Operation Manual

131
Opnamefuncties
4
De positie van het AF-punt aanpassen.
1
Kies [36. AF-aanpassing] in het menu [A Pers.instelling 6]
en druk op de vierwegbesturing (5).
2
Selecteer [Aan] met de vierwegbesturing (23) en druk
op de vierwegbesturing (5).
Het scherm [AF-aanpassing] verschijnt.
3
Gebruik de vierwegbesturing (23) om [Toepassen op al]
of [Toepassen op 1] te selecteren.
4
Druk op de vierwegbesturing (5)
en pas de waarde aan met
de e-knop op de achterzijde (S)
of met de vierwegbesturing (45).
AF-aanpassing
Gebruik [AF-aanpassing] alleen als dat nodig is. Gebruik de functie
voorzichtig, want aanpassing van autofocus kan het moeilijk maken
om opnamen te maken met de juiste scherpstelling.
Camerabeweging tijdens het maken van de testopname voor AF-aanpassing
kan het moeilijk maken om een nauwkeurig AF-punt te verkrijgen.
Gebruik daarom bij het maken van testopnamen altijd een statief.
Toepassen
op al
Dezelfde aanpassing wordt toegepast op alle objectieven.
Toepassen
op 1
Dit wordt op het scherm weergegeven zodra de ID van
het objectief is verkregen. Er wordt een AF-aanpassing
opgeslagen en toegepast voor elk objectieftype
(maximaal 20 typen).
36.
AF-aanpassing
Toepassen op al
Toepassen op 1 Nt op.
Reset
Annul.
MENU
OK
OK
+10
e_kb474.book Page 131 Wednesday, June 3, 2009 11:21 AM