Operation Manual

1.81
WAARSCHUWINGSLAMPJES (4/4)
Š
Indicatielampje voor overscha-
kelen naar de volgende versnel-
ling
Ze lichten op om u te adviseren naar een
hogere versnelling (pijl omhoog) of, afhan-
kelijk van de auto, naar een lagere versnel-
ling (pijl omlaag) te schakelen.
Controlelampje elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP).
Er zijn verschillende mogelijkheden voor het
oplichten van het waarschuwingslampje:
raadpleeg de paragrafen “Hulp-en correctie-
systemen tijdens het rijden” in hoofdstuk 2.
Î Ï
Controlelampjes van de
snelheidsregelaar en
snelheidsbegrenzer
Raadpleeg de paragra-
fen “Snelheidsregelaar” en
“Snelheidsbegrenzer” in hoofdstuk 2.
Waarschuwingslampje voor het
reagenspeil en storingen in het
EGR-systeem.
Zie “Reagenstank” in hoofdstuk 1.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE
OPTIES VAN DE AUTO.
Controlelampje waarschuwing
bij verlaten van rijstrook
Zie “Waarschuwing bij verlaten van rijstrook”
in hoofdstuk 2.
B
Op het display B
ß
Waarschuwingslampje autogor-
del
Bij het starten van de motor brandt het
lampje continu en als de auto ongeveer 16
km/u rijdt terwijl de autogordel van de be-
stuurder niet is vastgemaakt, gaat het knip-
peren en klinkt er gedurende ongeveer 90
seconden een geluidssignaal.
Afhankelijk van de auto knippert dit als de
gordel van de passagier voorin niet is vast-
gemaakt.
¹
PassagiersAirbag OFF
Zie “Kinderveiligheid: uitschake-
len, inschakelen van de passagiersairbag
voorin” in hoofdstuk 1.