Renault SCENIC Instructieboekje
een passie voor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op het circuit als op de weg. Dankzij deze jarenlange samenwerking beschikt u over een gamma smeermiddelen die perfect op uw Renault zijn afgestemd. De duurzame bescherming en optimale prestaties van uw motor zijn zo gegarandeerd.
Welkom aan boord van uw auto In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u: – uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten. – de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften. – zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.
0.
I N H O U D Hoofdstuk Ken uw auto .................................................................. 1 Rijden ............................................................................ 2 Comfort ......................................................................... 3 Onderhoud ................................................................... 4 Praktische tips ............................................................. 5 Technische gegevens ...........................................
0.
Hoofdstuk 1: Ken uw auto Sleutel, FM-afstandsbediening: algemeen, gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De RENAULT-kaart: algemene informatie en gebruik. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Portieren vergrendelen, ontgrendelen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Portieren openen en sluiten. . . . . . . . . . . . . . . . .
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (1/2) 3 1 3 2 1 Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto 2 4 5 Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. 5 Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz..
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (2/2) Bereik van de FMafstandsbediening Dit wordt beïnvloed door de omgeving: let er bij het vasthouden van de afstandsbediening op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld. NB: als een portier (of achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.
FM-AFSTANDSBEDIENING gebruik De auto kan met de afstandsbediening A worden vergrendeld of ontgrendeld. Deze wordt gevoed door een batterijtje, dat u kunt vervangen (raadpleeg de paragraaf “FM-afstandsbediening: batterijtjes” in hoofdstuk 5). Portieren vergrendelen Druk op de vergrendelknop 1. De zijknipperlichten en de alarmknipperlichten knipperen twee keer om aan te geven dat de portieren vergrendeld zijn.
FM-afstandsbediening: extra portiervergrendeling Als de auto extra portiervergrendeling heeft, kunnen hiermee de portieren worden vergrendeld en niet met de handgrepen aan de binnenkant van de portieren worden ontgrendeld (na het inslaan van een ruit om het portier van binnenuit te openen). Druk hiervoor twee keer snel achter elkaar op de knop 1. 1 1 Bij het vergrendelen knipperen de alarmknipperlichten en zijknipperlichten twee keer langzaam en drie keer snel.
RENAULT card: algemeen (1/2) 1 4 2 3 Met de RENAULT card kunt u: Bereik van de RENAULT card – de portieren, de achterklep en de tankdopklep vergrendelen/ontgrendelen (raadpleeg de volgende bladzijdes); – de verlichting inschakelen op afstand van de auto (raadpleeg de volgende bladzijdes); – de elektrische ruiten automatisch op afstand sluiten (zie “Elektrische ruitbediening” in hoofdstuk 3); – de motor starten (zie “De motor starten en stoppen” in hoofdstuk 2).
RENAULT card: algemeen (2/2) Advies 4 Stel de kaart niet bloot aan warmte, koude of vocht. Berg de RENAULT card nooit op een plek op waar deze verbogen of per ongeluk beschadigd zou kunnen worden: dit kan bijvoorbeeld gebeuren als u op de card gaat zitten als deze in uw achterzak zit. Functie “verlichting op afstand” Als u op de knop 4 drukt, gaan de dimlichten en binnenverlichting ongeveer 20 seconden branden. Hiermee kan uw auto op afstand worden herkend, bijvoorbeeld op een parkeerterrein.
“Handsfree” card RENAULT: gebruik (1/4) Er zijn twee manieren voor het vergrendelen/ontgrendelen van de auto: – de RENAULT-kaart in "Handsfree"modus; – de RENAULT-kaart in afstandsbedieningsmodus. Verantwoordelijkheid van de bestuurder Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
“Handsfree”-card RENAULT: gebruik (2/4) N.B.: de afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving. 4 2 “Handsfree” vergrendelen met behulp van de knop 3 Als u uw auto wilt vergrendelen en de card in de buurt moet blijven met gesloten portieren en bagageruimte, raakt u de knop van de handgreep 3 van het bestuurdersportier aan. De auto vergrendelt. 3 “Handsfree” ontgrendelen Met de RENAULT card in zone 1, steekt u uw hand achter portierhandgreep 2: de auto wordt ontgrendeld.
“Handsfree”-card RENAULT: gebruik (3/4) Het ontgrendelen wordt aangeduid met één keer knipperen van de alarmknipperlichten en de knipperlichten. 6 7 5 Vergrendelen met behulp van de RENAULT card Met de portieren en de bagageruimte gesloten, druk op de knop 7: de auto wordt vergrendeld. De knipperlichten en de alarmknipperlichten knipperen twee keer om aan te duiden dat de portieren vergrendeld zijn. NB: de maximale afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving.
“Handsfree” card RENAULT: gebruik (4/4) 5 8 Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Wanneer de card zich bij een gestarte motor en na het openen en sluiten van een deur niet langer binnen de zone 5bevindt, waarschuwt de boodschap “Kaart niet gedetecteerd” u dat de card zich niet langer in de auto bevindt.
RENAULT CARD: extra portiervergrendeling Als de auto extra portiervergrendeling heeft, kunnen hiermee de portieren worden vergrendeld en niet met de handgrepen aan de binnenkant van de portieren worden ontgrendeld (na het inslaan van een ruit om het portier van binnenuit te openen). 1 Druk hiervoor twee keer snel achter elkaar op de knop 1. Bij het vergrendelen knipperen de alarmknipperlichten en zijknipperlichten twee keer langzaam en drie keer snel.
portieren vergrendelen, ontgrendelen (1/3) Als de afstandsbediening of, afhankelijk van de auto, de RENAULT-card niet werkt. In bepaalde gevallen werken de FMafstandsbediening of de RENAULT-card niet: – batterij van de FM-afstandsbediening of van de RENAULT-card leeg, accu van de auto ontladen enz. – gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele telefoon, enz.); – de auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
portieren vergrendelen, ontgrendelen (2/3) 6 4 B 2 3 Gebruik van de in de RENAULT card geïntegreerde sleutel – Steek het uiteinde van de sleutel in de 2 uitsparing 3 onderaan het afdekkapje B van het linkerportier. – Beweeg het omhoog om het afdekplaatje B te verwijderen; – Steek de sleutel 2 in het slot en vergrendel of ontgrendel het linkervoorportier. Zodra u zich in de auto bevindt, steekt u de geïntegreerde sleutel opnieuw in de uitsparing van de RENAULT-card. 1.
portieren vergrendelen, ontgrendelen (3/3) Vergrendelen van de portieren zonder RENAULT-card of zonder sleutel Dit is bijvoorbeeld het geval als een batterijtje ontladen is, de RENAULT-card of de sleutel tijdelijk niet werkt enz. 7 Druk met de motor uit en een portier (of achterklep) geopend meer dan vijf seconden op de schakelaar 7. Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.
Portieren openen en sluiten (1/2) 4 2 3 1 Openen van buitenaf Openen van binnenuit Als de portieren ontgrendeld zijn of met de -RENAULTcard bij u, trekt u de portierhandgreep 1 naar u toe. Trek aan de portierhandgreep 2. Waarschuwingssignaal verlichting brandt nog Als bij het openen van een portier, terwijl het contact is afgezet, de verlichtingsschakelaar niet in stand AUTO staat, dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen dat de lichten nog branden.
Portieren openen en sluiten (2/2) 5 Veiligheid van de kinderen Een achterportier kan niet van binnenuit worden geopend als u het knopje 5 omzet. Controleer of het portier inderdaad niet van binnenuit geopend kan worden. Herhaal dit bij het andere achterportier. Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden Inschakelen/Uitschakelen van de functie 1 2 Voor het inschakelen: druk, bij stilstaande auto met draaiende motor, op de schakelaar 2 tot u een geluidssignaal hoort. Deactiveren: druk, bij stilstaande auto met draaiende motor, op de schakelaar 2 tot u twee geluidssignalen hoort.
Hoofdsteunen voor B 1 A Afstellen van de zijbevestigingen B Afhankelijk van de auto, kunt u de delen B onafhankelijk van elkaar afstellen tot het gewenste comfort bereikt is. B 3 2 Verwijderen van de hoofdsteun Zet deze in de hoogste stand (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren). Druk op de knop 2 en trek hem omhoog tot hij vrijkomt. Hoofdsteun terugplaatsen Hoofdsteun hoger zetten Trek de hoofdsteun tot de gewenste hoogte omhoog.
Voorstoelen zonder elektrische verstelling (1/3) Rugleuning verstellen Trek de handgreep 3 omhoog tot de rugleuning in de gewenste stand staat. In de gewenste stand laat u de handgreep los. Controleer of de zitting vergrendeld is. 2 1 3 Afstellen Stoel vooruit of achteruit schuiven Til de handgreep 1 op en houd deze vast om de stoel te ontgrendelen. In de gewenste stand laat u de handgreep los. Controleer de vergrendeling.
Voorstoelen zonder elektrische verstelling (2/3) 4 Om de lendensteun van de stoel te verstellen Zet de hendel 4 lager voor een steviger ondersteuning en hoger voor een zwakkere. 5 Stoelverwarming Contact aan: – Door één keer drukken op de schakelaar 5 van de gewenste stoel schakelt de stoelverwarming op de hoogste stand in. Beide geïntegreerde waarschuwingslichtjes op de schakelaar gaan branden; – door een tweede keer te drukken schakelt de stoelverwarming op de laagste stand in.
Voorstoelen zonder elektrische verstelling (3/3) Als u de passagiersstoel als tafel gebruikt, mag u de 2 zitplaatsen juist achter deze stoel niet gebruiken. 7 Terugplaatsen van de stoel Zorg dat er geen voorwerp het bewegen van de stoel hindert. Het is essentieel om aan de handgreep te trekken 7 om de rugleuning weer omhoog te zetten. Controleer of de stoel goed vaststaat. Houd de rugleuning van de stoel goed tegen wanneer u de stoel in de tafelstand wilt zetten.
VOORSTOEL MET ELEKTRISCHE BEDIENING (1/2) Rugleuning verstellen Om de helling van de rugleuning te verstellen, beweegt u de bovenkant van de schakelaar 2 naar voren of naar achteren. 1 Lendensteun van de stoel verstellen 2 3 Beweeg de schakelaar 3 naar voren, naar achteren, naar boven of naar beneden. Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
VOORSTOEL MET ELEKTRISCHE BEDIENING (2/2) Stoelverwarming Contact aan: 4 6 5 Zitting verstellen Zitting vooruit of achteruit schuiven Beweeg de schakelaar 4 naar voren of naar achteren. Zitting hoger of lager zetten Beweeg de achterkant van de schakelaar 4 omhoog of omlaag. Om de zitting te kantelen (afhankelijk van de auto) Beweeg de voorkant van de schakelaar 4 omhoog of omlaag. 1.24 Om de lengte van de zitting af te stellen Trek de handgreep (5) omhoog om te ontgrendelen.
Voorstoelen: functies (1/3) Blader door het menu “Bestuurder” of “Passagier” om: Massage Bestuurder Massage Passagier – het soort massage in te stellen (stimulerend, relaxerend of lenden); ON – de intensiteit in te stellen (+ of -); – de snelheid in te stellen (+ of -); 1 Opwekkend Ontspannen Lumbaal – de ingestelde parameters resetten. Druk op 2 en vervolgens op “Resetten”; Intensiteit – de stoelmassage in of uit te schakelen (ON of OFF).
Voorstoelen: functies (2/3) Eenvoudige toegang bestuurder ON Eenvoudige toegang passagier ON Bediening voor passagier Gemakkelijke toegang voor de bestuurder en de passagier Druk op “ON” of “OFF” om deze functie te activeren of te deactiveren. Als deze functie actief is, gaat de stoel gaat automatisch achteruit als de bestuurder of passagier de auto verlaat. OFF Positie De passagiersstoel gaat terug naar de oorspronkelijke stand bij het sluiten van het portier.
Voorstoelen: functies (3/3) Stand Positie De zitpositie van de bestuurdersstoel kan worden opgeslagen. Visuele feedback 3 De zitpositie omvat alle elektrische instellingen van het zitkussen en de rugleuning. De zitpositie kan worden opgeslagen in het geheugen en daaruit worden opgeroepen, door op de knoppen te drukken: – de “handsfree” RENAULT-card is gedetecteerd; – bij het openen van het bestuurdersportier.
Autogordels (1/3) Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de autogordel om de beste bescherming te krijgen. De juiste zithouding verkeerd afgestelde of gedraaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel veroorzaken. Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene. Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen.
Autogordels (2/3) ß 1 3 5 4 5 Vergrendelen Trek de riem langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (controleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken). Als de gordel blokkeert, laat hem dan een stuk teruggaan en rol hem opnieuw af. Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.
Autogordels (3/3) 7 – Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan. Raadpleeg een merkdealer voor het monteren van bv. een kinderzitje. – Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.
AUTOGORDELS ACHTER 5 A C 1 2 4 B 10 9 11 6 3 8 7 Achterstoelen zijkant tweede rij Achterstoel midden tweede rij Rol de gordel 1 langzaam af. Trek de gordel 5 langzaam uit zijn houder 4. Klik de verschuifbare gesp 2 in de bijbehorende rode sluiting 3. Klik de gesp 9 vast in de zwarte sluiting 8. Klik de laatste verschuifbare gesp 6 in de rode sluiting 7. 12 Achterstoelen derde rij (uitvoeringen 7 zitplaatsen) Rol de gordel 10 langzaam af.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (1/4) Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit: – gordelspanners van het oprolmechanisme van de autogordel; – Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrijding. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (2/4) Krachtbegrenzer Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau. Airbags van bestuurder en passagier voorin Deze bevindt zich bij de linker en rechter voorstoel.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (3/4) Storingen å Dit controlelampje licht op bij het starten van de motor en dooft na ongeveer drie secondes. Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer. Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is. Werking Het systeem werkt alleen als het contact aanstaat.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (4/4) Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen. Waarschuwingen met betrekking tot de airbag van de bestuurder – Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop. – Dek de naafdop niet af. – Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel. – Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd.
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen achterin Krachtbegrenzer Deze zijn bevestigd aan de achterstoelen aan de zijkant van de tweede rij. Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau. – Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrijding.
Veiligheidsvoorzieningen bescherming zijkant Zijdelingse Airbags Deze airbag is in de voorstoelen geplaatst en wordt aan de zijkant van de stoelen (kant van de deur) geactiveerd om de inzittenden te beschermen in geval van een ernstige aanrijding tegen de zijkant. ZijruitAirbags Dit zijn airbag die zich aan de zijkant boven bevinden en die zich ontplooien langs de zijruiten van het voor- en achterportier om de inzittenden bij een hevige botsing tegen de zijkant te beschermen.
AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen. De airbag is bedoeld als aanvulling op de werking van de autogordel. De airbag en de autogordel vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet-dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zware verwondingen.
kinderveiligheid: algemeen (1/2) Vervoer van kinderen U dient zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Het kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert. Een kind is geen volwassene in miniatuurformaat. Het staat bloot aan specifieke letselrisico’s doordat de spieren en botten nog in de groei zijn. De autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoer.
kinderveiligheid: algemeen (2/2) Gebruik van een kinderzitje De bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de bescherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing. Controleer voordat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelijke eisen van het land waar u zich bevindt en of het gemonteerd kan worden in uw auto.
Kinderveiligheid: keuze van het kinderzitje Kinderzitje “achterstevoren” Het hoofd van een baby is, naar verhouding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo lang mogelijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund. Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind boven het kuipzitje uitsteekt.
Kinderveiligheid: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (1/3) Er zijn twee bevestigingssystemen voor kinderzitjes: met de autogordel of met het ISOFIX systeem. Bevestiging met de autogordel De autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing. Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft.
Kinderveiligheid: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (2/3) Bevestiging met ISOFIX systeem Goedgekeurde kinderzitjes ISOFIX zijn gestandaardiseerd volgens de huidige regelgeving als één van de vier onderstaande gevallen van toepassing is: – universeel ISOFIX 3-punts vooruit; Bevestig het kinderzitje met de ISOFIX grendels als het deze heeft. Het ISOFIX systeem garandeert een gemakkelijke, snelle en veilige montage. Het ISOFIX systeem bestaat uit 2 ringen en, in sommige gevallen, een derde ring.
Kinderveiligheid: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (3/3) 2 3 1 Bevestiging met het ISOFIX systeem (vervolg) De twee ringen 1 bevinden zich tussen de rugleuning en de zitting van de stoel en zijn te herkennen aan een markering. Zitplaatsen achter aan de zijkanten De derde ring 2 of 3 wordt gebruikt voor het vastmaken van de bovenste riem van bepaalde stoelen ISOFIX. De ringen bevinden zich op de rugleuningen van de achterstoelen en zijn te herkennen aan het symbool .
Kinderveiligheid: installatie van het kinderzitje, algemeen (1/2) Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kinderzitjes bevestigd worden Op het schema op de volgende bladzijde ziet u waar u een kinderzitje mag bevestigen. De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer, voordat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden. Op zitplaats voorin Monteer het kinderzitje bij voorkeur op een zitplaats achterin.
Kinderveiligheid: installatie van het kinderzitje, algemeen (2/2) Zitplaats achterin Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier gelegen kant. Voor auto’s met zeven zitplaatsen moet u de achterstoelen van de tweede rij zo veel mogelijk naar voren zetten voordat u een kind op de achterstoelen van de derde rij zet.
Kinderzitjes: bevestiging met de autogordel (1/6) Installatieoverzicht vijfdeursuitvoering ³ Controleer de staat van de airbag voordat u een passagier laat plaatsnemen of een kinderzitje installeert. ² ¬ Plaats verboden voor het installeren van een kinderzitje. Plaats toegelaten voor de bevestiging met de gordel van een als “Universeel” goedgekeurd zitje.
Kinderzitjes: bevestiging met de autogordel (2/6) In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
Kinderzitjes: bevestiging met de autogordel (3/6) X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van dit type kinderzitje. U = Plaats toegestaan voor de bevestiging met de gordel van een in de handel verkrijgbaar als “Universeel” goedgekeurd zitje; controleer of het gemonteerd kan worden. (2) E en reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier van de auto gelegen kant.
Kinderzitjes: bevestiging met autogordel (4/6) In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht op de volgende bladzijden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
Kinderzitjes: bevestiging met autogordel (5/6) X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van dit type kinderzitje. U = Plaats toegestaan voor de bevestiging met de gordel van een in de handel verkrijgbaar als “Universeel” goedgekeurd zitje; controleer of het gemonteerd kan worden. (2) E en reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier van de auto gelegen kant.
Kinderzitjes: bevestiging met autogordel (6/6) Overzicht van de installatie uitvoering zeven zitplaatsen ³ Controleer de staat van de airbag voordat u een passagier laat plaatsnemen of een kinderzitje installeert. ² ¬ Plaats verboden voor het installeren van een kinderzitje. Plaats toegelaten voor de bevestiging met de gordel van een als “Universeel” goedgekeurd zitje.
kinderzitjes: bevestiging via het Isofix-bevestigingssysteem (1/6) Installatieoverzicht vijfdeursuitvoering ± Plaats waar een ISOFIX kinderzitje is toegelaten. De zitplaatsen achterin zijn voorzien van een verankering voor de bevestiging van een universeel ISOFIX kinderzitje vooruit. De verankeringen bevinden zich op de rugleuningen van de achterstoelen. ² Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinderveiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct beschermd.
Kinderzitjes: Isofix-bevestigingssysteem (2/6) In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
Kinderzitjes: Isofix-bevestigingssysteem (3/6) X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van een kinderzitje ISOFIX. IUF/IL = Plaats toegestaan voor bevestiging door middel van ISOFIX-bevestigingen, indien aanwezig, van een kinderzitje dat goedgekeurd is als “Universeel/semi-universeel of specifiek voor een auto”; controleer of het gemonteerd kan worden. i-U = Geschikt voor universele i-Size bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gericht.
kinderzitjes: bevestiging via het Isofix-bevestigingssysteem (4/6) In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht op de volgende bladzijden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
kinderzitjes: bevestiging via het Isofix-bevestigingssysteem (5/6) X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van een kinderzitje ISOFIX. IUF/IL = Plaats toegestaan voor bevestiging door middel van ISOFIX-bevestigingen, indien aanwezig, van een kinderzitje dat goedgekeurd is als “Universeel/semi-universeel of specifiek voor een auto”; controleer of het gemonteerd kan worden. i-U = Geschikt voor universele i-Size bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gericht.
kinderzitjes: bevestiging via het Isofix-bevestigingssysteem (6/6) Overzicht van de installatie in de uitvoering met zeven zitplaatsen ± Plaats waar een ISOFIX kinderzitje is toegelaten. De zitplaatsen achterin zijn voorzien van een verankering voor de bevestiging van een universeel ISOFIX kinderzitje vooruit. De verankeringen bevinden zich op de rugleuningen van de achterstoelen.
kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiers airbag (1/3) voorin 2 1 De passagiersairbag voorin mag alleen worden geactiveerd of gedeactiveerd wanneer de auto stilstaat.
kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiers airbag (2/3) voorin A A 4 De merktekens op het dashboard en de stickers A aan elke kant van de zonneklep van de passagier 4 (bijvoorbeeld de sticker hierboven), herinneren u aan deze instructies.
kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiers airbag (3/3) voorin Storingen 2 1 Het gebruik van de voorstoel door een passagier wordt ook afgeraden. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer. 3 Inschakelen van de passagiersairbag voorin Zodra het kinderzitje van de passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbag weer inschakelen om de voorpassagier bij een botsing te beschermen.
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (1/2) 1 2 3 4 5 6 7 1 8 11 1 9 12 16 29 26 25 24 23 28 1.
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (2/2) De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. 1 Ventilatierooster 2 Ventilator opening. 3 Schakelaar voor: – richtingaanwijzer; – verlichting; – Mistachterlicht. 4 Stuurwiel met Airbag van bestuurder, locatie claxon. 5 Instrumentenpaneel 6 Head-up display.
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (1/2) 1 3 2 4 5 1 26 25 6 2 7 8 1 20 9 10 11 12 19 18 17 13 14 2 1 16 21 28 27 1.
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (2/2) De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. 1 Ventilatierooster 2 Ventilator opening. 3 Plaats passagiers Airbag. 4 Schakelaars voor: – stoelverwarming voor; – inschakelen/uitschakelen, afhankelijk van de auto, van de ECO -modus; – inschakelen/uitschakelen van de parkeerhulp – inschakelen/uitschakelen van de functie Stop and Start. 5 Bediening van de verwarming of de airconditioning.
controle- en waarschuwingslampjes (1/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. A B š á k Controlelampje markeringslicht Controlelampje grootlicht Controlelampje dimlicht Controlelampje mistachterlicht Controlelampje automatisch grootlicht Raadpleeg de paragraaf “Verlichting en signalen” in hoofdstuk 1. Instrumentenpaneel A of B: dit licht op wanneer het bestuurdersportier wordt geopend.
controle- en waarschuwingslampjes (2/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. M Waarschuwingslampje brandstofpeil Het licht oranje op wanneer het contact wordt aangezet of de motor wordt gestart en dooft na een paar seconden of licht wit op, afhankelijk van de auto. Als het tijdens het rijden oranje oplicht met een geluidssignaal: ga zo snel mogelijk tanken. U kunt dan nog ongeveer 50 km rijden.
controle- en waarschuwingslampjes (3/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. U tiging Waarschuwingslampje snelheidsafhankelijke stuurbekrach- Het licht op bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden. Als het tijdens het rijden oplicht samen met het waarschuwingslampje ®, duidt dit op een storing in het systeem. Roep de hulp in van een merkdealer.
controle- en waarschuwingslampjes (4/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. É C o n t r o l e l a m p j e voorverwarming(dieselmotor) Met contact aan, moet het oplichten. Het geeft aan dat voorverwarmingsstiften werken. Het dooft als de voorverwarming klaar is. De motor kan starten.
controle- en waarschuwingslampjes (5/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Controlesysteem bandenspanning Raadpleeg de paragraaf “Systeem voor het controleren van de bandenspanning” in hoofdstuk 2. Controlelampje waarschuwing bij verlaten van rijstrook Raadpleeg de paragraaf “Waarschuwing bij verlaten van rijstrook” in hoofdstuk 2. Waarschuwingslampje noodstopbekrachtiging Zie “Actieve noodrem” in hoofdstuk 2.
controle- en waarschuwingslampjes (6/6) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. C D ß Waarschuwingslampje vergeten autogordel van de bestuurder en, afhankelijk van de auto, van de voorpassagier.
Displays en meters (1/6) Geluidssignaal snelheidsverklikker Afhankelijk van de uitvoering van de auto en van het land, klinkt er iedere 40 seconden gedurende 10 seconden een geluidssignaal zolang de auto sneller rijdt dan 120 km/u. 1 A Indicatielampje rijstijl 3 2 Raadpleeg de informatie over “ECO-rijden” in hoofdstuk 2. Boordcomputer 3 Instrumentenpaneel A het licht op zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap.
Displays en meters (2/6) 4 Koelvloeistoftemperatuurmeter 4 5 Brandstofpeilmeter 5 Als het minimumpeil is bereikt, licht het M in de meter waarschuwingslampje oranje op en klinkt een geluidssignaal. Ga zo snel mogelijk tanken. 1.
Displays en meters (3/6) 7 B 6 Instrumentenpaneel B het licht op zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap. Toerenteller 6 (schaalverdeling × 1000) Snelheidsmeter 7 Deze wordt op een andere manier weergegeven volgens de gekozen instelling op het instrumentenpaneel.
Displays en meters (4/6) Instrumentenpaneel in mijlen (mogelijkheid om over te gaan op km/u) 10 11 9 Auto’s zonder navigatiesysteem 12 13 14 – Als het contact is uitgezet, drukt u op de OK knop 12 en op de start knop voor het starten en stoppen van de motor 14; – selecteer met behulp van de schakelaar 13 “Instellingen”, “Instrumentenpaneel” en daarna de eenheid; – Druk op de toets OK 12 om te bevestigen. Om terug te gaan naar de vorige eenheid, gaat u op dezelfde manier te werk.
Displays en meters (5/6) 15 U kunt sommige parameters vanaf het bedieningsscherm instellen: ga terwijl de motor draait naar het menu “Systeem”, “Scherm” en vervolgens “Head-up display”. De hoogte van de informatie op het display afstellen Naargelang van uw rijhouding kunt u de informatie op het display naar boven of naar beneden verplaatsen.
Displays en meters (6/6) Storingen Bij storing (het display wordt niet uitgevouwen wanneer de motor start of het display wordt opnieuw ingeklapt terwijl de motor draait, doordat er een voorwerp is tegen gebotst), doet u het volgende: – stop/start de motor of – wijzig met behulp van het bedieningsscherm de instellingen voor het uitvouwen van het display. Als het probleem aanhoudt, moet u een merkdealer raadplegen.
BOORDCOMPUTER: algemeen (1/2) Keuzetoetsen display 2 1 3 2 2 Laat de volgende informatie langskomen door achter elkaar kort op de knop 2 te drukken (de weergave hangt af van de uitrusting van de auto en het land): a) totaalteller en dagteller van de afgelegde afstand; b) gegevens van de reis: – het gemiddeld verbruik; – huidig verbruik; – geschat bereik met resterende brandstof; – Afgelegde afstand; – Gemiddelde snelheid.
BOORDCOMPUTER: algemeen (2/2) Betekenis van de waarden gedurende de eerste paar kilometer na een nulinstelling De waarden van gemiddeld verbruik en gemiddelde snelheid worden stabieler en nauwkeuriger naarmate de afgelegde afstand vanaf de laatste nulinstelling groter wordt. 4 Het gemiddeld verbruik kan afnemen als: – de auto met een constante snelheid rijdt; – de motor zijn bedrijfstemperatuur bereikt (nulinstelling bij koude motor); – u vanuit druk stadsverkeer op de buitenweg komt.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (1/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding 101778 km 112.4 km Gemiddeld 5.8 L/100 Actueel verbruik 7.4 L/100 1.80 a) Totaalteller en dagteller. b) Gegevens van de reis: Gemiddeld brandstofverbruik. De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulinstelling. Actueel brandstofverbruik.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (2/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Actieradius 541 km Betekenis van de gekozen aanduiding b) Gegevens van de reis (vervolg): Het bereik met de overgebleven brandstof. Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. Afstand 522 km Gemiddeld 123.4 km/H 90 km/h Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (3/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Boordcomputer met de ingebouwde onderhoudsboodschap AFSTAND TOT ONDERHOUD Onderhoud over 30 000 Kms / 12 mnd. Onderhoud uitv. over 300 Kms / 24 dagen Onderhoud uitvoeren Betekenis van de gekozen aanduiding d) Overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt of olieverversing.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (4/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND. Voorbeelden van de selectie Boordcomputer met de boodschap afstand tot de volgende onderhoudsbeurt (vervolg) AFSTAND TOT ONDERHOUD Olie verv. over 30 000 Kms / 24 mnd. Onderhoud uitv. over 300 Kms / 24 dagen Onderhoud uitvoeren Betekenis van de gekozen aanduiding d) Overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt of olieverversing.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (5/5) De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding e) reset van de bandenspanning + Bandenspanning Geen bericht in geheugen Raadpleeg de paragraaf “Systeem voor het controleren van de bandenspanning” in hoofdstuk 2. f) Functieoverzicht. Aanduiding achtereenvolgens: – van informatieboodschappen (passagiersairbag OFF enz.
BOORDCOMPUTER: informatieboodschappen Zij kunnen u helpen bij het starten van de auto of u informeren over een keuze of een omstandigheid. Voorbeelden van informatieboodschappen worden hierna gegeven. Voorbeelden van boodschappen “Parkeerrem aangetrokken” “Test systemen” “Draai stuurwiel + START” “Stuurkolom niet geblokkeerd” Betekenis van de gekozen aanduiding Geeft aan dat de parkeerrem is vastgezet. Wordt weergegeven, contact aan, als de auto zichzelf controleert.
BOORDCOMPUTER: storingsboodschappen Zij verschijnen bij het waarschuwingslampje © en het is noodzakelijk direct voorzichtig naar een merkdealer te rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt. Zij verdwijnen door een druk op de keuzetoets van de aanduiding of na enkele secondes en worden opgeslagen in het functieoverzicht. Het lampje © blijft branden. Voorbeelden van storingsboodschappen worden hieronder gegeven.
BOORDCOMPUTER: alarmboodschappen Zij verschijnen met het controlelampje ® en dwingen u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer. Voorbeelden van alarmboodschappen worden hierna gegeven. NB: de boodschappen verschijnen op het display alleen of afwisselend (als er meer boodschappen zijn), zij kunnen gecombineerd zijn met een waarschuwingslampje en/of een geluidssignaal.
Menu voor het personaliseren van de auto-instellingen (1/2) Selectie van de instellingen 1 Deze functie zorgt, afhankelijk van de uitrusting van de auto voor het inschakelen/ uitschakelen en de afstelling van sommige functies van de auto.
Menu voor het personaliseren van de auto-instellingen (2/2) Selectie van de instellingen 2 Navigeer met de schakelaar 4 om de te wijzigen functie te selecteren: 3 4 Auto’s zonder navigatiesysteem Toegang tot het menu met de instellingen op het display 2. Druk bij stilstaande auto lang op de schakelaar 3 OK om naar het menu met de instellingen te gaan. a) Vrijloop in de ECO-modus (zie “Tips voor het rijden, ECO-rijden” in hoofdstuk 2); b) Automatische deurvergrendeling tijdens rijden; c) Ontgr.
Klokje en buitenthermometer 1 Buitentemperatuurmeter Bijzonderheid: Als de buitentemperatuur tussen -3 °C en +3 °C ligt, knipperen de tekens °C (waarschuwing voor kans op gladheid). De tijd en/of de buitentemperatuur worden aangegeven op het bedieningsscherm 1 Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de uitrusting. Buitentemperatuurmeter De buitenthermometer is beslist geen gladheidsdetector.
Stuurwiel/stuurbekrachtiging Stuurbekrachtiging Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging Opm.: de stuurbekrachtiging hangt af van de werkingsstand die is gekozen in het menu “Multi-Sense” (zie “Multi-Sense” in hoofdstuk 3). De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging past de mate van bekrachtiging automatisch aan de snelheid waarmee u rijdt aan.
Spiegels (1/2) Inklapbare buitenspiegels De spiegels klappen automatisch in bij het vergrendelen van de auto (schakelaar 3 in stand B). U kunt altijd het inklappen (schakelaar 3 in stand C) of het uitklappen (schakelaar 3 in stand A) van de spiegel regelen. De automatische werking is dan uitgeschakeld. Om deze weer in te schakelen, zet u de schakelaar 3 op B.
Spiegels (2/2) 6 A C 3 Bijzonder geval: Wanneer de spiegel handmatig is in- of uitgeklapt, kan hij worden teruggezet naar een bepaalde gebruiksstand. Daartoe zet u de schakelaar 3 in C. U hoort een mechanische klik van het spiegelblok. Als dat niet het geval is, zet u de schakelaar 3 in A en zet u vervolgens schakelaar 3 in C, totdat u de mechanische klik van de spiegel hoort.
CLAXON EN LICHTSIGNALEN Richtingaanwijzers 1 U verplaatst de schakelaar 1 evenwijdig aan het stuurwiel en in de richting waarin u dit gaat draaien. 2 Werking van de sneltoets A Claxon Druk op het midden van het stuurwiel A om de claxon te laten klinken. Lichtsignaal Trek schakelaar 1 naar u toe en laat deze los om met de koplampen te knipperen. Tijdens het rijden wordt het stuur mogelijk slechts weinig gedraaid, waardoor de schakelaar niet vanzelf terugkomt in de ruststand.
Verlichting en signalen (1/6) 1 2 1 k Dimlicht Handbediend Draai de ring 3 tot het symbool bij het merkteken 2 staat. Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op. Automatische werking Draai de ring 3 tot het symbool AUTO bij het merkteken 2 staat: draaiende motor, de dimlichten schakelen automatisch in en uit, naargelang de helderheid buiten, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen. 3 š Markeringslichten Draai de ring 3 tot het symbool bij het merkteken 2 staat.
Verlichting en signalen (2/6) Automatisch grootlicht Afhankelijk van de auto ontsteekt en dooft dit systeem automatisch het grootlicht. Het gebruikt een camera geplaatst achter de binnenspiegel om voorliggers en tegenliggers te detecteren. 4 Het grootlicht wordt automatisch ontstoken wanneer: – er weinig licht buiten is; – er geen andere auto of verlichting wordt gedetecteerd; – als de auto sneller dan ongeveer 40 km/u rijdt.
Verlichting en signalen (3/6) – druk de schakelaar 6 achtereenvolgens omhoog of omlaag tot u bij het menu “Grootlichtassistent” komt en druk op de OK-schakelaar 5; 5 6 1 2 – druk opnieuw op de OK-schakelaar 5 om de functie te activeren of te deactiveren. Inschakelen/uitschakelen Om automatisch grootlicht in te schakelen: – draai de ring 3 tot het symbool AUTO bij het merkteken 2 staat; – druk op de schakelaar 1.
Verlichting en signalen (4/6) Automatisch grootlicht (vervolg) Bij een storing 1 Bij een storing Wanneer de boodschap “Controleer aut_verlichting” op het instrumentenpaneel verschijnt, wordt het systeem uitgeschakeld. Raadpleeg een merkdealer. Als de boodschap “Controleer verlichting” verschijnt in combinatie met het waarschuwingslampje © en het waarschuwings- k lampje knippert op het instrumentenpaneel, is er een storing in de verlichting. Raadpleeg een merkdealer.
Verlichting en signalen (5/6) Functie “uitschakelvertraging” Met deze functie blijven de dimlichten korte tijd branden (voor het verlichten van het openen een hek, enz.). Met de motor en de verlichting uitgeschakeld en de ring 3 in de stand 0 of AUTO, trekt u de lichtschakelaar 1 naar u toe: de dimlichten gaan ongeveer dertig seconden branden. Om deze tijd te verlengen, kunt u de schakelaar tot vier keer naar u toe trekken (de maximale tijd is ongeveer twee minuten).
Verlichting en signalen (6/6) 1 2 Mistachterlicht Draai de middelste ring 7 van de schakelaar zo dat het symbool bij het merkteken 2 staat en laat dan los. De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden. Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u de mistachterlichten uitschakelen om de achter u rijdende weggebruikers niet te hinderen.
KOPLAMPEN AFSTELLEN (1/2) Uitvoeringen met halogeenlamp In geval van handmatige instellingen Voorbeelden van de stand van de schakelaar A, afhankelijk van de belading A Bij de auto’s die ermee uitgerust zijn, kan de knop A de stand van de koplampen aanpassen aan de belasting. Als u deze de knop A omlaag draait dan gaan de lichtbundels naar beneden; draait u de knop omhoog dan gaan de lichtbundels ook omhoog.
KOPLAMPEN AFSTELLEN (2/2) LED-uitvoeringen In geval van handmatige instellingen Voorbeelden van de stand van de schakelaar A, afhankelijk van de belading Uitvoering met 5 zitplaatsen (kort chassis) Uitvoering met 5 zitplaatsen (lang chassis) uitvoering met 7 zitplaatsen Bestuurder alleen of met een passagier voorin 0 0 0 Bestuurder met één passagier voorin, passagiers op de derde rij achter - - 1 Alle stoelen bezet 1 of 2 1 of 2 2 Bestuurder met passagiers en bagage (of belading) tot de maxim
Ruitenwisser, -sproeier voor (1/6) A 1 1 2 B De werking van een ruitenwisserblad C Let op de staat van de ruitenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af: D E Auto voorzien van ruitenwisser voor met interval A een keer wissen Door kort te drukken maakt de ruitenwisser één wisbeweging. B stoppen C wissen met intervallen De wissers vegen met tussenpozen van enkele secondes.
Ruitenwisser, -sproeier voor (2/6) A Wanneer automatisch wissen is ingeschakeld of de gevoeligheid wordt verhoogd, wordt één wisbeweging uitgevoerd. 1 1 F B 2 C D E Auto voorzien van ruitenwisser voor met regensensor De regensensor bevindt zich op de voorruit, voor de binnenspiegel. A een keer wissen Door kort te drukken maakt de ruitenwisser één wisbeweging. B stoppen 1.
Ruitenwisser, -sproeier voor (3/6) Bij een storing Bijzonderheid Bij een storing van het automatisch wissen, schakelt de ruitenwisser over op wissen met intervallen. Roep de hulp in van een merkdealer. Tijdens het rijden gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt. Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen. Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Ruitenwisser, -sproeier voor (4/6) Bijzondere stand van de ruitenwisser voor (onderhoudsstand) In deze stand kunnen de bladen worden opgetild om ze van de voorruit te verwijderen. Dit kan nuttig zijn: – om de bladen te reinigen; – om de bladen van de voorruit los te maken in winterse weersomstandigheden; – om de bladen te vervangen (zie “Ruitenwisserbladen” in hoofdstuk 5). Zet, met contact aan en motor uit, de ruitenwisserschakelaar omlaag in de stand E (snel continu wissen).
Ruitenwisser, -sproeier voor (5/6) N.B. A 1 B Bij temperaturen onder nul kan de ruitenwisservloeistof aanvriezen op de voorruit en het zicht verminderen. Verwarm de voorruit met behulp van de ontwasemingsschakelaar voordat u ze reinigt. C D E Ruitensproeier Contact aan: trek de schakelaar 1 naar u toe en laat deze weer los. Door een korte actie komt de ruitensproeier in werking en maakt de ruitenwisser één wisbeweging.
Ruitenwisser, -sproeier voor (6/6) NB: 1 A B C D E Koplampsproeiers Koplampen branden Als de auto hiermee is uitgerust en de motor draait, houdt u de ruitenwisserschakelaar 1 ongeveer 2 seconden naar u toe getrokken: de koplampsproeiers en de ruitensproeiers worden tegelijkertijd ingeschakeld. De koplampsproeiers worden eveneens ingeschakeld als u de schakelaar van de voorruitsproeier drie keer lang ingedrukt houdt.
Ruitenwisser, ruitensproeier ACHTER (1/2) 1 Om de werking te stoppen, draait u de ring 3 weer in de stand UIT. 2 3 Opm.: als u de auto door een wasstraat rijdt, moet u de ring 3 van de schakelaar 1 in ruststand zetten om het automatisch wissen uit te schakelen. Houd u aan de gebruiksvoorschriften. De werking van een ruitenwisserblad Let op de staat van de ruitenwisserbladen.
Ruitenwisser, ruitensproeier ACHTER (2/2) Inschakelen/uitschakelen van de achterruitwisser Wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt het wissen met intervallen van de achterruit ingeschakeld (als de ruitenwissers van de voorruit werken). Als uw auto is uitgerust met een menu om de autoinstellingen te personaliseren, kunt u deze functie activeren of deactiveren.
Brandstoftank (1/3) Dieselmotor Gebruik uitsluitend dieselbrandstof die overeenkomt met de indicaties op de sticker aan de binnenkant van het klepje 1. 1 2 1 A Bruikbare inhoud van de tank: – ongeveer 50 liter voor uitvoeringen met kort chassis; – ongeveer 53 liter voor uitvoeringen met lang chassis. Om bij ontgrendelde auto het klepje 1 te openen, drukt u op de zone A en laat u vervolgens los. Het klepje 1 wordt ontsloten. Gebruik uitsluitend ongelode benzine.
Brandstoftank (2/3) Tanken van brandstof Met het contact uitgeschakeld, druk met het vulpistool de klep 2 open en steek het pistool zo ver mogelijk naar binnen voordat u met tanken begint (spatgevaar). Auto uitgerust met de functie Stop and Start Houd tijdens het tanken het vulpistool in deze stand tot u klaar bent met tanken. 2 Als het vulpistool automatisch is afgeslagen, mag u het nog maximaal twee keer gebruiken, om voldoende ruimte in de tank over te houden voor het uitzetten van de brandstof.
Brandstoftank (3/3) Tank leeg gereden bij dieselmotor Auto’s met sleutel/afstandsbediening – Zet de contactsleutel in de stand “Contact aan”; M (raadpleeg de paragraaf “Contactslot” in hoofdstuk 2) en wacht een paar minuten voordat u de auto start om het brandstofcircuit te laten ontluchten; 3 – draai de sleutel in de stand D. Als de motor niet start, herhaalt u de procedure.
REAGENSTANK (1/4) U dient zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Overtreding van de geldende regelgeving is strafbaar. A De werking van de startvergrendeling 1 De reagens bestemd is voor dieselmotoren voorzien van het SCR (selectieve katalysator)-systeem. Gebruik van een reagens vermindert de hoeveelheid stikstofoxide in uitlaatgassen. Het werkelijke reagensverbruik is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden, de uitrusting van de auto en de rijstijl van de bestuurder.
REAGENSTANK (2/4) Voorzorgsmaatregelen U kunt de tank bijvullen bij de pomp. In andere gevallen is het belangrijk dat u de informatie op de reagenscontainer (blik of fles) leest. Wees voorzichtig als u de reagens bijvult. Het kan kleding, schoenen, onderdelen van de carrosserie enz. beschadigen. Als er reagens overstroomt of op het lakwerk terechtkomt, moet het betroffen gebied snel met veel water en een zachte doek worden gereinigd. Opmerking: als het reagens kristalliseert, gebruikt u een zachte spons.
REAGENSTANK (3/4) Onderhoud/actieradius De informatie op het instrumentenpaneel kan worden vergezeld door een geluidssignaal. Controleen waarschuwingslampjes 1.116 Boodschap Wat te doen? – “Niveau AdBlue Correct” – “Vul AdBlue bij voor 2400 km” Wanneer het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet, hebt u een actieradius van minder dan 2400 km. Laat een merkdealer de reagenstank vullen of bijvullen.
REAGENSTANK (4/4) Systeemstoring Als het controlelampje gaat branden, kan ook een pieptoon te horen zijn. Controleen waarschuwingslampjes den. en © gaan bran- Boodschap “Controleer lucht verontreiniging” Interpretatie Geeft een storing in het systeem aan. Raadpleeg zo snel mogelijk de merkdealer. Geeft aan dat er een systeemfout is en dat binnen 800 km de auto niet meer opnieuw kan worden gestart. den. en © gaan bran- “XXX KM Fout antiluchtveront.
1.
Hoofdstuk 2: Het rijden (met tips voor zuinig en milieubewust autorijden) Inrijden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Startschakelaar. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Starten, Stoppen van de motor. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
INRIJDEN Benzinemotor Dieselmotor Rijd de eerste 1 000 km niet sneller dan 130 km/u in de hoogste versnelling en laat de motor met niet meer dan 3 000 tot 3 500 tr/min draaien. Rijd de eerste 1500 km niet sneller dan 130 km/uur in de hoogste versnelling en houd het toerental onder 2500 tr/min. Daarna kunt u sneller rijden, maar de motor bereikt zijn volle vermogen pas na 6000 km. Pas na ongeveer 3 000 km zal uw auto echter zijn volle vermogen kunnen geven.
CONTACTSLOT: auto met sleutel Stand “Contact aan” ON 2 Contact aan: u kunt alle accessoires (radio enz.) gebruiken. Stand START 3: "Starten" Indien de motor niet aanslaat, moet u de contactsleutel terug draaien tot de controlelampjes uit gaan voor u opnieuw kunt starten. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. N.B.: bij een dieselmotor kunnen enkele secondes verstrijken tussen het draaien van de sleutel en het starten van de motor om de motor voor te verwarmen.
Starten, stoppen van de motor: auto met sleutel É Dieselmotor – Draai de contactsleutel in de stand “ON” 2 en houd de sleutel in die stand totdat het controlelampje voorverwarming gedoofd is; – draai de sleutel naar de startpositie “START” 3 zonder gas te geven; – laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. Bijzonderheid: Indien u de motor start bij erg lage buitentemperatuur (kouder dan -10 °C): houd het koppelingspedaal ingedrukt tot de motor start.
De motor starten, stoppen: auto met RENAULT-card (1/3) “Handsfree” starten met achterklep open 2 In dat geval mag de RENAULT-card zich niet in de bagageruimte bevinden om te vermijden dat u ze zou kwijtraken. Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto 1 Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. De RENAULT-card moet zich binnen de detectiezone 1 bevinden.
De motor starten, stoppen: auto met RENAULT-card (2/3) 2 Functie accessoires (Contact aanzetten) Zodra u bent ingestapt, hebt u een aantal functies van de auto (radio, navigatiesysteem ruitenwisser, enz.) ter beschikking. Om de andere functies te gebruiken, drukt u met de RENAULT-card in de auto op de knop 2 zonder de pedalen in te drukken. 3 Bij een storing In sommige gevallen werkt de “handsfree” RENAULT card niet: – batterij van de RENAULT-card leeg enz.
De motor starten, stoppen: auto met RENAULT-card (3/3) 2 Als de RENAULT-card niet in het interieur aanwezig is als u de motor wilt stoppen, verschijnt het bericht “Kaart afwezig ingedrukt houden” op het instrumentenpaneel: druk langer dan twee seconden op de knop 2. Als de card zich niet meer in het interieur bevindt, controleert u of u deze kunt ophalen voordat u de knop ingedrukt houdt. Zonder de RENAULT, -card kunt u de auto niet starten.
Functie Stop and start (1/4) Dit systeem zorgt voor een lager brandstofverbruik en vermindert de uitstoot van broeikasgassen. Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de auto begint te rijden. Tijdens het rijden zet het systeem de motor af (op stand-by) wanneer de auto stilstaat (file, voor een stoplicht enz.). Omstandigheden waarbij de motor op stand-by wordt gezet De auto heeft na de laatste stilstand gereden.
Functie Stop and start (2/4) Verhinderen dat de motor op stand-by wordt gezet Stand-by uitschakelen Bijzonderheid: afhankelijk van de auto, In bepaalde omstandigheden, zoals bij invoegen op een kruispunt, is het mogelijk om bij geactiveerd systeem de motor draaiende te houden om snel te kunnen starten.
Functie Stop and start (3/4) Omstandigheden waarbij de motor niet op stand-by wordt gezet Onder bepaalde omstandigheden kan het systeem de motor niet op stand-by zetten. Dit is het geval als: voor auto’s met een RENAULT -kaart: – het bestuurdersportier niet is gesloten; – de autogordel van de bestuurder is niet vastgemaakt.
Functie Stop and start (4/4) Bijzonderheid van het automatisch weer starten van de motor Het systeem wordt automatisch weer ingeschakeld bij elke vrijwillige start van de auto (raadpleeg de paragraaf “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2). Onder bepaalde omstandigheden kan de motor vanzelf weer starten om uw veiligheid en uw comfort te waarborgen.
Bijzonderheden van de uitvoeringen met een benzinemotor (1/2) Onder bepaalde omstandigheden, zoals: – te lang doorrijden als het waarschuwingslampje brandstofreserve brandt; – het gebruik van loodhoudende benzine; – het gebruik van niet goedgekeurde smeermiddelen of brandstofadditieven.
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN BENZINEMOTOR (2/2)/roetfilter Roetfilter Het roetfilter wordt gebruikt bij de behandeling van uitlaatgassen van de benzinemotor. Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft, afhankelijk van de auto, aan dat het filter is verstopt en moet worden schoongemaakt.
Bijzonderheden van de uitvoeringen met een dieselmotor Toerental van de dieselmotor Voorzorgen in de winter De inspuitpomp van de dieselmotor heeft een mechanische begrenzing die er voor zorgt dat het afgestelde motortoerental in geen van de versnellingen kan worden overschreden.
VERSNELLINGSHENDEL/handrem Opmerking.: Afhankelijk van de auto, gaan ook de mistlichten voor branden als het dimlicht is ingeschakeld en de achteruitversnelling wordt geselecteerd. 1 2 Vastzetten Trek de handgreep 3 omhoog. Controleer of de auto blijft stilstaan. Het controlelampje } op het instrumentenpaneel licht op. Handrem Vrij zetten Trek de handgreep 3 iets omhoog waarna u de knop 2 indrukt en de handgreep omlaag duwt.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (1/4) In alle andere gevallen, bijvoorbeeld motor afgeslagen of geschakeld naar stand-by door de Stop and Start-functie (zie de informatie over de Stop and Start-functie in hoofdstuk 2), wordt de automatische parkeerrem niet automatisch ingeschakeld. De handbediening moet dan gebruikt worden. Voor bepaalde modellen in sommige landen wordt de rem niet automatisch vastgezet. Zie “Handbediening”.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (2/4) Automatische werking (vervolg) Opmerking: in sommige situaties (automatische parkeerrem defect, handmatig ontgrendelen van de automatische parkeerrem, enz.), klinkt er een geluidssignaal en verschijnt het bericht “Parkeerrem aantrekken” op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen dat de automatische parkeerrem is losgezet.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (3/4) Parkeren met vrijgezette automatische parkeerrem (bijvoorbeeld als het vriest): – Stop de motor door te drukken op de start/stopknop 1 of door de contactsleutel 2 te draaien. – Zet de automatische parkeerrem handmatig los. 4 – laat terwijl de auto in versnelling P staat het rempedaal en de schakelaar 3 los.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (4/4) Uitvoering met automatische transmissie Als het bericht “Elektr. storing GEVAAR” of “accu controleren” verschijnt, moet u de parkeerrem handmatig vastzetten door aan de schakelaar 3 te trekken (of de versnellingshendel in P zetten voor auto's met automatische transmissie) voordat u de motor uitschakelt.
Tips voor het rijden, eco-modus (1/6) Het brandstofverbruik is goedgekeurd overeenkomstig een voorgeschreven standaardmethode. Deze methode is voor alle autofabrikanten hetzelfde en maakt het mogelijk om auto’s met elkaar te vergelijken. Het werkelijke verbruik is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto, de uitrustingen en de rijstijl. Raadpleeg voor een optimaal brandstofverbruik onderstaande aanbevelingen.
Tips voor het rijden, zuinig rijden (2/6) A B 2 2 Indicatielampje voor overschakelen naar de volgende versnelling 2 Een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft het beste moment aan om naar een hogere of lagere versnelling te schakelen om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden: Š ä ‰ æ of snelling; schakel naar een hogere ver- of snelling. schakel naar een lagere ver- Als u deze indicator regelmatig volgt, daalt het brandstofverbruik van uw auto. 2.
Tips voor het rijden, zuinig rijden (3/6) 4 Het geeft aan: – het gemiddeld verbruik; – het aantal afgelegde kilometers; – het aantal gewonnen kilometers. Dit komt overeen met een rijstijl waarbij geen brandstof wordt verbruikt (vertragen en/ of voet niet op het gaspedaal). Een algemene melding van 0 tot 100 geeft u de mogelijkheid om uw prestaties als zuinige bestuurder in te schatten. Hoe hoger het cijfer, hoe lager uw brandstofverbruik.
Tips voor het rijden, zuinig rijden (4/6) stand ECO De ECO-modus is een functie die het brandstofverbruik zo laag mogelijk houdt. Deze werkt op bepaalde stroomverbruikende systemen in de auto (verwarming, airconditioning, stuurbekrachtiging enzovoort) en op bepaalde rijactiviteiten (versnellen, vertragen, schakelen, gebruik van snelheidsregelaar enzovoort).
Tips voor het rijden, zuinig rijden (5/6) – Laat het toerental van de motor in de lagere versnellingen niet te ver oplopen. Kies indien mogelijk altijd de hoogste versnelling. – Rijd bij een stoplicht kalm weg. – Rem zo weinig mogelijk. Regel de snelheid van de auto met het gaspedaal door voor een obstakel of een bocht tijdig gas terug te nemen. – Geef op een helling geen gas bij: houd het gaspedaal bij voorkeur in dezelfde stand.
Tips voor het rijden, zuinig rijden (6/6) – Voor auto’s met airconditioning is een hoger brandstofverbruik normaal (vooral in stadsverkeer) als de airconditioning aanstaat. Voor auto’s met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt. Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging: – – Banden Tips voor het gebruik – Door een te lage bandenspanning neemt het verbruik toe.
Tips voor onderhoud en minder luchtverontreiniging Uw auto voldoet aan de eisen voor recycling aan het einde van de gebruiksduur, die van kracht werden in 2015. Bepaalde onderdelen van uw auto zijn daarom ontwikkeld met het oog op hun later recycling. Deze onderdelen zijn gemakkelijk te demonteren om opgehaald en behandeld te worden door gespecialiseerde recyclingbedrijven.
Milieu Uw auto is ontwikkeld met een zo groot mogelijke aandacht voor het milieu gedurende zijn gehele bestaan: bij zijn fabricage, tijdens zijn gebruik en ten slotte als hij gesloopt wordt. Deze aandacht blijkt uit het ondertekenen eco² door de fabrikant.
Controlesysteem bandenspanning (1/3) 1 2 3 Reset van de referentiewaarde voor bandenspanning Deze gebeurt: – wanneer de referentiespanning in de banden moet worden gewijzigd om aangepast te zijn aan de gebruiksomstandigheden (onbelast, belast, rijden op de autosnelweg ...); – na het wisselen van de wielen (dit wordt echter afgeraden); – na het verwisselen van een wiel. Deze test moet altijd gebeuren na controle van de bandenspanning in de vier banden als deze koud zijn.
Controlesysteem bandenspanning (2/3) “Lekke band” Er wordt een rood of wit wiel B weergegeven, afhankelijk van de auto, samen met het 1 A brandende controlelampje 4 en het bericht “Lekke band” en u hoort een geluidssignaal. Deze boodschap wordt vergezeld door het lampje ®. Ze geven aan dat het betreffende wiel lek of veel te zacht is. Vervang het of roep de hulp in van een merkdealer als de band lek is. Pomp de band op als de bandenspanning te laag is.
Controlesysteem bandenspanning (3/3) “Plaatsbepaling banden mislukt” Deze boodschap “Plaatsbepaling banden mislukt” verschijnt tijdens het rijden als een of meerdere wielen zijn uitgerust met sensoren die niet erkend zijn door Renault. Raadpleeg een merkdealer. Corrigeren van de bandenspanning De bandenspanning moet koud worden gecorrigeerd (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier).
Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden (1/5) ABS (antiblokkeersysteem van de wielen) – ABS (antiblokkeersysteem van de wielen) ; Bij krachtig remmen, voorkomt het ABS het blokkeren van de wielen, waardoor de remweg beheersbaar en de auto bestuurbaar blijft. – ESC (elektronisch stabiliteitsprogramma) met onderstuurcontrole en tractiecontrole; – noodstopbekrachtiging; – hulp bij het wegrijden op een helling. Op de volgende bladzijden zijn andere rijhulpsystemen beschreven.
Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden (2/5) Storingen: – – © x en worden verlicht op het instrumentenpaneel en de berichten “Controleer ABS”, “Controleer remsysteem” en “Controleer ESC” worden getoond: dit geeft aan dat ABS, ESC en de noodstopbekrachtiging zijn uitgeschakeld. Het remmen blijft mogelijk; xD , , © en ® branden op het instrumentenpaneel en het bericht “Storing remsysteem” verschijnt: dit duidt op een storing in het remsysteem. Raadpleeg in beide gevallen een merkdealer.
Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden (3/5) Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole Onderstuurcontrole Bij een storing Dit verbetert de werking van het ESC bij sterk onderstuur van de auto (als de voorwielen hun grip verliezen).
Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden (4/5) Noodstopbekrachtiging Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto. De werking van het systeem Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In zo’n noodsituatie ontwikkelt de rembekrachtiging zijn maximale kracht en kan de regeling door het ABS in werking komen. Het ABS-remsysteem blijft werken zolang het rempedaal ingedrukt is.
Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden (5/5) Hulp bij wegrijden op een helling Afhankelijk van de helling van de weg helpt dit systeem de bestuurder bij het wegrijden op een helling. Het voorkomt dat de auto achteruit rolt, door automatisch de remmen vast te zetten als de bestuurder het rempedaal loslaat om het gaspedaal te bedienen.
Actieve noodstop (1/7) 1 Met dit systeem wordt de auto maximaal afgeremd totdat deze zo nodig volledig stilstaat. Met behulp van de informatie van de radarcamera 1 bepaalt het systeem de afstand tot de voorligger en de omringende voetgangers. Gebruik om veiligheidsredenen altijd de autogordel tijdens het rijden en controleer of alles goed vastzit, zodat de inzittenden niet kunnen worden geraakt door loszittende voorwerpen. De bestuurder wordt gewaarschuwd bij risico op een frontale botsing.
Actieve noodstop (2/7) Detectie van auto’s Bijzonderheden Als de snelheid van de auto: Werkzaamheden Als u met een snelheid tussen 7 en 160 km/u rijdt en er kans is op een botsing met de auto voor u, gebeurt het volgende: 2 – lager is dan ongeveer 45 km/u, worden het controlelampje en de rem tegelijk geactiveerd; – ongeveer tussen 45 km/u en 80 km/u ligt, wordt het controlelampje geactiveerd. De rem wordt alleen geactiveerd als de auto vóór u rijdt.
Actieve noodstop (3/7) Detectie van voetgangers Werkzaamheden Als u met een snelheid van ongeveer 7 km/u - 60 km/u rijdt en er risico is op het aanrijden van een voetganger: 3 gaat rood – het controlelampje branden op het instrumentenpaneel en u hoort een geluidssignaal; of – het controlelampje 3 gaat rood branden op het instrumentenpaneel en, afhankelijk van de auto, op de head-up display en u hoort een geluidssignaal. Als er een botsing dreigt, wordt de rem geactiveerd.
Actieve noodstop (4/7) Druk opnieuw op de schakelaar 6 OK om de functie te activeren of te deactiveren: = < 4 5 Inschakelen, uitschakelen van het systeem Voor auto’s met een navigatiesysteem Op het bedieningsscherm 4 kiest u het menu “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “Actief remmen” en vervolgens “ON” of “OFF”. 6 7 functie ingeschakeld functie uitgeschakeld als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het waarschuwingslampje instrumentenpaneel branden.
Actieve noodstop (5/7) Omstandigheden waarin het systeem niet werkt Het systeem wordt mogelijk niet ingeschakeld: – wanneer de versnellingshendel in neutrale stand of neutraal staat; – wanneer de handrem is ingeschakeld; – in een bocht. In het algemeen wordt het systeem vertraagd of niet geactiveerd als de bestuurder een actie uitvoert (op het stuurwiel, pedalen enzovoort). 2.
Actieve noodstop (6/7) Actieve noodstop Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. De activering van deze functie wordt mogelijk vertraagd of niet uitgevoerd als er wordt gedetecteerd dat de bestuurder een actie uitvoert (op het stuurwiel, pedalen enzovoort).
Actieve noodstop (7/7) Beperkingen voor de werking van het systeem – Voor voertuigen die in tegengestelde richting rijden wordt geen waarschuwing afgegeven en treedt het systeem niet in werking. – Het gebied van de radarcamera op de voorruit moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van het systeem te waarborgen. – Het systeem kan reageert minder efficiënt op kleine voertuigen, zoals motoren of fietsen, dan op andere voertuigen.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (1/4) 1 Inschakelen/uitschakelen 2 3 Auto’s zonder de functie “Rijstrookassistent” Op het bedieningsscherm 2 kiest u het menu “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “Waarschuwing bij verlaten van rijbaan” en kiest u vervolgens “ON” of “OFF”.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (2/4) De functie is gereed om te waarschuwen als: – snelheid is tussen ongeveer 70 km/u en 200 km/u; en – de lijnindicatoren 4 zijn groen of, afhankelijk van de auto, het waarschuwings- 4 5 Werking Als de functie wordt geactiveerd, worden de indicatoren 4 voor de linker- en rechterstreep of, afhankelijk van de auto, het waar- schuwingslampje in het grijs weergegeven op het instrumentenpaneel. 2.44 lampje is wit.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (3/4) 2 – “gevoeligheid”: pas het gevoeligheidsniveau aan voor de streepdetectie. Selecteer hiervoor: – “Laag”: streep gedetecteerd bij overschrijding; – “Gemiddeld”: streep gedetecteerd bij naderen; – “hoog” streep in de buurt gedetecteerd. Auto’s met de functie “Rijstrookassistent”: Kies in het bedieningsscherm 2 “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “INSTELLINGEN”.
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (4/4) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Werkzaamheden/reparaties van het systeem – Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Rijstrookassistent (1/4) 1 Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, damp enzovoort). Met behulp van de informatie van de camera 1 wordt de functie geactiveerd als een doorgetrokken of onderbroken streep wordt overschreden zonder dat de richtingaanwijzers worden ingeschakeld, met een correctieactie op de stuurinrichting van de auto. Er verschijnt een bericht op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen. Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Rijstrookassistent (2/4) Werking 2 Wanneer de functie is geactiveerd, worden de correctie-indicatoren 4 van de strepen links en rechts in het grijs weergegeven op het instrumentenpaneel. 3 4 Inschakelen/uitschakelen Selecteer in het multifunctionele scherm 2: “Voertuig”,”Hulp bij het rijden”,”Lane Keeping” en daarna om dit in te schakelen of “OFF" om dit uit te schakelen. Om direct naar het menu “Hulp bij het rijden” te gaan, drukt u op de toets 3 . 2.
Rijstrookassistent (3/4) bijzonderheid Als de functie is ingesteld om in te grijpen of reageert en geen actie van de bestuurder meer kan waarnemen op het stuurwiel: – de boodschap “Houd controle” verschijnt op het instrumentenpaneel; – de rechter en linker correctie-aanduidingen worden oranje; – er klinkt een piep.
Rijstrookassistent (4/4) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Werkzaamheden/reparaties van het systeem – Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Dodehoekwaarschuwing (1/4) 1 A A Dit systeem waarschuwt de bestuurder als er zich een auto in het detectiegebied bevindtA. Dit systeem schakelt in als de auto rijdt met een snelheid die tussen ongeveer 30 km/u en 140 km/u bedraagt. Deze functie maakt gebruik van de 1-sensoren die aan beide zijden in de voor- en achterbumpers zijn geïnstalleerd. Bijzonderheid Zorg ervoor dat de sensoren niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, ...).
Dodehoekwaarschuwing (2/4) – druk de schakelaar 5 achtereenvolgens omhoog of omlaag tot u bij het menu “Dode-hoekwaarschuwing” komt en druk op de schakelaar 4 OK . 2 3 Inschakelen/uitschakelen Auto’s met een navigatiesysteem Op het bedieningsscherm 2 kiest u het menu “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “Dodehoekwaarschuwing” en vervolgens “ON” of “OFF”. Om direct naar het menu “Hulp bij het rijden” te gaan, drukt u op de toets 3 . 2.
Dodehoekwaarschuwing (3/4) B 16 Display B 6 De functie is ingeschakeld en detecteert geen enkele andere auto. Display C C 7 Display D D Indicator 6 Werking Op elke spiegel 7 bevindt zich een indicator 6. Deze functie geeft een waarschuwing: Opmerking: reinig de buitenspiegels 7 regelmatig zodat de richtingaanwijzers 6 zichtbaar blijven. Eerste waarschuwing: de indicator 6 geeft aan dat er zich een auto in de dode hoek bevindt.
Dodehoekwaarschuwing (4/4) B 6 C Storingen Wanneer het systeem een fout opmerkt, verschijnt de boodschap “Controleer Dode hoek assist” op het instrumentenpaneel. Ga naar een merkdealer. Opmerking: bij het starten van de motor knippert de indicator 6, display B, 3 keer. Dit is normaal.
Waarschuwing veiligheidsafstand (1/3) 2 1 3 Met behulp van de informatie van de radarcamera 1 informeert deze functie de bestuurder over de tijd tussen zijn auto en de voorligger, zodat hij een veilige afstand tussen de twee voertuigen in stand kan houden. Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, damp enzovoort).
Waarschuwing veiligheidsafstand (2/3) A 4 B C D – C (oranje): het tijdsinterval bedraagt ongeveer 1 à 2 seconden (de afstand tussen de twee voertuigen is onvoldoende); – D (rood): het tijdsinterval bedraagt ongeveer 1 seconde of minder (de afstand tussen de twee voertuigen is veel te kort). Als het tijdsinterval tussen de twee voertuigen minder dan ongeveer 0,5 seconde bedraagt, knippert de melding 4, display D op het instrumentenpaneel.
Waarschuwing veiligheidsafstand (3/3) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Werkzaamheden/reparaties van het systeem – Bij een botsing wordt de uitlijning van de radarcamera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Waarschuwing vermoeidheidsdetectie (1/2) De vermoeidheidsdetectie is een nuttige functie op eentonige wegen (zoals autosnelwegen). Het rijgedrag van de bestuurder wordt geanalyseerd, inclusief diverse gebeurtenissen, om u te informeren bij elk risico op vermoeidheid, zoals: – stuurwielbeweging; – acties van de bestuurder op andere voorzieningen (richtingaanwijzers, ruitensproeier, enz.); – gereden tijd zonder pauze; – ...
Waarschuwing vermoeidheidsdetectie (2/2) – druk de schakelaar 4 achtereenvolgens omhoog of omlaag tot u bij het menu “Driver Alert System” komt en druk op de schakelaar 3 OK. 3 4 – druk opnieuw op de schakelaar 3 OK om de functie te activeren of te deactiveren.
waarschuwing snelheidsverklikker (1/3) 1 De werking van het systeem Het systeem detecteert verkeersborden die de maximumsnelheid aangeven aan de kant van de weg en geeft de maximumsnelheid weer. Deze functie maakt hoofdzakelijk gebruik van de informatie van de camera 1 op de voorruit, achter de achteruitkijkspiegel. Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, damp enzovoort). Voor auto’s die hiermee zijn uitgerust, wordt ook de informatie van het navigatiesysteem gebruikt.
waarschuwing snelheidsverklikker (2/3) 2 3 a 5 6 Verandering van de ingestelde maximumsnelheid 4 b Inschakelen/uitschakelen van het systeem Auto’s met een navigatiesysteem Kies op het multimediascherm 2 het menu “Voertuig”, “Hulp bij het rijden”, “Inst. waarschuwing snelheid” en kies dan “ON” of “OFF”. – druk de schakelaar 6 achtereenvolgens omhoog of omlaag tot u bij het menu “Waarschuwing voor snelheid” komt en druk op de schakelaar 5 OK. – druk op de knop OK om de functie in of uit te schakelen.
waarschuwing snelheidsverklikker (3/3) Bij een storing kan het systeem de snelheidsbeperking niet detecteren als: – de voorruit niet schoon is; – de camera verblind wordt door de zon; – het zicht niet goed genoeg is (‘s nachts, mist ...); – de verkeersborden onleesbaar zijn (sneeuw ...) of verborgen zijn (achter een andere auto of bomen); – de informatie van het navigatiesysteem niet actueel is. 2.62 Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
snelheidsbegrenzer (1/3) Inschakelen a 3 2 1 De snelheidsbegrenzer is een functie die u helpt om een door u gekozen maximumsnelheid niet te overschrijden. b 4 Druk op schakelaar 1 aan . Het controlelampje gaat branden en de boodschap “Begrenzer” verschijnt op het instrumentenpaneel met streepjes om aan te geven dat de snelheidsbegrenzer is ingeschakeld en wacht op het opslaan van een maximumsnelheid.
snelheidsbegrenzer (2/3) a Verandering van de ingestelde maximumsnelheid Overschrijden van de ingestelde snelheid Om de maximumsnelheid te verhogen drukt u een of een paar keer op de schakelaar 2: Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maximum snelheid te overschrijden door: zo snel en diep mogelijk het gaspedaal in te drukken (voorbij het “zware punt”) – aan kant a (+) om de snelheid te verhogen; – aan kant b (-) om de snelheid te verlagen.
snelheidsbegrenzer (3/3) Opnieuw inschakelen van de maximumsnelheid a 3 Als een snelheid in het geheugen is opgenomen, is het mogelijk deze op te roepen door op de schakelaar 3 (R) te drukken. 2 4 1 Onderbreken van de functie Uitschakelen van de functie De werking van de snelheidsbegrenzer wordt opgeschort als u drukt op de schakelaar 4 (O). In dit geval blijft de ingestelde maximumsnelheid in het geheugen en verschijnt het bericht “In geheugen” met de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel.
Snelheidsregelaar (1/4) a 3 2 1 De snelheidsregelaar is een functie die u helpt de door u gekozen rijsnelheid op een constante waarde vast te houden, dit wordt de ingestelde snelheid genoemd. Vanaf 30 km/u kunt u de snelheid traploos instellen. b 4 Bedieningsknoppen 1 Hoofdschakelaar Aan/Uit. 2 Schakelaars voor: a Inschakelen, in het geheugen opslaan en verhogen van de ingestelde snelheid (+); b Verlagen van de ingestelde snelheid (-). 3 Inschakelen met oproepen van de ingestelde snelheid (R).
Snelheidsregelaar (2/4) Instellen van de snelheid Rijdend tegen een constante snelheid (vanaf ongeveer 30 km/u) drukt u op de schakelaar 2, zijde a (+): de functie wordt ingeschakeld en de actuele snelheid wordt opgeslagen. 1 Inschakelen Druk op schakelaar 1 aan . Het groene controlelampje licht op en de boodschap “Regelaar” verschijnt op het instrumentenpaneel met streepjes om aan te geven dat de snelheidsregelaar is ingeschakeld en wacht op het opslaan van een snelheid.
Snelheidsregelaar (3/4) Overschrijden van de ingestelde snelheid U kunt de snelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken. Tijdens het overschrijden van de snelheid knippert de ingestelde snelheid in het rood op het instrumentenpaneel. a Laat daarna het gaspedaal los: na enkele seconden gaat de auto automatisch weer tegen de oorspronkelijk ingestelde snelheid rijden.
Snelheidsregelaar (4/4) Opnieuw inschakelen van de gekozen snelheid a 3 2 4 Onderbreken van de functie De functie wordt uitgeschakeld als u drukt op: – de schakelaar 4 (O); – het rempedaal; – het koppelingspedaal of het in neutraal schakelen voor de auto’s met automatische transmissie. In de drie gevallen blijft de ingestelde snelheid in het geheugen en de boodschap “In geheugen” en de snelheid verschijnen op het instrumentenpaneel.
Adaptive cruise control (1/8) De instelbare snelheidsregelaar is een functie die u de mogelijkheid, als het verkeer dit toelaat (hoofdweg met vlot verkeer of autosnelweg) om een gekozen snelheid, de zogeheten ingestelde snelheid, aan te houden en tegelijkertijd een veilige afstand tot uw voorligger te bewaren. 1 De functie is regelbaar van 50 km/u tot 160 km/u. De radarcamera heeft een bereik van ongeveer 120 meter.
Adaptive cruise control (2/8) a 3 6 2 b 4 Bedieningsknoppen 5 Hoofdschakelaar Aan/Uit. 2 Schakelaars voor: a Inschakelen, in het geheugen opslaan en verhogen van de ingestelde snelheid (+); b Verlagen van de ingestelde snelheid (-). 3 Inschakelen met oproepen van de ingestelde snelheid (R). 4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde snelheid blijft in het geheugen) (O). 6 De volgafstand instellen 5 Inschakelen Druk op de schakelaar 5, aan de kant .
Adaptive cruise control (3/8) Het rijden De volgafstand wijzigen Als een snelheid in het geheugen is vastgelegd en de regeling ingeschakeld is, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen. U kunt op elk moment de volgafstand ten opzichte van uw voorligger wijzigen door herhaaldelijk op de schakelaar 6 te drukken.
Adaptive cruise control (4/8) Onderbreken van de functie De functie wordt opgeschort wanneer: – u op de schakelaar 4 (O) drukt; a 3 – u het rempedaal indrukt; – u het koppelingspedaal indrukt; – u de versnellingshendel bedient; 2 – het motortoerental te hoog of te laag is; 4 – de rijsnelheid van de auto is minder dan ongeveer 40 km/u of meer dan ongeveer 170 km/u. – bepaalde hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden worden ingeschakeld (ABS, ESC...).
Adaptive cruise control (5/8) In sommige situaties (nadering tot een voertuig dat veel minder snel rijdt, voorliggers die snel van rijstrook veranderen ...) heeft het systeem mogelijk niet de tijd om te reageren en kan het een geluidssignaal afgeven in combinatie met de waarschuwing B wanneer de bestuurder zijn aandacht bij de situatie moet houden of met de waarschuwing C wanneer de bestuurder onmiddellijk moet ingrijpen. Reageer op deze waarschuwingen en voer de nodige manoeuvres uit.
Adaptive cruise control (6/8) storingen Wanneer het systeem een storing signaleert, verschijnt het bericht “Controleer regelaar” op het instrumentenpaneel. Er zijn twee mogelijkheden: 5 – het systeem is tijdelijk onderbroken (bijvoorbeeld: radarcamera afgedekt door vuil, modder, sneeuw, enz.). In dat geval parkeert u de auto en zet u de motor uit. Reinig de detectiezone van de radarcamera. Als u de motor weer start, is het controlelampje uit en wordt de melding niet meer weergegeven.
Adaptive cruise control (7/8) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de aanwijzingen van het systeem. Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensensor of een antibotsingssysteem.
Adaptive cruise control (8/8) – – – – – – – Beperkingen voor de werking van het systeem – Voor voertuigen die in tegengestelde richting rijden wordt geen waarschuwing afgegeven en treedt het systeem niet in werking. – De radarcamera moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van het systeem te waarborgen. – Met vaste obstakels (stilstaande voertuigen, files, tolbarrières, enz.) of traag bewegende of kleine obstakels (motoren, fietsen, voetgangers, enz.
PARKEERHULP (1/5) De werking van het systeem Ultrasoondetectoren die in de bumper van de auto ingebouwd zijn, “meten” de afstand tussen de auto en een obstakel. Deze meting vertaalt zich in geluidssignalen waarvan de frequentie toeneemt naarmate het obstakel dichterbij komt, totdat het een continu geluid wordt wanneer het obstakel ongeveer 20 à 30 cm van de auto verwijderd is.
PARKEERHULP (2/5) 2 A C B NB: met het display 2 is de omgeving van de auto te zien als aanvulling op de geluidssignalen. U moet enkele meters rijden voordat de detectie aan de zijkanten wordt ingeschakeld. Als alle zones een grijze achtergrond hebben, wordt de volledige omtrek van de auto bewaakt: – A: de omgeving rond de auto wordt geanalyseerd; – B: de omgeving rond de auto is geanalyseerd. Werking Het systeem detecteert de meeste obstakels voor, achter en naast de auto.
PARKEERHULP (3/5) Als er een obstakel wordt gedetecteerd naast de auto: D 3 Detectie van obstakels aan de zijkant Het systeem bepaalt de rijrichting aan de hand van de richting van de wielen en waarschuwt u voor het risico op botsing met een obstakel 3 aan de zijkant van de auto. – weerklinkt er bij het risico op een botsing een geluidssignaal met een steeds hogere frequentie naargelang u het obstakel nadert, tot het geluidssignaal continu weerklinkt.
PARKEERHULP (4/5) Geluid van het systeem Hiermee kunt u het geluid van het systeem kiezen. 4 Het geluid van het systeem uitschakelen Schakel het geluid van de parkeerhulp in of uit. Opmerking: als u het geluid uitschakelt, wordt u niet meer gewaarschuwd met een geluidssignaal wanneer u een obstakel nadert. 5 6 Uitschakelen van het systeem Schakel de parkeerhulp in of uit. Auto’s zonder navigatiesysteem Verstellen U kunt sommige parameters vanaf het bedieningsscherm instellen 4.
PARKEERHULP (5/5) Automatisch uitschakelen van de parkeerhulp Het systeem schakelt uit: – als de auto sneller dan ongeveer 10 km/u rijdt; – naargelang van de auto, als de auto langer dan ongeveer vijf secondes stilstaat en er een obstakel is gedetecteerd (bijvoorbeeld in een file, enz.); – in de neutrale stand van een auto met handgeschakelde versnellingsbak, of in stand N of P van een automatische transmissie. 2.
Achteruitrijcamera (1/2) 2 3 4 3 4 C B A 1 Werking Wanneer u in de achteruit schakelt, geeft de camera 1 op de achterklep een overzicht van de omgeving achter de auto op het multimediascherm 2, samen met een of twee vaste of bewegende tekeningen 3 en 4. Dit systeem wordt eerst gebruikt met behulp van een of meer tekeningen (bewegend voor de verplaatsingsrichting en vast voor de afstand). Als de rode zone bereikt is, gebruikt u de afbeelding van de bumper om nauwkeurig te stoppen.
Achteruitrijcamera (2/2) 2 Inschakelen, uitschakelen van de achteruitrijcamera Selecteer vanaf het bedieningsscherm 2 kies “Voertuig”, “Instellingen”, “Parkeerhulp” en vervolgens “Achteruitkijkcamera”. Schakel de achteruitrijcamera in of uit en bevestig uw keuze. U kunt eveneens de instellingen van het beeld van de camera regelen (helderheid, contrast...). Het scherm geeft een omgekeerd beeld, zoals in een spiegel. De tekeningen zijn weergaven die op een vlakke ondergrond worden geprojecteerd.
Parkeerhulp (1/4) 2 3 1 Deze functie helpt u bij het parkeren. Neem uw handen van het stuurwiel. U bedient alleen de pedalen en de versnellingshendel. U kunt op elk moment de controle opnieuw overnemen door aan het stuurwiel te draaien. Inschakelen Bijzonderheden Druk op de schakelaar 1 wanneer de auto stilstaat of wanneer u minder dan ongeveer 30 km/u rijdt. Het in de schakelaar geïntegreerde controlelampje 1 licht op en het scherm 2 verschijnt op het bedieningsscherm.
Parkeerhulp (2/4) Keuze van het manoeuvre Werking Het systeem kan vier soorten manoeuvres uitvoeren: Parkeren – de auto parallel parkeren; – de auto achteruit inparkeren; – de auto schuin inparkeren; – de parallel geparkeerde auto weer uitrijden. Selecteer vanaf het bedieningsscherm het uit te voeren manoeuvre. Opmerking: bij het starten van de auto of na een geslaagde fileparkeermanoeuvre met behulp van het systeem, stelt het systeem standaard het manoeuvre om uit te rijden voor.
Parkeerhulp (3/4) U mag niet sneller dan ongeveer 7 km/u rijden. Zodra u in de juiste positie staat om uit te rijden, zal het systeem u waarschuwen wanneer het manoeuvre is beëindigd. Het controlelampje op het instrumentenpaneel dooft en er weerklinkt een geluidssignaal zodra het manoeuvre is voltooid.
Parkeerhulp (4/4) Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Zorg ervoor dat bij het manoeuvre steeds de verkeersregels worden gevolgd die gelden op de gekozen weg.
Automatische transmissie (1/3) 2 B 1 Stand automatisch Zet de hendel 1 in stand D. U hoeft de selecteurhendel niet meer te verplaatsen. Er wordt automatisch geschakeld in overeenstemming met de belasting van de auto, de hoeveelheid gas die u geeft en de helling van de weg. Zuinig rijden A Laat de selecteurhendel voor normaal gebruik in stand D staan. Als het gaspedaal iets wordt ingedrukt, schakelt de transmissie bij een lage snelheid naar de volgende versnelling.
Automatische transmissie (2/3) 1 De ingeschakelde versnelling verschijnt op het display op het instrumentenpaneel. Bijzondere gevallen In sommige gevallen (zoals ter bescherming van de motor, bij werking van het elektronisch stabiliteitsprogramma: ESC, enz.) wordt automatisch de juiste versnelling gekozen. Ook kan, om verkeerde manoeuvres te voorkomen, het schakelen door het systeem geweigerd worden. In dit geval knippert de aanduiding van de versnelling enkele secondes om u te waarschuwen.
Automatische transmissie (3/3) Parkeren van de auto Als de auto stilstaat, houdt u het rempedaal ingedrukt en zet u de selecteurhendel in stand P: de aangedreven wielen zijn mechanisch geblokkeerd door de aandrijfas. Controleer of de elektronische parkeerrem is vastgezet. Onderhoudsintervallen Raadpleeg het onderhoudsdocument voor uw auto of een geautoriseerde dealer om na te gaan of periodiek onderhoud noodzakelijk is voor de automatische transmissie.
2.
Hoofdstuk 3: Uw comfort Multi-Sense. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Ventilatieroosters. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Verwarming, Handbediende airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Multi-Sense (1/2) Met het Multi-Sense-systeem kunt u, afhankelijk van de auto, kiezen uit vijf werkingsstanden die van invloed zijn op de rijstijl, de sfeerverlichting, het comfort en het motorgeluid: – de modi Comfort, Neutral, Eco en Sport zijn vooraf ingesteld en regelen de sfeer van de verlichting en de instellingen van het motorgeluid; – de werkingsstand Perso kan volledig worden ingesteld.
Multi-Sense (2/2) stand Sport In deze werkingsstand reageren de motor en de versnellingsbak beter. De besturing is krachtiger. 1 Werkingsstand Perso In deze werkingsstand kunt u de rijstijl, de sfeerverlichting en, afhankelijk van de auto, het comfort en het motorgeluid handmatig instellen.
VENTILATIEROOSTERS: luchtuitgangen (1/2) 1 2 3 4 1 2 1 ventilatieroosters van zijruit 2 ventilatieroosters aan de zijkant 3 ontwasemingssleuf onder de voorruit 4 centrale ventilatieroosters 5 ventilatierooster voetenruimte 6 6 multifunctionele scherm 7 ventilatieroosters achterin 5 5 5 5 7 3.
VENTILATIEROOSTERS: luchtuitgangen (2/2) 8 8 10 9 9 Plaatsen voor Richting Gebruik, in geval van stankoverlast in de auto, alleen speciaal hiervoor bestemde middelen. Raadpleeg een merkdealer. Hoog/laag: richt de schuifknoppen 8 omhoog of omlaag. Zitplaatsen achter 2e rij Uitgang/richtingaanwijzers Beweeg de cursor 10: – omlaag om de luchtstroom te verminderen en naar beneden te richten; Hoeveelheid lucht – omhoog om de luchtstroom te vergroten en naar boven te richten; Draai de knop 9.
Handbediende airconditioning (1/3) 1 2 3 4 A 5 8 7 De meters 1 Regeling van de luchttemperatuur/functie “Helder zicht”. De volgende indicatoren worden weergegeven op het multimediascherm A: 2 Ontdooien/verwarmen van de achterruit en, afhankelijk van de auto, van de spiegels. 8 Luchttemperatuur. 4 Luchtkringloop. 5 Regeling van de luchtverdeling in het interieur. 6 Regeling van de ventilatiesnelheid 7 De ventilatiesnelheid aanpassen en het systeem stopzetten. 3.
Handmatige airconditioning (2/3) Verdeling van de lucht in het interieur Er zijn vijf mogelijke luchtverdelingen. Draai de schakelaar 5 om uw verdeling te kiezen. 1 2 5 De verdeling van de lucht wordt weergegeven op het multimediascherm. õ ÷ De lucht wordt naar de ontwasemingsroosters onder de voorruit en bij de voorportieren gevoerd. De lucht wordt naar de ontwasemingsroosters onder de voorruit, in het dashboard en de voorportieren en naar de voetenruimtes gevoerd.
Handbediende airconditioning (3/3) Wijzigen van de ventilateursnelheid 1 4 U kunt de ventilatiesnelheid aanpassen met de knoppen 6 of 7. Het systeem is uitgeschakeld (OFF): de ventilatiesnelheid is nul (stilstaande auto). Als de auto rijdt, kunt u echter nog steeds een kleine luchtstroom voelen. Uitschakelen van het systeem 7 Functie “helder zicht” Druk op de knop 1: het ingebouwde controlelampje op de knop gaat branden.
automatische airconditioning: knoppen A (1/5) 1 8 A 9 Aircoditioning Automatische werking 10 19 18 2 7 6 5 4 3 17 16 15 14 13 11 12 13 Knoppen A 11 en 18 ventilatiesnelheden. Druk een keer in de zone 14 om naar de bediening van het bedieningsscherm 1 te gaan. De onderstaande bedieningen zijn al dan niet aanwezig naargelang van de uitvoering van de auto. 13 Weergave van de temperaturen aan de linker- en rechterkant.
automatische airconditioning: knoppen A (2/5) 8 19 9 Aircoditioning 20 18 7 2 Opmerking: de configuratie van de airconditioning is afhankelijk van de modus die is gekozen in het menu “Multi-Sense” (zie “Multi-Sense” in hoofdstuk 3). 10 11 15 14 4 Wijzigen van de ventilateursnelheid Normaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
automatische airconditioning: knoppen A (3/5) 8 9 Aircoditioning Om deze functie te verlaten, drukt u ofwel: 10 – op de toets 4; – opnieuw op de toets 6; – op een van de toetsen 8, 9 of 10. 20 18 6 4 11 3 Functie “helder zicht” Met deze functie worden de voorruit, de zijruiten vooraan, de achterruit en de buitenspiegels snel ontdooid en ontwasemd (afhankelijk van de auto).
automatische airconditioning: knoppen A (4/5) 8 9 Aircoditioning 10 19 17 Achterruitverwarming Druk op de knop 3, het ingebouwde controlelampje brandt. De achterruit wordt nu snel ontwasemd en de buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering). U schakelt deze functie uit door opnieuw op de knop 3 te drukken. De verwarming schakelt na enige tijd automatisch uit.
automatische airconditioning: knoppen A (5/5) Automatische werking Aircoditioning Druk op de toets 16 (een controlelampje licht op in zone 14). Handmatig gebruik Met een druk op de knop 5 kan de luchtkringloop handmatig worden bediend.
thermostatische airconditioning: bedieningsknoppen B en C (1/5) 1 B 4 2 C 3 4 Automatische werking 1 2 3 De automatische airconditioning garandeert (met uitzondering van extreme gevallen) een temperatuurcomfort in het interieur en het helder houden van de ruiten, bij een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik. Het systeem werkt op de ventilatiesnelheid, de luchtverdeling, de luchtkringloop, het inschakelen of uitschakelen van de airconditioning en de luchttemperatuur.
thermostatische airconditioning: bedieningsknoppen B en C (2/5) Opmerking: de configuratie van de airconditioning is afhankelijk van de modus die is gekozen in het menu “Multi-Sense” (zie “Multi-Sense” in hoofdstuk 3). 11 12 13 18 5 11 12 13 18 5 19 Wijzigen van de ventilateursnelheid Normaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
thermostatische airconditioning: bedieningsknoppen B en C (3/5) Om deze functie te verlaten, drukt u ofwel: – opnieuw op de toets 10; – een van de knoppen 14, 15 of 16. 12 10 14 15 16 19 12 18 6 Functie “helder zicht” Met deze functie worden de voorruit, de zijruiten vooraan, de achterruit en de buitenspiegels snel ontdooid en ontwasemd (afhankelijk van de auto).
thermostatische airconditioning: bedieningsknoppen B en C (4/5) Achterruitverwarming 1 Druk op de knop 6, het ingebouwde controlelampje brandt. De achterruit wordt nu snel ontwasemd en de buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering). 1 12 14 15 16 17 12 6 In- en uitschakelen van de airconditioning Normaal schakelt het systeem automatisch de airconditioning in of uit, afhankelijk van de weersomstandigheden. U schakelt deze functie uit door opnieuw op de toets 6 te drukken.
thermostatische airconditioning: bedieningsknoppen B en C (5/5) Automatische werking 1 Druk op de toets 8 (een controlelampje licht op in zone 1). Handmatig gebruik 1 Met een druk op de knop 9 kan de luchtkringloop handmatig worden bediend. Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer aanvriezen. Ook zal het in de auto, door gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stinken. 9 8 Deze functie wordt automatisch geregeld, maar u kunt ze ook handmatig inschakelen.
AIRCONDITIONING: informatie en bedieningsinstructies (1/2) Tips voor het gebruik Verbruik Storingen In sommige gevallen, (airconditioning uit, luchtkringloop in werking, ventilatiesnelheid nul of laag, enz.) kunnen de ruiten van de auto beslaan. Het is normaal dat het brandstofverbruik hoger is (vooral in stadsverkeer) als u de airconditioning gebruikt. Voor auto’s met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt.
AIRCONDITIONING: informatie en bedieningsinstructies (2/2) A A A Ñ Type airconditioningsvloeistof Type olie in de slangen van de airconditioning Ontvlambaar product Raadpleeg het instructieboekje Onderhoud Hoeveelheid airconditiox,xxx kg ningsvloeistof aanwezig in de auto. Global Warming Potential oftewel a a r d o pwar GWP xxxxx mingsvermogen (CO2equivalent). Het airconditioningssysteem bevat fluorhoudende broeikasgassen.
Functie voor kwaliteit van de buitenlucht A Voorzichtig B Voorzichtig 1 Met de airconditioning aan kiest u op het multimediascherm 1, “Menu”, “Voertuig”, “Voorzichtig”. Kwaliteit van de buitenlucht De luchtkwaliteit wordt op het multimediascherm 1 getoond in beeld A of B, afhankelijk van de auto. Beeld A De luchtkwaliteit wordt getoond met een animatie en een verklarende tekst. Beeld B De luchtkwaliteit wordt getoond met een grafiek.
Multimedia-uitrusting (1/2) 4 1 3 2 Multimedia systemen De locatie en werking van de uitrusting kunnen verschillen, afhankelijk van de auto. 1 2 3 4 Multimediadisplay met touchscreen; Bediening onder het stuurwiel; Bediening bij het stuurwiel; of 5 microfoon. Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon Gebruik de bedieningen van het stuur 3 voor de auto’s die hiermee uitgerust zijn. Gebruik van de telefoon Raadpleeg voor de werking van dit systeem de gebruiksaanwijzing. 3.22 raat.
Multimedia-uitrusting (2/2) Multimedia-aansluitingen 7 Met de USB-aansluiting kunnen enkel accessoires die door de technische dienst van het merk goedgekeurd zijn met een maximumvermogen van 12 watt (spanning: 5 V) worden opgeladen. Met de JACK-aansluiting kunt u naar audio luisteren met behulp van een aux-kabel.
Elektrische ruitbediening (1/2) Deze systemen werken: – bij draaiende motor; – nadat de motor is uitgezet totdat een voorportier wordt geopend (beperkt tot ongeveer 12 minuten); – voor het starten, met gesloten portieren, nadat lang op de startknop is gedrukt. Druk of trek aan de schakelaar van een ruit om deze omhoog of omlaag te zetten tot de gewenste hoogte: de achterruiten kunnen niet helemaal omlaag.
Elektrische ruitbediening (2/2) Werking van de sneltoets Dit is een aanvulling op de elektrische ruitbediening die hiervoor is beschreven. Druk of trek kort en krachtig aan de schakelaar van een ruit: de ruit gaat geheel omlaag of omhoog. Een actie op de schakelaar stopt de werking van de ruit. Opmerking: Als de ruit tijdens het sluiten op weerstand stuit (bijvoorbeeld een boomtak, enz.), stopt de ruit en schuift deze daarna enkele centimeters terug.
Vast glazen dak 1 A 2 2 0 B 3 Verschuiven van het gordijn 1 Contact aan: – volledig openen: verplaats het merkteken 3 op de knop 2 naar stand B. De tussenliggende punten komen overeen met een geleidelijk verder geopend gordijn; – sluiten: zet het merkteken 3 van de knop 2 terug in de stand 0. 3.
Binnenverlichting (1/2) 1 1 2 Leesspots Lampen voetenruimte Met de schakelaar 1, kunt u kiezen voor: – een constant brandende verlichting; – het onmiddellijk uitgaan. De lichten 2 gaan branden bij het openen van de portieren. Opmerking: voor auto’s met een multifunctioneel scherm kunt u de binnenlichten die aan gaan bij het openen van de deuren of de bagageruimte, in- of uitschakelen met het multifunctionele scherm.
Binnenverlichting (2/2) 4 5 3 Lamp opbergvak middenconsole Verlichting dashboardkastje 4 Bagageverlichting Het lampje 3 gaat branden bij het openen van de opbergruimte. Het lampje 4 gaat branden bij het openen van de klep. Het lampje 5 gaat branden bij het openen van de bagageruimte. 3.
ZONNEKLEP, zonnegordijnen 1 2 3 4 5 Zonneklep voor Zonnegordijnen aan de zijkant Communicatiespiegel Kantel de zonneklep 1 omlaag tegen de voorruit of maak hem los en zet hem omlaag tegen de zijruit. Trek het zonnegordijn naar boven met het lipje 3 tot u de haakjes 4 in de houders kunt vastmaken (controleer of de haakjes goed vastklikken). Trek aan de uitsparing 5 om deze te openen. Make-up spiegel Verschuif het klepje 2, afhankelijk van de auto, wordt de spiegel verlicht. 3.
Opbergruimtes, Indeling interieur (1/8) 3 1 Opbergruimte in portieren 1 2 Dashboardkastje 2 Hierin kunt u een fles plaatsen. Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen. 3.30 4 5 Opberglade aan passagiersstoel 3 Om de lade te openen, plaatst u een vinger in de uitsparing 4. Ze gaat vanzelf open.
Opbergruimtes, Indeling interieur (2/8) 7 8 6 9 Dashboardkastje passagier Bekerhouder 7 Om deze te openen, trekt u aan de handgreep 6. Centrale opbergruimte 8 Schuif het gordijn open 9 om de opbergruimte te openen. In deze ruimte passen documenten op A4 formaat, een grote fles water, enz. Het dashboardkastje wordt geventileerd en gekoeld. Let op bij het accelereren of het rijden in een bocht, dat de inhoud van de beker of het blikje niet over de rand stroomt.
Opbergruimtes, Indeling interieur (3/8) 10 11 Armsteun in het midden 10 Opbergvak in de middenconsole 11 Zet de armsteun 10 omhoog. Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen. 3.
Opbergruimtes, Indeling interieur (4/8) B B 12 12 13 Middenconsole 12 Als u de middenconsole naar voren of naar achteren wilt verplaatsen (beweging B), drukt u op de knop 13 en verschuift u de console. Wanneer deze de gewenste positie heeft, laat u de knop los en controleert u of deze juist is vergrendeld. Bij intensief gebruik schakelt een beveiliging de werking uit gedurende enkele minuten. De belasting mag nooit meer zijn dan 6 kg. 3.
Opbergruimtes, Indeling interieur (5/8) 14 15 Opbergruimte 14 Bekerhouders 15 Hierin passen de losse asbak, blikjes, enz. 16 Kleppen bij de voeten van bestuurder en passagiers voor en achter 16 In deze opbergruimtes passen wegenkaarten, doeken, enz. Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen. 3.
Opbergruimtes, Indeling interieur (6/8) 18 17 Armsteun achter met bekerhouder Bekerhouder 18 Zet de armsteun 17 omlaag. Let op bij het accelereren of het rijden in een bocht, dat de inhoud van de beker of het blikje niet over de rand stroomt. Risico van brandwonden als de vloeistof warm is en/of vlekken. 3.
Opbergruimtes, Indeling interieur (7/8) 19 20 21 Opbergruimte van het achterportier 19 Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen. 3.
Opbergruimtes, Indeling interieur (8/8) 25 23 23 26 22 24 Tafeltje 22 Riemen 23 U kunt hiermee bijvoorbeeld een tablet vastmaken. Voor een tablet Bevestig het bovenste deel van de hoedenplank met de koordjes 23 en plaats het onderste deel in een van de houders 24. Handgreep 25 Hieraan kan men zich vasthouden tijdens het rijden. Gebruik deze niet bij het in- of uitstappen. Kledinghaken 26 3.
Asbak, Aansteker, accessoireaansluiting 3 1 3 2 Aansteker 1 Accessoireaansluiting Als het contact aan staat, drukt u de aansteker 1 in. Zodra hij heet is komt hij met een klikje terug. Trek hem los. Plaats hem na gebruik in de houder zonder hem er helemaal in te drukken. U kunt een van de aansluitingen 1 of 3 gebruiken. Deze zijn bestemd voor de aansluiting van accessoires die zijn goedgekeurd door onze technische dienst.
Hoofdsteun achter B A B 2 1 Gebruiksstand Til de hoofdsteun helemaal omhoog tot deze blokkeert. Hoofdsteun verwijderen Plaats de rugleuning een beetje omlaag, druk op het lipje 1 en verwijder de hoofdsteun. Hoofdsteun terugplaatsen Steek de poten van de hoofdsteun in de geleiders en laat de hoofdsteun zakken tot deze vastklikt. Helling afstellen Afhankelijk van de uitvoering van de auto, beweegt u het deel A naar voren of naar achteren tot de gewenste stand is bereikt.
ACHTERSTOELEN (1/6) 2 4 3 1 Naar voren of achteren zetten van de stoelen De rugleuning neerklappen (stand vlakke vloer) Trek de hendel 1 omhoog om te ontgrendelen. In de gewenste stand laat u de hendel los en controleert u de vergrendeling van de stoel. Zet de hoofdsteun omlaag 3en til de handgreep 2 omhoog om de stoel neer te klappen. controleer of de stoel goed vergrendeld is.
ACHTERSTOELEN (2/6) 7 5 6 Controleer na het terugkantelen van de rugleuning of deze weer goed is vergrendeld. Als u stoelhoezen gebruikt, moet u opletten dat deze de vergrendeling van de rugleuning niet belemmeren. Let op de juiste stand van de autogordels. Plaats de hoofdsteunen terug.
ACHTERSTOELEN (3/6) 8 Uit de achterstoelen derde rij komen 9 10 Opmerking: als de hendel 8 niet werkt, trek u aan de riem van de nooduitgang 9. – Til de hendel op 8. Een stoel in de derde rij handmatig neerklappen – Zet vanaf de bagageruimte, de hoofdsteun omlaag; – verschuif de stoel naar voren tot deze vergrendelt. Als u aan de riem van de nooduitgang 9 trekt, schuiven de achterstoelen van de tweede rij achteruit. Let op dat de beweging van de stoel door niets (lichaamsdelen dieren, speelgoed, enz.
ACHTERSTOELEN (4/6) 13 12 Om de stoelen automatisch neer te klappen (stand vlakke vloer) De achterstoelen worden elektrisch ontgrendeld om ze neer te klappen en een vlakke ondergrond te creëren. Er zijn twee manieren om de stoelen te bewegen: – vanaf de bagageruimte met de schakelaar 12 – via het multimediascherm 13. Buiten gebruik stellen van de functie – Bij draaiende motor zorgt een vergrendelde gordel ervoor dat de functie niet zal werken voor de bijbehorende stoel.
ACHTERSTOELEN (5/6) Obstakels bij het neerklappen 13 A B Bij een storing C 12 E Als aan alle gebruiksvoorwaarden is voldaan en de stoelen niet worden neergeklapt, neemt u contact op met een merkdealer. D Vanaf de schakelaar 12 Via het multimediascherm 13 Afhankelijk van de auto, schakelaars voor het neerklappen: Selecteer terwijl de auto stilstaat het menu “Voertuig”, “Zitplaatsen” en vervolgens “Vouwen met één aanraking”. A de linkerstoel achter op de tweede rij.
ACHTERSTOELEN (6/6) Beperking voor het gebruik Wanneer er een passagier op een achterstoel van de derde rij zit, is het verboden te rijden met een neergeklapte rugleuning of stoel van de tweede rij. 3.
Bagageruimte 2 1 3 Handmatig Met de hand openen van binnenuit Openen Bij een elektrische storing kunt u de achterklep met de hand van binnenuit openen: Druk op de knop 1 en trek de achterklep omhoog. – kantel de rugleuning(en) van de achterbank naar voren, zodat u in de bagageruimte kunt komen, Sluiten Trek de achterklep omlaag, waarbij u eerst gebruik kunt maken van de handgreep 2 in de klep. 3.46 Het aansluiten van een drager (fietsdrager, bagagekoffer, enz.
HOEDENPLANK 1 2 2 Verwijderen – Maak de twee koordjes los 1. – Til de hoedenplank 2 omhoog en trek deze naar u toe. Bij het terugplaatsen gaat u in omgekeerde volgorde te werk. Leg geen zware of harde voorwerpen op de hoedenplank. Bij plotseling remmen of in geval van een ongeluk kunnen rondslingerende spullen de inzittenden in gevaar brengen. 3.
BAGAGE-AFDEKPLAAT 2 B 1 C A 4 3 5 1 Oprollen van het soepele deel van de bagage-afdekking Verwijderen van de bagageafdekplaat Opbergruimte van de bagageafdekplaat Trek lichtjes aan de handgreep 1 om de pennen vrij te maken van hun bevestigingspunten aan elke kant van de bagageruimte. Begeleid de bagageafdekplaat 2 op het oprolmechanisme (beweging A). Verschuif de knop 2 (beweging B) en til tegelijkertijd de rechterkant van het oprolmechanisme op (beweging C).
INDELING BAGAGERUIMTE en opbergruimte (1/2) 1 3 1 B A Losse bodemplaat 1 Afhankelijk van de auto is de losse bodemplaat omkeerbaar. Stand vlakke vloer Op deze manier kan de rugleuning van de achterstoelen naar voren worden gekanteld om een vlakke vloer te krijgen en de bagageruimte in twee afzonderlijke ruimtes in te delen. De losse bodemplaat wordt op de rails 2 en 3 geplaatst.
INDELING BAGAGERUIMTE en opbergruimte (2/2) 6 4 5 Haak 4 Bevestigingshaken Opbergruimte aan de zijkant 6 Hieraan kunt u een zak hangen. Bevestigingspunten 5. Afhankelijk van de auto, kunt u hierin de bandenoppompset opbergen. Raadpleeg de paragraaf “Pompset voor de banden” in hoofdstuk 5. Plaats de te vervoeren voorwerpen altijd zo dat de zwaarste voorwerpen tegen de rugleuning van de achterstoel steunen. 3.50 Als uw auto geen bevestigingshaken heeft, kunt u deze bij uw merkdealer kopen.
Vervoer van bagage A Plaats de te vervoeren voorwerpen altijd zo dat ze met de grootste lengte tegen de rugleuning van de achterstoel steunen, bij normaal gebruik (voorbeeld A) of tegen de rugleuningen van de voorstoelen B als de rugleuningen van de achterstoelen zijn neergeklapt. Als u voorwerpen op de neergeklapte rugleuning wilt plaatsen, moet u eerst de hoofdsteunen verwijderen voordat u de rugleuning neerklapt, zodat de rugleuning zo dicht mogelijk tegen het zitkussen kan kantelen.
VERVOER VAN VOORWERPEN: trekhaak A A: 866 mm (kort chassis). A: 1.023 mm (lang chassis). Kogeldruk, maximaal toegelaten massa’s van geremde en ongeremde aanhangwagens: raadpleeg hoofdstuk 6, paragraaf “Massa’s”. Keuze en monteren van een trekhaak Maximale massa van de trekhaak: 38 kg. Raadpleeg het montagevoorschrift van de uitrusting voor de montage en de voorwaarden voor het gebruik. Het is raadzaam deze voorschriften bij uw instructieboekje te bewaren.
BAGAGENET (1/3) A 1 2 B 3 Afhankelijk van de auto, is het handig bij het vervoer van dieren of bagage om deze af te scheiden van het passagiersdeel. Het net kan op twee manieren geplaatst worden: – achter de achterbank A; – achter de voorstoelen B.
BAGAGENET (2/3) 6 Aanbrengen van het scheidingsnet achter de achterstoelen (achter de stoelen achter op de tweede rij) Aan beide kanten in de auto: – zet de stoelen van de tweede rij zo veel mogelijk naar voren; – plaats de losse bodemplaat in de opbergstand (zie de informatie over de indeling van de bagageruimte in hoofdstuk 3) of verwijder deze; 3.
BAGAGENET (3/3) 8 9 10 8 – Bevestig de haak 10 van de band van de bagageruimte aan de ankerpunten 8 het dichtst bij de positie van de losse bodemplaat (Raadpleeg de informatie over de opbergruimte in het interieur en de bagageruimte in hoofdstuk 3). – stel de netband 9 af zodat deze goed gespannen is. – stel de stand van de stoelen van de tweede rij af: zorg dat de rugleuningen van de stoelen niet tegen het scheidingsnet aankomen. Het bagagescheidingsnet kan een massa van maximaal 10 kg tegenhouden.
DAKDRAGERS 1 3 2 Raadpleeg uw merkdealer voor het kiezen van de uitrusting die aangepast is aan uw auto. Voor de montage en de gebruiksomstandigheden van de dragers raadpleegt u de montagevoorschriften van de uitrusting. Bevestigingspunten vrijmaken Auto’s met dakdragers De inzetstukken 2 bevinden zich op de dakdragers 1. Auto’s zonder dakdragers Open de portieren om bij de inzetstukken voor de bevestiging 3 te kunnen komen. 3.
Hoofdstuk 4: Onderhoud Motorkap. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Oliepeil van de motor: algemeen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Oliepeil van de motor: (bij)vullen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Motorkap (1/2) 2 1 3 Om deze te openen trekt u aan de handgreep 1, links van het dashboard. Veiligheidshaak van de motorkap Om deze te ontgrendelen, duwt u tegen het lipje 3 en tilt u tegelijkertijd de motorkap op. Controleer bij werkzaamheden onder de motorkap of de schakelaar van de ruitenwisser in de stand uit staat. Verwondingsgevaar Motorkap openen Zet de motorkap met de hand omhoog, deze wordt ondersteund met behulp van twee gasveren 2.
Motorkap (2/2) Sluiten van de motorkap Controleer of er geen gereedschap of andere voorwerpen in de motorruimte zijn achtergebleven. Om de motorkap te sluiten, pakt u het midden van de motorkap en laat u deze van 30 cm hoogte dichtvallen. Hij vergrendelt door zijn gewicht. Controleer na werkzaamheden in de motorruimte of er niets is vergeten (lappen, gereedschap, enz.). Deze kunnen de motor beschadigen of brand veroorzaken. Controleer de vergrendeling van de kap.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: algemeen Iedere motor verbruikt wat olie voor het smeren en koelen van de bewegende delen in de motor. Het is daarom normaal dat u tussen twee onderhoudsbeurten olie moet bijvullen. B A Indien u na de inrijperiode echter meer dan 0,5 liter olie per 1000 km moet bijvullen, dient u dit aan een merkdealer te melden. Controleer het oliepeil regelmatig en in ieder geval voor elke grote reis: vul indien nodig tijdig olie bij om ernstige schade aan de motor te voorkomen.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen (1/3) 1 1 2 (Bij)vullen De auto moet horizontaal staan en de motor moet koud zijn (bijvoorbeeld voordat u ‘s morgens wegrijdt). 2 – Draai de dop 1 los; – vul bij (in de regel ligt de hoeveelheid tussen de aflezingen “MINI” en “MAXI” op de peilstok 2 tussen 1,5 en 2 liter, afhankelijk van de motor); – wacht 20 minuten om de olie naar beneden te laten zakken in de motor; – controleer het peil met de peilstaaf 2 zoals hiervoor is beschreven.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen (2/3) 1 1 2 1 2 2 Om morsen te voorkomen, adviseren wij een trechter te gebruiken bij het (bij) vullen van olie. Voordat u in de motorruimte werkzaamheden kunt uitvoeren, moet u absoluut het contact uitzetten (zie “De motor starten en stoppen” in hoofdstuk 2). 4.6 Vul nooit bij tot boven het peil “MAXI” en vergeet niet de dop 1 en de peilstaaf 2 weer terug te plaatsen.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen (3/3)/Olie verversen Olie verversen Soort motorolie Interval: raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto. Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto. Inhoud bij verversen Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto of neem contact op met een merkdealer. Controleer het motoroliepeil altijd met behulp van de peilstaaf zoals hiervoor is uitgelegd (het mag nooit lager dan het minimumpeil of hoger dan het maximumpeil van de peilstaaf zijn).
PEILEN (1/3) 1 Regelmatige controle van het peil Interval voor het vervangen Controleer regelmatig het peil van de koelvloeistof (de motor kan ernstig beschadigen door een gebrek aan koelvloeistof). Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto. Vul uitsluitend bij met door onze technische dienst goedgekeurde producten die zorgen voor een bescherming van het koelsysteem: – een bescherming tegen bevriezen; – bescherming tegen corrosie van het koelcircuit.
PEILEN (2/3) 2 Peil 2 Vullen Het is normaal dat het remvloeistofpeil daalt met het slijten van de remblokken, maar het mag nooit beneden het “ MINI ”-merkteken komen. Na werkzaamheden aan het hydraulische circuit moet de remvloeistof worden vervangen door een deskundige. Als u zelf de slijtage van de schijven en blokken wilt controleren, dan kunt u bij de merkdealer of op de website van de fabrikant een document verkrijgen waarin de controlemethode wordt uitgelegd.
PEILEN (3/3)/FILTERS Vloeistof Product voor ruitensproeiers. Gebruik ‘s winters een antivriesmiddel. Gebruik producten die erkend zijn door een merkdealer. 3 Opmerking: gebruik geen zuiver water (risico op beschadiging van de aanzuigpomp, kalkafzetting op de pomp en de sproeiers). Sproeiers Raadpleeg een merkdealer om de sproeiers van de voorruit op de juiste hoogte te richten.
12 V-accu (1/2) 1 Afhankelijk van de auto, controleert een systeem continu de capaciteit van de accu. Als deze afneemt, verschijnt de boodschap “Accu zwak start de motor” op het instrumentenpaneel. In dit geval start u de motor en verdwijnt de boodschap op het instrumentenpaneel. De capaciteit van uw accu kan verminderen, vooral als u uw auto gebruikt: – voor korte ritten; – in stadsverkeer; – als de temperatuur daalt; – bij langdurig gebruik van stroomverbruikers (radio enz.) bij stilstaande auto.
12 V-accu (2/2) A Vervangen van de accu 2 7 3 4 6 5 Omdat dit een ingewikkelde ingreep is, adviseren wij dit over te laten aan uw merkdealer. Sticker A Houd u aan de indicaties op de accu: – 2 Open vuur en roken verboden; – 3 oogbescherming verplicht; – 4 op afstand van kinderen houden; – 5 explosieve stoffen; – 6 raadpleeg het instructieboekje; – 7 corrosieve stoffen. Omdat de accu van een speciaal type is, moet u deze vervangen door een gelijkwaardige accu. Raadpleeg een merkdealer. 4.
Bandenspanningen (1/2) Auto met een controlesysteem voor bandenspanning In geval van te lage bandenspanning (lekke band, te lage bandenspanning enz.) gaat A B A C C D E E E F F F op het instruhet controlelampje mentenpaneel branden. Raadpleeg de informatie over het “Controlesysteem bandenspanning” in hoofdstuk 2. G Sticker A B: bandenmaat van de auto. Open het bestuurdersportier om het te lezen. De bandenspanning dient bij koude banden te worden gecontroleerd.
Bandenspanningen (2/2) Veiligheid van de banden en monteren van sneeuwkettingen: Raadpleeg de paragraaf “Banden” in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwkettingen (afhankelijk van de uitvoering). Voor uw veiligheid en voor de naleving van de geldende wetgeving. Als de banden moeten worden vervangen, dan mag dit alleen gebeuren met even grote banden van hetzelfde merk, hetzelfde type en dezelfde structuur op eenzelfde profiel.
Onderhoud van de carrosserie (1/3) Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de buitenkant van de auto regelmatig te onderhouden. Uw auto is op doelmatige wijze tegen roestvorming beschermd. Toch staat hij bloot aan de invloed van verschillende parameters.
Onderhoud van de carrosserie (2/3) Wat u niet moet doen De auto wassen in felle zon of als het vriest. Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder ze eerst met water los te weken. De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan ophopen. Kleine beschadigingen niet (laten) bijwerken. Vlekken of aanslag verwijderen met oplosmiddelen die niet door onze technische diensten zijn geselecteerd. De lak kan hierdoor worden aangetast.
Onderhoud van de carrosserie (3/3) Bijzonderheid van auto’s met matte lak Voor dit type lak moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen worden genomen. Wat u moet doen De auto overvloedig met de hand met water wassen en daarbij een zachte doek, spons, enz. gebruiken. Wat u niet moet doen Producten op basis van was gebruiken (opwrijven). Te hard wrijven. De auto wassen in een wasstraat. Stickers op de lak plakken (risico op achterblijvende resten).
ONDERHOUD VAN DE BINNENBEKLEDING (1/2) Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de binnenkant van de auto regelmatig te onderhouden. Een vlek moet altijd snel behandeld worden. Reinig de bekleding (ongeacht het soort vlek) met koud of lauwwarm zeepsop op basis van natuurlijke zeep. Gebruik geen detergenten (afwasmiddel, producten in poedervorm, producten op alcoholbasis enz.). Gebruik een zachte doek. Ruiten van instrumenten (bv.
ONDERHOUD VAN DE BINNENBEKLEDING (2/2) Verwijderen/terugplaatsen van oorspronkelijk in de auto aangebrachte afneembare uitrusting Als u afneembare uitrusting moet verwijderen om het interieur schoon te maken (bijvoorbeeld matten), moet u altijd zorgen dat u ze correct en aan de goede kant terugplaatst (de bestuursmat moet aan de kant van de bestuurder worden teruggeplaatst) en vastzet met de elementen die bij de uitrusting zijn geleverd (de bestuurdersmat bijvoorbeeld, moet altijd worden vastgezet met behul
4.
Hoofdstuk 5: Praktische tips Lekke band/reservewiel. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Pompset voor de banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De gereedschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Sierkap . . .
Lekke band, RESERVEWIEL (1/4) In geval van een lekke band Afhankelijk van de auto, beschikt u over een oppompset voor de banden of een reservewiel (raadpleeg de volgende bladzijdes). Bijzonderheid Het controlesysteem van de bandenspanning controleert niet de spanning van de reserveband (het door het reservewiel vervangen wiel verdwijnt van het display op het instrumentenpaneel). Raadpleeg de paragraaf “Systeem voor het controleren van de bandenspanning” in hoofdstuk 2.
Lekke band, RESERVEWIEL (2/4) 1 6 4 2 A 5 B 5 7 3 Reservewiel A Het reservewiel bevindt zich in de bagageruimte: – opent u de achterklep; – til, afhankelijk van de auto, de losse bodemplaat en de mat van de bagageruimte op 1; – draait u de centrale bevestiging 2 los; – bij auto’s die hiermee zijn uitgerust, maakt u de stekker 3 los onder de mat van de bagageruimte en verwijdert u de audioversterker.
Lekke band, RESERVEWIEL (3/4) 4 5 7 8 5 C Zet het wiel buiten de auto rechtop, laat de kabel en het element 8 via de velg lopen en maak zo het wiel vrij. Voor het terugplaatsen van het reservewiel C Schroef vanuit de bagageruimte de moer rechtsom helemaal vast (omgekeerde beweging B) om de bevestigingskabel op te rollen; let daarbij op dat het wiel horizontaal en de kabel gespannen blijft. Plaats de dop terug, en vervolgens de afdekkap 7.
Lekke band, RESERVEWIEL (4/4) De wielhouder terugplaatsen: – Gebruik de wielsleutel 6 om de moer rechtsom volledig vast te schroeven (beweging B omgekeerd). 6 4 – Zorg ervoor dat de wielhouder goed geplaatst en vergrendeld is: 5 B 6 – Plaats de dop terug, en vervolgens de afdekkap 7. 5 7 E D Reservewiel D Dit zit in een wielhouder onder de auto.
POMPSET VOOR DE BANDEN (1/4) B A Gebruik de pompset niet als de band beschadigd is door het rijden met een lekke band. Controleer dus zorgvuldig de zijkant van de banden voor het repareren. Bovendien kan het rijden met zachte of zelfs platte (of lekke) banden de veiligheid in gevaar brengen en niet te repareren blijken. Deze reparatie is tijdelijk. Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.
POMPSET VOOR DE BANDEN (2/4) Opmerking: terwijl de fles leegloopt (ongeveer 30 seconden), geeft de manometer 1 kort een druk aan van max. 6 bar; daarna zakt de druk; – corrigeer de spanning: voor meer spanning, ga door met oppompen met de set. U verlaagt de spanning door op de knop 2 te drukken. C 2 1 D Gebruik, afhankelijk van de auto, in geval van een lekke band, de set die is opgeborgen in de opbergruimte C of onder de mat van de bagageruimte D.
POMPSET VOOR DE BANDEN (3/4) 3 Als de band correct is opgepompt, verwijdert u de set: schroef de pompaansluiting los van de fles 3 om spatten te voorkomen, en bewaar de fles in een plastic verpakking om te voorkomen dat het product gaat lekken. – Plak het etiket met de rijvoorschriften (onderaan op de fles) op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard. – Berg de set op. – Als de band na de eerste keer oppompen nog steeds lek is, moet er worden gereden om het gat te vullen.
POMPSET VOOR DE BANDEN (4/4) Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set de set mag niet langer dan 15 minuten aaneengesloten gebruikt worden. De fles moet na het eerste gebruik worden vervangen, ook al zit er nog vloeistof in. Na een reparatie met behulp van de set, mag u niet meer dan 200 km rijden. Verminder bovendien uw snelheid en rijd in elk geval niet sneller dan 80 km/u. Het etiket dat u op een zichtbare plaats op het dashboard moet plakken, herinnert u hieraan.
GEREEDSCHAP (1/2) Wieldop gereedschap 3 1 2 Voor het verwijderen van de wieldoppen. Boutgeleider 4 Hiermee kunnen wielbouten vast/los gezet worden voor auto’s met aluminium velgen. 3 6 5 4 Sleepoog 5 Raadpleeg de paragraaf “Slepen” in hoofdstuk 5. Wielmoersleutel 6 De aanwezigheid van gereedschap is afhankelijk van de auto. Krik 1 Vouw hem in voordat u hem in zijn houder plaatst (let op dat u de wielmoersleutel 2 goed terugplaatst). 5.
GEREEDSCHAP (2/2) 7 8 Uitvoering 5 zitplaatsen Uitvoering 7 zitplaatsen Til de mat van de bagageruimte op. Het gereedschap zit in de tas 7 die is bevestigd met een band. Til de rechterachterstoel van de derde rij omhoog, trek de riem naar achteren 8 en verwijder de zak met het gereedschap. Plaats de krik terug: vouw de krik in en plaats deze samen met het andere gereedschap in de gereedschapszak. Plaats de zak met het gereedschap weer in de houder.
sierkap 1 3 2 Sierkap Verwijder hem met behulp van de sierdopsleutel 3 met het haakje in de daarvoor bestemde opening bij het ventiel 1 (om het metalen klemmetje te pakken). NB: bij gebruik van antidiefstalbouten, raadpleeg de paragraaf “Verwisselen van een wiel”. 5.12 Om de sierdop weer terug te plaatsen, lijnt u hem uit met het ventiel 1 en de wielbouten 2. Druk in het midden van de sierdop om het middelste deel rond de wielbouten te klemmen. Duw de bevestigingshaken rond de sierdop vast.
Verwisselen van een wiel (1/2) Auto met krik en wielmoersleutel Verwijder de wieldop (indien van toepassing). 3 Draai de wielbouten iets los met de wielmoersleutel 3. Plaats deze zo dat u deze naar beneden kan drukken. 2 Houd de krik 1 horizontaal, met de kop van de krik verplicht bij de metalen versterkingsplaat die het dichtst bij het betreffende wiel is, en is aangegeven met een pijl 2.
Verwisselen van een wiel (2/2) Draai de wielbouten geheel los en neem het wiel van de naaf. Plaats het reservewiel op de naaf en draai het wiel rond tot de gaten voor de wielbouten samenvallen. Controleer of het wiel goed tegen de naaf is gedrukt, zet de bouten vast en draai de krik los. Als het wiel op de grond rust, zet u de bouten goed vast, en moet u het vastzetten en de bandenspanning van het reservewiel zo snel mogelijk laten controleren.
Banden (1/3) De banden vormen de enige verbinding tussen de auto en het wegdek, het is daarom van het grootste belang dat zij in goede staat verkeren. Houd u strikt aan de wettelijke voorschriften op dit gebied. 2 1 Als het loopvlak van een band tot aan deze stiften is weggesleten, worden ze zichtbaar 2: u moet dan deze band laten vervangen, omdat er nog slechts 1,6 mm profiel overblijft, waardoor de band op een natte weg onvoldoende grip heeft.
Banden (2/3) Bandenspanning Houd u aan de bandenspanningen (inclusief het reservewiel), controleer de bandenspanningen ten minste eenmaal per maand en zeker voor een lange rit (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier). Controleer de spanning bij koude banden; houd geen rekening met een hogere waarde bij warm weer of na een snel gereden rit. Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Banden (3/3) Vervangen van de banden De banden in de winter Sneeuwkettingen Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond de voorwielen worden gelegd. Als een te grote bandenmaat is gemonteerd, kunnen er mogelijk geen sneeuwkettingen worden gemonteerd. Winterbanden Voor uw veiligheid en voor de naleving van de geldende wetgeving. Voor een optimale grip van uw auto raden wij u aan deze banden op alle vier wielen te monteren.
Koplampen: lampen vervangen (1/2) 2 A 3 B 1 Richtingaanwijzer Dimlicht met halogeenlamp Grootlicht met halogeenlamp Draai de lamphouder 1 een kwart slag en maak de lamp los. Vervangen van de lamp: Vervangen van de lamp: – verwijder de kap B; – draai de lamphouder een kwartslag 3; – haal de lamp eruit. Lamptype: PY21W. Controleer na het terugplaatsen van de lamp of deze goed is vergrendeld.
KOPLAMPEN: de lampen vervangen (2/2) 4 Halogeen mistlichten voor 6 Extra lampen – Ga via de onderkant van de auto naar de lamphouder; Vraag uw merkdealer om advies als u mistlichten op uw auto wilt monteren. – maak het klepje los; – afhankelijk van de auto maakt u de stekker los. – draai de lamphouder een kwartslag. 5 Lamptype: H11 H16 of afhankelijk van de auto. 6 in de motorruimte wingslampje herinnert u hieraan. Dimlicht/Grootlicht met led 5 Verwondingsgevaar Raadpleeg een merkdealer.
ACHTERLICHTEN en ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (1/5) 3 4 Bij het monteren Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde en let op dat de bedrading niet wordt beschadigd. 2 1 Richtingaanwijzer/ markeringslicht en remlicht Maak de lamphouder met een kwartslag los. Versie met kort chassis Richtingaanwijzer 3 Open de bagageruimte, verwijder het afdekkapje 1 om bij de schroef te komen 2 en draai deze los. Lamptype: PY21W. Verwijder het achterlichthuis. Vervang de lamp.
ACHTERLICHTEN en ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (2/5) 7 8 5 6 Richtingaanwijzers/ markeringslichten en remlichten (vervolg) Open de bagageruimte, verwijder het afdekkapje 6 om bij de schroef te komen 7 en draai deze los. Auto lang chassis Maak de lamphouder met een kwartslag los. Open de bagageruimte en verwijder de bouten 5 met gereedschap. Verwijder het achterlichthuis. Vervang de lamp. 9 Richtingaanwijzer 8 Lamptype: PY21W. Remlicht 9 Lamptype: P21W.
ACHTERLICHTEN en ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (3/5) 11 10 Achteruitrijlichten Maak vanuit de bagageruimte de afdekkap los 10 op de interieurbekleding van de achterklep. Maak de lamphouder 11 met een kwartslag los. Lamptype: W16W. Bij het monteren Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde en let op dat de bedrading niet wordt beschadigd. 5.
ACHTERLICHTEN en ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (4/5) Led-verlichting De lichten hebben leds die oplichten als de markeringslichten zijn ingeschakeld. Raadpleeg een merkdealer voor het vervangen van de leds. 13 Deze verlichting vervangt niet een defect stadslicht. 12 Mistlicht 12 Derde remlicht 13 Schroef de klep onder de voorbumper los met een platte schroevendraaier of iets soortgelijks. Schroef de lamphouder los door hem naar het midden van de auto te draaien. Raadpleeg een merkdealer.
ACHTERLICHTEN en ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (5/5) 14 15 A Kentekenverlichting 14 Zijknipperlichten 15 Haal de lamp 14 uit de klem door hem naar rechts te schuiven (beweging A). Raadpleeg een merkdealer. Maak het kapje los van het lamphuis zodat u bij de lamp kunt komen. Lamptype: buislampje W5W. De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Verwondingsgevaar 5.
INTERIEURLICHT: lampen vervangen (1/3) 1 1 1 Leesspots 1 Sfeerverlichting Raadpleeg een merkdealer. Raadpleeg een merkdealer. 5.
INTERIEURLICHT: lampen vervangen (2/3) 3 2 Lampen voetenruimte 2 Raadpleeg een merkdealer. Lamp opbergvak middenconsole 3 Maak de lamp 3 met de hand los door hem naar voren te trekken en vervolgens het lampje naar beneden. Lamptype: W5W. 5.
INTERIEURLICHT: lampen vervangen (3/3) 5 4 Verlichting dashboardkastje 4 Bagageverlichting 5 Maak de lamp 4 los met een platte schroefdraaier of iets soortgelijks door op het lipje aan de zijkant te drukken voor toegang tot het lampje. Maak de lamp 5 los met een platte schroefdraaier of iets soortgelijks door op het lipje aan de zijkant te drukken voor toegang tot het lampje. Lamptype: W5W. Lamptype: W5W. De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Verwondingsgevaar 5.
ZEKERINGEN (1/2) Raadpleeg de sticker met de verklaring van de zekeringen in de opbergruimte A. Bepaalde zekeringen moeten door een vakman worden vervangen. Deze zekeringen vindt u niet op de sticker. A U mag enkel werkzaamheden uitvoeren aan de zekeringen die zijn aangegeven op de sticker. 2 1 Zekeringkastje Tangetje 2 Controleer de staat van de zekeringen als een elektrisch apparaat niet werkt. Trek de zekering los met behulp van het tangetje 2, dat zich op onder de zekeringen bevindt.
ZEKERINGEN (2/2) Bestemming van de zekeringen (de aanwezigheid van de zekeringen hangt van het uitrustingsniveau van de auto af) Symbool Bestemming Symbool Bestemming H Ruitensproeiers ë Accessoireaansluitingen op derde rij, accessoireaansluiting bagageruimte O Portiervergrendeling Æ Aansteker vooraan, accessoireaansluiting vooraan en achteraan, tweede rij Ý Aansluiting trekhaak Niet in gebruik Diagnoseaansluiting, geluidsalarm Spiegelverwarming × Remlichten, UCH Parkeerrem
12V-accu: storing (1/2) Om vonkvorming te voorkomen: Aansluiting van een acculader – Controleer of alle stroomverbruikers (binnenlichten enz.) zijn uitgeschakeld voordat u de accuklemmen losmaakt of aansluit; De acculader moet geschikt zijn voor een accu met een nominale spanning van 12 volt. – schakel de acculader uit voordat u deze op de accu aansluit of ervan losmaakt; Maak de accukabels nooit los als de motor draait. Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.
12V-accu: storing (2/2) Starten met starthulpkabels Als u voor het starten de accu van een andere auto moet gebruiken, koop dan de startkabels (met groot oppervlak) bij een merkdealer of controleer, als u reeds startkabels heeft, of deze in goede staat verkeren. Beide accu’s moeten dezelfde spanning hebben: 12 volt. De hulpaccu moet minstens de capaciteit (ampère-uur, Ah) hebben van de ontladen accu.
RENAULT-kaart: accu (1/2) 1 A 2 Vervangen van het batterijtje Wanneer de boodschap “Vervang batterij sleutelkaart” op het instrumentenpaneel verschijnt, moet u het batterijtje van de RENAULT-card vervangen: – schuif de behuizing achter 1 omlaag terwijl u op de zone A drukt; – verwijder het afdekkapje 2 van het batterijtje; – verwijder het batterijtje door op één kant ervan te drukken en het aan de andere kant op te tillen; 5.
RENAULT-kaart: accu (2/2) Bij een storing Voorzorgen met betrekking tot batterijen: Als de accu te zwak is om goed te kunnen werken, kunt u de auto nog wel starten en vergrendelen/ontgrendelen (zie “Vergrendelen en ontgrendelen van de portieren” in hoofdstuk 1). – Houd (nieuwe of oude) batterijen buiten het bereik van kinderen. – Slik de batterijtjes niet in. Risico van chemische brandwonden die dodelijk kunnen zijn.
FM-AFSTANDSBEDIENING: batterijtjes (1/2) 2 1 1 Vervangen van het batterijtje Open de afstandsbediening via gleuf 1 met behulp van een platte schroevendraaier en vervang de batterij 2 en let daarbij op het model en de juiste stand (+ en -) die op de onderkant van het deksel is aangegeven. dealer). 5.34 Als deze vervangen moeten worden, moet u hetzelfde of een gelijkwaardig accutype gebruiken (raadpleeg een merk- N.B.
FM-AFSTANDSBEDIENING: batterijtjes (2/2) Bij een storing Voorzorgen met betrekking tot batterijen: Als het batterijtje te zwak is om goed te kunnen werken, kunt u de auto nog wel starten en vergrendelen/ontgrendelen (raadpleeg de informatie in “Vergrendelen en ontgrendelen van de portieren” in hoofdstuk 1). – Houd (nieuwe of oude) batterijen buiten het bereik van kinderen. – Slik de batterijtjes niet in. Risico van chemische brandwonden die dodelijk kunnen zijn.
ACCESSOIRES Elektrische en elektronische accessoires Controleer vóór het installeren van een dergelijk accessoire (bij zenders/ontvangers vooral: frequentieband, vermogen, plaats van de antenne enz.) of dat geschikt is voor uw auto. Vraag advies aan een merkdealer. Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 120 watt. Risico van brand. Als verschillende accessoireaansluitingen tegelijk worden gebruikt, mag het totale vermogen van de aangesloten accessoires niet meer zijn dan 180 watt.
RUITENWISSERBLADEN: vervangen (1/2) 1 Opmerking: voordat u de auto start, laat u de ruitenwisserbladen zakken tot op de voorruit om schade aan de motorkap of de ruitenwisser te vermijden. 3 2 3 1 Ruitenwisserblad voor 1 Duw met het contact aan en de motor uit de schakelaar van de ruitenwissers helemaal naar beneden: de bladen stoppen in een stand waarbij de motorkap vrij is. Til de ruitenwisserarmen 3 op en druk op de knop 2 om het blad vrij te maken.
RUITENWISSERBLADEN: vervangen (2/2) Bij het monteren Monteer het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van losmaken. Controleer of het blad goed is vergrendeld. 4 A 5 Ruitenwisserblad achter 4 Met de schakelaar in ruststand (uitgeschakeld): – til de ruitenwisserarm 5 op; – Kantel het blad horizontaal 4 (beweging A) tot het losklikt; – verwijder het blad door er aan te trekken. Let op de staat van de ruitenwisserbladen.
Slepen: storing (1/2) Voordat u gaat slepen, moet u de versnellingsbak in neutraal zetten, de stuurkolom ontgrendelen en vervolgens de parkeerrem loszetten. Voor auto’s met een automatische transmissie moet u een beroep doen op een merkdealer als u de versnellingshendel niet in stand N kunt zetten. Stuurkolomontgrendeling Afhankelijk van de auto doet u het volgende: steek de sleutel in het stopcontact of druk circa 2 seconden op de startknop als u de RENAULT-kaart bij u hebt.
Slepen: storing (2/2) Gebruik alleen het sleepoog 5 “Gereedschap” in hoofdstuk 5). (zie 6 C 4 A D B 7 3 5 Gebruik uitsluitend de sleeppunten voor 3 en achter 7 (en nooit de aandrijfassen of enig ander deel van de auto). Deze sleeppunten mogen alleen voor slepen worden gebruikt. Ze mogen nooit worden gebruikt om de auto direct of indirect op te tillen. 5 Toegang tot de sleeppunten Sleeppunt voor Druk op de zone A en houdt deze zone ingedrukt terwijl u aan de zone B trekt om de klep 4 te openen.
Storingen (1/7) Gebruik van de RENAULT card MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN De RENAULT card werkt niet voor het ontgrendelen of vergrendelen van de portieren. Batterij van de card leeg. Vervang de batterij. U kunt uw auto altijd vergrendelen, ontgrendelen en starten (raadpleeg de paragrafen “Portieren vergrendelen, ontgrendelen” in hoofdstuk 1 en “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2). Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele telefoon, enz.).
Storingen (2/7) Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken. Gebruik van de afstandsbediening MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN De afstandsbediening werkt niet voor het ontgrendelen of vergrendelen van de portieren. Batterij van de afstandsbediening leeg. Gebruik de sleutel. Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de afstandsbediening werken (mobiele telefoon, enz.).
Storingen (3/7) U schakelt de startmotor in MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN De controlelampjes op het instrumenten- Accuklemmen niet goed vastgezet, Vastzetten, aansluiten of reinigen indien geoxideerd. paneel gaan zwakker of niet branden, de los of geoxideerd. startmotor draait niet. Accu ontladen of defect. De motor wil niet starten. Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. Raadpleeg de paragraaf “Accu: storing” in hoofdstuk 5 of vervang de accu indien nodig.
Storingen (4/7) Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit balans. Controleer de bandenspanning, als deze goed is, laat dan de banden door een merkdealer nakijken. Witte rook uit de uitlaat. Bij een dieselmotor hoeft dit geen storing te zijn, de rook kan ontstaan door de regeneratie van het roetfilter. Raadpleeg de paragraaf “Bijzonderheid van de dieselmotor” in hoofdstuk 2. Bij een benzinemotor is dit is meestal geen storing.
Storingen (5/7) Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN Het sturen gaat zwaar. Oververhitting van de bekrachtiging. Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht die u moet zetten op het stuurwiel om de wielen te draaien. Raadpleeg een merkdealer. Probleem met de elektrische bekrachtigingsmotor. Storing in het hulpsysteem. De motor wordt te warm. De koelvloeistoftemperatuurmeter staat in de gevarenzone en het waarschuwingslampje ® brandt. De vloeistof in het expansievat borrelt.
Storingen (6/7) Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN De ruitenwisser werkt niet. Ruitenwisserbladen kleven. Maak de wisserbladen los van de ruit. Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer. Zekering beschadigd. Vervang de zekering of laat deze vervangen; raadpleeg de paragraaf “Zekeringen” in hoofdstuk 5. De ruitenwisser stopt niet. Elektrische verstelling defect. Raadpleeg een merkdealer. Knipperfrequentie te hoog. Lamp doorgebrand.
Storingen (7/7) Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN Condens in de koplampen of achterlichten. Condens is een normaal verschijnsel dat door variaties in temperatuur en vochtigheid kan worden veroorzaakt. WAT TE DOEN In dat geval verdwijnen de sporen geleidelijk aan als de lichten branden. Het waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordels vooraan brandt niet in overeenstemming met het vastmaken van de autogordels.
5.
Hoofdstuk 6: Technische gegevens Identificatieplaatjes auto . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Identificatieplaatjes motor. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Identificatieplaatjes auto A A 10 9 1 2 3 4 5 6 7 8 De gegevens op het constructeursplaatje moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld. De aanwezigheid en de plaats van de informatie zijn afhankelijk van de auto. B 6.2 Constructeursplaatje A 1 Naam van de fabrikant. 2 Nummer van communautair ontwerp of registratienummer. 3 Identificatienummer. Afhankelijk van de auto wordt deze informatie herhaald op de markering B. 4 MMAC (Max.
Identificatieplaatjes motor (1/2) A 1 2 3 A A De gegevens op het constructeursplaatje of de sticker A moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld. (de plaats is afhankelijk van het motortype) 1 Type van de motor. 2 Indicenummer van de motor. 3 Motornummer. 6.
Identificatieplaatjes motor (2/2) A 1 2 3 A De gegevens op het constructeursplaatje of de sticker A moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld. (de plaats is afhankelijk van het motortype) 1 Type van de motor. 2 Indicenummer van de motor. 3 Motornummer. A 6.
Afmetingen (in meter) (1/2) Kort chassis 0,934 2,734 0,739 1,600 4,407 1,653* 1,597 2,128 * Onbelast 6.
Afmetingen (in meter) (2/2) Lang chassis 0,934 2,804 0,897 1,600 4,635 1,660* 1,597 2,128 * Onbelast 6.
Gegevens van de motor (1/2) Uitvoeringen Type van de motor (zie motorplaatje) 1.2 Tce 1.3 Tce 1.5 dCi 1.6 dCi 1.7 dCi H5F Turbo H5H Turbo K9K R9M R9N 1 197 1 333 1 461 1 598 1 749 Cilinderinhoud (cm3) Soort brandstof Octaangetal Benzine Dieselbrandstof. Ongelode benzine met het voorgeschreven octaan- De sticker in de tankdopklep geeft aan welke brandgetal zoals aangegeven op de sticker in de tankdop- stoffen toegestaan zijn. klep. Zie “Brandstoftank” in hoofdstuk 1.
Gegevens van de motor (2/2) Uitvoeringen Type van de motor (zie motorplaatje) Cilinderinhoud (cm3) Bougies 1.2 TCe 1.3 TCe 1.5 dCi 1.6 dCi 1.7 dCi H5F Turbo H5H Turbo K9K R9M R9N 1 197 1 333 1 461 1 598 1 749 Gebruik uitsluitend de voor uw motor voorgeschreven bougietypen. Het type staat aangegeven op een sticker in de motorruimte, raadpleeg anders een merkdealer. Montage van een niet voorgeschreven bougietype kan tot ernstige motorschade leiden. 6.
MASSA’S (in kg) De aangegeven massa’s zijn van de basisuitvoering zonder opties: zij variëren naargelang de uitrusting van uw auto. Raadpleeg een merkdealer. Max. toegelaten totaalmassa (MMAC) Max. toegelaten treinmassa (MTR) Max.
ONDERDELEN EN REPARATIES De originele onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteitsnormen als de onderdelen die in de fabriek worden gebruikt. Door het gebruik van de originele onderdelen houdt u de prestaties van uw auto optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een merkdealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan. 6.
onderhoudscoupons (1/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
onderhoudscoupons (2/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
onderhoudscoupons (3/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
onderhoudscoupons (4/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
onderhoudscoupons (5/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
onderhoudscoupons (6/6) VIN: .................................................................................. Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ ....................................... □ Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Factuurnr.: Toelichting/diversen Stempel Plaatwerkcontrole: OK □ Niet OK* □ *Zie specifieke bladzijde Datum: Km: Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt □ .......................................
Plaatwerkcontrole (1/6) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: 6.
Plaatwerkcontrole (2/6) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Datum reparatie: 6.
Plaatwerkcontrole (3/6) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: 6.
Plaatwerkcontrole (4/6) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Datum reparatie: 6.
Plaatwerkcontrole (5/6) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: 6.
Plaatwerkcontrole (6/6) De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven. VIN : .......................................................... Uit te voeren plaatwerkreparatie: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Stempel Datum reparatie: Reparatie nodig van: Datum reparatie: 6.
alfabetische inhoudsopgave (1/6) A aan/uit knop van de motor......................................................2.5 → 2.7 aanhangwagen................................................................................. 6.9 aansteker........................................................................................ 3.38 aanvullende bevestigingsmiddelen...........................1.32 → 1.35, 1.38 bescherming zijkant................................................................. 1.
alfabetische inhoudsopgave (2/6) C caravan trekken............................................................ 3.51 – 3.52, 6.9 claxon............................................................................................. 1.94 commando’s.......................................................................1.62 → 1.65 communicatiespiegel...................................................................... 3.29 contact aanzetten van de auto.................................................. 2.3, 2.
alfabetische inhoudsopgave (3/6) klokje.............................................................................................. 1.90 knipperlichten............................................................. 1.94, 5.18 – 5.19 koelvloeistof...................................................................................... 4.8 koplampen verstellen................................................................... 1.101 – 1.102 vervangen van een lamp............................................... 5.
alfabetische inhoudsopgave (4/6) P Park Assist.................................................... 2.78 → 2.82, 2.85 → 2.88 parkeerhulp........................................................................2.78 → 2.82 parkeerhulp: Park Assist . ............................ 2.78 → 2.82, 2.85 → 2.88 peilen remvloeistof................................................................................ 4.9 ruitensproeierreservoir............................................................. 4.10 peilen: motorolie.
alfabetische inhoudsopgave (5/6) snelheidsregelaar/-begrenzer.............................................2.63 → 2.69 spiegels............................................................................... 1.92 – 1.93 starten van de motor............................................................ 2.3 → 2.11 startschakelaar................................................................................. 2.3 stilzetten van de motor..................................................................... 2.
alfabetische inhoudsopgave (6/6) Z zekeringen........................................................................... 5.28 – 5.29 zijknipperlichten vervangen van een lamp.......................................................... 5.24 zonnegordijnen............................................................................... 3.29 zonneklep....................................................................................... 3.29 zonnescherm...............................................................
RENAULT S.A.S. SOCIÉTÉ PAR ACTIONS SIMPLIFIÉE AU CAPITAL DE 533 941 113 € / 13-15, QUAI LE GALLO 92100 BOULOGNE-BILLANCOURT R.C.S. NANTERRE 780 129 987 — SIRET 780 129 987 03591 / TÉL.