Operation Manual

209
De flitser gebruiken
5
Afstand en diafragma bij gebruik
van de ingebouwde flitser
Wanneer u opnamen maakt met de flitser, moeten richtgetal, diafragma
en afstand op elkaar zijn afgestemd om een juiste belichting te verkrijgen.
Bereken de opnamecondities en pas deze aan wanneer de flitsintensiteit
onvoldoende is.
*1 Deze waarde kan worden gebruikt wanneer [3. Uitgebreide gevoeligheid] in het menu
[A Pers.instelling 1] is ingesteld op [Aan].
Met de volgende formule berekent u de flitsafstand voor
diafragmawaarden.
Maximale flitsafstand L1 = richtgetal ÷ diafragmawaarde
Minimale flitsafstand L2 = Maximale flitsafstand ÷ 5 *
* De waarde 5 in de bovenstaande formule is een
vaste waarde die alleen geldt bij gebruik van
de ingebouwde flitser.
Voorbeeld: Bij een gevoeligheid van ISO 100 en een diafragmawaarde
van F2.8
L1 = 13 ÷ 2,8 = ca. 4,6 (m)
L2 = 4,6 ÷ 5 = ca. 0,9 (m)
De flitser kan dus worden gebruikt op een afstand van
ca. 0,9 tot 4,6 m.
De ingebouwde flitser in deze camera kan echter niet worden
gebruikt wanneer de afstand 0,7 meter of minder is. Gebruik van
de flitser binnen deze afstand veroorzaakt vignettering in de hoeken
van de opname, een onevenwichtige lichtverdeling en mogelijk
overbelichting.
Gevoeligheid
Richtgetal
ingebouwde flitser
Gevoeligheid
Richtgetal
ingebouwde flitser
ISO 100 Ca. 13 ISO 3200 Ca. 73,5
ISO 200 Ca. 18,4 ISO 6400 Ca. 104
ISO 400 Ca. 26 ISO 12800 Ca. 147
ISO 800 Ca. 36,8 ISO 25600
*1
Ca. 208
ISO 1600 Ca. 52 ISO 51200
*1
Ca. 294
Berekenen van de opnameafstand
op basis van de diafragmawaarde
K-5_OPM_DUT.book Page 209 Friday, October 15, 2010 5:15 PM