Operation Manual

50
3
Basisbediening
De juiste opnamefunctie selecteren
De camera kiest de beste opnamestand en de bijbehorende instellingen als de functiekiezer
is ingesteld op I (Auto Picture).
Selecteer = (Portret), s (Landschap), q (Macro), \ (Bewegend onderwerp),
. (Portretopname bij nacht), a (Flits UIT) of H (Scène) met de functiekiezer als de opname
in de stand Auto Picture niet wordt gemaakt.
De functies zijn als volgt.
I (Auto Picture)
Selecteert automatisch een van de functies Portret, Landschap,
Macro of Bewegend onderwerp.
Hiermee kunt u opnamen maken bij standaardinstellingen
(Normaal) als er geen optimale opnamefunctie is.
= (Portret)
Optimaal voor het maken van portretfoto’s.
s (Landschap)
Verdiept het scherpstelbereik, benadrukt kleuren en verzadiging
van bomen en lucht en zorgt voor scherpe opnamen.
q (Macro)
Hiermee kunt u levendige opnamen maken van bloemen en
andere kleine onderwerpen op korte afstand.
\ (Bewegend onderwerp)
Hiermee kunt u scherpe opnamen maken van een snel
bewegend onderwerp, bijvoorbeeld bij een sportevenement.
. (Portretopname bij nacht)
Hiermee kunt u opnamen van mensen tegen een nachtelijke
achtergrond of schemering.
a (Flits UIT)
De ingebouwde flitser is uitgeschakeld. Andere instellingen zijn
gelijk aan Normaal in I.
H (Scène)
Hiermee kunt u kiezen uit 8 opnamescènes afhankelijk van de
opnameomstandigheden.
Bij . (Portretopname bij nacht), wordt een langere sluitertijd gebruikt op donkere
plaatsen, zelfs als de ingebouwde flitser wordt gebruikt. Gebruik de functie
Bewegingsreductie of een statief om te voorkomen dat de camera beweegt.
Functie-indicatie