Operation Manual

8-136
SYSTEEMINSTELLINGENSYSTEEMINSTELLINGEN
Het controlelampje knippert wanneer er gegevens worden ontvangen
Geef aan of de statusindicator wel of niet knippert wanneer een fax of internetfax wordt ontvangen.
Totaalinst. voor afwerking
De afwerkingsinstellingen opgeven. Geef aan of de posities voor de afwerking op het opgegeven papier of het origineel zijn aangegeven.
Papiergewicht Inst.
Hiermee wordt de fuseertemperatuur van de toner in overeenstemming met het gewicht van het papier geregeld.
Deze instellingen zijn van toepassing op normaal papier, gerecycled papier, geperforeerd papier, voorbedrukt papier,
briefhoofdpapier, gekleurd papier en eigen papier van de gebruiker.
U kunt 60 g/m
2
tot 89 g/m
2
of 90 g/m
2
tot 105 g/m
2
(16 tot 23 lbs. of 23+ tot 28 lbs.) selecteren.
Datalijst
Afdrukken met [Enkelzijdig] of [Dubbelzijdig] definiëren in Datalijst.
Uitschakelen van duplex
Deze functie wordt gebruikt om 2-zijdig afdrukken uit te schakelen als de duplexmodule bijvoorbeeld niet goed functioneert.
Uitschakelen van verschuiving
Offset-uitvoer uitschakelen.
Uitzetten nieteenheid
Met deze instelling kunt u het gebruik van nieten blokkeren, bijvoorbeeld wanneer de nieteenheid van de
afwerkingseenheid of zadelsteek-afwerkingseenheid niet goed functioneert.
Perforator uitschakelen
Met deze instelling kunt u het gebruik van perforeren blokkeren, bijvoorbeeld wanneer de perforatiemodule van de
afwerkingseenheid of zadelsteek-afwerkingseenheid niet goed functioneert.
Uitschakelen van kleurmodus
Wanneer zich een kleurgerelateerd probleem voordoet en afdrukken niet mogelijk is, wordt het gebruik van de
kleurmodus tijdelijk geblokkeerd.
Uitschakelen van origineelinvoer
Gebruik deze instellingen om het gebruik van de automatische documentinvoereenheid niet toe te staan wanneer deze bijvoorbeeld
niet goed functioneert. (Er kunnen nog wel originelen met de glasplaat worden gescand wanneer deze instelling is ingeschakeld.)
Cassette met grote capaciteit uitschakelen
Met deze instelling schakelt u de papierlade met grote capaciteit uit, bijvoorbeeld wanneer deze niet goed functioneert.
Rode
indicator
(foutindicator)
Fouten die het apparaat niet
uitschakelen, bijvoorbeeld als
de toner bijna op is.
Rood: brandt Rood: brandt Rood: brandt
Fouten die het apparaat
uitschakelen, bijvoorbeeld bij
het vastlopen van papier of als
de toner op is.
Rood: knippert Rood: knippert Rood: knippert
Apparaat verkeert in een andere
status dan de bovenstaande.
Rood: uit Rood: uit Rood: uit
Deze kan alleen worden ingesteld op het bedieningspaneel van de machine.
Zorg dat u alleen papier gebruikt dat in dezelfde gewichtklasse valt als de hier ingestelde gewichtklasse. Meng geen normaal
papier dat buiten de klasse valt met het papier in de lade.
Wanneer instellingen worden gewijzigd, worden deze pas van kracht nadat het apparaat opnieuw is opgestart. Zie 'DE
VOEDING INSCHAKELEN (pagina 1-10)' voor informatie over het opnieuw opstarten van het apparaat.
Status Patroon 1 Patroon 2 Patroon 3