Renault TALISMAN Instructieboekje
een passie voor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op het circuit als op de weg. Dankzij deze jarenlange samenwerking beschikt u over een gamma smeermiddelen die perfect op uw Renault zijn afgestemd. De duurzame bescherming en optimale prestaties van uw motor zijn zo gegarandeerd.
Welkom aan boord van uw auto In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u: – uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten. – de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften. – zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.
0.
I N H O U D Hoofdstuk ................................................................. 1 ........................................................................... 2 ........................................................................ 3 Ken uw auto Rijden Comfort ................................................................... 4 Praktische tips ............................................................. 5 Technische gegevens 6 Onderhoud ........................................
0.
Hoofdstuk 1: Ken uw auto Sleutel, FM-afstandsbediening: algemeen, gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.2 De RENAULT-kaart: algemene informatie en gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.5 Portieren vergrendelen, ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.12 Portieren openen en sluiten. . . . . . . . . . .
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (1/2) 3 1 2 Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto 4 Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. 5 Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz..
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (2/2) Bereik van de FMafstandsbediening Dit wordt beïnvloed door de omgeving: let er bij het vasthouden van de afstandsbediening op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld. NB: als een portier (of achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.
FM-AFSTANDSBEDIENING gebruik De auto kan met de afstandsbediening A worden vergrendeld of ontgrendeld. N.B. A bij draaiende motor, contact aan en in de stand “Accessoires” (raadpleeg de paragraaf “Contactslot: auto met sleutel” in hoofdstuk 2), werken de knoppen van de afstandsbediening niet. Deze wordt gevoed door een batterijtje, dat u kunt vervangen (raadpleeg de paragraaf “FM-afstandsbediening: batterijtjes” in hoofdstuk 5). 1 Portieren vergrendelen Druk op de vergrendelknop 1.
RENAULT CARD: algemeen (1/2) 1 4 Bereik van de RENAULT card Met de RENAULT card kunt u: Het bereik van de card wordt beïnvloed door de omgeving. Let op bij het vasthouden van de RENAULT card dat u niet per ongeluk op de knoppen drukt waardoor de portieren worden vergrendeld of ontgrendeld.
RENAULT CARD: algemeen (2/2) Advies 4 Stel de kaart niet bloot aan warmte, koude of vocht. Berg de RENAULT card nooit op een plek op waar deze verbogen of per ongeluk beschadigd zou kunnen worden: dit kan bijvoorbeeld gebeuren als u op de card gaat zitten als deze in uw achterzak zit. Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
RENAULT-CARD: gebruik (1/5) Er zijn twee manieren voor het vergrendelen/ontgrendelen van de auto: – de RENAULT-kaart in "Handsfree"modus; – de RENAULT-kaart in afstandsbedieningsmodus. Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
RENAULT-CARD: gebruik (2/5) 2 4 3 “Handsfree” ontgrendelen Met de RENAULT card in zone 1, steekt u uw hand achter portierhandgreep 2: de auto wordt ontgrendeld. Het ontgrendelen wordt aangeduid met één keer knipperen van de alarmknipperlichten en de knipperlichten. Een eerste druk op de knop 4 ontgrendelt de volledige auto en ontsluit de bagageruimte. 1.
RENAULT-CARD: gebruik (3/5) Bijzonderheden met betrekking tot het vergrendelen Als u de auto hebt vergrendeld door op de knop 3 te drukken, kunt u de auto na ongeveer drie seconden weer ontgrendelen. Tijdens deze drie seconden kunt u nagaan of de auto goed vergrendeld is door aan de handgrepen van de deuren te trekken.
RENAULT-CARD: gebruik (4/5) 6 7 5 Bijzonderheden met betrekking tot het vergrendelen (vervolg) Indien de card RENAULT zich in de detectiezone bevindt, wordt de vergrendeling op afstand na ongeveer 15 minuten uitgeschakeld. De vergrendeling van het voertuig kan enkel gebeuren indien er zich een card in de zone bevindt 5. Gebruik van de card met afstandsbediening Vergrendelen met behulp van de RENAULT card Met de portieren en de bagageruimte gesloten, druk op de knop 7: de auto wordt vergrendeld.
RENAULT-CARD: gebruik (5/5) 5 8 Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Wanneer de card zich bij een gestarte motor en na het openen en sluiten van een deur niet langer binnen de zone 5bevindt, waarschuwt de boodschap “Kaart niet gedetect.” u dat de card zich niet langer in de auto bevindt.
VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (1/3) Als de afstandsbediening of, afhankelijk van de auto, de RENAULT-card niet werkt. In bepaalde gevallen werken de FMafstandsbediening of de RENAULT-card niet: – batterij van de FM-afstandsbediening of van de RENAULT-card leeg, accu van de auto ontladen enz. – gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele telefoon, enz.); – de auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (2/3) 3 4 6 A 5 3 Auto’s met RENAULT-card Gebruik van de in de RENAULT card geïntegreerde sleutel In de card geïntegreerde sleutel Handmatig vergrendelen van de portieren – Steek het uiteinde van de sleutel in de 3 uitsparing 5 onderaan het afdekkapje A van het linkerportier. – maak een beweging naar boven om het afdekplaatje A te verwijderen; – Steek de sleutel 3 in het slot en vergrendel of ontgrendel het linkervoorportier.
VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (3/3) Vergrendelen van de portieren zonder RENAULT-card of zonder sleutel Dit is bijvoorbeeld het geval als een batterijtje ontladen is, de RENAULT-card of de sleutel tijdelijk niet werkt enz. 7 Druk met de motor uit en een portier (of achterklep) geopend meer dan vijf seconden op de schakelaar 7. Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (1/3) Waarschuwingssignaal verlichting brandt nog 2 Als bij het openen van een portier, terwijl het contact is afgezet, de verlichtingsschakelaar niet in stand AUTO staat, dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen dat de lichten nog branden. 1 Openen van buitenaf Openen van binnenuit Als de portieren ontgrendeld zijn of met de -RENAULTcard bij u, trekt u de portierhandgreep 1 naar u toe. Trek aan de portierhandgreep 2.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (2/3) 4 Zodra de auto ongeveer 20 km/u rijdt, geeft een waarschuwingslampje aan welk(e) portier(en) of de bagageruimte niet of niet goed gesloten is (zijn), samen met de boodschap “Achterklep open” of “Portier open” en een geluidssignaal dat gedurende 40 seconden weerklinkt, of tot het portier/de bagageruimte gesloten is.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (3/3) Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto 5 Veiligheid van de kinderen Een achterportier kan niet van binnenuit worden geopend als u het knopje 5 omzet. Controleer of het portier inderdaad niet van binnenuit geopend kan worden. Herhaal dit bij het andere achterportier. Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDEN Inschakelen/Uitschakelen van de functie 1 2 Voor het inschakelen: druk, bij stilstaande auto met draaiende motor, op de schakelaar 2 tot u een geluidssignaal hoort. Voor het uitschakelen: druk bij stilstaande auto en draaiende motor op de schakelaar 2 tot u twee geluidssignalen hoort.
HOOFDSTEUNEN VOOR Afstellen van de zijbevestigingen B A B 1 Afhankelijk van de auto, kunt u de delen B onafhankelijk van elkaar afstellen tot het gewenste comfort bereikt is. B 3 2 Verwijderen van de hoofdsteun Zet deze in de hoogste stand (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren). Druk op de knop 2 en trek hem omhoog tot hij vrijkomt. Hoofdsteun terugplaatsen Hoofdsteun hoger zetten Trek de hoofdsteun tot de gewenste hoogte omhoog.
VOORSTOELEN ZONDER ELEKTRISCHE VERSTELLING (1/2) Rugleuning verstellen Trek de handgreep 3 omhoog tot de rugleuning in de gewenste stand staat. In de gewenste stand laat u de handgreep los. Controleer of de zitting vergrendeld is. 2 1 4 3 Stoel vooruit of achteruit schuiven Om de lendensteun van de stoel te verstellen Trek de handgreep 1 omhoog om te ontgrendelen. In de gewenste stand laat u de handgreep los. Controleer of de zitting vergrendeld is.
VOORSTOELEN ZONDER ELEKTRISCHE VERSTELLING (2/2) storingen Wanneer er een storing is gedetecteerd, knipperen de geïntegreerde waarschuwingslampjes op de schakelaar 5 van de stoel. Ga naar een merkdealer. 5 Stoelverwarming Contact aan: – Door één keer drukken op de schakelaar 5 van de gewenste stoel schakelt de stoelverwarming op de hoogste stand in. Beide geïntegreerde waarschuwingslichtjes op de schakelaar gaan branden; – door een tweede keer te drukken schakelt de stoelverwarming op de laagste stand in.
VOORSTOELEN MET ELEKTRISCHE BEDIENING (1/2) Zitting verstellen Stoel vooruit of achteruit bewegen Beweeg de schakelaar 4 naar voren of naar achteren. Zitting hoger of lager zetten Beweeg de achterkant van de schakelaar 4 omhoog of omlaag. 1 2 3 5 4 Voor auto’s die hiermee zijn uitgerust, kunt u met de schakelaar 1 het menu stoelen openen vanaf het bedieningsscherm (raadpleeg de volgende bladzijden).
VOORSTOELEN MET ELEKTRISCHE BEDIENING (2/2) Contact aan: 7 – als u één keer drukt op de schakelaar 7 van de gewenste stoel, schakelt u het ventilatiesysteem in op de hoogste stand. Beide geïntegreerde waarschuwingslichtjes op de schakelaar gaan branden; – als u een tweede keer drukt, schakelt u de ventilatie naar de laagste stand. Eén geïntegreerd waarschuwingslampje gaat branden; – als u een derde keer drukt, schakelt u de ventilatie uit.
VOORSTOELEN: functies (1/3) Blader door het menu “Bestuurder” of “Passagier” om: Massage Bestuurder Passagier Massage – het soort massage in te stellen (stimulerend, relaxerend of lenden); ON – de intensiteit in te stellen (+ of -); – de snelheid in te stellen (+ of -); Opwekkend Ontspannen 1 Lumbaal – de ingestelde parameters resetten. Druk op 2 en vervolgens op “Resetten”; Intensiteit – de stoelmassage in of uit te schakelen (ON of OFF).
VOORSTOELEN: functies (2/3) Gemakkelijke toegang voor bestuurder Eenvoudige toegang bestuurder Bediening voor passagier Druk op “ON” of “OFF” om deze functie te activeren of deactiveren. ON Als deze functie geactiveerd is, gaat de stoel automatisch achteruit als de bestuurder uitstapt en keert deze terug in de oorspronkelijke stand als de startknop wordt ingedrukt.
VOORSTOELEN: functies (3/3) Stand Positie Er kunnen zes profielen van het multifunctionele scherm worden opgeslagen (raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem). Visuele feedback ON 3 Elk profiel bevat de zitpositie van de bestuurdersstoel. Een zitpositie bevat de afstellingen van de zitting en van de rugleuning van de bestuurdersstoel, en afhankelijk van de auto, ook die van de buitenspiegels.
AUTOGORDELS (1/3) Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de autogordel om de beste bescherming te krijgen. De juiste zithouding verkeerd afgestelde of gedraaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel veroorzaken. Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene. Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen.
AUTOGORDELS (2/3) ß 1 3 5 4 5 Vergrendelen Trek de riem langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (controleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken). Als de gordel blokkeert, laat hem dan een stuk teruggaan en rol hem opnieuw af. Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.
AUTOGORDELS (3/3) De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter. 7 – Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan. Raadpleeg een merkdealer voor het monteren van bv. een kinderzitje. – – – – Hoogteverstelling van de gordel van de voorstoelen – – Verplaats de knop 7 om de hoogte van de gordel zo af te stellen dat de riem van de borstkas loopt zoals hiervoor is aangegeven.
AUTOGORDELS ACHTER Voordat u een stoel aan de zijkant achter neerklapt: – bij 4-deurs uitvoeringen: bevestig de gordel van de betrokken stoel in de juiste sluiting; 1 4 – op breakuitvoeringen: bevestig NIET de gordelvan de betrokken stoel. 2 Hiermee worden voorkomen dat de gordel vastraakt als de stoel weer in de gebruiksstand wordt gezet. Controleer in elk geval of de autogordels correct werken. 5 3 6 Zitplaatsen achter aan de zijkanten Achterplaats midden Rol de gordel 1 langzaam af.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (1/4) Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit: – gordelspanners van het oprolmechanisme van de autogordel; – Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrijding. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (2/4) Krachtbegrenzer Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau. Frontale airbags voor bestuurder en passagier A Deze bevinden zich bij de linker en rechter voorstoel.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (3/4) Storingen å Dit controlelampje licht op bij het starten van de motor en dooft na ongeveer drie secondes. Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer. Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is. Werking Het systeem werkt alleen als het contact aanstaat.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (4/4) Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen. Waarschuwingen inzake de bestuurdersairbag – Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop. – Dek de naafdop niet af. – Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel. – Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN ACHTERIN Krachtbegrenzer Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau. – Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrijding. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN BESCHERMING ZIJKANT Zijairbags De zijairbag is aan de kant van het portier ondergebracht in de rugleuning van de voorstoelen en komt in werking om de inzittenden te beschermen bij een zware aanrijding tegen de zijkant. Zijruitairbags Deze airbags bevinden zich aan de zijkanten van de auto en worden geactiveerd langs de zijruiten bij de voor- en achterdeur om de inzittenden te beschermen bij een hevige botsing tegen de zijkant.
AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen. De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren.
KINDERVEILIGHEID: algemeen (1/2) Vervoer van kinderen Het kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert. Een kind is geen volwassene in miniatuurformaat. Het staat bloot aan specifieke letselrisico’s doordat de spieren en botten nog in de groei zijn. De autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoer. Gebruik het juiste kinderzitje en gebruik het correct.
KINDERVEILIGHEID: algemeen (2/2) Gebruik van een kinderzitje De bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de bescherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing. Controleer voordat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelijke eisen van het land waar u zich bevindt en of het gemonteerd kan worden in uw auto.
KINDERVEILIGHEID: keuze van het kinderzitje Kinderzitje “achterstevoren” Het hoofd van een baby is, naar verhouding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo lang mogelijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund. Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind boven het kuipzitje uitsteekt. 1.
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van een kinderzitje (1/2) Er zijn twee bevestigingssystemen voor kinderzitjes: met de autogordel of met het ISOFIX systeem. Bevestiging met de autogordel De autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing. Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft.
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van een kinderzitje (2/2) Indien de ring zich aan de achterkant van de stoelen bevindt 3, moet de gordel tussen de rugleuning en de bagage-afdekplaat lopen. Verwijder daartoe de bagage-afdekplaat (raadpleeg de paragraaf “Bagageafdekplaat” in hoofdstuk 3). 2 3 Bevestig in alle gevallen de haak van de riem aan de bijbehorende derde ring en plaats de stoel in de gewenste stand.
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje, algemeen (1/2) Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kinderzitjes bevestigd worden Op het schema op de volgende bladzijde ziet u waar u een kinderzitje mag bevestigen. De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer, voordat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden. Op zitplaats voorin Monteer het kinderzitje bij voorkeur op een zitplaats achterin.
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje, algemeen (2/2) Zitplaats achterin Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier gelegen kant. Zet de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren om een kinderzitje achterstevoren te installeren, en zet deze daarna zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (1/3) ³ Controleer de staat van de airbag voordat u een passagier laat plaatsnemen of een kinderzitje installeert. ² Plaats verboden voor het installeren van een kinderzitje. Kinderzitje bevestigd met behulp van de gordel ¬ Plaats toegelaten voor de bevestiging met de gordel van een als “Universeel” goedgekeurd zitje.
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (2/3) In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht op de vorige bladzijden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (3/3) X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van dit type kinderzitje. U = Plaats toegestaan voor de bevestiging met de gordel van een in de handel verkrijgbaar als “Universeel” goedgekeurd zitje; controleer of het gemonteerd kan worden. (2) Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier van de auto gelegen kant.
KINDERZITJES: bevestiging via het ISOFIX-bevestigingssysteem (1/3) In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht op de volgende bladzijden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
KINDERZITJES: bevestiging via het ISOFIX-bevestigingssysteem (2/3) X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van een kinderzitje ISOFIX. IUF/IL = Plaats toegestaan voor bevestiging door middel van ISOFIX-bevestigingen, indien aanwezig, van een kinderzitje dat goedgekeurd is als “Universeel/semi-universeel of specifiek voor een auto”; controleer of het gemonteerd kan worden. i-U = Geschikt voor i-formaat kinderzitjes in de «universele» categorie vooruit en achteruit geplaatst.
KINDERZITJES: bevestiging via het ISOFIX-bevestigingssysteem (3/3) Kinderzitje bevestigd met behulp van de ISOFIX bevestiging ± Stoel die bevestiging van een ISOFIXkinderzitje mogelijk maakt. De zitplaatsen achterin zijn voorzien van een verankering voor de bevestiging van een universeel ISOFIX kinderzitje vooruit. De verankeringen bevinden zich op de rugleuningen van de achterstoelen.
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen-inschakelen van de passagiers AIRBAG VOORIN (1/3) De passagiersairbag voorin mag alleen worden geactiveerd of gedeactiveerd wanneer de auto stilstaat. Als dit bij rijdende auto gebeurt, lichten 1 2 de controlelampjes op. å en © Om de staat van de airbag weer in overeenstemming te brengen met de stand van de grendel, zet u het contact uit en weer aan.
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen-inschakelen van de passagiers AIRBAG VOORIN (2/3) A A 3 Deze voorschriften staan op de markeringen op het dashboard en op de stickers A op elke kant van de zonneklep van de passagier 3 (zie het voorbeeld van de sticker hierboven).
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen-inschakelen van de passagiers AIRBAG VOORIN (3/3) Storingen 1 In geval van een storing aan het systeem voor het in- en uitschakelen van de passagiersairbag , is het verboden een achterstevoren geplaatst kinderzitje op de voorstoel te gebruiken. 2 Het gebruik van de voorstoel door een passagier wordt ook afgeraden. Raadpleeg echter snel een merkdealer.
BESTUURDERSSTOEL (1/2) 1 2 29 3 27 26 4 5 6 7 25 24 8 9 23 10 11 12 9 13 14 17 2 1 15 16 22 21 28 1.
BESTUURDERSSTOEL (2/2) De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. 1 Zijrooster. 2 Ventilator opening. 3 Schakelaar voor: – richtingaanwijzer; – verlichting; – mistlampen 4 BestuurdersstoelAirbag, claxon 5 Instrumentenpaneel 6 Head-up display.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (1/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. A š á k g Controlelampje markeringslicht Controlelampje grootlicht Controlelampje dimlicht Controlelampje voor mistlichten Controlelampje mistachterlicht Controlelampje automatisch grootlicht Raadpleeg de paragraaf “Verlichting en signalen” in hoofdstuk 1.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (2/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. D A Waarschuwingslampje storing remsysteem Het licht op bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden. Als het controlelampje tijdens het remmen gaat branden samen met het waarschuwingslampje ® en er een geluidssignaal klinkt, dan wijst dat op een daling van de hoeveelheid remvloeistof of op een storing aan het remsysteem.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (3/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Ä A Waarschuwingslampje luchtverontreiniging Op auto's die hiermee zijn uitgerust, gaat het lampje branden wanneer de motor wordt gestart en gaat het lampje uit wanneer de motor wordt uitgeschakeld als de auto zich in de motorstand-byfase bevindt (raadpleeg de informatie over de “Functie Stop en Start” in hoofdstuk 2), afhankelijk van de auto.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (4/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Waarschuwing achtergordel niet vastgemaakt (afhankelijk van de auto) ß A licht op met, afHet controlelampje hankelijk van de auto, een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel dat aangeeft hoeveel autogordels zijn vastgemaakt gedurende ongeveer 30 seconden bij het starten van de auto, het openen van een portier of het vastmaken/losmaken van een autogordel achter.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (5/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. A Controlelampjes snelheidsbegrenzer, snelheidsregelaar en Adaptive Cruise Control Waarschuwingslampje parkeerhulp Raadpleeg de paragraaf “Parkeerhulp” in hoofdstuk 2. Raadpleeg de paragrafen “Snelheidsbegrenzer”, “Snelheidsregelaar” en "Adaptive cruise control" in hoofdstuk 2.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (6/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Ó ß Waarschuwingslampje voet op het rempedaal Het licht op zodra het rempedaal moet worden ingedrukt. Raadpleeg de paragraaf “Automatische transmissie” in hoofdstuk 2. B Raadpleeg de paragraaf “Tips voor het rijden, zuinig rijden” in hoofdstuk 2. Waarschuwingslampje vergeten autogordel van de bestuurder en, afhankelijk van de auto, van de voorpassagier.
DISPLAYS EN METERS (1/4) Indicatielampje rijstijl 3 1 Raadpleeg de paragraaf “Zuinig rijden” in hoofdstuk 2. Boordcomputer A 2 3 Instrumentenpaneel A het licht op zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap. Bij een auto met een multifunctioneel bedieningsscherm kunt u de inhoud en kleuren van het instrumentenpaneel naar wens aanpassen. Selecteer op het multimediascherm “Systeem” en vervolgens “Gebruikersprofiel”.
DISPLAYS EN METERS (2/4) A 5 4 7 6 Koelvloeistoftemperatuurmeter 4 Brandstofpeilmeter 6 Bij normaal gebruik, moet de meter 4 voor de zone 5 blijven. Bij zware motorbelasting kan hij wel in de buurt komen. Dit is niet ernstig tenzij het waarschuwingslampje ® gaat branden en een boodschap verschijnt op het instrumentenpaneel en een geluidssignaal klinkt. Als het minimumpeil is bereikt, licht het M waarschuwingslampje in de meter oranje op en klinkt een geluidssignaal. Ga zo snel mogelijk tanken.
DISPLAYS EN METERS (3/4) 8 U kunt sommige instellingen regelen via het multimediascherm: ga bij draaiende motor naar het menu “Systeem”, “Scherm”, en daarna “Head-up display”. De hoogte van de informatie op het display afstellen Naargelang van uw rijhouding kunt u de informatie op het display naar boven of naar beneden verplaatsen. Helderheid van het display instellen Head-up display 8 Dit display geeft de rij- en navigatie-informatie weer van het instrumentenpaneel en het multimediascherm.
DISPLAYS EN METERS (4/4) Storingen Auto’s zonder navigatiesysteem Bij storing (het display wordt niet uitgevouwen wanneer de motor start of het display wordt opnieuw ingeklapt terwijl de motor draait, doordat er een voorwerp is tegen gebotst), doet u het volgende: – Als het contact uit is, drukt u op de OK knop 7 en op de startknop van de motor; – selecteer met behulp van de schakelaar 9 “Instellingen”, “Instrumentenpaneel” en daarna de eenheid; – Druk op de toets OK 7 om te bevestigen.
BOORDCOMPUTER EN WAARSCHUWINGSSYSTEEM: algemeen (1/2) Keuzetoetsen display 2 Laat de volgende informatie langskomen door achter elkaar kort op de knop 2 te drukken (de weergave hangt af van de uitrusting van de auto en het land): 1 2 a) totaalteller en dagteller van de afgelegde afstand; b) gegevens van de reis: – gemiddeld verbruik; – actueel verbruik; – geschat bereik met resterende brandstof; – afgelegde afstand; – gemiddelde snelheid; Boordcomputer 1 c) overgebleven afstand tot de volgende onderhou
BOORDCOMPUTER EN WAARSCHUWINGSSYSTEEM: algemeen (2/2) Betekenis van de waarden gedurende de eerste paar kilometer na een nulinstelling De waarden van gemiddeld verbruik en gemiddelde snelheid worden stabieler en nauwkeuriger naarmate de afgelegde afstand vanaf de laatste nulinstelling groter wordt.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (1/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding 101778 km 112.4 km a) Totaalteller en dagteller. Midden b) Gegevens van de reis: 5.8 L/100 Gemiddeld brandstofverbruik. De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulinstelling. Actueel verbruik 7.4 L/100 1.68 Actueel brandstofverbruik.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (2/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Actieradius 541 km Betekenis van de gekozen aanduiding b) Gegevens van de reis (vervolg): Het bereik met de overgebleven brandstof. Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. Afstand Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling. 522 km Midden 123.4 km/H Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (3/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Boordcomputer met de ingebouwde onderhoudsboodschap Betekenis van de gekozen aanduiding c) Overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt of olieverversing. Afstand tot onderhoud Onderhoud over 30 000 Kms / 12 mnd.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (4/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Boordcomputer met de boodschap afstand tot de volgende onderhoudsbeurt (vervolg) Afstand tot onderhoud Olie verv. over 30 000 Kms / 24 mnd. Onderhoud uitv over 300 Kms / 24 dagen Onderhoud uitvoeren Betekenis van de gekozen aanduiding c) Overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt of olieverversing.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (5/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding d) reset van de bandenspanning + Bandenspanning Geen bericht in geheugen Raadpleeg de paragraaf “Systeem voor het controleren van de bandenspanning” in hoofdstuk 2. e) Functieoverzicht. Aanduiding achtereenvolgens: – van informatieboodschappen (passagiersairbag OFF enz.
BOORDCOMPUTER: informatieboodschappen Zij kunnen u helpen bij het starten van de auto of u informeren over een keuze of een omstandigheid. Voorbeelden van informatieboodschappen worden hierna gegeven. Voorbeelden van boodschappen Betekenis van de gekozen aanduiding « Parkeerrem aangetrokken » Geeft aan dat de parkeerrem is vastgezet. «Test systemen» «Draai stuurwiel + START» «Stuurkolom niet geblokkeerd» Wordt weergegeven, contact aan, als de auto zichzelf controleert.
BOORDCOMPUTER: storingsboodschappen Zij verschijnen bij het waarschuwingslampje © en het is noodzakelijk direct voorzichtig naar een merkdealer te rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt. Zij verdwijnen door een druk op de keuzetoets van de aanduiding of na enkele secondes en worden opgeslagen in het functieoverzicht. Het lampje © blijft branden. Voorbeelden van storingsboodschappen worden hieronder gegeven.
BOORDCOMPUTER: alarmboodschappen Zij verschijnen met het controlelampje ® en dwingen u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer. Voorbeelden van alarmboodschappen worden hierna gegeven. NB: de boodschappen verschijnen op het display alleen of afwisselend (als er meer boodschappen zijn), zij kunnen gecombineerd zijn met een waarschuwingslampje en/of een geluidssignaal.
MENU VOOR HET PERSONALISEREN VAN DE INSTELLINGEN VAN DE AUTO (1/2) Selectie van de instellingen Selecteer de functie die u wilt instellen: a) ontgrendeling van het bestuurdersportier; 1 1 b) automatisch blokkeren van de portieren tijdens het rijden; c) handsfree functie; d) volume van het geluidssignaal van de knipperlichten; e) welkomsttoon interieur; f) welkomst buitenkant; g) leeslampje in automatische werkingsstand; h) instellen van de indicator voor de rijstijl.
MENU VOOR HET PERSONALISEREN VAN DE INSTELLINGEN VAN DE AUTO (2/2) Selectie van de instellingen 2 Navigeer met de schakelaar 4 om de te wijzigen functie te selecteren: 3 4 Maak uw keuze en bevestig deze door lang te drukken op de schakelaar 3 OK. De geselecteerde waarde wordt aangeduid met het ~ a) ontgrendeling van het bestuurdersportier; symbool b) automatisch blokkeren van de portieren tijdens het rijden; Beweeg de schakelaar 4 naar boven of naar beneden om het menu te verlaten.
KLOKJE EN BUITENTHERMOMETER Buitentemperatuurmeter 1 Bijzonderheid: Als de buitentemperatuur tussen -3 °C en +3 °C ligt, knipperen de tekens °C (waarschuwing voor kans op gladheid). Display 1 Auto’s met multimedia-aanraakscherm, navigatiesystemen enz. De tijd en/of de buitentemperatuur worden aangegeven op het bedieningsscherm 1. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de uitrusting. Buitentemperatuurmeter De buitenthermometer is beslist geen gladheidsdetector.
STUURWIEL (1/2) Schakel de functie in 4 Uitschakelen van de functie 3 1 - Automaat: De functie wordt ongeveer 30 minuten na de verwarmingsfase automatisch uitgeschakeld. Het geïntegreerde controlelampje in de schakelaar 2 blijft branden. 2 Hoogte- en diepteverstelling van het stuurwiel Stuurwielverwarming Laat de hendel 1 zakken en zet het stuurwiel in de gewenste stand. Met deze functie wordt het stuurwiel verwarmd in de zones 3 en 4.
STUURWIEL (2/2) Stuurbekrachtiging Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging Opmerking: de stuurbekrachtiging hangt af van de werkingsstand die is gekozen in het menu “Multi-Sense” (zie “Multi-Sense” in hoofdstuk 3). De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging past de mate van bekrachtiging automatisch aan de snelheid waarmee u rijdt aan.
SPIEGELS (1/3) A B Functie welkomst en afscheid De spiegels klappen automatisch in bij het vergrendelen van de auto (schakelaar 3 in stand B). (Afhankelijk van de auto) U kunt altijd het inklappen (schakelaar 3 in stand C) of het uitklappen (schakelaar 3 in stand A) van de spiegel regelen. De automatische werking is dan uitgeschakeld. Om deze weer in te schakelen, zet u de schakelaar 3 op B.
SPIEGELS (2/3) Vastleggen van de afstellingen – De buitenspiegels afstellen (zie vorige paragrafen); – selecteer op het bedieningsscherm het menu “Voertuig”, “Zitplaatsen”, “Instellingen” en vervolgens “Positie” en selecteer daarna “Opslaan”. 1 2 De standen van de buitenspiegels bij het vooruitrijden, bij het achteruitrijden en de stoelen voorin worden dan tegelijkertijd opgeslagen.
SPIEGELS (3/3) 4 A C 3 Bijzonder geval: Wanneer de spiegel handmatig is in- of uitgeklapt, kan hij worden teruggezet naar een bepaalde gebruiksstand. Daartoe zet u de schakelaar 3 in C. U hoort een mechanische klik van het spiegelblok. Als dat niet het geval is, zet u de schakelaar 3 in A en zet u vervolgens schakelaar 3 in C, totdat u de mechanische klik van de spiegel hoort. Binnenspiegel De binnenspiegel is verstelbaar.
CLAXON EN LICHTSIGNALEN Richtingaanwijzers 1 U verplaatst de schakelaar 1 evenwijdig aan het stuurwiel en in de richting waarin u dit gaat draaien. 2 Werking van de sneltoets A Claxon Druk op het midden van het stuurwiel A om de claxon te laten klinken. Lichtsignaal Trek voor een lichtsignaal de schakelaar 1 naar u toe. Tijdens het rijden wordt het stuur mogelijk slechts weinig gedraaid, waardoor de schakelaar niet vanzelf terugkomt in de ruststand.
VERLICHTING EN SIGNALEN (1/6) k 3 1 1 Dimlicht Handbediend Draai de ring 4 tot het symbool bij het merkteken 3 staat: Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op. Automatische werking Draai de ring 4 tot het symbool AUTO bij het merkteken 3 staat: draaiende motor, de dimlichten schakelen automatisch in en uit, naargelang de helderheid buiten, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen.
VERLICHTING EN SIGNALEN (2/6) Automatisch grootlicht Afhankelijk van de auto ontsteekt en dooft dit systeem automatisch het grootlicht. Het gebruikt een camera geplaatst achter de binnenspiegel om voorliggers en tegenliggers te detecteren. 5 1 Het grootlicht wordt automatisch ontstoken wanneer: – er weinig licht buiten is; – er geen andere auto of verlichting wordt gedetecteerd; – als de auto sneller dan ongeveer 40 km/u rijdt.
VERLICHTING EN SIGNALEN (3/6) Inschakelen/uitschakelen 3 6 1 7 Om automatisch grootlicht in te schakelen: – draai de ring 4 tot het symbool AUTO bij het merkteken 3 staat; – druk op de schakelaar 1. Het controlelampje wordt op het instrumentenpaneel weergegeven. 4 Om automatisch grootlicht uit te schakelen: – trek aan de schakelaar 1. – of draai de ring 4 in een andere stand dan AUTO.
VERLICHTING EN SIGNALEN (4/6) 1 Functie verlichting overdag Uitschakelen van de lichten De dagrijverlichting schakelt overdag automatisch in zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen bij het starten van de motor, en gaat uit bij het stoppen van de motor. Er zijn twee mogelijkheden: – zet handmatig de ring 4 in stand 0; – automatisch, de lichten gaan uit na het stoppen van de motor, bij het openen van het bestuurdersportier of bij het vergrendelen van de auto.
VERLICHTING EN SIGNALEN (5/6) Functie “uitschakelvertraging” Met deze functie blijven de dimlichten korte tijd branden (voor het verlichten van het openen een hek, enz.). Met de motor en de verlichting uitgeschakeld en de ring 4 in de stand 0 of AUTO, trekt u de lichtschakelaar 1 naar u toe: de dimlichten gaan ongeveer dertig seconden branden. Om deze tijd te verlengen, kunt u de schakelaar tot vier keer naar u toe trekken (de maximale tijd is ongeveer twee minuten).
VERLICHTING EN SIGNALEN (6/6) 3 1 Mistachterlicht Draai de middelste ring 8 van de schakelaar zo dat het symbool bij het merkteken 3 staat en laat dan los. De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden. 8 g Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u de mistachterlichten uitschakelen om de achter u rijdende weggebruikers niet te hinderen.
KOPLAMPVERSTELLING In geval van handmatige instellingen Voorbeelden van de stand van de schakelaar A, afhankelijk van de belading A 0 Bestuurder alleen of met een passagier voorin 2 Bestuurder met een passagier voorin en twee of drie passagiers achterin 3 Bestuurder met een passagier voorin en twee of drie passagiers achterin en bagage (stationwagon) 4 Bestuurder met een passagier voorin en twee of drie passagiers achterin en bagage (4-deurs) of bestuurder met bagage (of belading) tot de maximaal t
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (1/5) 1 Wanneer automatisch wissen is ingeschakeld of de gevoeligheid wordt verhoogd, wordt één wisbeweging uitgevoerd. A 1 F 2 B C D E Auto voorzien van ruitenwisser voor met regensensor De regensensor bevindt zich op de voorruit, voor de binnenspiegel. A een keer wissen Door kort te drukken maakt de ruitenwisser één wisbeweging. B stoppen 1.
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (2/5) Bij een storing 1 A B De werking van een ruitenwisserblad C Let op de staat van de ruitenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af: – houd de bladen schoon: reinig de bladen en de ruit regelmatig met water en zeep; – gebruik ze niet op een droge ruit; – maak ze los van de ruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt. Vervang ze in elk geval zodra ze de ruit niet goed schoonvegen: ongeveer eens per jaar (zie “Ruitenwisserbladen: vervangen” in hoofdstuk 5).
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (3/5) Bijzonderheid Tijdens het rijden gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt. Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen. Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken. Als u de schakelaar 1 in een andere stand zet, schakelt u hiermee bovengenoemd automatisme uit.
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (4/5) N.B. 1 Wanneer er zich obstakels op de voorruit bevinden (vuil, sneeuw, ijs ...), maakt u de voorruit (inclusief de centrale zone achter de binnenspiegel) en de achterruit vrij voordat u de ruitenwissers inschakelt (risico van oververhitting van de motor). A B C D Als een obstakel de beweging van een blad verhindert, kan dat blad stoppen met wissen. Verwijder het obstakel en schakel de ruitenwisser opnieuw in met de ruitenwisserschakelaar.
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (5/5) NB: 1 A B C D E Koplampsproeiers om de goede werking van de koplampsproeier te waarborgen tijdens de winter, moet u de sneeuw van de afdekplaatjes van de sproeiers verwijderen en de afdekplaatjes van de sproeiers ontdooien met behulp van een ontdooispray. Het is echter aanbevolen om op regelmatige tijdstippen hardnekkig vuil op het glas van de koplampen te verwijderen.
RUITENWISSER, -SPROEIER ACHTER (1/2) Om de werking te stoppen, laat u opnieuw de ring 3 draaien. 2 1 3 Opmerking: als u de auto door een wasstraat rijdt, moet u de ring 3 van de schakelaar 1 in ruststand zetten om het automatisch wissen uit te zetten. Houd u aan de gebruiksvoorschriften. De werking van een ruitenwisserblad Let op de staat van de ruitenwisserbladen.
RUITENWISSER, -SPROEIER ACHTER (2/2) Inschakelen/uitschakelen van de achterruitwisser Wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt het wissen met intervallen van de achterruit ingeschakeld (als de ruitenwissers van de voorruit werken). Als uw auto is uitgerust met een menu om de autoinstellingen te personaliseren, kunt u deze functie activeren of deactiveren.
BRANDSTOFTANK (1/3) Soort brandstof 1 2 1 Gebruik brandstof van goede kwaliteit die overeenkomt met de normen die in elk land zijn vastgelegd en beslist overeenkomt met de indicaties op de sticker op klepje 1. Raadpleeg de paragraaf “Gegevens van de motor” in hoofdstuk 6. Dieselmotor Gebruik uitsluitend dieselbrandstof die overeenkomt met de indicaties op de sticker aan de binnenkant van het klepje 1.
BRANDSTOFTANK (2/3) Tanken van brandstof Met het contact uitgeschakeld, druk met het vulpistool de klep 2 open en steek het pistool zo ver mogelijk naar binnen voordat u met tanken begint (spatgevaar). 2 Houd hem in deze stand tijdens het tanken. Als het vulpistool automatisch is afgeslagen, mag u het nog maximaal twee keer gebruiken, om voldoende ruimte in de tank over te houden voor het uitzetten van de brandstof. Let op dat bij het tanken geen water bij de brandstof komt.
BRANDSTOFTANK (3/3) Tank leeggereden bij dieselmotor Auto’s met sleutel/afstandsbediening – Zet de contactsleutel in de stand “Aan” M (zie “Contactslot” in hoofdstuk 2) en wacht enkele minuten voordat u de auto start, zodat het brandstofcircuit kan ontluchten. 3 Wijzig of repareer niet zelf het brandstofsysteem (rekeneenheden, bedrading, brandstofcircuit, inspuitstukken of verstuivers, beschermkappen) vanwege de grote gevaren voor de veiligheid die hierdoor kunnen ontstaan.
REAGENSTANK (1/4) U dient zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Overtreding van de geldende regelgeving is strafbaar. 1 De werking van de startvergrendeling A De reagens bestemd is voor dieselmotoren voorzien van het SCR (selectieve katalysator)-systeem. Gebruik van een reagens vermindert de hoeveelheid stikstofoxide in uitlaatgassen. Het werkelijke reagensverbruik is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden, de uitrusting van de auto en de rijstijl van de bestuurder.
REAGENSTANK (2/4) Voorzorgsmaatregelen Bij extreem koud weer U kunt de tank bijvullen bij de pomp. In andere gevallen is het belangrijk dat u de informatie op de reagenscontainer (blik of fles) leest. Als het vriest moet de reagenstank Wees voorzichtig als u de reagens bijvult. Het kan kleding, schoenen, onderdelen van de carrosserie enz. beschadigen. Als er reagens overstroomt of op het lakwerk terechtkomt, moet het betroffen gebied snel met veel water en een zachte doek worden gereinigd.
REAGENSTANK (3/4) Onderhoud/actieradius De informatie op het instrumentenpaneel kan worden vergezeld door een geluidssignaal. Controleen waarschuwingslampjes 1.104 Boodschap Wat te doen? – “Niveau AdBlue Correct” – “Vul AdBlue bij voor 2400 km” Wanneer het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet, hebt u een actieradius van minder dan 2400 km. Laat een merkdealer de reagenstank vullen of bijvullen.
REAGENSTANK (4/4) Systeemstoring Als het controlelampje gaat branden, kan ook een pieptoon te horen zijn. Controleen waarschuwingslampjes en den. © gaan bran- Boodschap “Controleer lucht verontreiniging” Interpretatie Geeft een storing in het systeem aan. Raadpleeg zo snel mogelijk de merkdealer. Geeft aan dat er een systeemfout is en dat binnen 800 km de auto niet meer opnieuw kan worden gestart. en den. © gaan bran- “XXX KM Fout antiluchtveront.
1.
Hoofdstuk 2: Het rijden (met tips voor zuinig en milieubewust autorijden) Inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Startschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De motor starten en stoppen: auto met sleutel/afstandsbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
INRIJDEN Benzinemotor Dieselmotor Rijd de eerste 1 000 km niet sneller dan 130 km/uur in de hoogste versnelling en laat de motor met niet meer dan 3 000 tot 3 500 tr/min draaien. Rijd de eerste 1500 km niet sneller dan 130 km/uur in de hoogste versnelling en laat de motor met niet meer dan 2 500 tr/min draaien. Daarna kunt u sneller rijden maar pas na 6 000 km zult u over het volle vermogen van de motor kunnen beschikken.
CONTACTSLOT: auto met sleutel Stand “Contact aan” ON 2 Contact aan: u kunt alle accessoires (radio enz.) gebruiken. Stand START 3: "Starten" Indien de motor niet aanslaat, moet u de contactsleutel terug draaien tot de controlelampjes uit gaan voor u opnieuw kunt starten. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. N.B.: bij een dieselmotor kunnen enkele secondes verstrijken tussen het draaien van de sleutel en het starten van de motor om de motor voor te verwarmen.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR: auto met sleutel É Dieselmotor – Draai de contactsleutel in de stand “ON" 2 en houd de sleutel in die stand totdat het controlelampje voorverwarming gedoofd is; – draai de sleutel naar de startpositie “START" 3 zonder gas te geven; – laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. Bijzonderheid: Indien u de motor start bij erg lage buitentemperatuur (kouder dan -10 °C): houd het koppelingspedaal ingedrukt tot de motor start.
DE MOTOR STARTEN, STOPPEN: auto met RENAULT-card (1/3) “Handsfree” starten met achterklep open In dat geval mag de RENAULT-card zich niet in de bagageruimte bevinden om te vermijden dat u ze zou kwijtraken. 2 1 De RENAULT-card moet zich binnen de detectiezone 1 bevinden.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR: auto met RENAULTkaart (2/3) Druk het rem- of koppelingspedaal in en houdt vervolgens de RENAULT-card 3 (met de zijde met het logo) gedurende ongeveer 2 seconden tegen de startknop 2. Druk op de knop 2 om de auto te starten. De boodschap dooft. 3 2 Functie accessoires (Contact aanzetten) Zodra u bent ingestapt, hebt u een aantal functies van de auto (radio, navigatiesysteem ruitenwisser, enz.) ter beschikking.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR: auto met RENAULTkaart (3/3) 2 Als de RENAULT-kaart niet in het interieur aanwezig is als u de motor wilt stoppen, verschijnt het bericht "premere a lungo ingedrukt houden” op het instrumentenpaneel: druk langer dan twee seconden op de knop 2. Als de card zich niet meer in het interieur bevindt, controleert u of u deze kunt ophalen voordat u de knop ingedrukt houdt. Zonder de RENAULT -card kunt u de auto niet starten.
FUNCTIE STOP AND START (1/4) Dit systeem zorgt voor een lager brandstofverbruik en vermindert de uitstoot van broeikasgassen. Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de auto begint te rijden. Tijdens het rijden zet het systeem de motor af (op stand-by) wanneer de auto stilstaat (file, voor een stoplicht enz.). Omstandigheden waarbij de motor op stand-by wordt gezet De auto heeft na de laatste stilstand gereden.
FUNCTIE STOP AND START (2/4) Verhinderen dat de motor op stand-by wordt gezet Stand-by uitschakelen Voor de manuele versnellingsbak: Voor een automatische versnellingsbak: In bepaalde omstandigheden, zoals bij invoegen op een kruispunt, is het mogelijk om bij geactiveerd systeem de motor draaiende te houden om snel te kunnen starten.
FUNCTIE STOP AND START (3/4) Omstandigheden waarbij de motor niet op stand-by wordt gezet – de helling bedraagt meer dan ongeveer 12% voor voertuigen die zijn uitgerust met een automatische versnellingsbak Bijzonderheden van de auto’s met een RENAULT-card – de motortemperatuur is te laag; Als de bestuurder, terwijl de motor is afgezet (verkeersopstopping, stilstaan voor een stoplicht enz.), zijn gordel losmaakt en het bestuurdersportier opent, of uit zijn stoel komt, wordt het contact verbroken.
FUNCTIE STOP AND START (4/4) Bijzonderheid van het automatisch weer starten van de motor Het systeem wordt automatisch weer ingeschakeld bij elke vrijwillige start van de auto (raadpleeg de paragraaf “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2). Onder bepaalde omstandigheden kan de motor vanzelf weer starten om uw veiligheid en uw comfort te waarborgen.
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN BENZINEMOTOR (1/2) Onder bepaalde omstandigheden, zoals: – te lang doorrijden als het waarschuwingslampje brandstofreserve brandt; – het gebruik van loodhoudende benzine; – het gebruik van niet goedgekeurde smeermiddelen of brandstofadditieven.
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN BENZINEMOTOR (2/2)/ROETFILTER Roetfilter Het roetfilter wordt gebruikt bij de behandeling van uitlaatgassen van de benzinemotor. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft, afhankelijk van de auto, aan dat het filter is verstopt en moet worden schoongemaakt.
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN DIESELMOTOR Toerental van de dieselmotor Voorzorgen in de winter Dieselmotoren hebben een inspuitpomp die ervoor zorgt dat het afgestelde motortoerental in geen van de versnellingen kan worden overschreden. A Als de boodschap “CONTR_ LUCHTVERONTREINIGING” wordt weergegeven 1 Ä Om problemen bij vorst te voorkomen: – zorg dat de accu steeds goed geladen is, – laat het brandstofpeil in de tank niet onnodig laag komen om condensatie van waterdamp tegen te gaan.
VERSNELLINGSHENDEL De achteruitrijlichten gaan branden, zodra de achteruitversnelling is ingeschakeld en het contact aanstaat. 1 Opmerking.: Afhankelijk van de auto, gaan ook de mistlichten voor branden als het dimlicht is ingeschakeld en de achteruitversnelling wordt geselecteerd.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (1/4) 1 2 4 In alle andere gevallen, bijvoorbeeld motor afgeslagen of geschakeld naar stand-by door de Stop and Start-functie (zie de informatie over de Stop and Start-functie in hoofdstuk 2), wordt de automatische parkeerrem niet automatisch ingeschakeld. De handbediening moet dan gebruikt worden. Voor bepaalde modellen in sommige landen wordt de rem niet automatisch vastgezet. Zie “Handbediening”.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (2/4) Automatische werking (vervolg) Opmerking: in sommige situaties (automatische parkeerrem defect, handmatig ontgrendelen van de automatische parkeerrem, enz.), klinkt er een geluidssignaal en verschijnt het bericht “Parkeerrem aantrekken” op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen dat de automatische parkeerrem is losgezet.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (3/4) – Zet de automatische parkeerrem handmatig los. – laat terwijl de auto in versnelling P staat het rempedaal en de schakelaar 3 los. 4 3 Bijzondere gevallen Als u op een helling wilt stoppen of als u met een caravan of een aanhangwagen parkeert, moet u de handgreep 3 enkele secondes uitgetrokken houden om een maximale remwerking te krijgen.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (4/4) Uitvoering met automatische transmissie Als het bericht “Elektr. storing GEVAAR” of “accu controleren” verschijnt, moet u de parkeerrem handmatig vastzetten door aan de schakelaar 3 te trekken (of de versnellingshendel in P zetten voor auto's met automatische transmissie) voordat u de motor uitschakelt.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN (1/5) Het brandstofverbruik is goedgekeurd overeenkomstig een voorgeschreven standaardmethode. Deze methode is voor alle autofabrikanten hetzelfde en maakt het mogelijk om auto’s met elkaar te vergelijken. Het werkelijke verbruik is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto, de uitrustingen en de rijstijl. Raadpleeg voor een optimaal brandstofverbruik onderstaande aanbevelingen.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN (2/5) 4 Het geeft aan: – het gemiddeld verbruik; – het aantal afgelegde kilometers; – het aantal gewonnen kilometers. Dit komt overeen met een rijstijl waarbij geen brandstof wordt verbruikt (vertragen en/ of voet niet op het gaspedaal). Een algemene melding van 0 tot 100 geeft u de mogelijkheid om uw prestaties als zuinige bestuurder in te schatten. Hoe hoger het cijfer, hoe lager uw brandstofverbruik.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN (3/5) ECO-modus Uitschakelen van de functie De ECO-modus is een functie die het brandstofverbruik zo laag mogelijk houdt. Deze werkt op bepaalde stroomverbruikende systemen in de auto (verwarming, airconditioning, stuurbekrachtiging, enz.) en op bepaalde rij-activiteiten (versnellen, vertragen, schakelen, gebruik van snelheidsregelaar, enz.). Druk op de schakelaar 4.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN (4/5) – Laat het toerental van de motor in de lagere versnellingen niet te ver oplopen. Kies indien mogelijk altijd de hoogste versnelling. – Rijd bij een stoplicht kalm weg. – Rem zo weinig mogelijk. Regel de snelheid van de auto met het gaspedaal door voor een obstakel of een bocht tijdig gas terug te nemen. – Geef op een helling geen gas bij: houd het gaspedaal bij voorkeur in dezelfde stand.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN (5/5) – Voor auto’s met airconditioning is een hoger brandstofverbruik normaal (vooral in stadsverkeer) als de airconditioning aanstaat. Voor auto’s met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt. Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging: – – Banden Tips voor het gebruik – Door een te lage bandenspanning neemt het verbruik toe.
TIPS VOOR ONDERHOUD EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING Uw auto voldoet aan de eisen voor recycling aan het einde van de gebruiksduur, die van kracht werden in 2015. Bepaalde onderdelen van uw auto zijn daarom ontwikkeld met het oog op hun later recycling. Deze onderdelen zijn gemakkelijk te demonteren om opgehaald en behandeld te worden door gespecialiseerde recyclingbedrijven.
MILIEU Uw auto is ontwikkeld met een zo groot mogelijke aandacht voor het milieu gedurende zijn gehele bestaan: bij zijn fabricage, tijdens zijn gebruik en ten slotte als hij gesloopt wordt. Deze aandacht blijkt uit het ondertekenen eco² door de fabrikant.
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (1/3) 1 2 3 Reset van de referentiewaarde voor bandenspanning Resetprocedure Deze gebeurt: – wanneer de referentiespanning in de banden moet worden gewijzigd om aangepast te zijn aan de gebruiksomstandigheden (onbelast, belast, rijden op de autosnelweg ...); – na het wisselen van de wielen (dit wordt echter afgeraden); – na het verwisselen van een wiel.
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (2/3) « Lekke band » Er wordt een rood of wit wiel B weergegeven, afhankelijk van de auto, samen met het 1 A brandende controlelampje 4 en het bericht “Lekke band” en u hoort een geluidssignaal. Deze boodschap wordt vergezeld door het lampje ®. Ze geven aan dat het betreffende wiel lek of veel te zacht is. Vervang het of roep de hulp in van een merkdealer als de band lek is. Pomp de band op als de bandenspanning te laag is.
CONTROLESYSTEEM BANDENSPANNING (3/3) “Plaatsbepalingbanden mislukt” Vervangen van wielen/banden Deze boodschap “Plaatsbepalingbanden mislukt” verschijnt tijdens het rijden als een of meerdere wielen zijn uitgerust met sensoren die niet erkend zijn door Renault. Voor dit systeem zijn specifieke uitrustingen nodig (wielen, wieldoppen, enz.). Raadpleeg de paragraaf “Banden” in hoofdstuk 5. Raadpleeg een merkdealer.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (1/11) ABS (antiblokkeersysteem van de wielen) – ABS (antiblokkeersysteem van de wielen) ; Bij krachtig remmen, voorkomt het ABS het blokkeren van de wielen, waardoor de remweg beheersbaar en de auto bestuurbaar blijft. – ESC (elektronisch stabiliteitsprogramma) met onderstuurcontrole en tractiecontrole; – noodstopbekrachtiging; – actieve noodstop; – hulp bij het rijden met aanhangwagen; – hulp bij wegrijden op een helling; – achterwielbesturing.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (2/11) Storingen: x – © – , , © en ® lichten op het instrumentenpaneel op met de boodschap “Storing remsysteem”: dit wijst op een storing in de remsystemen. en worden verlicht op het instrumentenpaneel en de berichten “controllare ABS”, “Controleer remsysteem” en “Controleer ESC” worden getoond: dit geeft aan dat ABS, ESC en de noodstopbekrachtiging zijn uitgeschakeld. Het remmen blijft mogelijk; xD Raadpleeg in beide gevallen een merkdealer.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (3/11) Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole Onderstuurcontrole Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC Tractiecontrole Dit systeem helpt u de controle over de auto te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken voor een obstakel, verlies van grip op de weg in een bocht, enz.).
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (4/11) Noodstopbekrachtiging Remanticipatie Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto. Afhankelijk van de auto anticipeert het systeem, als u snel het gaspedaal loslaat, op het remmen om de remweg te verminderen. De werking van het systeem Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (5/11) 1 2 Actieve noodstop Werking Met behulp van de radar 1 bepaalt het systeem de afstand tot de voorligger en waarschuwt het de bestuurder bij risico op een frontale botsing. Het systeem kan de auto vanzelf afremmen om de schade bij een aanrijding te beperken.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (6/11) Druk opnieuw op de schakelaar 5 OK om de functie te activeren of te deactiveren: 3 = < 5 4 6 functie ingeschakeld functie uitgeschakeld Als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het waarschuwingslampje strumentenpaneel branden. op het in- Het systeem wordt opnieuw ingeschakeld telkens het contact wordt aangezet.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (7/11) Bij een storing Als het systeem een storing signaleert, gaat het controlelampje branden, met de melding “Actieve remmen uitgeschakeld”. Er zijn twee mogelijkheden: – het systeem wordt tijdelijk gestoord (bijvoorbeeld: radar met vuil, modder, sneeuw, enz. bedekt). In dat geval parkeert u de auto en zet u de motor uit. Reinig de detectiezone van de radar. Als u de motor weer start, is het controlelampje uit en wordt de melding niet meer weergegeven.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (8/11) Actieve noodstop Beperkingen voor de werking van het systeem – Het systeem reageert enkel op bewegende voertuigen of voertuigen die in beweging werden gedetecteerd. – Voor voertuigen die in tegengestelde richting rijden wordt geen waarschuwing afgegeven en treedt het systeem niet in werking. – De radarzone moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (9/11) Hulp bij het rijden met aanhangwagen De werking van het systeem Afhankelijk van de auto helpt dit systeem om controle te houden over de auto terwijl u een aanhangwagen gebruikt. – de voorwielen asymmetrisch af te remmen om de trillingen die door de aanhangwagen worden veroorzaakt af te zwakken; Het detecteert trillingen die veroorzaakt worden door het trekken van een aanhangwagen in bepaalde rijomstandigheden.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (10/11) Hulp bij wegrijden op een helling Afhankelijk van de helling van de weg helpt dit systeem de bestuurder bij het wegrijden op een helling. Het voorkomt dat de auto achteruit rolt, door automatisch de remmen vast te zetten als de bestuurder het rempedaal loslaat om het gaspedaal te bedienen.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (11/11) A B Storingen – Als het waarschuwingslampje © in combinatie met de boodschap “Controleer stuurbekracht.” op het instrumentenpaneel verschijnt: raadpleeg een merkdealer. – Als het waarschuwingslampje ® in combinatie met de boodschap “Storing stuurbekracht.” op het instrumentenpaneel verschijnt, duidt dit op een storing in het systeem.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (1/4) 1 Op basis van de informatie van de camera 1 waarschuwt de functie de bestuurder als deze een doorgetrokken of onderbroken streep kruist zonder de richtingaanwijzers te activeren. Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, sneeuw, condensatie, enzovoort). Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (2/4) 2 3 5 4 Inschakelen/uitschakelen Auto’s met een navigatiesysteem Kies op het multimediascherm 2 het menu “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “Waarschuwing bij verlaten van rijvak” en kies dan “ON” of “OFF”. Om direct naar het menu “Hulp bij het rijden” te gaan, drukt u op de toets 3 . 2.42 Auto’s zonder navigatiesysteem Gebruik schakelaar 4.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (3/4) Afstellen Auto’s met een navigatiesysteem 2 6 7 Omstandigheden waarbij geen waarschuwingen worden gegeven – De richtingaanwijzers zijn minder dan ongeveer twee seconden aangezet voordat de streep werd overschreden; – de streep wordt zeer snel overschreden; – er wordt continu over een streep gereden; Selecteer op het multimediascherm 2: “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “Instel.rijbaan alarm” en daarna: – volume: het volume van de waarschuwing aanpassen.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (4/4) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Werkzaamheden/reparaties van het systeem – Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
DODEHOEKWAARSCHUWING (1/4) 1 A A Dit systeem waarschuwt de bestuurder als er zich een auto in het detectiegebied bevindtA. Dit systeem schakelt in als de auto rijdt met een snelheid die tussen ongeveer 30 km/u en 140 km/u bedraagt. Deze functie maakt gebruik van de 1-sensoren die aan beide zijden in de voor- en achterbumpers zijn geïnstalleerd. Deze functie is een extra hulp die aangeeft dat er zich een auto in de dode hoek van uw auto bevindt.
DODEHOEKWAARSCHUWING (2/4) – druk de schakelaar 5 achtereenvolgens omhoog of omlaag tot u bij het menu “Dode-hoekwaarschuwing” komt en druk op de schakelaar 4 OK. 2 3 4 – druk opnieuw op de schakelaar 4 OK om de functie te activeren of te deactiveren.
DODEHOEKWAARSCHUWING (3/4) 16 Display B 6 De functie is ingeschakeld en detecteert geen enkele andere auto. B Display C C 7 Eerste waarschuwing: de indicator 4 geeft aan dat er zich een auto in de dode hoek bevindt. Display D D Indicator 6 Werking Op elke spiegel 7 bevindt zich een indicator 6. Deze functie geeft een waarschuwing: Opmerking: reinig de buitenspiegels 7 regelmatig zodat de richtingaanwijzers 6 zichtbaar blijven.
DODEHOEKWAARSCHUWING (4/4) 6 B C D Omstandigheden waarin de dodehoekwaarschuwing niet werkt Storingen Wanneer het systeem een fout opmerkt, verschijnt de boodschap “Controleer Dodehoek ass” op het instrumentenpaneel. Roep de hulp in van een merkdealer. Opmerking: bij het starten van de motor knippert de indicator 6, display B, 3 keer. Dit is normaal. – De detectiecapaciteit van het systeem volgt een standaardrijvakbreedte.
WAARSCHUWING VEILIGHEIDSAFSTAND (1/3) 1 Met behulp van de informatie van de radar 1 informeert deze functie de bestuurder over de tijdsduur tussen zijn auto en de voorligger, zodat hij een veilige afstand tussen de twee voertuigen in stand kan houden. NB: zorg ervoor dat de radar 1 niet bedekt is (vuil, modder, sneeuw ...).
WAARSCHUWING VEILIGHEIDSAFSTAND (2/3) A 4 B C D – C (oranje): het tijdsinterval bedraagt ongeveer 1 à 2 seconden (de afstand tussen de twee voertuigen is onvoldoende); – D (rood): het tijdsinterval bedraagt ongeveer 1 seconde of minder (de afstand tussen de twee voertuigen is veel te kort). Als het tijdsinterval tussen de twee voertuigen minder dan ongeveer 0,5 seconde bedraagt, knippert de melding 4, display D op het instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING VEILIGHEIDSAFSTAND (3/3) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Werkzaamheden/reparaties van het systeem – Bij een botsing kan de aliniëring van de radar worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
WAARSCHUWING VERMOEIDHEIDSDETECTIE (1/2) De vermoeidheidsdetectie is een nuttige functie op eentonige wegen (zoals autosnelwegen). 1 Het rijgedrag van de bestuurder wordt geanalyseerd, inclusief diverse gebeurtenissen, om u te informeren bij elk risico op vermoeidheid, zoals: – stuurwielbeweging; – acties van de bestuurder op andere voorzieningen (richtingaanwijzers, ruitensproeier, enz.); – gereden tijd zonder pauze; – ...
WAARSCHUWING VERMOEIDHEIDSDETECTIE (2/2) – druk de schakelaar 4 achtereenvolgens omhoog of omlaag tot u bij het menu “Driver Alert System” komt en druk op de schakelaar 3 OK. 3 4 – druk opnieuw op de schakelaar 3 OK om de functie te activeren of te deactiveren. Werking De functie is gereed om te waarschuwen als: – de auto rijdt sneller dan ongeveer 60 km/u; en – Na het verwijderen van de vorige waarschuwing zijn er ongeveer 15 minuten verstreken.
SNELHEIDSBEGRENZER (1/3) Inschakelen a 3 2 b 4 1 De snelheidsbegrenzer is een functie die u helpt om een door u gekozen maximumsnelheid niet te overschrijden. Bediening 1 Hoofdschakelaar Aan/Uit. 2 Schakelaars voor: a Inschakelen, in geheugen opslaan en verhogen van de maximumsnelheid (+); b Verlagen van de maximumsnelheid (-). 3 Inschakelen met oproepen van de maximumsnelheid (R). 4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde maximumsnelheid blijft in het geheugen) (O).
SNELHEIDSBEGRENZER (2/3) a Verandering van de ingestelde maximumsnelheid Overschrijden van de ingestelde snelheid Om de maximumsnelheid te verhogen drukt u een of een paar keer op de schakelaar 2: Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maximum snelheid te overschrijden door: zo snel en diep mogelijk het gaspedaal in te drukken (voorbij het “zware punt”) – aan kant a (+) om de snelheid te verhogen; – aan kant b (-) om de snelheid te verlagen.
SNELHEIDSBEGRENZER (3/3) Opnieuw inschakelen van de maximumsnelheid Als een snelheid in het geheugen is opgenomen, is het mogelijk deze op te roepen door op de schakelaar 3 (R) te drukken. a 3 2 4 1 Onderbreken van de functie Uitschakelen van de functie De werking van de snelheidsbegrenzer wordt opgeschort als u drukt op de schakelaar 4 (O). In dit geval blijft de ingestelde maximumsnelheid in het geheugen en verschijnt het bericht “In geheugen” met de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel.
WAARSCHUWING SNELHEIDSVERKLIKKER (1/3) 1 De werking van het systeem Het systeem detecteert verkeersborden die de maximumsnelheid aangeven aan de kant van de weg en geeft de maximumsnelheid weer. Deze functie maakt hoofdzakelijk gebruik van de informatie van de camera 1 op de voorruit, achter de achteruitkijkspiegel. Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, sneeuw, condensatie, enzovoort).
WAARSCHUWING SNELHEIDSVERKLIKKER (2/3) 2 – druk de schakelaar 6 achtereenvolgens omhoog of omlaag tot u bij het menu “Waarschuwing voor snelheid” komt en druk op de schakelaar 5 OK. – druk op de knop OK om de functie in of uit te schakelen. 3 a 5 6 4 b Inschakelen/uitschakelen van het systeem Auto’s met een navigatiesysteem Op het bedieningsscherm 2 kiest u het menu “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “Inst. waarschuwing snelheid” en vervolgens “ON” of “OFF”.
WAARSCHUWING SNELHEIDSVERKLIKKER (3/3) Bij een storing kan het systeem de snelheidsbeperking niet detecteren als: – de voorruit niet schoon is; Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. – de camera verblind wordt door de zon; De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan de rijomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
SNELHEIDSREGELAAR (1/4) a 3 2 b 4 1 De snelheidsregelaar is een functie die u helpt de door u gekozen rijsnelheid op een constante waarde vast te houden, dit wordt de ingestelde snelheid genoemd. Vanaf 30 km/u kunt u de snelheid traploos instellen. Bedieningsknoppen 1 Hoofdschakelaar Aan/Uit. 2 Schakelaars voor: a Inschakelen, in het geheugen opslaan en verhogen van de ingestelde snelheid (+) ; b Verlagen van de ingestelde snelheid (-). 3 Inschakelen met oproepen van de ingestelde snelheid (R).
SNELHEIDSREGELAAR (2/4) Instellen van de snelheid Rijdend tegen een constante snelheid (vanaf ongeveer 30 km/u) drukt u op de schakelaar 2, zijde a (+): de functie wordt ingeschakeld en de actuele snelheid wordt opgeslagen. De ingestelde snelheid vervangt de streepjes en de instelling van de functie wordt bevestigd doordat de ingestelde snelheid in het groen wordt getoond, de boodschap “Regelaar” verschijnt en het controlelampje oplicht. 1 Inschakelen Druk op schakelaar 1 aan .
SNELHEIDSREGELAAR (3/4) Overschrijden van de ingestelde snelheid U kunt de snelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken. Tijdens het overschrijden van de snelheid knippert de ingestelde snelheid in het rood op het instrumentenpaneel. a Laat daarna het gaspedaal los: na enkele seconden gaat de auto automatisch weer tegen de oorspronkelijk ingestelde snelheid rijden.
SNELHEIDSREGELAAR (4/4) a 3 2 4 Onderbreken van de functie De functie wordt uitgeschakeld als u drukt op: – de schakelaar 4 (O); – het rempedaal; – het koppelingspedaal of het in neutraal schakelen voor de auto’s met automatische transmissie. In de drie gevallen blijft de ingestelde snelheid in het geheugen en de boodschap “In geheugen” en de snelheid verschijnen op het instrumentenpaneel.
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (1/7) De instelbare snelheidsregelaar is een functie die u de mogelijkheid, als het verkeer dit toelaat (hoofdweg met vlot verkeer of autosnelweg) om een gekozen snelheid, de zogeheten ingestelde snelheid, aan te houden en tegelijkertijd een veilige afstand tot uw voorligger te bewaren. 1 De functie kan ingesteld worden van ongeveer 50 km/u tot ongeveer 140 of 150 km/u, afhankelijk van de auto. De radar heeft een bereik van ongeveer 120 meter.
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (2/7) a 3 6 2 b 4 5 Bedieningsknoppen 5 Hoofdschakelaar Aan/Uit. 2 Schakelaars voor: a Inschakelen, in het geheugen opslaan en verhogen van de ingestelde snelheid (+) ; b Verlagen van de ingestelde snelheid (-). 3 Inschakelen met oproepen van de ingestelde snelheid (R). 4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde snelheid blijft in het geheugen) (O). 6 De volgafstand instellen Inschakelen Druk op de schakelaar 5, aan de kant .
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (3/7) Het rijden De volgafstand wijzigen Als een snelheid in het geheugen is vastgelegd en de regeling ingeschakeld is, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen. U kunt op elk moment de volgafstand ten opzichte van uw voorligger wijzigen door herhaaldelijk op de schakelaar 6 te drukken.
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (4/7) Onderbreken van de functie De functie wordt opgeschort wanneer: – u op de schakelaar 4 (O) drukt; – u het rempedaal indrukt; a 3 – u het koppelingspedaal indrukt; – u de versnellingshendel bedient; 2 4 – de rijsnelheid van de auto is minder dan ongeveer 40 km/u of meer dan ongeveer 160 km/u; – het motortoerental te hoog of te laag is; – bepaalde hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden worden ingeschakeld (ABS, ESC...).
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (5/7) storingen Als het systeem een storing signaleert, gaat het controlelampje branden, met de melding “Controleer regelaar”. B Er zijn twee mogelijkheden: C 5 In sommige situaties (nadering tot een voertuig dat veel minder snel rijdt, voorliggers die snel van rijstrook veranderen ...
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (6/7) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de aanwijzingen van het systeem. Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensensor of een antibotsingssysteem.
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (7/7) Beperkingen voor de werking van het systeem – – – – – – – Voor voertuigen die in tegengestelde richting rijden wordt geen waarschuwing afgegeven en treedt het systeem niet in werking. – De radarzone moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van het systeem te waarborgen. – Met vaste obstakels (stilstaande voertuigen, files, tolbarrières, enz.) of traag bewegende of kleine obstakels (motoren, fietsen, voetgangers, enz.
PARKEERHULP (1/5) De werking van het systeem Ultrasoondetectoren die in de bumper van de auto ingebouwd zijn, “meten” de afstand tussen de auto en een obstakel. Deze meting vertaalt zich in geluidssignalen waarvan de frequentie toeneemt naarmate het obstakel dichterbij komt, totdat het een continu geluid wordt wanneer het obstakel ongeveer 20 à 30 cm van de auto verwijderd is.
PARKEERHULP (2/5) 2 A C B NB: met het display 2 is de omgeving van de auto te zien als aanvulling op de geluidssignalen. U moet enkele meters rijden voordat de detectie aan de zijkanten wordt ingeschakeld. Als alle zones een grijze achtergrond hebben, wordt de volledige omtrek van de auto bewaakt: – A: de omgeving rond de auto wordt geanalyseerd; – B: de omgeving rond de auto is geanalyseerd. 2.72 Werking Het systeem detecteert de meeste obstakels voor, achter en naast de auto.
PARKEERHULP (3/5) Als er een obstakel wordt gedetecteerd naast de auto: D – weerklinkt er bij het risico op een botsing een geluidssignaal met een steeds hogere frequentie naargelang u het obstakel nadert, tot het geluidssignaal continu weerklinkt.
PARKEERHULP (4/5) Geluid van het systeem Hiermee kunt u het geluid van het systeem kiezen uit drie mogelijkheden. 4 Het geluid van het systeem uitschakelen Schakel het geluid van de parkeerhulp in of uit. Opmerking: als u het geluid uitschakelt, wordt u niet meer gewaarschuwd met een geluidssignaal wanneer u een obstakel nadert. 5 6 Uitschakelen van het systeem Schakel de parkeerhulp in of uit. Auto’s zonder navigatiesysteem Verstellen U kunt sommige parameters vanaf het bedieningsscherm instellen 4.
PARKEERHULP (5/5) Automatisch uitschakelen van de parkeerhulp Het systeem schakelt uit: – als de auto sneller dan ongeveer 10 km/u rijdt; – naargelang van de auto, als de auto langer dan ongeveer vijf secondes stilstaat en er een obstakel is gedetecteerd (bijvoorbeeld in een file, enz.
ACHTERUITRIJCAMERA (1/3) 2 1 1 Werking Bijzonderheid Bij het achteruitrijden geeft de camera 1 op de achterklep of het kofferdeksel, afhankelijk van de auto, een overzicht van de omgeving achter de auto op het bedieningsscherm 2, samen met een of twee tekeningen 3 en 4 (bewegende en vaste tekening). Zorg ervoor dat de camera niet bedekt is (vuil, modder, sneeuw, condens, enz.).
ACHTERUITRIJCAMERA (2/3) 3 4 3 4 2 C B A Vaste tekening 3 Bewegende tekening 4 De vaste tekening bestaat uit gekleurde merktekens A, B en C die de afstand achter de auto aangeven: Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 2. Hij geeft de verplaatsingsrichting van de auto aan afhankelijk van de stand van het stuurwiel. – A (rood) op ongeveer 30 centimeter van de auto; – B (geel) op ongeveer 70 centimeter van de auto; – C (groen) op ongeveer 150 centimeter van de auto.
ACHTERUITRIJCAMERA (3/3) U kunt eveneens de instellingen van het beeld van de camera regelen (helderheid, contrast...). 2 Inschakelen, uitschakelen van de achteruitrijcamera Selecteer op het multimediascherm 2: “Voertuig”, “Parkeerhulp”, en daarna “Achteruitkijkcamera”. Schakel de achteruitrijcamera in of uit en bevestig uw keuze. Het scherm geeft een omgekeerd beeld, zoals in een spiegel. De tekeningen zijn weergaven die op een vlakke ondergrond worden geprojecteerd.
PARKEERHULP (1/4) 2 3 1 Deze functie helpt u bij het parkeren. Inschakelen Bijzonderheden Neem uw handen van het stuurwiel. U bedient alleen de pedalen en de versnellingshendel. Druk op de schakelaar 1 wanneer de auto stilstaat of wanneer u minder dan ongeveer 30 km/u rijdt. Het in de schakelaar geïntegreerde controlelampje 1 licht op en het scherm 2 verschijnt op het bedieningsscherm.
PARKEERHULP (2/4) Keuze van het manoeuvre Werking Het systeem kan vier soorten manoeuvres uitvoeren: Parkeren – de auto parallel parkeren; – de auto achteruit inparkeren; – de auto schuin inparkeren; – de parallel geparkeerde auto weer uitrijden. Selecteer vanaf het bedieningsscherm het uit te voeren manoeuvre. Opmerking: bij het starten van de auto of na een geslaagde fileparkeermanoeuvre met behulp van het systeem, stelt het systeem standaard het manoeuvre om uit te rijden voor.
PARKEERHULP (3/4) U mag niet sneller dan ongeveer 7 km/u rijden. Zodra u in de juiste positie staat om uit te rijden, zal het systeem u waarschuwen wanneer het manoeuvre is beëindigd. 1 Het controlelampje op het instrumentenpaneel dooft en er weerklinkt een geluidssignaal zodra het manoeuvre is voltooid.
PARKEERHULP (4/4) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Zorg ervoor dat bij het manoeuvre steeds de verkeersregels worden gevolgd die gelden op de gekozen weg.
VERINGEN VOOR ELEKTRONISCHE SCHOKDEMPING Bij een storing 1 Bij een storing schakelt het systeem automatisch over naar de rijstijl “Neutral” in “Multi-Sense”. Als de boodschap “Controleer actieve demper” verschijnt op het instrumentenpaneel, raadpleeg dan een merkdealer. De veringen voor elektronische schokdemping passen de vering automatisch aan de rijomstandigheden en aan uw rijstijl aan. Vooraf ingestelde rijstijl kiezen Op het functiescherm 1 kunt een vooraf ingestelde rijstijl kiezen.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (1/3) B 2 Stand automatisch Zet de hendel 1 in stand D. U hoeft de selecteurhendel niet meer te verplaatsen. Er wordt automatisch geschakeld in overeenstemming met de belasting van de auto, de hoeveelheid gas die u geeft en de helling van de weg. 1 Zuinig rijden Laat de selecteurhendel voor normaal gebruik in stand D staan. Als het gaspedaal iets wordt ingedrukt, schakelt de transmissie bij een lage snelheid naar de volgende versnelling.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (2/3) De ingeschakelde versnelling verschijnt op het display op het instrumentenpaneel. Bijzondere gevallen 1 2 In sommige gevallen (zoals ter bescherming van de motor, bij werking van het elektronisch stabiliteitsprogramma ESC, enz.) wordt automatisch de juiste versnelling gekozen. Ook kan, om verkeerde manoeuvres te voorkomen, het schakelen door het systeem geweigerd worden. In dit geval knippert de aanduiding van de versnelling enkele secondes om u te waarschuwen.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (3/3) Parkeren van de auto Onderhoudsintervallen Als de auto stilstaat, houdt u het rempedaal ingedrukt en zet u de selecteurhendel in stand P (parkeren): de versnellingsbak staat in neutraal en de voorwielen zijn mechanisch geblokkeerd. Raadpleeg het onderhoudsdocument voor uw auto of een geautoriseerde dealer om na te gaan of periodiek onderhoud noodzakelijk is voor de automatische transmissie. Controleer of de elektronische parkeerrem is vastgezet.
Hoofdstuk 3: Uw comfort Multi-sense . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Ventilatieroosters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Automatische airconditioning. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
MULTI-SENSE (1/2) Afhankelijk van de geselecteerde modus en de auto, kunt u met het Multi-Sensesysteem opties kiezen die van invloed zijn op de rijstijl, de sfeerverlichting, het comfort en het motorgeluid: – de modi Comfort, Sport, Eco en Neutral zijn vooraf ingesteld en regelen de sfeer van de verlichting en de instellingen van het motorgeluid; – de werkingsstand Perso kan volledig worden ingesteld.
MULTI-SENSE (2/2) Werkingsstand Neutral Standaard worden in de werkingsstand Neutral de fabrieksinstellingen van de auto geselecteerd. 1 1 Werkingsstand Perso 3 In deze modus kunt u de rijstijl, het comfort, de sfeerverlichting en het motorgeluid handmatig instellen. 2 Openen van het menu U kunt Multi-Sense openen: – via het functiescherm 1.
VENTILATIEROOSTERS: luchtuitgangen (1/2) 3 1 5 1 2 4 6 9 7 6 7 8 1 Ventilatieroosters van zijruit 2 Ventilatierooster links 3 Ontwasemingssleuven onder de voorruit. 4 Centrale ventilatieroosters 5 Ventilatierooster rechts 7 Verwarmingsroosters bij de voetenruimte achter 6 Verwarmingsroosters bij de voetenruimtes voor 8 Roosters in het midden voor achterstoelen 9 multifunctionele scherm 3.
VENTILATIEROOSTERS: luchtuitgangen (2/2) 10 10 12 11 11 Plaatsen voor 13 Hoeveelheid lucht Draai de knop 11: Richting Richten rechts/links Beweeg de cursor 10. Richten omhoog/omlaag Beweeg de cursor 10. naar : helemaal open; Plaatsen achter Richten rechts/links Draai de lipjes 12. naar : dicht. Richten omhoog/omlaag Gebruik, in geval van stankoverlast in de auto, alleen speciaal hiervoor bestemde middelen. Raadpleeg een merkdealer. Draai de lipjes 12. Hoeveelheid lucht Draai de knop 13.
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING: Knoppen A (1/5) A 8 9 Automatische werking 10 1 19 18 2 7 6 5 4 3 17 16 15 14 13 11 12 13 Knoppen A 11 en 18 ventilatiesnelheden. Druk een keer in de zone 14 om naar de bediening van het bedieningsscherm 1 te gaan. De onderstaande bedieningen zijn al dan niet aanwezig naargelang van de uitvoering van de auto. 12 Verdeling van de lucht in het interieur. 2 en 7 Regeling van de ingestelde temperatuur aan de linker- en rechterkant.
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING: Knoppen A (2/5) NB: de instelling van de airconditioning is afhankelijk van de werkingsstand die werd gekozen in het menu “Multi-Sense” (raadpleeg de paragraaf “Multi-Sense” in hoofdstuk 3). 20 18 7 11 2 15 14 Wijzigen van de ventilateursnelheid Normaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING: Knoppen A (3/5) 8 Om deze functie te verlaten, drukt u ofwel: 10 9 – op de toets 4; – opnieuw op de toets 6; – op een van de toetsen 8, 9 of 10. 20 18 6 4 3 Functie “helder zicht” Met deze functie worden de voorruit, de zijruiten vooraan, de achterruit en de buitenspiegels snel ontdooid en ontwasemd (afhankelijk van de auto).
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING: Knoppen A (4/5) Achterruitverwarming 19 Druk op de knop 3, het ingebouwde controlelampje brandt. De achterruit wordt nu snel ontwasemd en de buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering). U schakelt deze functie uit door opnieuw op de knop 3 te drukken. De verwarming schakelt na enige tijd automatisch uit.
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING: Knoppen A (5/5) Automatische werking Druk op de toets 16 (een controlelampje licht op in zone 14). Handmatig gebruik Met een druk op de knop 5 kan de luchtkringloop handmatig worden bediend. 16 5 3 Wijzigen van de verdeling van de lucht in het interieur Druk op de toetsen 12 om de gewenste verdeling te kiezen (er licht een controlelampje op in zone 14): Ø ½ ¿ De lucht wordt hoofdzakelijk naar de ontwasemingssleuven onder de voorruit en de zijruiten voorin gevoerd.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING: bedieningsknoppen B en C (1/5) 1 B 2 3 4 Automatische werking 1 C 2 3 4 De automatische airconditioning garandeert (met uitzondering van extreme gevallen) een temperatuurcomfort in het interieur en het helder houden van de ruiten, bij een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik. Het systeem werkt op de ventilatiesnelheid, de luchtverdeling, de luchtkringloop, het inschakelen of uitschakelen van de airconditioning en de luchttemperatuur.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING: bedieningsknoppen B en C (2/5) Opmerking: de instelling van de airconditioning is afhankelijk van de werkingsstand die werd gekozen in het menu “Multi-Sense” (raadpleeg de paragraaf “Multi-Sense” in hoofdstuk 3). 11 12 13 18 5 19 Wijzigen van de ventilateursnelheid Normaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING: bedieningsknoppen B en C (3/5) Om deze functie te verlaten, drukt u ofwel: – opnieuw op de toets 10; – een van de knoppen 14, 15 of 16. 12 10 14 15 16 19 18 12 14 15 16 18 6 10 Functie “helder zicht” Met deze functie worden de voorruit, de zijruiten vooraan, de achterruit en de buitenspiegels snel ontdooid en ontwasemd (afhankelijk van de auto).
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING: bedieningsknoppen B en C (4/5) Achterruitverwarming 1 Druk op de knop 6, het ingebouwde controlelampje brandt. De achterruit wordt nu snel ontwasemd en de buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering). 1 12 14 15 16 17 12 6 In- en uitschakelen van de airconditioning Normaal schakelt het systeem automatisch de airconditioning in of uit, afhankelijk van de weersomstandigheden. U schakelt deze functie uit door opnieuw op de toets 6 te drukken.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING: bedieningsknoppen B en C (5/5) Automatische werking 1 Druk op de toets 8 (een controlelampje licht op in zone 1). Handmatig gebruik 1 Met een druk op de knop 9 kan de luchtkringloop handmatig worden bediend. Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer aanvriezen. Ook zal het in de auto, door gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stinken. 9 8 Deze functie wordt automatisch geregeld, maar u kunt ze ook handmatig inschakelen.
AIRCONDITIONING: informatie en bedieningsinstructies (1/2) Tips voor het gebruik Verbruik Storingen In sommige gevallen, (airconditioning uit, luchtkringloop in werking, ventilatiesnelheid nul of laag, enz.) kunnen de ruiten van de auto beslaan. Het is normaal dat het brandstofverbruik hoger is (vooral in stadsverkeer) als u de airconditioning gebruikt. Raadpleeg bij een storing altijd een merkdealer.
AIRCONDITIONING: informatie en bedieningsinstructies (2/2) A A A Ñ Type airconditioningsvloeistof Type olie in de slangen van de airconditioning Ontvlambaar product Raadpleeg het instructieboekje Onderhoud Hoeveelheid airconditiox,xxx kg ningsvloeistof aanwezig in de auto. Het airconditioningssysteem bevat fluorhoudende broeikasgassen. Afhankelijk van het voertuig, u kunt de volgende informatie vinden op sticker A in de motorruimte.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING (1/2) Deze systemen werken: – bij draaiende motor; – nadat de motor is uitgezet totdat een voorportier wordt geopend (beperkt tot ongeveer 12 minuten); – met de motor uit, met gesloten portieren, nadat lang op de startknop is gedrukt. Druk of trek aan de schakelaar van een ruit om deze omhoog of omlaag te zetten tot de gewenste hoogte: de achterruiten kunnen niet helemaal omlaag.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING (2/2) Op afstand sluiten van de ruiten (auto met vier elektrische ruitbedieningen met sneltoets). Storingen Dit is een aanvulling op de elektrische ruitbediening die hiervoor is beschreven. Druk of trek kort en krachtig aan de schakelaar van een ruit: de ruit gaat geheel omlaag of omhoog. Een actie op de schakelaar stopt de werking van de ruit.
ELEKTRISCH OPEN DAK (1/3) A 1 0 B 2 3 2 Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Verschuiven van het gordijn 1 Verschuiven van het open dak Contact aan: Contact aan: – Volledig openen: zet het merkteken 3 op de knop 2 in stand A.
ELEKTRISCH OPEN DAK (2/3) Op afstand sluiten van het open dak (afhankelijk van de auto) Als u twee keer achter elkaar op de vergrendelingsknop van de RENAULT-card drukt, sluiten de ruiten en het open dak automatisch. Het is raadzaam het systeem alleen in te schakelen als de gebruiker de auto goed ziet en er niemand in de auto zit. 2 Bijzonderheden Door een druk op de knop 2 wordt het gordijn automatisch verplaatst naargelang het openen van het open dak.
ELEKTRISCH OPEN DAK (3/3) Als het geblokkeerd blijft, houdt u de schakelaar 2 ingedrukt tot het gordijn volledig gesloten is. A Raadpleeg een merkdealer. 0 2 B Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
BINNENVERLICHTING (1/2) 1 1 Leesspots Met de schakelaar 1, kunt u kiezen voor: – een constant brandende verlichting; – het onmiddellijk uitgaan. In het bedieningsscherm kunt u de ontsteking van de binnenlichten bij het openen van de deuren of de bagageruimte in- of uitschakelen. Raadpleeg daartoe de paragraaf “Menu voor het personaliseren van de autoinstellingen” in hoofdstuk 1.
BINNENVERLICHTING (2/2) 3 2 3 Verlichting dashboardkastje Bagageverlichting Het lampje 2 gaat branden bij het openen van de klep. Het lampje 3 gaat branden bij het openen van de bagageruimte. 3.
ZONNEGORDIJNEN Make-up spiegel 1 2 Til het deksel 3 omhoog. De verlichting 2 werkt automatisch. 3 Zonneklep voor Kantel de zonneklep 1 omlaag tegen de voorruit of maak hem los en zet hem omlaag tegen de zijruit. Tijdens het rijden moet het klepje van de make-upspiegel gesloten zijn. Risico van verwonding. 3.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (1/3) 3 1 3 44 2 Opbergruimte in portieren 1 Hierin kunt u een fles plaatsen. Dashboardkastje 2 Trek aan de handgreep van het dashboardkastje om dit te openen. In deze lade passen documenten van A4-formaat. Afhankelijk van de auto, wordt hij geventileerd en gekoeld. Bekerhouder 3 Verschuif het afdekplaatje om de bekerhouder te openen. Opbergruimte Druk op zone 4 om de klep op te tillen en de opbergruimte te openen.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (2/3) 5 11 6 12 10 8 7 Opbergvak in de middenconsole 7 en 8 Druk op de schakelaar 5 en trek de armsteun 6 omhoog. 9 Opbergruimte 10 Handgreep 11 Druk met de armsteun 6 omhoog, afhankelijk van de auto, op de knop 9 om bij de opbergruimte 10 te komen. Hieraan kan men zich vasthouden tijdens het rijden. Gebruik deze niet bij het in- of uitstappen.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (3/3) Skibox 19 19 18 Als u lange voorwerpen (ski’s, enz.) in de bagageruimte wilt vervoeren, klapt u de armsteun 16 omlaag, drukt u op de klep 19 en kantelt u deze naar achteren. 17 13 14 16 15 Opbergruimte van het achterportier 13 Centrale armsteun achterin 16 Opbergvakken 14 in voorstoelen Klap de centrale armsteun 16 achterin omlaag.
ASBAK, AANSTEKER, ACCESSOIREAANSLUITING 4 1 4 2 3 Plaats voor asbak 2 Accessoireaansluiting Aansteker U kunt de aansteker gebruiken of een van de aansluitingen 4. Deze zijn bestemd voor de aansluiting van accessoires die zijn goedgekeurd door onze technische dienst. Druk met contact aan op het deksel 1 of zet de armsteun omhoog 3 om de aansteker te gebruiken, afhankelijk van de auto. Trek eraan. Plaats hem na gebruik in de houder zonder hem er helemaal in te drukken.
HOOFDSTEUN ACHTER 1 B A C 2 Hoofdsteun middelste stoel C opbergstand Druk het lipje 2 in en laat de hoofdsteun helemaal zakken. De hoofdsteun in de onderste stand is een opbergstand: Indien er een passagier op de stoel zit, mag de hoofdsteun niet in de onderste stand gebruikt worden. Gebruiksstand A Zet de hoofdsteun geheel omhoog om hem in de hoogste stand te gebruiken. Controleer de vergrendeling. Opbergstand B Druk op de knop 1 in en laat de hoofdsteun helemaal zakken.
ACHTERBANK (1/2) Voordat u een stoel aan de zijkant achter neerklapt: – bij 4-deurs uitvoeringen: bevestig de gordel van de betrokken stoel in de juiste sluiting; – op breakuitvoeringen: bevestig NIET de gordelvan de betrokken stoel. A 1 Rugleuning weer omhoog zetten Voor het terugplaatsen van de rugleuning, gaat u in omgekeerde volgorde te werk. Zet de rugleuning weer omhoog en klik deze vast tegen zijn steun.
ACHTERBANK (2/2) Gebruiksomstandigheden – Stilstaande auto; – met de achterklep open; – autogordels achter ontgrendeld. Bij een storing 2 Als aan alle gebruiksvoorwaarden is voldaan en de stoelen niet worden neergeklapt, neemt u contact op met een merkdealer. Om de rugleuningen automatisch neer te klappen (stand vlakke vloer) Schuif de voorstoelen voldoende naar voren. Zet de zij-hoofdsteunen omhoog en verwijder de centrale hoofdsteun helemaal.
ACHTERKLEP: 4-deurs uitvoeringen (1/3) Afhankelijk van de auto kan de achterklep op diverse manieren worden bediend: – via de externe bediening van de achterklep; – met de “handsfree”-functie Let erop dat tijdens het openen/sluiten van de achterklep niets de beweging belemmert. Uit veiligheidsoverwegingen mag u de deur alleen openen en sluiten als de auto stilstaat. Risico van verwonding. 1 Via de externe bediening van de achterklep Open zetten Druk met de portieren niet vergrendeld op de knop 1.
ACHTERKLEP: 4-deurs uitvoeringen (2/3) De sensor detecteert dat u uw voet dichterbij en vervolgens weer verderaf brengt en schakelt het openen van de achterklep in. Houd uw voet niet in de lucht. Voer de beweging uit zonder te stoppen en zonder de achterbumper te raken. A B Met de “handsfree”-functie Met de handsfree-functie kunt u de bagageruimte openen wanneer u de handen vol hebt.
ACHTERKLEP: 4-deurs uitvoeringen (3/3) Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik – Controleer voor het openen van de achterklep dat er voldoende ruimte is om de bediening mogelijk te maken. Zo niet dan stopt u de beweging van de achterklep voordat deze contact maakt. – Het systeem kan tijdelijk problemen ondervinden als één van de opnameelementen in de achterkant van de bumper is bedekt (vuil, modder, sneeuw, Strooiwagens zout, enz.). Reinig de sensoren.
BAGAGERUIMTE: break-uitvoering (1/2) 2 1 Openen/sluiten Open zetten Druk bij ontgrendelde portieren op de knop 1 en trek de achterklep omhoog. Bijzonderheid van auto’s met een aangedreven achterklep Zie “Gemotoriseerde achterklep” in hoofdstuk 3. Sluiten Trek de achterklep omlaag met de handgreep aan de binnenkant 2. Het aansluiten van een drager (fietsdrager, bagagekoffer, enz.) die rust op de achterklep is verboden. Om een drager te installeren op uw auto, neemt u contact op met een merkdealer. 3.
BAGAGERUIMTE: break-uitvoering (2/2) 3 4 5 Met de hand openen van binnenuit Bij een elektrische storing, kunt u de achterklep met de hand van binnenuit openen. – kantel de rugleuning(en) van de achterbank naar voren, zodat u in de bagageruimte kunt komen, – Maak de bekleding los bij 3; – schuif het lipje 4 naar rechts of, afhankelijk van de auto, het lipje 5; – duw tegen de achterklep om hem te openen. 3.
GEMOTORISEERDE ACHTERKLEP (1/5) Als de auto hiermee is uitgerust, wordt de achterklep tegelijk met de portieren elektrisch vergrendeld of ontgrendeld. Gebruiksomstandigheden Openen/sluiten – Zet de auto stil. Afhankelijk van de auto zijn er verschillende manieren om de achterklep te bedienen: – Indien de achterklep door ijs of sneeuw niet kan openen, moet u beslist de achterklep ijs- of sneeuwvrij maken.
GEMOTORISEERDE ACHTERKLEP (2/5) 1 3 4 2 Met de externe schakelaar om de achterklep te openen Met de schakelaar in de auto om de achterklep te sluiten Druk op de schakelaar 1. Druk op de schakelaar 3. Met de schakelaar op het dashboard Druk lang op de schakelaar 4. Met de RENAULT-card met afstandsbediening Druk met het contact uit lang op de schakelaar 2 van de RENAULT-card. Uit veiligheidsoverwegingen mag u de deur alleen openen en sluiten als de auto stilstaat. Risico van verwonding. 3.
GEMOTORISEERDE ACHTERKLEP (3/5) De sensor detecteert dat u uw voet dichterbij en vervolgens weer verderaf brengt en schakelt het openen of sluiten van de achterklep in. Houd uw voet niet in de lucht. Voer de beweging uit zonder te stoppen en zonder de achterbumper te raken. Opmerking: nadat de opdracht tot sluiten is gedetecteerd blijft de achterklep nog ongeveer 3 seconden open voordat het sluiten wordt ingezet (er weerklinkt elke seconde een geluidssignaal).
GEMOTORISEERDE ACHTERKLEP (4/5) De beweging van de achterklep onderbreken U kunt de beweging van de gemotoriseerde achterklep op elk moment onderbreken door kort op een van de schakelaars te drukken. Afhankelijk van de positie van de portieren, de achterklep kan echter nog steeds met de hand worden geopend. Als de achterklep stilstaat in een tussenstand, zal de achterklep bij de volgende druk in de omgekeerde richting bewegen als toen u de beweging van de achterklep stopte.
GEMOTORISEERDE ACHTERKLEP (5/5) Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik – Controleer voor het openen/sluiten van de achterklep dat er voldoende ruimte is om het uitvouwen mogelijk te maken. Als dit niet het geval is, stopt u de beweging van de achterklep met de bediening voor de achterklep en houdt u de achterklep met de hand op zijn plaats (de achterklep kan nog steeds met de hand worden geopend).
BAGAGE-AFDEKPLAAT (1/2) 1 3 B 1 2 Oprollen van het soepele deel van de bagage-afdekking 1 De bagage-afdekplaat 1 verwijderen/terugplaatsen Druk op de handgreep 2 om de pennen vrij te maken van hun bevestigingspunten aan elke kant van de bagageruimte. Verschuif de knop 3 en til tegelijk de rechterkant (beweging B) van het oprolmechanisme op. Til daarna de linker kant van het oprolmechanisme op en verwijder het geheel.
BAGAGE-AFDEKPLAAT (2/2) Opmerking: de bagageafdekplaat 1 kan alleen worden opgeslagen als de losse bodemplaat is gekanteld. Plaats de bagageafdekplaat 1 niet in de houders 4 met de losse bodemplaat in een andere stand. Zie “Opslag in de motorruimte” in hoofdstuk 3. 4 De harde bagageafdekplaat opslaan 1 U kunt de bagageafdekplaat 1 bewaren onder de losse bodemplaat.
BAGAGESCHEIDINGSNET (1/2) A 1 B 2 5 3 4 Afhankelijk van de auto, is het handig bij het vervoer van dieren of bagage om deze af te scheiden van het passagiersdeel. Het net kan op twee manieren geplaatst worden: – achter de achterbank A; – achter de voorstoelen B. Aanbrengen van het scheidingsnet achter de voorstoelen Aan beide kanten in de auto: – bevestig de twee haken 5 van de netbanden 3 aan de verankeringen 4 onder de mat; – stel de band 3 van het net zo af, dat het goed strak staat.
BAGAGESCHEIDINGSNET (2/2) 6 6 7 10 8 9 Aanbrengen van het scheidingsnet achter de achterstoelen Aan beide kanten in de auto: – til het kapje 6 omhoog om bij de rail voor de bevestiging aan de bovenkant van het net te komen; – steek het bovenste stangetje 7 van het net in de rail; 3.46 – bevestig de haak 9 van de netband aan de verankeringen 10; – stel de netband 8 af zodat deze goed gespannen is. De rugleuningen mogen het bagagescheidingsnet niet raken.
INDELING BAGAGERUIMTE (1/5) 3 1 1 C 2 4 C A B Losse bodemplaat Gekantelde stand Afhankelijk van de auto bestaat dit uit twee verschillende onderdelen A en B of één onderdeel C. Uitvoering van de bodemplaat in twee delen: A en B Til het deel B op met behulp van de handgreep 2 en plaats het op de nokken 1. Opmerking: in de gekantelde stand kunt u de bagageafdekplaat opslaan in een opbergruimte onder de losse bodemplaat (zie “De bagageafdekplaat opslaan” in hoofdstuk 3).
INDELING BAGAGERUIMTE (2/5) 5 B 6 6 Tussenstand Hiermee kunt u de bagageruimte in twee afzonderlijke ruimtes onderverdelen. 6 Uitvoering van bodemplaat in twee delen: A en B Verwijder het deel B met handgreep 5. Schuif het deel B tussen de nokken 6. Het is in de verticale stand vastgezet. Om deel B te vervangen in de stand vlakke vloer, tilt u dit omhoog uit de tussenstand en plaatst u het horizontaal terug. 3.
INDELING BAGAGERUIMTE (3/5) E 7 D Tussenstand (vervolg) bodemplaat C D 4 4 8 Om het deel D weer in de bodemplaat te plaatsen, voert u dit in omgekeerde volgorde uit. Til deel D op met behulp van de aansluitingen in de zone 7 en kantel het weer verticaal (beweging E). Dit is vastgezet met scharnieren 8. 3.
INDELING BAGAGERUIMTE (4/5) 5 B 10 10 9 11 Bergruimte onder de bodem 9 Opbergruimte 10 (afhankelijk van de auto) (afhankelijk van de auto) Om deze te openen, tilt u deel B op van de bodemplaat met behulp van de handgreep 5. Open, indien aanwezig, het deksel 11 om bij de opbergruimte 10 te komen. 3.50 Als de auto is uitgerust met een subwoofer, bevindt deze zich achter de kap 11 van de opbergruimte 10.
INDELING BAGAGERUIMTE (5/5) 12 13 Tassenhaak 12 Maximale massa: 5 kg. De zwaarste voorwerpen plaatst u zo laag mogelijk op de laadvloer. Zet de lading indien mogelijk vast aan de bevestigingspunten 13 (indien aanwezig) op de vloer van de laadruimte. De lading moet zo geplaatst zijn dat niets naar voren geslingerd kan worden in geval dat de bestuurder plotseling moet remmen. Maak de autogordels van de zitplaatsen achter vast, ook als deze niet bezet zijn. Bevestigingshaken Bevestigingspunten 13.
VERVOER VAN BAGAGE A B 1 Bevestigingshaken Let er bij het vervoer op dat de voorwerpen met hun langste zijde steunen tegen ofwel: – de rugleuning van de achterbank bij normale ladingen (voorbeeld A). – De rugleuningen van de voorstoelen met de rugleuningen van de achterstoelen neergeklapt en de losse bodemplaat in de stand vlakke vloer staat (geval B).
VERVOER VAN VOORWERPEN: trekhaak A A: 1,205 mm (vierdeursuitvoering). A: 1,222 mm (break-uitvoering). Kogeldruk, maximaal toegelaten massa’s van geremde en ongeremde aanhangwagens: raadpleeg hoofdstuk 6, paragraaf “Massa’s”. Keuze en monteren van een trekhaak Maximale massa van de trekhaak: 38 kg. Raadpleeg het montagevoorschrift van de uitrusting voor de montage en de voorwaarden voor het gebruik. Het is raadzaam deze voorschriften bij uw instructieboekje te bewaren.
DAKDRAGERS Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik Gebruik van de achterklep Break uitvoering 1 1 Voor auto’s uitgerust met originele dakdragers, zijn de dakdrager vast en kunnen deze niet gedemonteerd worden. Raadpleeg voor het vervangen een merkdealer. Controleer voor het gebruik van de achterklep, de voorwerpen en/of accessoires (fietsendrager, dakkoffer, enz.) op de dakdragers: deze moeten op de juiste wijze zijn bevestigd en goed vastzitten en mogen de beweging van de achterklep niet hinderen.
MULTIMEDIA-UITRUSTING (1/2) 1 4 5 3 2 Multimedia systemen 1 2 3 4 5 Multimediascherm; Centrale bediening; Bediening onder het stuurwiel; Bediening bij het stuurwiel; Microfoon. Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon Gebruik de bedieningen van het stuur 4 voor de auto’s die hiermee uitgerust zijn. Gebruik van de telefoon Houd u altijd aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van dit appaRaadpleeg voor de werking van dit systeem de gebruiksaanwijzing. raat. 3.
MULTIMEDIA-UITRUSTING (2/2) 6 7 Multimedia-aansluitingen 6 Multimedia-aansluitingen 7 Via de USB-aansluitingen hebt u toegang tot de multimedia-inhoud van uw accessoires en de systeem-update (zie de gebruiksaanwijzing van de uitrusting). Met de USB-aansluitingen kunnen eveneens door de technische dienst van het merk goedgekeurde accessoires met een maximumvermogen van 12 watt (spanning: 5 V) worden opgeladen.
Hoofdstuk 4: Onderhoud Motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Oliepeil van de motor: algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Oliepeil van de motor: (bij)vullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
MOTORKAP (1/2) 2 3 1 Om deze te openen trekt u aan de handgreep 1, links van het dashboard. Veiligheidshaak van de motorkap Om deze te ontgrendelen, duwt u tegen het lipje 3 en tilt u tegelijkertijd de motorkap op. Controleer bij werkzaamheden onder de motorkap of de schakelaar van de ruitenwisser in de stand uit staat. Verwondingsgevaar Motorkap openen Zet de motorkap met de hand omhoog, deze wordt ondersteund met behulp van twee gasveren 2.
MOTORKAP (2/2) Sluiten van de motorkap Controleer of er geen gereedschap of andere voorwerpen in de motorruimte zijn achtergebleven. Om de motorkap te sluiten, pakt u het midden van de motorkap en laat u deze van 30 cm hoogte dichtvallen. Hij vergrendelt door zijn gewicht. Controleer na werkzaamheden in de motorruimte of er niets is vergeten (lappen, gereedschap, enz.). Deze kunnen de motor beschadigen of brand veroorzaken. Controleer de vergrendeling van de kap.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: algemeen Iedere motor verbruikt wat olie voor het smeren en koelen van de bewegende delen in de motor. Het is daarom normaal dat u tussen twee onderhoudsbeurten olie moet bijvullen. B A Indien u na de inrijperiode echter meer dan 0,5 liter olie per 1 000 km moet bijvullen, dient u dit aan een merkdealer te melden. Controleer het oliepeil regelmatig en in ieder geval voor elke grote reis: vul indien nodig tijdig olie bij om ernstige schade aan de motor te voorkomen.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen (1/3) 1 1 1 2 2 2 (Bij)vullen – Draai de dop 1 los; De auto moet horizontaal staan en de motor moet koud zijn (bijvoorbeeld voordat u ‘s morgens wegrijdt). – vul bij (in de regel ligt de hoeveelheid tussen de aflezingen “mini” en “maxi” op de peilstok 2 tussen 1,5 en 2 liter, afhankelijk van de motor); – wacht 20 minuten om de olie naar beneden te laten zakken in de motor; – controleer het peil met de peilstaaf 2 zoals hiervoor is beschreven.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen (2/3) 2 1 2 1 Vul nooit bij tot boven het peil “maxi” en vergeet niet de dop 1 en de peilstaaf 2 weer terug te plaatsen. 1 1 Voordat u in de motorruimte werkzaamheden kunt uitvoeren, moet u absoluut het contact uitzetten (zie “De motor starten en stoppen” in hoofdstuk 2). 2 4.6 Om morsen te voorkomen, adviseren wij een trechter te gebruiken bij het (bij) vullen van olie.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen (3/3)/ OLIE VERVERSEN Olie verversen Soort motorolie Interval: raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto. Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto. Inhoud bij verversen Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto of neem contact op met een merkdealer. Controleer het motoroliepeil altijd met behulp van de peilstaaf zoals eerder uitgelegd (dit mag nooit lager zijn dan mini of hoger dan maxi op de peilstaaf).
PEILEN (1/3) Regelmatige controle van het peil Interval voor het vervangen Controleer regelmatig het peil van de koelvloeistof (de motor kan ernstig beschadigen door een gebrek aan koelvloeistof). Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto. Vul uitsluitend bij met door onze technische dienst goedgekeurde producten die zorgen voor: 1 – een bescherming tegen bevriezen; – bescherming tegen corrosie van het koelcircuit. Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn.
PEILEN (2/3) 2 Peil 2 Vullen Het is normaal dat het remvloeistofpeil daalt met het slijten van de remblokken, maar het mag nooit beneden het “ MINI ”-merkteken komen. Na werkzaamheden aan het hydraulische circuit moet de remvloeistof worden vervangen door een deskundige. Als u zelf de slijtage van de schijven en trommels wilt controleren, dan kunt u bij de merkdealer of op de web-site van de constructeur een document verkrijgen met een controlemethode.
PEILEN (3/3)/FILTERS 3 Vloeistof Filters Product voor ruitensproeiers. Gebruik ‘s winters een antivriesmiddel. Gebruik producten die erkend zijn door een merkdealer. Het vervangen van de filters (luchtfilter, interieurfilter, brandstoffilter) maakt deel uit van het onderhoudsprogramma van uw auto. Opmerking: gebruik geen zuiver water (risico op beschadiging van de aanzuigpomp, kalkafzetting op de pomp en de sproeiers).
ACCU (1/2) A A De capaciteit van uw accu kan verminderen, vooral als u uw auto gebruikt: – voor korte ritten; – in stadsverkeer; 1 – als de temperatuur daalt; 1 Afhankelijk van de auto, bevindt de accu 1 zich in de motorruimte of onder de vloer van de bagageruimte. De accu 1 is onderhoudsvrij. U mag de accu niet openen of er vloeistof aan toevoegen. Sticker A Houd u aan de indicaties op het label A. U mag geen werkzaamheden aan de accu uitvoeren.
ACCU (2/2) Vervangen van de accu B 2 3 4 Teneinde uw veiligheid en een goede werking van de elektrische uitrustingen van de auto te waarborgen (lampen, ruitenwisser, rembekrachtiging), moet elk onderhoud aan de accu (demontering, loskoppeling...) verplicht worden uitgevoerd door een gespecialiseerd vakman.
BANDENSPANNINGEN (1/2) Auto met een controlesysteem voor bandenspanning In geval van te lage bandenspanning (lekke band, te lage bandenspanning enz.) gaat A B A C C D E E E F F F het controlelampje op het instrumentenpaneel branden. Raadpleeg de paragraaf “Controlesysteem bandenspanning” in hoofdstuk 2. G Sticker A B: bandenmaat van uw auto. Open het bestuurdersportier om het te lezen. De bandenspanning dient bij koude banden te worden gecontroleerd. C: voorziene rijsnelheid.
BANDENSPANNINGEN (2/2) Veiligheid van de banden en monteren van sneeuwkettingen: Raadpleeg de paragraaf “Banden” in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwkettingen (afhankelijk van de uitvoering). Voor uw veiligheid en voor de naleving van de geldende wetgeving. Als de banden moeten worden vervangen, dan mag dit alleen gebeuren met even grote banden van hetzelfde merk, hetzelfde type en dezelfde structuur op eenzelfde profiel.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (1/3) Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de buitenkant van de auto regelmatig te onderhouden. Uw auto is op doelmatige wijze tegen roestvorming beschermd. Toch staat hij bloot aan de invloed van verschillende parameters.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (2/3) Wat u niet moet doen De auto wassen in felle zon of als het vriest. Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder ze eerst met water los te weken. De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan ophopen. Kleine beschadigingen niet (laten) bijwerken. Vlekken of aanslag verwijderen met oplosmiddelen die niet door onze technische diensten zijn geselecteerd. De lak kan hierdoor worden aangetast.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (3/3) Bijzonderheid van auto’s met matte lak Voor dit type lak moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen worden genomen. Wat u moet doen De auto overvloedig met de hand met water wassen en daarbij een zachte doek, spons, enz. gebruiken. Wat u niet moet doen Producten op basis van was gebruiken (opwrijven). Te hard wrijven. De auto wassen in een wasstraat. Stickers op de lak plakken (risico op achterblijvende resten).
ONDERHOUD VAN DE BINNENBEKLEDING (1/2) Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de binnenkant van de auto regelmatig te onderhouden. Een vlek moet altijd snel behandeld worden. Reinig de bekleding (ongeacht het soort vlek) met koud of lauwwarm zeepsop op basis van natuurlijke zeep. Gebruik geen detergenten (afwasmiddel, producten in poedervorm, producten op alcoholbasis enz.). Gebruik een zachte doek. Ruiten van instrumenten (bv.
ONDERHOUD VAN DE BINNENBEKLEDING (2/2) Verwijderen/terugplaatsen van oorspronkelijk in de auto aangebrachte afneembare uitrusting Als u afneembare uitrusting moet verwijderen om het interieur schoon te maken (bijvoorbeeld matten), moet u altijd zorgen dat u ze correct en aan de goede kant terugplaatst (de bestuursmat moet aan de kant van de bestuurder worden teruggeplaatst) en vastzet met de elementen die bij de uitrusting zijn geleverd (de bestuurdersmat bijvoorbeeld, moet altijd worden vastgezet met behul
4.
Hoofdstuk 5: Praktische tips Lekke band, reservewiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pompset voor de banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De gereedschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Sierdop – wiel .
LEKKE BAND, RESERVEWIEL (1/3) In geval van een lekke band Afhankelijk van de auto, beschikt u over een oppompset voor de banden of een reservewiel (raadpleeg de volgende bladzijdes). Bijzonderheid Het controlesysteem van de bandenspanning controleert niet de spanning van de reserveband (het door het reservewiel vervangen wiel verdwijnt van het display op het instrumentenpaneel). Zie “Controlesysteem bandenspanning” in hoofdstuk 2. Laat het reservewiel regelmatig door uw dealer controleren.
LEKKE BAND, RESERVEWIEL (2/3) 4 1 A 5 3 2 6 Reservewiel A Dit bevindt zich in de bagageruimte. Maak de subwoofer 6 los en sluit deze correct aan - wees voorzichtig. Onvoorzichtige behandeling van de subwoofer kan leiden tot schade aan de elektrische en elektronische componenten. Auto niet uitgerust met een subwoofer Om erbij te kunnen komen: – open de bagageruimte – Til de mat van de bagageruimte 1 op met behulp van het lipje 2 (of de handgreep, afhankelijk van de auto).
LEKKE BAND, RESERVEWIEL (3/3) 7 10 8 9 B 11 10 Reservewiel B Om erbij te kunnen komen: Dit bevindt zich in de bagageruimte.
POMPSET VOOR DE BANDEN (1/4) B A Gebruik de pompset niet als de band beschadigd is door het rijden met een lekke band. Controleer dus zorgvuldig de zijkant van de banden voor het repareren. Bovendien kan het rijden met zachte of zelfs platte (of lekke) banden de veiligheid in gevaar brengen en niet te repareren blijken. Deze reparatie is tijdelijk. Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.
POMPSET VOOR DE BANDEN (2/4) 3 4 – druk op de schakelaar 5 om de band op te pompen tot de voorgeschreven bandenspanning (raadpleeg de informatie over “Bandenspanning” in paragraaf 4); 5 6 – na maximaal 15 minuten stopt u het pompen om de spanning af te lezen (op de manometer 6). 2 7 1 9 Gebruik bij een lekke band, de set die (afhankelijk van de auto) is opgeborgen onder de mat van de bagageruimte 1 of in de opbergruimte rechts 2.
POMPSET VOOR DE BANDEN (3/4) 3 Als de band correct is opgepompt, verwijdert u de set: schroef de pompaansluiting van de pompset voor de fles 3 om spatten te voorkomen, en bewaar de fles in een plastic verpakking om te voorkomen dat het product gaat lekken. – Plak het etiket met de rijvoorschriften (onderaan op de fles) op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard. – Berg de set op.
POMPSET VOOR DE BANDEN (4/4) Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set de set mag niet langer dan 15 minuten aaneengesloten gebruikt worden. De fles moet na het eerste gebruik worden vervangen, ook al zit er nog vloeistof in. Let op, als een ventieldopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ontsnappen en de bandenspanning afnemen. Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn. 5.
GEREEDSCHAP (1/2) 4 6 B 5 3 2 1 6 A 8 7 Opbergruimte gereedschapsset Wielmoersleutel 3 Wieldop gereedschap 7 De aanwezigheid van gereedschap is afhankelijk van de auto. Hiermee draait u de wielbouten en het sleepoog 6 los en zet u deze weer vast. Voor het verwijderen van de wieldoppen. Afhankelijk van de auto vindt u het gereedschap in het vak onder de mat van de bagageruimte 1 of in de opbergruimte 2.
GEREEDSCHAP (2/2)/WIELDOP D B Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is gevaarlijk als u plotseling moet remmen. Plaats na gebruik de gereedschappen weer goed in hun steun en berg deze correct op in zijn houder: risico van verwonding. Als er wielbouten in de gereedschapsset zijn meegeleverd, mag u deze bouten (en alleen deze) gebruiken voor het reservewiel: raadpleeg de sticker op het reservewiel. Gebruik de krik alleen voor het verwisselen van een wiel.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (1/2) Auto met krik en wielmoersleutel Verwijder de wieldop (indien van toepassing). Draai de wielbouten iets los met de wielmoersleutel 2. Plaats deze zo dat u deze naar beneden moet drukken. 1 2 Schakel de alarmknipperlichten in. Parkeer de auto op veilige afstand van het verkeer op een horizontale, stroeve en stevige ondergrond. Zet de parkeerrem vast en schakel een versnelling in (eerste of achteruit, of P bij een automatische transmissie).
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (2/2) Draai de wielbouten geheel los en neem het wiel van de naaf. Plaats het reservewiel op de naaf en draai het wiel rond tot de gaten voor de wielbouten samenvallen. Als het reservewiel eigen bouten heeft, mag u deze bouten uitsluitend gebruiken voor het reservewiel. Controleer of het wiel goed tegen de naaf is gedrukt, zet de bouten vast en draai de krik los.
BANDEN (1/3) De banden vormen de enige verbinding tussen de auto en het wegdek, het is daarom van het grootste belang dat zij in goede staat verkeren. Houd u strikt aan de wettelijke voorschriften op dit gebied. 2 1 Als het loopvlak van een band tot aan deze stiften is weggesleten, worden ze zichtbaar 2: u moet dan deze band laten vervangen, omdat er nog slechts 1,6 mm profiel overblijft, waardoor de band op een natte weg onvoldoende grip heeft.
BANDEN (2/3) Bandenspanning Houd u aan de bandenspanningen (inclusief het reservewiel), controleer de bandenspanningen ten minste eenmaal per maand en zeker voor een lange rit (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier). Controleer de spanning bij koude banden; houd geen rekening met een hogere waarde bij warm weer of na een snel gereden rit. Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
BANDEN (3/3) Vervangen van de banden De banden in de winter Spijkerbanden Sneeuwkettingen Het gebruik van spijkerbanden is slechts onder bepaalde omstandigheden toegestaan. Houd u aan de ter plaatse geldende voorschriften, en rijd niet sneller dan de daarmee toegelaten maximum snelheid. Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond de voorwielen worden gelegd. Als een te grote bandenmaat is gemonteerd, kunnen er mogelijk geen sneeuwkettingen worden gemonteerd.
KOPLAMPEN: vervangen van een lamp (1/2) Dimlicht 1 → H7 2 A B 1 3 Grootlicht 3 → H9 Gebruik uitsluitend anti-U.V. 55W lampen om de plastic ruit van de koplampen niet te beschadigen. 4 Raak het lampglas niet aan. Houd de lamp vast aan de metalen voet. Vergeet niet, na het vervangen van de lamp, de kap terug te plaatsen.
KOPLAMPEN: vervangen van een lamp (2/2) 6 LED-grootlicht 6 Extra lampen Raadpleeg een merkdealer. Vraag uw merkdealer om advies als u mistlichten op uw auto wilt monteren. LED-dimlicht 7 7 Raadpleeg een merkdealer. LED-richtingaanwijzers 8 5 Raadpleeg een merkdealer. Mistlichten voor 9 5 9 8 Raadpleeg een merkdealer. LED-dagrijverlichting en markeringslichten 5 Raadpleeg een merkdealer. De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
ACHTERLICHTEN EN ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (1/4) 1 3 2 4-deurs uitvoering Achteruitrijlichten Vervang de lamp 3. LED-zijlichten, remlicht, mistlicht en richtingaanwijzers Open de achterklep, maak de kap los op de interieurbekleding 1 van de achterklep met het gereedschap 2 (zie “Gereedschap” in hoofdstuk 5). Lamptype: W16W. Raadpleeg een merkdealer. De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Verwondingsgevaar 5.
ACHTERLICHTEN EN ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (2/4) 5 A 6 4 7 4-deurs uitvoering (vervolg) Plaats de lamphouder terug en duw de lamp zover als mogelijk naar binnen. Markeringslichten/remlichten en richtingaanwijzers Draai de bouten 4 vast. Open de achterklep en verwijder de schroeven 4. Trek aan de buitenkant A van het licht en verwijder het achterlichthuis. Draai de lamphouder een kwartslag. Derde remlicht 7 Raadpleeg een merkdealer. Controleer of de lamp goed vergrendeld is.
ACHTERLICHTEN EN ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (3/4) 8 10 9 Break uitvoering Markeringslichten, remlichten en richtingaanwijzers 8 Raadpleeg een merkdealer. Achteruitrijlichten Zet de achterklep open. Maak de bekleding 9 los en verwijder deze. Draai de lamphouder 10 linksom en vervang de lamp. Bij het monteren gaat u in omgekeerde volgorde te werk. Plaats de bekleding 9 goed terug na het verwisselen van de lamp. Achteruitrijlichten Lamptype: W16W. 5.
ACHTERLICHTEN EN ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (4/4) 11 11 12 13 Kentekenverlichting 11 Raadpleeg een merkdealer. Zijknipperlichten 12 en binnenverlichting 13 Raadpleeg een merkdealer. 5.
INTERIEURLICHT: lampen vervangen (1/3) Sfeerverlichting Raadpleeg een merkdealer. 1 1 Leesspots 1 Raadpleeg een merkdealer. 5.
INTERIEURLICHT: lampen vervangen (2/3) 3 4 5 2 2 Bagageverlichting 2 Maak met een platte schroevendraaier het lamphuis 2 los door de twee lipjes aan weerskanten van het lamphuis in te drukken. Maak de stekker los. Druk tegen het lipje 3 zodat de lens 5 vrijkomt en u het lampje 4 kunt vervangen. Lamptype: W5W. De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Verwondingsgevaar 5.
INTERIEURLICHT: lampen vervangen (3/3) 3 4 5 6 Verlichting dashboardkastje 6 Maak met een platte schroevendraaier het lamphuis 6 los door de twee lipjes aan weerskanten van het lamphuis in te drukken. Maak de stekker los. Druk tegen het lipje 3 zodat de lens 5 vrijkomt en u het lampje 4 kunt vervangen. Lamptype: W5W. De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Verwondingsgevaar 5.
ZEKERINGEN (1/2) Raadpleeg de sticker met de verklaring van de zekeringen in de opbergruimte A. Bepaalde zekeringen moeten door een vakman worden vervangen. Deze zekeringen vindt u niet op de sticker. U mag enkel werkzaamheden uitvoeren aan de zekeringen die zijn aangegeven op de sticker. 1 A Zekeringkastje Tangetje 1 Controleer de staat van de zekeringen als een elektrisch apparaat niet werkt. Trek de zekering los met behulp van het tangetje 1, dat zich op onder de zekeringen bevindt.
ZEKERINGEN (2/2) Bestemming van de zekeringen (de aanwezigheid van de zekeringen hangt van het uitrustingsniveau van de auto af) Symbool Bestemming Symbool Bestemming H Ruitensproeiers ë Accessoireaansluitingen op derde rij, accessoireaansluiting bagageruimte Ý Aansluiting trekhaak Æ Aansteker voor, accessoireaansluiting voor en achter Diagnoseaansluiting, geluidsalarm Niet in gebruik Spiegelverwarming × Remlichten, UCH Parkeerrem Extra versterker î Radio, bedieningsscher
ACCU: storing (1/4) Om vonkvorming te voorkomen: Aansluiting van een acculader – Controleer of alle stroomverbruikers (binnenlichten enz.) zijn uitgeschakeld voordat u de accuklemmen losmaakt of aansluit; De acculader moet geschikt zijn voor een accu met een nominale spanning van 12 volt. – schakel de acculader uit voordat u deze op de accu aansluit of ervan losmaakt; Maak de accukabels nooit los als de motor draait. Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.
ACCU: storing (2/4) Teneinde uw veiligheid en een goede werking van de elektrische uitrustingen van de auto te waarborgen (lampen, ruitenwisser, rembekrachtiging), moet elk onderhoud aan de accu (demontering, loskoppeling...) verplicht worden uitgevoerd door een gespecialiseerd vakman. Risico op brandwonden door elektrische schokken. U moet zich verplicht houden aan de vervangingsintervallen die worden aangegeven in het onderhoudsboekje zonder deze te overschrijden. De accu is van een speciaal type.
ACCU: storing (3/4) Starten met starthulpkabels Als u voor het starten de accu van een andere auto moet gebruiken, koop dan de startkabels (met groot oppervlak) bij een merkdealer of controleer, als u reeds startkabels heeft, of deze in goede staat verkeren. A 1 4 5 2 3 Beide accu’s moeten dezelfde spanning hebben: 12 volt. De hulpaccu moet minstens de capaciteit (ampère-uur, Ah) hebben van de ontladen accu.
ACCU: storing (4/4) 7 7 6 8 B A 4 8 Accu in de bagageruimte Sluit de positieve kabel aan A op de aansluiting 7 ( + ) en daarna op aansluiting 5 ( + ) van de hulpaccu. De accu is niet direct toegankelijk. Gebruik de aansluiting 7 ( + ) en de aansluiting 8 ( – ) in de motorruimte. Sluit de negatieve kabel aan B op de aansluiting 4 ( – ) van de hulpaccu en daarna op de aansluiting 8 ( – ). Til de afdekkap op 6 van de aansluiting 7 ( + ).
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING: accu (1/2) 2 1 Vervangen van het batterijtje Open de afstandsbediening via gleuf 1 met behulp van een platte schroevendraaier en vervang de batterij 2 en let daarbij op het model en de juiste stand (+ en -) die op de onderkant van het deksel is aangegeven. Als deze vervangen moeten worden, moet u hetzelfde of een gelijkwaardig accutype gebruiken (raadpleeg een merkdealer). N.B.: raak bij het vervangen van het batterijtje niet de elektronische printplaat in de sleutel aan.
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING: accu (2/2) storingen Voorzorgen met betrekking tot batterijen: Als de accu te zwak is om goed te kunnen werken, kunt u de auto nog wel starten en vergrendelen/ontgrendelen (zie “Vergrendelen en ontgrendelen van de portieren” in hoofdstuk 1). – Houd (nieuwe of oude) batterijen buiten het bereik van kinderen. – Slik de batterijtjes niet in. Risico van chemische brandwonden die dodelijk kunnen zijn.
RENAULT-KAART: accu (1/2) 1 A 2 Vervangen van het batterijtje Wanneer de boodschap “Vervang batterij sleutelkaart” op het instrumentenpaneel verschijnt, moet u het batterijtje van de RENAULT-card vervangen: – schuif de behuizing achter 1 omlaag terwijl u op de zone A drukt; – verwijder het afdekkapje 2 van het batterijtje; – verwijder het batterijtje door op één kant ervan te drukken en het aan de andere kant op te tillen; De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij een merkdealer, de levensduur is ongeveer tw
RENAULT-KAART: accu (2/2) Bij een storing Voorzorgen met betrekking tot batterijen: Als de accu te zwak is om goed te kunnen werken, kunt u de auto nog wel starten en vergrendelen/ontgrendelen (zie “Vergrendelen en ontgrendelen van de portieren” in hoofdstuk 1). – Houd (nieuwe of oude) batterijen buiten het bereik van kinderen. – Slik de batterijtjes niet in. Risico van chemische brandwonden die dodelijk kunnen zijn.
ACCESSOIRES Elektrische en elektronische accessoires Controleer vóór het installeren van een dergelijk accessoire (bij zenders/ontvangers vooral: frequentieband, vermogen, plaats van de antenne enz.) of dat geschikt is voor uw auto. Vraag advies aan een merkdealer. Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 120 watt. Risico van brand. Als verschillende accessoireaansluitingen tegelijk worden gebruikt, mag het totale vermogen van de aangesloten accessoires niet meer zijn dan 180 watt.
RUITENWISSERBLADEN: vervangen (1/2) Bij het monteren Schuif het blad op de arm tot het vastklemt. Controleer de vergrendeling. Laat de arm van het ruitenwisserblad voorzichtig zakken. 2 Zet met het contact aan de schakelaar van de ruitenwisser in ruststand. Het ruitenwisserblad aan bestuurderskant moet altijd boven het blad aan de passagierskant liggen. Als dat niet het geval is, moet de ruitenwisser één wisbeweging maken zodra de auto sneller rijdt dan ongeveer 7 km/u.
RUITENWISSERBLADEN: vervangen (2/2) Bij het monteren Monteer het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van losmaken. Controleer of het blad goed is vergrendeld. B 4 C 5 6 Ruitenwisserblad achter 4 Met de schakelaar in ruststand (uitgeschakeld): – Til de ruitenwisserarm 6 op; – laat het blad 4 kantelen tot u een weerstand voelt (beweging C); – afhankelijk van de auto, drukt u op het lipje 5, daarna maakt u het blad vrij door er aan te trekken (beweging B).
SLEPEN: pech (1/2) Voordat u gaat slepen, moet u de versnellingsbak in neutraal zetten, de stuurkolom ontgrendelen en vervolgens de parkeerrem loszetten. Voor auto’s met een automatische transmissie moet u een beroep doen op een merkdealer als u de versnellingshendel niet in stand N kunt zetten. Stuurkolomontgrendeling Afhankelijk van de auto doet u het volgende: steek de sleutel in het stopcontact of druk circa 2 seconden op de startknop als u de RENAULT-kaart bij u hebt.
SLEPEN: pech (2/2) Gebruik alleen het sleepoog 6 “Gereedschap” in hoofdstuk 5). 4 A 4 B 7 5 (zie – Gebruik een starre sleepstang. Indien u een touw of kabel gebruikt bij het slepen (als dit wettelijk toegestaan is), moet de auto die gesleept wordt nog kunnen remmen. – De auto die gesleept wordt, moet te allen tijde bestuurbaar zijn. 6 Gebruik uitsluitend de sleeppunten voor 5 en achter 7 (en nooit de aandrijfassen of enig ander deel van de auto).
STORINGEN (1/6) Gebruik van de RENAULT card MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN De RENAULT card werkt niet voor het ontgrendelen of vergrendelen van de portieren. Batterij van de card leeg. Vervang de batterij. U kunt uw auto altijd vergrendelen, ontgrendelen en starten (zie “Portieren vergrendelen/ontgrendelen” in hoofdstuk 1 en “De motor starten/stoppen” in hoofdstuk 2). Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele telefoon, enz.).
STORINGEN (2/6) U schakelt de startmotor in MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN De controlelampjes op het instrumentenpa- Accuklemmen niet goed vastgezet, Vastzetten, aansluiten of reinigen indien geoxideerd. neel gaan zwakker of niet branden, de start- los of geoxideerd. motor draait niet. De motor wil niet starten. Accu ontladen of defect. Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. Raadpleeg de paragraaf “Accu: storing” in hoofdstuk 5 of vervang de accu indien nodig.
STORINGEN (3/6) Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit balans. Controleer de bandenspanning, als deze goed is, laat dan de banden door een merkdealer nakijken. Witte rook uit de uitlaat. Bij een dieselmotor hoeft dit geen storing te zijn, de rook kan ontstaan door de regeneratie van het roetfilter. Raadpleeg de paragraaf “Bijzonderheid van de dieselmotor” in hoofdstuk 2. Bij een benzinemotor is dit is meestal geen storing.
STORINGEN (4/6) Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN Het sturen gaat zwaar. Oververhitting van de bekrachtiging. Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht die u moet zetten op het stuurwiel om de wielen te draaien. Raadpleeg een merkdealer. Probleem met de elektrische bekrachtigingsmotor. Storing in het hulpsysteem. De motor wordt te warm. De koelvloeistoftemperatuurmeter staat in de gevarenzone en het waarschuwingslampje ® brandt. De vloeistof in het expansievat borrelt.
STORINGEN (5/6) Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN De ruitenwisser werkt niet. Ruitenwisserbladen kleven. Maak de wisserbladen los van de ruit. Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer. Zekering beschadigd. Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf “Zekeringen” in hoofdstuk 5. De ruitenwisser stopt niet. Elektrische verstelling defect. Raadpleeg een merkdealer. Knipperfrequentie te hoog. Lamp doorgebrand.
STORINGEN (6/6) Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN Condens in de koplampen of achterlichten. Condens is een normaal verschijnsel dat door variaties in temperatuur en vochtigheid kan worden veroorzaakt. WAT TE DOEN In dat geval verdwijnen de sporen geleidelijk aan als de lichten branden. Het waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordels vooraan brandt niet in overeenstemming met het vastmaken van de autogordels.
5.
Hoofdstuk 6: Technische gegevens Identificatieplaatjes auto . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Identificatieplaatjes motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Identificatieplaatjes motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
IDENTIFICATIEPLAATJES AUTO A A A 10 9 1 2 3 4 5 6 7 8 De gegevens op het constructeursplaatje moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld. De aanwezigheid en de plaats van de informatie zijn afhankelijk van de auto. B 6.2 Constructeursplaatje A 1 Naam van de fabrikant. 2 Nummer van communautair ontwerp of registratienummer. 3 Identificatienummer. Afhankelijk van de auto wordt deze informatie herhaald op de markering B. 4 MMAC (Max.
IDENTIFICATIEPLAATJES MOTOR (1/2) A 1 2 3 A A De gegevens op het constructeursplaatje of de sticker A moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld. (de plaats is afhankelijk van het motortype) 1 Type van de motor. 2 Indicenummer van de motor. 3 Motornummer. A 6.
IDENTIFICATIEPLAATJES MOTOR (2/2) A 1 2 3 A A De gegevens op het constructeursplaatje of de sticker A moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld. (de plaats is afhankelijk van het motortype) 1 Type van de motor. 2 Indicenummer van de motor. 3 Motornummer. A A 6.
AFMETINGEN (in meter) (1/2) Vierdeursuitvoeringen 0,960 2,809 1,080 1,621 4,849 1,463* 1,620 2,068 * Onbelast 6.
AFMETINGEN (in meters) (2/2) Breakuitvoering 0,960 2,809 1,096 1,621 4,865 1,465* 1,620 2,068 * Onbelast 6.
GEGEVENS VAN DE MOTOR (1/2) Uitvoeringen Type van de motor (zie motorplaatje) Cilinderinhoud (cm3) 1.3 Tce 1.6 Tce 1.8 TCe 1.5 dCi 1.6 dCi 1.7 dCi 2.0 dCi H5H Turbo M5M Turbo M5P Turbo K9K R9M R9N M9R 1 333 1 618 1 798 1 461 1 598 1 749 1 997 Soort brandstof Benzine Octaangetal Ongelode benzine met het voorgeschreven octaan- De sticker in de tankdopklep geeft aan welke brandstoffen toegetal zoals aangegeven op de sticker in de tankdop- gestaan zijn. klep. Dieselbrandstof.
GEGEVENS VAN DE MOTOR (2/2) Uitvoeringen Type van de motor (zie motorplaatje) Cilinderinhoud (cm3) Bougies 1.3 Tce 1.6 Tce 1.8 TCe 1.5 dCi 1.6 dCi 1.7 dCi 2.0 dCi H5H Turbo M5M Turbo M5P Turbo K9K R9M R9N M9R 1 333 1 618 1 798 1 461 1 598 1 749 1 997 Gebruik uitsluitend de voor uw motor voorgeschreven bougietypen. Het type staat aangegeven op een sticker in de motorruimte, raadpleeg anders een merkdealer.
MASSA’S (in kg) De aangegeven massa’s zijn van de basisuitvoering zonder opties: zij variëren naargelang de uitrusting van uw auto. Raadpleeg een merkdealer. Max. toegelaten totaalmassa (MMAC) Max. toegelaten treinmassa (MTR) Max.
ONDERDELEN EN REPARATIES De originele onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteitsnormen als de onderdelen die in de fabriek worden gebruikt. Door het gebruik van de originele onderdelen houdt u de prestaties van uw auto optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een merkdealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan. 6.
ONDERHOUDSCOUPONS (1/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
ONDERHOUDSCOUPONS (2/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
ONDERHOUDSCOUPONS (3/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
ONDERHOUDSCOUPONS (4/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
ONDERHOUDSCOUPONS (5/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
ONDERHOUDSCOUPONS (6/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
PLAATWERKCONTROLE (1/5) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: 6.
PLAATWERKCONTROLE (2/5) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Datum reparatie: 6.
PLAATWERKCONTROLE (3/5) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: 6.
PLAATWERKCONTROLE (4/5) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Datum reparatie: 6.
PLAATWERKCONTROLE (5/5) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: 6.
6.
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (1/5) A aan/uit knop van de motor .....................................................2.5 → 2.7 aanhangwagen ................................................................................ 6.9 aanhangwagen: rijhulp .................................................................. 2.38 aansteker ....................................................................................... 3.29 aanvullende bevestigingsmiddelen...........................1.31 → 1.34, 1.
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (2/5) contact aanzetten van de auto ................................................. 2.3, 2.6 controlelampjes ........................................... 1.56 → 1.61, 1.66 → 1.75 D dakdragers..................................................................................... 3.54 dashboard........................................................................... 1.54 – 1.55 display ......................................................................1.56 → 1.65, 3.
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (3/5) L lak onderhoud ...................................................................4.15 → 4.17 lampen vervangen ...................................................................5.16 → 5.21 lekke band ......................................................... 5.2 → 5.4, 5.9 → 5.12 lichten: achteruitrijlichten ..................................................................... 5.18 alarmknipperlichten ................................................................. 1.
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (4/5) R radio.................................................................................... 3.55 – 3.56 R reagenstank ...................................................................1.102 → 1.105 reagens bijvullen............................................................1.102 → 1.105 reagens(tank) ................................................................1.102 → 1.105 reagenskwaliteit .............................................................1.102 → 1.
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (5/5) T technische gegevens ...........................................................6.5 → 6.10 telefoon ............................................................................... 3.55 – 3.56 temperatuurregeling ............................................................3.6 → 3.15 tijd .................................................................................................. 1.78 tips voor een schoner milieu .........................................................
RENAULT S.A.S. SOCIÉTÉ PAR ACTIONS SIMPLIFIÉE AU CAPITAL DE 533 941 113 € / 13-15, QUAI LE GALLO 92100 BOULOGNE-BILLANCOURT R.C.S. NANTERRE 780 129 987 — SIRET 780 129 987 03591 / TÉL.