Operation Manual

3
Opnamen maken
52
U kunt de positie en het bereik van het autofocusgebied
(AF-gebied) instellen.
1 Stel de AF-modus in op g of h.
2 Druk op c.
3 Selecteer het AF-gebied.
Gebruik het kader dat op de
monitor verschijnt om de positie
en grootte van het AF-gebied
te wijzigen.
Beschikbare bedieningshandelingen
4 Druk op E.
Het AF-gebied wordt ingesteld.
t Memo
Wanneer [Scherpe contouren] is ingesteld op [AAN] bij [Live
weergave] in menu A3, dan wordt de contour van het scherp
gestelde onderwerp benadrukt, wat het gemakkelijker maakt
om de scherpstelling te controleren. Deze functie werkt zowel
in de stand v als w.
U kunt uw objectieven met behulp van het autofocussysteem
van de camera precies fijn afstemmen.
1 Selecteer [25. AF-aanpassing] in menu E4 en druk
op D.
Het scherm [25. AF-aanpassing] verschijnt.
2 Selecteer [Toepassen op al] of [Toepassen op 1]
en druk op E.
3 Selecteer [Instelling] en pas
de waarde aan.
Beschikbare bedieningshandelingen
4 Druk op E.
De aanpassingswaarde wordt opgeslagen.
5 Druk tweemaal op F.
De camera keert terug naar de standby-stand.
Selecteren van het gewenste scherpstelgebied
ABCD
Wijzigt de positie van het AF-gebied.
R
Vergroot/verkleint de grootte van het
AF-gebied (als g is geselecteerd).
M
Zet het AF-gebied terug naar het midden.
OKOK
AF-aanpassing
E4
Toepassen
op al
Dezelfde aanpassing wordt toegepast op alle
objectieven.
Toepassen
op 1
Slaat een instellingswaarde op voor het
gebruikte objectief. (Tot 20 waarden)
D/R naar rechts Stelt dichterbij scherp.
C/R naar links Stelt verder weg scherp.
M
Stelt de aanpassingswaarde
terug naar de
standaardinstelling.
25.
25.
2
2
±
0
±
0
±
0
±
0
AF-aanpassing
AF-aanpassing
Toepassen op al
Toepassen op al
Instelling
Instelling
Annul.
Annul.
OK
OK
K3II-OPM-NL.book Page 52 Wednesday, May 13, 2015 12:14 PM