Operation Manual
2.34
SNELHEIDSREGELAAR (2/4)
Inschakelen
Druk op de schakelaar 5, aan de kant .
Het groene controlelampje (6) gaat branden
en de boodschap “REGELAAR” verschijnt
op het instrumentenpaneel met streepjes
om aan te geven dat de snelheidsregelaar is
ingeschakeld en wacht op het opslaan van
een snelheid.
Het rijden
Als een snelheid in het geheugen is vastge-
legd en de regeling ingeschakeld is, kunt u
uw voet van het gaspedaal nemen.
Instellen van de snelheid
Rijdend met een constante snelheid (vanaf
ongeveer 30 km/u) drukt u op de schake-
laar 1 (+) of 2 (-): de functie wordt ingescha-
keld en de actuele snelheid wordt opgesla-
gen.
De regeling wordt bevestigd door het groen
oplichten van het controlelampje 7 en het
controlelampje 6.
Let op: u moet de voeten dicht
bij de pedalen te houden om te
kunnen ingrijpen bij noodsitua-
ties.
6 7
1
5
2










