Operation Manual

149
5
Functiereferentie
Wanneer u opnamen maakt met de flitser, moeten richtgetal, diafragma en afstand op elkaar
zijn afgestemd.
Bereken de opnamecondities en pas deze aan wanneer de flitser onjuist is ingesteld.
Richtgetal van ingebouwde flitser
Met de volgende formule berekent u de flitsafstand voor diafragmawaarden.
Maximale flitsafstand L1 = richtgetal ÷ gekozen diafragmawaarde
Minimale flitsafstand L2 = maximale flitsafstand ÷ 5*
* De waarde 5 in de bovenstaande formule is een vaste waarde
die alleen geldt bij gebruik van de ingebouwde flitser.
Voorbeeld
Bij een gevoeligheid van [ISO200] en een diafragmawaarde van F4
L1 = 15,6 ÷ 4 = ca. 3,9 (m)
L2 = 3,9 ÷ 5 = ca. 0,8 (m)
De flitser kan dus worden gebruikt op een afstand van ca. 0,8 tot 3,9 m.
Wanneer de afstand tot het onderwerp minder dan 0,7 meter is, kan de flitser niet worden
gebruikt. Gebruik van de flitser binnen deze afstand veroorzaakt vignettering in de
hoeken van de opname, onevenwichtige lichtverdeling en mogelijk overbelichting.
Afstand en diafragma bij gebruik van de ingebouwde flitser
Gevoeligheid Richtgetal ingebouwde flitser
ISO200 15.6
ISO400 22
ISO800 31
ISO1600 44
ISO3200 62
Berekenen van de opnameafstand op basis van de diafragmawaarde