Operation Manual
37
2
Voorbereidingen
Het objectief bevestigen
Alle belichtingsfuncties van de camera zijn beschikbaar wanneer u gebruik maakt van DA-,
D FA-, FA J- of andere objectieven met een diafragmastand s (automatisch). Sommige
functies zijn beperkt wanneer u het objectief niet instelt op s (automatisch). Zie ook
“Opmerkingen bij [Gebruik diafr.ring]” (p.188). Andere objectieven en accessoires zijn niet
beschikbaar bij de standaard fabrieksinstellingen. Om ontspannen toch mogelijk te maken bij
gebruik van een objectief of accessoire dat hierboven niet wordt genoemd, stelt u [Gebruik
diafr. ring] in bij Persoonlijke instellingen. (p.107)
1
Controleer of de camera uit is.
2
Verwijder de bodydop (1) en de
achterlensdop van het objectief
(2).
Zet een los objectief altijd met de vatting
omhoog neer om beschadiging van het gebied
rond het de objectiefvatting te voorkomen.
3
Zorg dat de richttekens (de rode
puntjes) op de camera en het
objectief tegenover elkaar liggen.
Draai vervolgens het objectief met
de klok mee tot het vastklikt.
Na het bevestigen van het objectief controleert
u of het goed vastzit. Controleer ook of de rode
puntjes van het objectief aan de bovenzijde
zitten en of de objectiefbevestiging niet
zijdelings kan bewegen.
Zet de camera uit alvorens het objectief te bevestigen of te verwijderen om onverwachte
bewegingen van het objectief te voorkomen.