Operation Manual
Table Of Contents
- Veilig gebruik van de camera
- Aandachtspunten tijdens het gebruik
- Inhoudsopgave
- Indeling van de handleiding
- De inhoud van het pakket controleren
- Naam en functie van onderdelen
- Functie-instellingen wijzigen
- Voorbereidingen
- Opnamen maken
- Foto’s maken
- Werken met de opnamefuncties
- De opnamestand selecteren met de functiekiezer
- Diverse opnamestanden
- De opnamestanden instellen
- De flitsinstelling selecteren
- De transportstand selecteren
- De scherpstelstand selecteren
- De autofocusinstellingen selecteren
- De belichting instellen
- De bestandsindeling van opnamen instellen
- Witbalans instellen
- De stand p-opname selecteren
- De helderheid compenseren (Inst, D-range)
- Het ND-filter instellen
- Objectiefvervorming corrigeren (Vervormingscorrectie)
- Shake Reduction instellen
- De functie Gezichtsdetectie instellen
- Knipperdetectie instellen
- Momentcontrole instellen
- De afwerking (beeldtint) van de opname instellen (Aangepaste opn.)
- De functie Datumafdruk instellen
- Video-opnamen maken
- De instellingen opslaan (Geheugen)
- Opnamen weergeven en wissen
- Opnamen bewerken en afdrukken
- Instellingen
- Camera-instellingen
- Items in het menu Instelling
- Het geheugen formatteren
- De geluidsinstellingen wijzigen
- De datum en tijd wijzigen
- De wereldtijd instellen
- De tekstgrootte van het menu instellen
- De weergavetaal wijzigen
- De naamgeving van mappen wijzigen
- De naamgeving van bestanden wijzigen
- De copyrightinformatie instellen
- Het videosignaal wijzigen
- Het HDMI-uitgangssignaal wijzigen
- Eye-Fi-communicatie instellen
- De helderheid en kleurtint van het scherm wijzigen
- De batterijbesparingsfunctie gebruiken
- Automatisch uitschakelen instellen
- Het scherm van de opnamestand instellen (Beeldopties LCD)
- Instellen welk menutabblad eerst wordt weergegeven
- Het Opstart scherm wijzigen
- Corrigeren van defecte pixels in de beeldsensor (Pixeluitlijning)
- Snelkeuze instellen
- De klokweergave instellen
- Standaardinstellingen herstellen (Reset)
- Camera-instellingen
- Aansluiten op een computer
- Bijlage

98
2
Opnamen maken
3
Wijzig de scherpstelling met de
vierwegbesturing (23).
De indicatie \ verschijnt op het scherm en
geeft de geschatte afstand tot het onderwerp
aan. Gebruik de indicatie als richtlijn bij het
scherpstellen.
2 voor scherpstelling veraf
3 voor scherpstelling dichterbij
4
Druk op de knop 4.
De scherpstelling wordt vast ingesteld en de camera is klaar om een
opname te maken.
Nadat de scherpstelling is vastgezet, kunt u nogmaals op de
vi
erwegbesturing (5) drukken om de indicatie \ weer te geven en
de scherpstelling aan te passen.
U kunt het autofocusveld en de manier van scherpstellen wijzigen.
1
Selecteer [AF-instelling] in het menu [A Opnemen 1]
met de vierwegbesturing (23).
2
Druk op de vierwegbesturing (5).
Het scherm [AF-instelling] verschijnt.
De opnamestand en de transportstand kunnen niet worden gewijzigd
terwijl de indicatie \ wordt weergegeven.
Om te schakelen van \ naar een andere scherpstelinstelling, drukt u
op de vierwegbesturing (5) terwijl de indicatie \ wordt weergegeven.
De autofocusinstellingen selecteren
Stop
Stop
OK
OK
\ Indicatie










