Operation Manual
206
5
De flitser gebruiken
Flitseigenschappen bij elke
belichtingsfunctie
• Bij het fotograferen van een bewegend onderwerp kunt u de flitser
gebruiken om het onscherpte-effect te veranderen.
• Voor het maken van flitsfoto’s kunt u een sluitertijd van 1/180 seconde
of langer instellen.
• Het diafragma wordt automatisch aangepast aan het omgevingslicht.
• De sluitertijd staat vast op 1/180 sec. wanneer een ander objectief
dan DA, DA L, D FA, FA J, FA of F wordt gebruikt.
• Wanneer u de scherptediepte wilt wijzigen of een opname van grote
afstand wilt maken, kunt u het gewenste diafragma instellen om een
flitsfoto te maken.
• De sluitertijd wordt automatisch aangepast aan het omgevingslicht.
• De sluitertijd wordt automatisch aangepast tot 1/180 s of langer (p.78)
waarbij minder camerabeweging wordt veroorzaakt. De langst
mogelijke sluitertijd hangt af van de brandpuntsafstand van het
gebruikte objectief.
• De sluitertijd staat vast op 1/180 s wanneer een ander objectief dan DA,
DA L, D FA, FA J, FA, F of A wordt gebruikt.
U kunt lange-sluitertijdsynchronisatie gebruiken in de stand
b (Sluitertijdvoorkeuze) wanneer u portretopnamen maakt met
een zonsondergang op de achtergrond. Zowel het portret als
de achtergrond worden prachtig vastgelegd.
Gebruik van de flitser in b bij sluitertijdvoorkeuze
De flitser gebruiken in de stand c (Diafragmavoorkeuze)
De lange-sluitertijdsynchronisatie gebruiken
• Een lange-sluitertijdsynchronisatie verlengt de sluitertijd. Gebruik de functie
Shake Reduction of schakel de functie Shake Reduction uit en gebruik een
statief om camerabeweging te voorkomen. De opname wordt ook onscherp
wanneer het onderwerp beweegt.
• Lange-sluitertijdsynchronisatie is ook mogelijk met een externe flitser.
K-5_OPM_DUT.book Page 206 Friday, October 15, 2010 5:15 PM