Operation Manual
-102
Oplossen van problemen
Controle
∑ Het netsnoer van de projector zit niet in het stopcontact.
∑ De stroom van de externe apparaten is uitgeschakeld.
∑ Er is een verkeerde ingangsfunctie gekozen.
∑ Kabels verkeerd aangesloten aan het zijpaneel van de projector.
∑ De batterijen van de afstandsbediening zijn leeg.
∑
De externe uitgang is niet ingesteld bij de aansluiting van een notebookcomputer.
∑ Kabels verkeerd aangesloten aan het zijpaneel van de projector.
∑ De instelling “Helder” is op de minimumstand ingesteld.
∑ De functie “ZWART SCHERM” is actief.
∑ De beeldinstellingen zijn niet juist gemaakt.
(Alleen voor INGANG 1, INGANG 2, INGANG 3)
∑ Het ingangssignaaltype (RGB/Component) is verkeerd ingesteld.
(Alleen voor INGANG 4, INGANG 5)
∑ Het video-ingangssysteem is verkeerd ingesteld.
∑ Stel het beeld scherp.
∑ De projectieafstand overschrijdt het scherpstelbereik.
∑ Er is condens op de lens. Als de projector van een koude naar
een warme ruimte wordt gebracht, of als de ruimte plotseling
sterk wordt verwarmd, kan er condens op het oppervlak van de
lens ontstaan en zal het beeld wazig zijn. Laat de projector in dit
geval minimaal een uur acclimatiseren voordat u het apparaat
gebruikt. Mocht er toch condens ontstaan, haal dan de stekker
uit het stopcontact en wacht totdat alle condens verdwenen is.
(Alleen voor computeringang)
∑ Voer de instellingen onder “Fijn sync.” (de instelling “Klok”) uit.
∑ Voer de instellingen onder “Fijn sync.” (de instelling “Fase”) uit.
∑ Schakel het LCD-scherm van de notebook uit.
∑ Er kan ruis optreden, afhankelijk van de computer.
∑ Kabels verkeerd aangesloten aan het zijpaneel van de projector.
∑ Het volume staat in de minimumstand.
∑ De functie “DEMPEN” is actief.
∑ Het menu “Luidspreker” is ingesteld op “OFF”.
∑
Als het beeld normaal is, is het geluid te wijten aan het krimpen van
de behuizing als gevolg van veranderingen in de kamertemperatuur.
Dit zal de werking of de prestaties niet beïnvloeden.
∑ Zie “Onderhoudsindicators”.
Probleem
Wel geluid, maar
geen beeld.
De kleurweergave is bleek of slecht.
Geen beeld en geen geluid
of de projector start niet.
Af en toe is een
ongewoon geluid
hoorbaar in de
behuizing.
De onderhoudsindicator
op de projector brandt of
knippert rood.
Wel beeld, maar
geen geluid.
Bladzijde
37
—
45
27–36
17
27
27–36
60
50
60
63
76
40
22
—
68
68
101
—
27–36
46
46
73
—
94
Het beeld is onscherp; er
verschijnt ruis in het beeld.










