Operation Manual

15
Het veiligheidsventiel is het tweede beveiligingsniveau na de thermische afloopveiligheid.
Indien alle voorgaande regelaars en veiligheidssystemen het laten afweten, laat het
veiligheidsventiel bij een druk boven 2,5 bar water of damp af in de afvoerleiding.
Overdrukventielen werken puur mechanisch. De sluitkracht van het ventiel wordt door een
overeenkomstige veer bepaald. Wanneer de tegendruk in het systeem groter wordt dan de
drukkracht van de veer, dan opent het overdrukventiel en geeft het kortstondig de
overtollige druk af.
Veiligheidsventielen moeten altijd in de directe omgeving van de waterwarmtewisselaar
worden geïnstalleerd. De fabrikant geeft de opbouwplaats exact aan, van deze richtlijn
mag dan ook niet worden afgeweken.
Bepaald door de opbouwplaats en de in de waterwarmtewisselaar geldende situatie, wordt
bij het openen van het veiligheidsventiel een korte maar krachtige drukstoot van heet
water of hete waterdamp uitgestoten. Wanneer daarbij personen in de buurt zijn van de
uitlaatopening van het veiligheidsventiel, kunnen mogelijk zware letsels en brandwonden
het gevolg zijn. Bovendien moet er rekening worden gehouden met schade door het
uitgestoten water wanneer de uitlaatopening van de veiligheidsventielen bv. vrij in de
verwarmingskamer uitkomt. Daarom moet er absoluut een geschikte afloopleiding worden
voorzien. Voor deze leiding en voor de inleiding ervan in de afvoer gelden dezelfde
bepalingen als voor de afloopleiding van de thermische afloopveiligheid.
Verder moet er worden gelet op het volgende: veiligheidsventielen met kunststof kop,
resp. andere temperatuurgevoelige materialen (bv. een manometer), mogen niet binnen
convectiekamers worden gebruikt. Zulke veiligheidsventielen kunnen mogelijk toch worden
gebruikt bij kamerverwarmers, wanneer ze ook bij het gebruik van de kachel voldoende
worden gekoeld.
De ontluchter
Richtlijn uit de Europese norm:
Er moeten aangepaste ontluchtingsinrichtingen en expansievaten worden
voorzien in alle afsluitbare delen.
Een geschikte installatie om het totale systeem bij het opvullen, maar ook tijdens het
gebruik te kunnen ontluchten, zorgt voor een geschikte bescherming tegen schadelijke
luchtconcentraties.
Lucht in gesloten verwarmingskringen en –systemen verhoogt het gevaar op roest en kan
de noodzakelijke watercirculatie verhinderen wanneer de lucht zich bv. in de
circulatiepomp of de terugslagklep ophoopt. Ze versterkt onbruikbare drukschommelingen
en vermindert de warmteovergang aan de wisselvlakken. Wanneer er zich lucht ophoopt in
de warmtewisselaar zelf, dan kan er oververhitting en overmatige materiaalbelasting
ontstaan.