Operation Manual

1-151
VOORDAT U HET APPARAAT GAAT GEBRUIKENRANDAPPARATUUR
STATUSINDICATORS
De statusindicators geven de status van het apparaat aan. De groene indicator gaat branden of knipperen om de
taakstatus van het apparaat aan te geven. De rode indicator gaat branden of knipperen wanneer er een fout optreedt.
Wanneer het apparaat na een fout nog wel kan worden gebruikt, blijft de indicator branden. Wanneer het apparaat na
een fout niet meer kan worden gebruikt, knippert de indicator. In de instellingsmodus kunt u de instellen hoe de
statusindicators werken.
ONDERDEELNAMEN
(1) Indicator (rood)
De rode indicator gaat branden of knipperen wanneer er
een fout optreedt.
(2) Indicator (groen)
De groene indicator gaat branden of knipperen om de
taakstatus van het apparaat aan te geven.
(1)
(2)
In de modus Automatisch uitschakelen gaan de statusindicators uit.
De omstandigheden wijzigen waarin de statusindicators gaan branden of knipperen:
Selecteer bij "Instellingen (beheerder)" de optie [Systeeminstellingen] [Algemene instellingen] [Apparaatbeheer]
[Statusindicatorinstell.].