsluiters gebeurt als volgt: 0: al de afsluiters zijn gesloten 1: al de afsluiters zijn volledig open 2: automatisch; al de afsluiters zijn in normaal regelbedrijf.
Bedieningskaart 6 89 Installatietype Standaardinstelling: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 1 Deze instelling mag enkel door Siemens medewerkers of een erkend partner van Siemens ingevoerd worden.
Bedieningskaart 7 4.7 Bedieningskaart 7 – Inbedrijfstelling verbruiker Bedieningskaart 7 definieert bij de inbedrijfstelling de instellingen van de apparaten in alle appartementen. Deze instellingen zijn voor elk appartement vereist en kunnen alleen plaatselijk (d.w.z. op het beschouwde apparaat) uitgevoerd worden met behulp van het service-apparaat AZW30. 01 Apparatennummer meter Instelling slechts plaatselijk mogelijk met service-apparaat AZW30.
Bedieningskaart 7 53 Standaardgegevensset schrijven Instelling slechts plaatselijk mogelijk met service-apparaat AZW30. Op deze regel wordt de standaardgegevensset uit het serviceapparaat AZW30 in het apparaat geschreven dat met het service-apparaat verbinden is. In elk appartement gebeurt het schrijven per meter (meter 1…6). Elk toestel moet telkens via zijn meternummer opgeroepen worden. Het service-apparaat kiest zelf de juiste gegevens en schrijft ze in het apparaat.
Bedieningskaart 7 59 Gereduceerde ruimtetemperatuur* Instelling slechts met service-apparaat AZW30 mogelijk. De instelling is niet nodig voor installaties met een centrale eenheid. Standaardinstelling: Standaardgegevensset: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 16.0 In de gevallen die op regel 58 vermeld staan, moet op deze regel de gewenste waarde voor de afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling of WRI80 ingevoerd worden.
Bedieningskaart 7 76 Maximaal debiet WRV…, softwareversie 1.0 Deze instelling kan enkel met behulp van de AZW30 ingegeven worden. WRV…, softwareversie 1.10 of hoger en WRI80: Deze instelling kan zowel in de centrale alsook via de AZW30 ingegeven worden.
Bedieningskaart 7 In dit geval, langzaam het debiet verminderen tot er een nummerieke waarde verschijnt. 80 Afsluitermontageplaats* Instelling slechts met het service-apparaat AZW30 mogelijk. Standaardinstelling: Standaardgegevensset: Uw 1ste instelling: Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: 0 Hier moet u de montageplaats van de afsluiter of warmtemeter (WRI80) ingeven.
Bedieningskaart 7 Op deze regel wordt het nummer van de verwarmingsgroep ingegeven: 0: behoort tot geen enkele verwarmingsgroep 1: verwarmingsgroep 1 2: verwarmingsgroep 2, enz. tot 6: verwarmingsgroep 6 Worden afsluiters voor regeling en verwarmingskostenverdeling van het type WRV82 / 85 / 86 gebruikt, dan kan de aanvoertemperatuurmeting in meerdere zones inderverdeeld worden. Deze inderverdeling resp. het zonenummer moet als tweede getal naast het nummer van de verwarmingsgroep ingevoerd worden.
Bedieningskaart 7 • Met softwareversie 1.0: direct via WRV… / WRI • Met softwareversie hoger dan 1.10: vanaf gelijk welk SYNERGYR apparaat welk voorzien is met een interface voor het service-apparaat. 85 Functiekeuze* Standaardinstelling: Standaardgegevensset: Uw 1ste instelling: 3/0 Uw 2de instelling: Uw 3de instelling: WRV… / WRI80 Deze instelling kan pas opgegeven worden vanaf softwareversie 2.
Bedieningskaart 7 • De vorstbeveiliging stuurt de pomp aan: Bij ieder appartement van de installatie dat beschikt over een pomp, zal de pomp ingeschakeld worden wanneer het ventiel volledig geopend is. Anderzijds, als het ventiel sluit, zal de pomp uitgeschakeld worden na een bepaalde tijdsvertraging.
Bedieningskaart 7 Factor Eenheid Aanwijsvoorbeeld Aanwijsvoorbeeld OZW30 QAW20… 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 38 39 40 41 42 43 44 45 46 57 88888.888 kWh 888888.88 kWh 888888.8 kWh 88888888 kWh 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888888 88888.888 l 888888.88 l 888888.8 l 888888 888888 888888.8 kWh 888888 kWh 888888 888888.8 888888 888888 888888.8 888888 888888 888888.8 888888 888888 888888.
Bedieningskaart 7 87 Metermedium* Instelling slechts met service-apparaat AZW30 mogelijk.
Bedieningskaart 7 1: Standaardinstelling 10: Installatie met pomp per appartement: nadraaitijd: geen 11: Installatie met pomp per appartement: nadraaitijd: 1 minuut 12: Installatie met pomp per appartement: nadraaitijd: 2 minuten 13: Installatie met pomp per appartement: nadraaitijd: 4 minuten 14: Installatie met pomp per appartement: nadraaitijd: 8 minuten 15: Installatie met pomp per appartement: nadraaitijd: 16 minuten 20: SWW lading met changeover valve (speciale applicatie) Andere instellingen geven
Bedieningskaart 7 2. Voorbeeld: Impulswaarde Omrekeningsfactor Uw instelling: = 2.5 l / impuls = 100 l Impulswaarde 2,5 ––––––––––––––– = ––––– = 1 – 40 Omrekeningsfactor 100 Als de meterstand kan afgelezen worden op de QAW20 ruimteapparaat, dan moet de geselectreerde imulsfactor eveneens de mogelijkheid hebben om deze af te beelden op het ruimteapparaat. Deze zijn impulsfactoren met geen of 1 decimaal.
Bedieningskaart 7 92 Adaptor-subadres Instelling slechts met service-apparaat AZW30 mogelijk. Standaardinstelling: 1 Bevat het appartement twee AEW2.1, dan moet één ervan als “tweede universele adaptor” aangeduid worden. Daarop zijn de meters 5 en 6 aangeszloten 95 Standaardgegevensset lezen Slechts met service-apparaat AZW30 mogelijk. Om het parametreren van appartementen te vergemakkelijken, kunnen standaardgegevenssets gebruikt worden.
Bedieningskaart 7 3. Druk gedurende 2 seconden de beide toetsen en in het rechtse dedeelte van het toetsenblok van het service-apparaat samen in. Ö De gegevens van de meter worden in het serviceapparaat gelezen. Er kan per meteradres één gegevensset opgeslagen worden (zie ook paragraf 7.3 “Inbedrijfstelling van de apparaten per appartement“). De leesoperatie wordt met 1 aangewezen; springt de aanwijzing op 0, dan is de leesoperatie beëindigd. 4.
5 Wetenswaardigheden over de apparaten 5.1 Afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling • De afsluiter sluit bij zeer kleine warmtehoeveelheden, omdat zij niet meer met voldoende nauwkeurigheid gemeten kunnen worden (belemmeren van sluipende hoeveelheden) • Als de bedrijfspanning wegvalt, worden alle momentele meterstanden alsook de momentele kloktijd onverliesbaar opgeslagen. • Het apparaat vergt geen onderhoud en controleert zichzelf. • Vreemde ingrepen worden geregistreerd. 5.1.
− Het woord ERROR en het nummer van de storing (zie bedieningskaart 3, regel 50) − De aanwijzing no buS in geval van een storing van de communicatie op de gebouwbus. Storingsmeldingen zijn telkens gedurende 2,5 seconden zichtbaar; de tijd van de meterstandaanwijzing vermindert overeenkomstig. 5.1.2 Handbedrijf Valt de bedrijfsspanning weg of is e afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling defect, dan kan de afsluiter via een handbediening manueel geactiveerd worden.
• De maandelijkse meterstanden, indien beschikbaar via MBus. Anders worden ze intern gesmuleerd juist na 0:00 op de eertse dag van de volgende maand. • De meterstand van de laatste en voorlaatste indexopnamedag. Nota: SYNERGYR genereert de opnamegegevens op de opnamedag om 0;00, warmtemeters meestal om 24:00. Hierdoor kan er een klein verschil zijn. • Het aantal bedrijfsuren wordt niet geregistreerd. Deze worden intern opgeslegen in de warmtemeter zelf.
5.2.3 Pulse adaptor (meter 2) Als de bedrijfsspanning wegvalt, worden de meterstanden, tijd en foutmeldingen in een vast geheugen geplaatst. De universele adaptor bewaakt zowel zichzelf als de bedrading van de meters (alleen bij meters met NAMURschakeling. Storingen worden als foutmelding op de gebouwengus gestuurd. 5.2.4 Indicatie (LED) Mogelijkheden: • LED brandt continu: storing • LED flashing: normaal bedrijf • LED dark: geen spanning 5.
gewenste waarden van de gebouwcentrale zijn van toepassing. De verbruiker heeft de mogelijkheid via de draaiknop de normale gewenste waarde te verstellen binnen een bereik van ca. ±3 °C. Gedurende de bedrijfstijd kan de verbruiker met de energiebesparingstoets zijn verwarming op normale temperatuur omschakelen. Buiten de bedrijfstijd is de energiebesparingstoets niet werkzaam. 5.
• Weekdag, kloktijd en ruimtetemperatuur • De momentele verwarmingsenergie-meterstand alsook de verbruikstendens • De momentele meterstanden voor het verbruik van sanitair water, gas en stroom alsook de buitentemperatuur, voor zover deze grootheden opgenomen werden • De Meterstanden van de verbruiksgrootheden op de laatste indexopnamedag Bij langdurige afwezigheid kan de verbruker een vakantietijd (aantal dagen) inbrengen; de verwarming werkt dan op gerduceerde temperatuur.
6 Tips voor de praktijk 6.1 Nuttige opmerkingen over de verwarming • In gereduceerd bedrijf op verlaage ruimtetemperatuur wordt en blijft de verwarming uitgeschakeld tot de ingestelde temperatuur wekelijk bereikt is. • De warmte is niet zo snel als het elektrische licht. Neem dat in acht wanneer u iets aan uw verwarming verstelt. De regeling reageert onmiddellijk, maar de warmte heeft meer tijd nodig. Voer daarom maar één temperatuurcorrectie of één programmaverandering per 24 uur uit.
storingen in de warmte-opwekking vroegtijdig te ontdekken. − Gordijnen, draperiën enz., boven verwarmingslichamen verlagen het rendement ervan. Hetzelfde geldt wanneer meubelen, kamerschermen ervoor geplaatst worden. − Doelgericht besparen betekent ook op actieve wijze het milieu beschermen! 6.
− Zijn de ingestelde temperaturen en de bezettingstijd ingesteld? − Als de gevraagde ruimtetemperatuur is niet bereikt: verander het klokprogramma..
7 Inbedrijfstelling De mogelijke instelwaarden van al de apparaten zijn in het bedrijfshandboek vermeld. De volgende instructies voor inbedrijfstelling geven de volgorde van het arbeidsproces en kunnen tegelijkertijd als checklijst dienen. De inbedrijfstelling wordt uitsluitend door servicepersoneel van Siemens of door een bevoegde partner uitgevoerd. 7.1 Voorbereiding van de inbedrijfstelling Voor de inbedrijfstelling moeten de volgende controles uitgevoerd worden: 7.1.
• Verbinding tussen ALW84 aftakdoos en AEK84 regel module en vandaar naar de ruimtezone afsluiter • Verbinding tussen AEW2.1 en vreemde meters • Verbinding tussen AEW2.
7.2 Inbedrijfstelling van de gebouwcentrale Alvorens de apparaten in de appartementen in bedrijf gesteld worden, moet de gebouwcentrale geparametreerd worden. Bij het ischakelen voert de gebouwcentrale een zelftest uit. Op het display verschijnt het woord SELFtESt. Na het beindigen van de zelftest wordt, InStAL, alsook weekdag en kloktijd aangewezen. Belangrijk! Schrijf de waarden die u ingevoerd of veranderd hebt in de daartoe voorziene vakjes in het bedrijfshandboek! 7.2.
7.2.4 Invoeren van de gebouwparameter (Instellingen op de bedieningskaart 6) • Kloktijd master LPB via lijn 03 • Datum, weekdag, kloktijd enz. (regels 05, 06, 15, eventueel 16) • Parameter voor verwarmingsgraaddagen (regels 36, 37) • Beginwaarde van de urentellers (regels 39, 40) • Aantal appartementen (op 0 laten). Deze parameter wordt pas ingesteld na het einde van de inbedrijfstelling van de appartementen.
7.3.2 Montage van de afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling 1. Sluit de afsluitkranen aan weerskanten van het passtuk. 2. Open de ontluchtingskraan in de aanvoercollector en laat de druk af. Sluit de ontluchtingskraan van zodra de waterstraal vermindert. 3. Maak de koppelingen van het passtuk los en demonteer ze. Verwijder beide ingebouwde dichtingsparen. 4. Monteer de afsluiter voor regeling en verwaringskostenverdeling – met en nieuw dichtingspaar – en schroef de koppelingen vast. 5.
3. Controleer de bedrading van het ruimtebedieningsapparaat en van eventuele universele adaptors of verbruiksmeters. 4. Schakel de SYNERGYR gebouwenbus IN. Als de display geen waarde aangeeft, is er geen voeding aanwezig (aansluitklemmen G1 en G2: AC 16…24 V). Verschijnt na ongeveer 1 minuut de aanwijzing no buS dan is de gebouwenbus verkeerd aangesloten (verwissel aansluitingen DB en MB; spanning DB–MB: DC 15…18 V). 7.3.
7.3.5 Parametreren van de afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling (meter 1) Nota: • De afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling wordt als “Meter 1” behandeld • Alle toestellen die op de gebouwbus aangesloten zijn, worden m.b.v. bedieningskaart 7 geparametreerd • De parameters van bedieningskaart 7 kunnen alleen met het service-apparaat ingesteld worden. Het serviceapparaat moet telkens op de service-interface van het te parametreren apparaat aangesloten worden Werkwijze: 1.
7. de parametrering wijzigen. Opmerking: De aifsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling is maar berekend op een kortstondig bedijf bij aanvoertemperaturen boven 85 °C. Als er hogere temperaturen voorhanden zijn of verwacht worden, moet u hem in de retour monteren. Alleen bij verbinding met de regelaar van de verwarmingsgroep: Wijs de afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling aan de verwarmingsgroep toe (regel 81).
afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling geen meter aangesloten, dan kunt de volgende paragraaf overslaan. 7.3.6 Electrische bekabeling controleren van de regel en warmtemeterinterface 1. Open de ALW84 aftakdoos. 2. Kabel aansluiten: regel en warmtemeter-interface volgens aangegeven kleurencode.
7.3.7 Parametreren van de regel en warmtemeter-interface (meter 1) Nota: • Warmtemeter aangesloten via warmtemeter-interface behandelen als “Meter 1” • Alle toestellen die op de gebouwenbus aangesloten zijn, worden met behulp van bedieningskaart 7 geparametreerd. • De parameters van bedieningskaart 7 kunnen alleen met het service-apparaat ingesteld worden. Het serviceapparaat moet telkens op de service-interface van het te parametreren apparaat aangesloten worden. Werkwijze: 1.
Wijs de regel en warmtemeter-interface toe aan de verwarmingsgroep via lijn 81 Op de regelaar moet u het adres van de regelaar invoeren. 8. Hydraulische afstelling van het appartement. Voor de hydraulische afstelling kunnen alle afsluitersafzonderlijkgestuurd worden via lijn 84. 9. Parametreer het installatie type naargelang de toepassing via lijn 89 10. Sla de gegevensset van de zojuist geparametreerde regel en warmtemeter-interface op via lijn 95, and gedurende 2 seconden Druk de toetsen samen in.
Voordat u de meterstanden invert, moet u eerste de regels 86…91 parametreren. 2. Voer de parameters voor meter 2 in (regels 86, 87, 88, 90, 91). Er bestaan 2 mogelijkheden: − Voer de parameters afzonderlijk in − Als de parameters reeds vroeger in het serviceapparaat opgeslagen warden, kunt u ze nu in de afsluiter voor regeling en verwarmingskostenverdeling kopiren: kies regel 53 (standaardgegevensset en in het schrijven). Druk de toetsen rechtse gedeelte van het toetsenbord samen in gedurende 2 seconden. 3.
− Brandt de LED niet, dan ontbreekt de bedrijfsspanning (G1 en G2: AC 16…24 V) − Brandt de LED continu, dan zijn de volgende oorzaken mogelijk: Geen adresstekker Fout in de bedrading: MB en DB verwisseld Slecht contact Impulsgevertype verkeerd geparametreerd: Namur (01) i.p.v. Reed (02) 2. Heeft het appartement twee universele adaptors AEW2.1, dan moet u aan één van beide het subadres geven. Is er echter maar één universele adaptor AEW2.1, dan kunt u direct naar stap 3 over gaan.
5. Voer de momentele meterstanden in (regel 02). 6. Sla de gegevensset van de zojuist geparametreerde en meters op; Kies regel 95. Druk de toetsen in het rechtse gedeelte van het toetsenbord samen in gedurende 2 seconden. Daarmee worden de gegevens van het appartement aan meter 3 toegewezen. In het volgende appartement kunt u deze gegevens in de universele adaptor van het nieuwe appartement lezen en overeenkomstig aanpassen. 7. Herhaal de stappen 3 tot 6 voor al de andere meters in het appartement. 7.
In uitzonderlijke gevallen zijn er meer dan 3 AEW2.1 nodig voor de 6 algemene tellers. Bijkomende AEW2.1 krijgen adres 124…126. Pulse adaptor address stekker Meter nummer en Meter nummer in de verbinding gebouwcentrale (appartement 0) 121 Meter 1 (P1–M) Meter 2 (P2–M) Meter 1 (P1–M Meter 2 (P2–M) Meter 1 (P1–M) Meter 2 (P2–M) Meter 1 (P1–M) Meter 2 (P2–M) Meter 1 (P1–M) Meter 2 (P2–M) Meter 1 (P1–M) Meter 2 (P2–M) 122 123 124 125 126 7.4.
Als de QAB30 ook gebruikt wordt voor het meten van de buitentemperatuur, kan er een QAC22 buitenvoeler op aangesloten worden. Als de QAB30 gebruikt is enkel voor de buitentemperatuur, kan de aangesloten watervoeler verwijderd worden. De QAB30 moet dan het adres 101…119 krijgen. 7.
verschijnt een foutmelding (controle op bedieningskaart 3, regel 45). 2. Voor de besturing van alle afsluiters (regel 84) moet u op, 2 (= automatisch) invoeren. 3. Draag het inbedrijfstellingprotocol over op de heugenkaart: a) Steek de geheugenkaart in de gleuf b) Roep regel 99 op en in het rechtse c) Druk de toetsen gedeelte van het toetsenbord samen in gedurende 2 seconden 7.7 Parametrering van de verwarmingsgroep 7.7.
afsluiters voor energiekostenverdeling of regel en warrmtemeter interface. • De regelaars moeten op “AUTO” of “NORMAAL” staan. 7.7.
Instellingen in het service-bedieningsniveau (zie paragraaf 7.9 “Serviceniveau van het ruimtebedieningsapparaat QAW20“) zijn alleen in de volgende gevallen nodig: • Als de externe signaalingang op de klemmen T1–T2 gebruikt wordt (externe buitentemperatuurvoeler of afstandsbedieningschakelaar) • Als een blokkering van het programmeerniveau gewenst is • Als de gevoeligheid van de ventilatieherkenning moet veranderd worden.
1 2 Bedieningsregel kiezen Waarde met de toetsen instellen (of lezen) • Verlaten: Het serviceniveau wordt verlaten wanneer het deksel gesloten wordt. 7.9.2 1 2 3 Regelnummer 51 Status van de gegevensinterface: – Dubbelpunt knippert: telegram werd ontvangen – Dubbelpunt continu zichtbaar of ontbreekt: communicatie klaar – Streep continu zichtbaar: communicatie onderbroken Communicatie-adres, dat bij SYNERGYR altijd 1 is 7.9.
7.9.4 Blokkeren van het programmeerniveau Is een blokkering van het programmeerniveau gewenst (in openbare ruimten, als bescherming tegen kinderen, enz.), dan moet u deze op regel 53 activeren: Blokkering niet werkzaam Blokkering werkzaam Als de blokkering werkzaam is, kunnen waarden op het programmeerniveau pas veranderd worden, wanneer eerst en bij geopend deksel beide buitenste toetsen gedurende 5 seconden ingedrukt worden.
7.9.6 Parametreren van de signaalingang De programmeerbare signaalingang op de klemmen T1–T2 wordt op regel 55 geparametreerd. Er zijn 4 mogelijkheden (fabrieksinstelling is 1, externe ruimtetemperatuurvoeler Functie 1: °C Aansluiting van externe ruimtetemperatuurvoeler QAW44. Invloed op lijn 57 instellen. Geen instelling geeft een invloed van 50%.
Functie 2: Omschakelen op gereduceerde gewenste waarde. Toepassingen: raamcontact, eventueel telefoonmodem Functie 3: Omschakelen van de bedrijfssoort op stand-by. Toepassingen: telefoonmodem, eventueel raamcontact Functie 4: Alarmmelding op de gebouwcentrale. Bij de geconfigureerde contacttoestand wordt een alarmmelding aan de gebouwcentrale doorgegeven. De gebouwcentrale behandelt de melding als fout nr. 75.
7.9.8 Gebruikersniveau De bediening van het ruimtebedieningsapparaat (enkel met de QAW20/1).kan geprogrammeerd worden in functie van ondertaande tabel.
8 Verwisselen van defecte apparaten Het verwisselen van defecte apparaten wordt uitsluitend door servcepersoneel van Siemens of door bevoegde partner uitgevoerd. 8.1 Algemene controle Bij storingen moet u altijd eerst de bedrading en de voeding nazien. Kunt u het apparaat ook na deze controle niet meer in bedrijf nemen, dan moet het verwisseld worden. 8.2 Defect aan de gebouwcentrale 1. Open de behuizing. 2. Trek beide klemmenblokken uit hun houder en verwijder ze uit het huis.
a) Steek de geheugenkaart in de gebouwcentrale b) Roep het protocol voor inbedrijfstelling op (bedieningskaart 6, regel 99) c) Druk op de FILE-toets Tip: • SYNERGYR is zodanig ontworpen, dat de gegevens niet verloren gaan als de gebouwcentrale uitvalt. Na inbedrijfstelling van de nieuwe gebouwcentrale worden de gegevens automatisch weer uit het appartement gehaald. Uitzondering: de actuele stand van het graaddaggetal gaat wel verloren.
d) Do toetsen en in het rechtse toetsenbord samen indrukken gedurende 2 seconden 2. Sla de parametrering op: Voor het verwisselen van de defecte apparaten moet u nakijken of de parametreringen van de apparaten nog beschikbaar zijn (afhankelijk van het defect kunnen zij verloren gaan).
6. Schrijf het protocol voor inbedrijfstelling op de geheugenkaart om de parametrering van het nieuwe apparaat op te slaan: a) Steek de geheugenkaart in de gebouwcentrale b) Roep het protocol voor inbedrijfstelling op (bedieningskaart 7, regel 99) c) Druk op de FILE -toets 7. Na het verwisselen en in bedrijf stellen van nieuwe apparaten moet u de gebouwcentrale op foutmeldingen controleren. 8.
9 Foutenlijst Fouten en storingen mogen uitsluitend door servicepersoneel van Siemens of door een bevoegde partner verholpen worden. Fouten code 11 12 Apparaat Oorzaak WRV… OZW30 Verkeerde parametrering in fabriek Gegevensverlies in RAM 13 OZW30 Gegevensverlies in EEPROM WRV… WRI80 AEW2.
Fouten code 34 Apparaat Oorzaak OZW30 Communikatieonderbreking in de gebouwbus WRV… WRI80 AEW2.
Fouten code 42 Apparaat Oorzaak WRI80 Communicatiefaut met warmtemeter 44 OZW30 2 tijdsklokken als masters in LPB 50 51 WRV… WRV… Meetwaarde-opname defect Aanvoertemperatuurvoeler warmtemeter 52 53 54 55 56 WRI80 Aanvoertemperatuurvoeler warmtemeter WRV… Retourtemperatuurvoeler defect WRI80 Retourtemperatuurvoeler warmtemeter WRV… WRI80 QAW… WRV… WRV… WRI80 AEW2.
Fouten code 71 72 73 74 75 Apparaat Oorzaak Alarmingang 1 Alarmingang 2 Alarmingang 3 Alarmingang 4 Alarmcontact op het ruimtetoestel is gesloten 76 OZW30 OZW30 OZW30 OZW30 WRV… WRI80 QAW… LPB 82 WRV… 83 91 WRV… WRI80 QAW… OZW30 92 OZW30 95 H-bus en LPB Hulpmiddel, maatregelen, aanduidingen, tips Controleer alarmingang 1 Controleer alarmingang 2 Controleer alarmingang 3 Controleer alarmingang 4 Controleer ruimtetoestel Communicatiealarm Controleer verwrmingsregelaars Afsluiterslag is gehinde
10 Communicatie met de PC De gebouwcentrale beschikt over een RS-232 poort voor directe verbinding met de PC (met null modem of link cable) of via modem. Hiervoor dient de ACS30 uitleessoftware geinstalleerd te worden op de PC. 10.1 Communicatie via modem De gebouwcentrale ondersteunt communicatie via modem. Het is aan te raden een modem te gebruiken met een Baud rate van minstens 9.600. De modems die ondersteunt worden door Siemens zijn opgenomen in de Data Sheet N2843.
10.
/120 Building Technologies HVAC Products Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling CE1U2841H 08.06.
/120 Building Technologies HVAC Products Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling CE1U2841H 08.06.
/120 Building Technologies HVAC Products Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling CE1U2841H 08.06.
/120 Building Technologies HVAC Products Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling CE1U2841H 08.06.
Siemens Switzerland Ltd HVAC Products ARG30.NL 2841Z31nl Assembled in Switzerland *ARG30.NL* Siemens Switzerland Ltd Building Technologies Group International Headquarters HVAC Products Gubelstrasse 22 CH – 6301 Zug Tel. +41 41 724 24 24 Fax +41 41 724 35 22 www.sbt.siemens.com © 1992 Siemens Switzerland Ltd 120/120 Building Technologies HVAC Products Systeem voor ruimtetemperatuurregeling en energiekostenverdeling CE1U2841H 08.06.