Operation Manual
128
5
Functiereferentie
Wijzig de hoeveelheid licht die op de CCD terechtkomt door het diafragma te wijzigen.
Het diafragma openen (diafragmawaarde verlagen)
Voorwerpen die dichter bij of verder weg zijn dan het
onderwerp waarop is scherpgesteld, worden minder
scherp. Als u bijvoorbeeld een opname maakt van een
bloem tegen een landschapsachtergrond met een grote
diafragmaopening, wordt het landschap voor en achter
de bloem onscherp, waardoor alleen de bloem wordt
geaccentueerd.
Het diafragma sluiten (diafragmawaarde verhogen)
Het scherptegebied neemt zowel dichtbij als veraf toe.
Als u bijvoorbeeld een opname maakt van een bloem
tegen een landschapsachtergrond met een kleine
diafragmaopening, is ook het landschap voor en achter
de bloem scherp.
Effect van diafragma
Scherptediepte
Wanneer u scherpstelt op een deel van het onderwerp, is er een gebied waarin
voorwerpen die dichter bij en verder weg zijn, ook scherp zijn. Dit gebied wordt
‘scherptediepte’ genoemd.
• De scherptediepte van de L is afhankelijk van het objectief.
Maar vergeleken met een kleinbeeldcamera kunt u ongeveer één diafragmawaarde
lager gebruiken (het scherpstelbereik wordt kleiner).
• Hoe korter de brandpuntsafstand en hoe verder weg het onderwerp is, hoe groter de
scherptediepte. (Sommige zoomobjectieven hebben geen schaal voor de
scherptediepte vanwege hun bouwwijze.)
Scherptediepte Klein Groot
Scherptegebied Smal Breed
Diafragma
Open Dicht
(Lagere waarde) (Hogere waarde)
Brandpuntsafstand objectief
Langer Korter
(Tele) (Groothoek)
Afstand tot onderwerp Dichtbij Veraf