Operation Manual
136
De flitser gebruiken
5
Flitseigenschappen bij
elke belichtingsfunctie
• Bij het fotograferen van een bewegend onderwerp kunt u de flitser gebruiken
om het onscherpte-effect te veranderen.
• Voor het maken van flitsfoto’s kunt u een sluitertijd van 1/180 seconde of langer
instellen.
• Het diafragma wordt automatisch aangepast aan het omgevingslicht.
• De sluitertijd staat vast op 1/180 s wanneer een ander objectief dan DA, DA L,
D FA, FA J, FA, F of A wordt gebruikt.
• Wanneer u de scherptediepte wilt wijzigen of een opname van grote afstand wilt
maken, kunt u het gewenste diafragma instellen om een flitsfoto te maken.
• De sluitertijd wordt automatisch aangepast aan het omgevingslicht.
• De sluitertijd wordt automatisch aangepast tot 1/180 s of langer (p.58) waarbij
minder camerabeweging wordt veroorzaakt. De langst mogelijke sluitertijd
hangt af van de brandpuntsafstand van het gebruikte objectief.
• De sluitertijd staat vast op 1/180 s wanneer een ander objectief dan DA, DA L,
D FA, FA J, FA of F wordt gebruikt.
U kunt lange-sluitertijdsynchronisatie gebruiken in de standen . (Portret bij nacht)
en b (Sluitertijdvoorkeuze) wanneer u portretopnamen maakt met een
zonsondergang op de achtergrond. Zowel het portret als de achtergrond worden
prachtig vastgelegd.
Gebruik van de flitser in b bij sluitertijdvoorkeuze
De flitser gebruiken in de stand c (Diafragmavoorkeuze)
Lange-sluitertijdsynchronisatie gebruiken
• Een lange-sluitertijdsynchronisatie verlengt de sluitertijd. Gebruik de functie Shake
Reduction of schakel de functie Shake Reduction uit en gebruik een statief om
camerabeweging te voorkomen. De opname wordt ook onscherp wanneer het
onderwerp beweegt.
• Lange-sluitertijdsynchronisatie is ook mogelijk met een externe flitser.
e_kb464_84percent.book Page 136 Wednesday, October 15, 2008 11:38 AM