Operation Manual

172
4
Functiereferentie
Ingebouwde flitser gebruiken
U kunt de flits instellen in een bereik van –2.0 tot +1.0. De flitscorrectiewaarden zijn als volgt
bij 1/2 LW en 1/3 LW.
* Stel de trapinterval in bij [
LW-stappen
] in het menu [A Pers.inst.]. (p.162)
Draai aan de e-knop op de achterzijde om [Flitsinstelling] in het functiemenu in te stellen (p.36).
corrigeren van de flitsintensiteit
Trapinterval Flitscorrectie
1/2LW ––2.0, –1.5, –1.0, –0.5, 0.0, +0.5, +1.0
1/3LW ––2.0, –1.7, –1.3, –1.0, –0.7, –0.3, 0.0, +0.3, +0.7, +1.0
De flitsintensiteit kan niet worden gecorrigeerd bij de Snelinstelling.
N verschijnt op het LCD als de flitscorrectie is ingeschakeld. (p.26)
Wanneer de maximale flitsopbrengst wordt overschreden indien deze is gecorrigeerd
in de plusrichting (+), wordt er geen correctie toegepast.
Corrigeren in de minrichting (–) heeft mogelijk geen effect wanneer het onderwerp
te dichtbij is, het diafragma klein is of de gevoeligheid hoog is.
Flitscorrectie werkt ook bij gebruik van een externe flitsers die Automatisch P-DDL-
flitsen ondersteunen.
-
0.7
0 . 7
-
0.7
OK
Flitsinstelling
F lit s i n s t e lli n g
Flits aan
F lit s a a n
OK
O K
Flitsinstelling
Flits aan
OK