Operation Manual
— 24 —
DSPC
Het DSPC-systeem (Digital Studio
Picture Control) controleert de staat
van de band tijdens het opnemen en
afspelen en past de weergave aan ten
behoeve van de hoogst mogelijke
beeldkwaliteit bij opnemen en afspelen.
De standaardinstelling voor opnemen
en afspelen is “ON”.
1Het scherm Functie instelling
selecteren
1 Druk op MENU.
2 Druk op 5 of ∞ om “FUNCTIE
INSTELLING” te selecteren en druk
op OK of 4.
2Stel DSPC in.
Druk op 5 of ∞ om “DSPC” te
selecteren en druk op OK of 4 om
“AAN” of “UIT” te kiezen.
3
De instellingen voltooien
Druk op MENU.
Wanneer het “DSPC”-systeem is
ingeschakeld, werkt het zowel tijdens
opnemen als afspelen.
Bij opnemen
Druk op RECORD ¶.
• De staat van de band wordt gedurende
ongeveer zeven seconden gecontroleerd.
Vervolgens wordt de opname gestart.
Opmerkingen:
• Het DSPC-systeem werkt in zowel de SP-
als de LP-stand pas nadat een band in de
videorecorder is geplaatst en de
opnamemodus is geactiveerd. DSPC
werkt niet tijdens het opnemen.
• Het DSPC-systeem werkt niet tijdens een
Auto Satellite Prog-opname (
✈
p. 28).
• Bij timeropnamen werkt het DSPC-
systeem voordat de opname wordt gestart.
• Wanneer een band wordt uitgeworpen,
worden de DSPC-gegevens gewist. De
volgende keer dat de band wordt
geplaatst, wordt DSPC opnieuw
uitgevoerd.
• Terwijl“DSPC” wordt weergegeven kan
geen One Touch-opname worden gestart
(✈ p. 26).
•
Aangezien het DSPC-systeem al werkt
voordat het opnemen start, is er een
vertraging van ongeveer zeven seconden
na het indrukken van RECORD ¶. Om er
zeker van te zijn dat u het gewenste beeld
of programma volledig opneemt, voert u
de volgende stappen uit:
1) Houd PAUSE/STILL
8
ingedrukt en
druk op RECORD ¶ om de
opnamepauzestand te activeren.
• De status van de band wordt dan
automatisch gecontroleerd en na
ongeveer zeven seconden wordt de
opnamepauzestand opnieuw
geactiveerd.
2) Druk op PLAY
3
om de opname te
starten.
• Als u het DSPC-systeem niet wilt
gebruiken en direct wilt starten met
opnemen, schakelt u “DSPC” uit.
Bij afspelen
Druk op PLAY 3.
• De beeldkwaliteit voor afspelen wordt
aangepast aan de gebruikte band.
• DSPC is actief tijdens de automatische
spoorafstelling (tracking). “DSPC”
knippert in het afleesvenster op het
voorpaneel.
Opmerkingen:
• Wanneer u een band bekijkt waarbij
“DSPC” was ingeschakeld tijdens het
opnemen, is het raadzaam DSPC
eveneens in te schakelen tijdens het
afspelen.
• “DSPC” wordt alleen aan het begin van
de automatische spoorafstelling
weergegeven, maar blijft daarna ook
geactiveerd.
G
EAVANCEERDE
F
UNCTIES
(VERVOLG)
SmartPicture
U kunt het beeld tijdens het afspelen
verzachten, verscherpen of benadrukken.
De standaardinstelling voor
SmartPicture is AUTO.
1SmartPicture selecteren
1 Druk op de
SMARTPICTURE-
knop. De huidige
instelling ver-
schijnt gedurende
vijf seconden op het scherm.
2 Terwijl de huidige instelling wordt
weergegeven, drukt u verschillende
malen op de knop SMARTPICTURE
om de instelling als volgt te wijzigen:
AUTO:
Standaardinstelling.
DISTINCT:
Selecteer deze instelling als u de
details in het beeld wilt benadrukken.
SOFT:
Selecteer deze instelling als u een
minder scherp beeld wenst. De
signaalruis van het beeld wordt
verzacht.
SHARP:
Selecteer deze instelling als u een
scherp beeld wenst. De contouren
worden benadrukt.
Opmerkingen:
• We raden u aan SmartPicture in te stellen
op “SOFT” wanneer tijdens het afspelen
veel ruis op het scherm zichtbaar is.
• Wanneer “DSPC” is uitgeschakeld, wordt
“AUTO” automatisch ingesteld op
“NATURAL”.
TIJDENS DSPC
DSPC VOLTOOID
AUTO
FUNCTIE INSTELLING
DSPC AAN
O. S. D. AAN
DIRECT RECORD AAN
AUTO SP → LP TIMER UIT
DIGITAL 3R AAN
STROOM BESPARING UIT
S-VHS AUTO
VOLGENDE PAGINA
[5∞] =
[MENU] : EINDE
15/290/99 VR1000/-DUT/2 20/10/1999, 14:3424










