Operation Manual
110
4
Menu-referentie
De functiekiezer gebruiken
U kunt de opnamefunctie wijzigen door een pictogram op de functiekiezer tegenover
het indexstreepje te zetten.
Onderdeel Functie Bladzijde
I
(
Auto Picture
)
Selecteert automatisch een van de functies Portret,
Landschap, Macro of Bewegend onderwerp. Hiermee
kunt u opnamen maken bij standaardinstellingen
(Normaal) als er geen optimale opnamefunctie is.
p.50
=
(Portret)
Optimaal voor het maken van portretfoto’s.
s (Landschap)
Verdiept het scherpstelbereik, benadrukt kleuren en
verzadiging van bomen en lucht en zorgt voor scherpe
opnamen.
q
(Macro)
Hiermee kunt u levendige opnamen maken van
bloemen of andere kleine onderwerpen op korte
afstand.
\ (Bewegend onderwerp)
Hiermee kunt u scherpe opnamen maken van een
snel bewegend onderwerp, bijvoorbeeld bij een
sportevenement.
.
(Portretopname
bij nacht
)
Hiermee kunt u opnamen van mensen tegen een
nachtelijke achtergrond of schemering.
a (Flits UIT)
De ingebouwde flitser is uitgeschakeld. Andere
instellingen zijn gelijk aan Normaal in I.
H
(
Scène
)
Selecteert uit 8 opnamescènes afhankelijk van de
opnameomstandigheden.
Bij . (Portretopname bij nacht), wordt een langere sluitertijd gebruikt op donkere
plaatsen, zelfs als de ingebouwde flitser wordt gebruikt. Gebruik de functie
Bewegingsreductie of een statief om te voorkomen dat de camera beweegt.
Functie-indicatie