Operation Manual
176
4
Functiereferentie
Wanneer u opnamen maakt met de flitser, moeten richtgetal, diafragma en afstand op elkaar
zijn afgestemd.
Bereken de opnamecondities en pas deze aan wanneer de flitser onjuist is ingesteld.
Richtgetal ingebouwde flitser
Met de volgende formule berekent u de flitsafstand voor diafragmawaarden.
Maximale flitsafstand L1 = richtgetal ÷ gekozen diafragmawaarde
Minimale flitsafstand L2 = maximale flitsafstand ÷ 5*
* De waarde 5 in de bovenstaande formule is een vaste waarde die
alleen geldt bij gebruik van de ingebouwde flitser.
Voorbeeld
Bij een gevoeligheid van [ISO 100] en een diafragmawaarde van F2.8
L1 = 11 ÷ 2,8 = ca. 3,9 (m)
L2 = 3,9 ÷ 5 = ca. 0,8 (m)
De flitser kan dus worden gebruikt op een afstand van ca. 0,8 tot 3,9 m.
Wanneer de afstand tot het onderwerp minder dan 0,7 meter is, kan de flitser niet worden
gebruikt. Gebruik van de flitser binnen deze afstand veroorzaakt vignettering
in de hoeken van de opname, onevenwichtige lichtverdeling en mogelijk overbelichting.
Met de volgende formule berekent u de diafragmawaarde voor de opnameafstand.
Gebruikte diafragmawaarde F = richtgetal ÷ opnameafstand
Bij een gevoeligheid van [ISO 100] en een opnameafstand van 5 m is de diafragmawaarde:
F = 11 ÷ 5 = 2.2
Wanneer de uitkomst (in bovenstaand voorbeeld 2.2) niet beschikbaar is als diafragmawaarde,
wordt meestal het dichtstbijzijnde lagere getal (in bovenstaand voorbeeld 2) gebruikt.
Afstand en diafragma bij gebruik van de ingebouwde flitser
Gevoeligheid Richtgetal ingebouwde flitser
ISO 100 11
ISO 200 15.6
ISO 400 22
ISO 800 31
ISO 1600 44
Berekenen van de opnameafstand op basis van de diafragmawaarde
Berekenen van de diafragmawaarde op basis van opnameafstand