User manual
212
13. Het systeem-instelmenu „SYSTEM“
In het systeeminstelmenu worden eerst de basisinstellingen van de afstandsbediening ingesteld. Deze instellingen
hebbengeenbetrekkingtotafzonderlijkemodellen.Despeciekeinstellingenvandeafzonderlijkemodellenworden
pas daarna in het functie-instelmenu (zie hoofdstuk 14) uitgevoerd.
Om naar het systeem-instelmenu te gaan, schakelt u de zender in en drukt u op de knop „SELECT“. Een druk op de
knop op de zender wordt met een korte signaaltoon bevestigd.
Op het scherm worden beide hoofdmenu’s „Function“ en „System“ weergegeven. Het menu „Function“ is reeds zwart
weergegeven. Met de knoppen „UP“ of „DOWN“ kunt u het menu „System“ zwart weergeven en door opnieuw op de
knop „SELECT“ te drukken, oproepen.
De eerste 4 menupunten van het systeeminstelmenu worden nu op het scherm weergegeven, zie afbeelding rechts.
De volgende instelfuncties staan in het systeem-instelmenu ter beschikking:
Functie Schermweergave
Modelnaam instellen „1: MDL NAME“
Modelgeheugen selecteren „2: MDL SEL“
Modelgeheugen kopiëren „3: MDL COPY“
Modelgeheugen terugzetten „4: MDL RST“
Modeltype selecteren „5: MDL TYPE“
Stuurknuppelbezetting „6: STK TYPE“
Middelste stand pitchknuppel kalibreren „7: STK ADJ“
Om het systeem-instelmenu opnieuw te verlaten en
naar het bedrijfsscherm terug te keren, drukt u twee-
maal op de knop „CLEAR“.
Afbeelding 22










