User manual
78
Pitch functie
Met behulp van de pitch functie wordt de vlieghoogte van de helikopter beïnvloed (zie afb. 9). De bediening gebeurt
met de linker stuurknuppel (zie afb. 1, positie 10). Daartoe kan deze van de onderste positie naar boven worden
beweegd. Aangezien de invalshoek van de rotorbladen niet gewijzigd kan worden, gebeurt de regeling van de
vlieghoogte via een gezamenlijke toerentalwijziging van beide rotoren.
Als de stuurknuppel zich in de onderste positie bevindt, zijn de motoren uit en de rotoren liggen stil. Als de stuurknuppel
naar boven geschoven wordt, beginnen beide rotoren te draaien en verhogen ze het toerental (al naar de knuppelpositie).
Als de middenpositie van de stuurknuppel is bereikt, dient de helikopter te zweven.
Afbeelding 9
Staartfunctie
Omdat de modelhelikopter twee contraroterende rotoren heeft, ontstaat er geen koppel rond de rotoras. De helikopter
heeft dus geen functionele staartrotor nodig voor de zijkantenstabilisering. Om het model rond de rotoras te kunnen
draaien, draaien de beide hoofdrotoren met lichtjes verschillende toerentallen. Naargelang welke van de beide
hoofdrotoren sneller of langzamer loopt, draait het model naar links of rechts (zie afbeelding 10).
De bediening van de staartfunctie gebeurt met de rechter stuurknuppel (zie ook afbeelding 1, positie 4). Als u de
knuppel lichtjes naar links beweegt, zal de punt van de romp naar links draaien. Indien u naar rechts stuurt, draait de
punt van de romp zich eveneens naar rechts.
Afbeelding 10










