Operating instructions

9
KENNISMAKING
MET UW
TOESTEL
Bedieningspaneel
1. ALARM
Het lampje gaat branden wanneer er problemen
optreden.
2. MEMORY
Gaat branden wanneer het geheugen wordt
gebruikt.
3. LCD-venster
Geeft de datum en de tijd weer, of de actuele
bewerking.
4. CALLS
Beeldt het aantal oproepen af in de modi OUT
(onbewaakt) en MENO.
5. PRINTER
Wordt gebruikt om het toestel als printer te
gebruiken.
6. HELP
Afdrukken van eenvoudige bedieningsinstructies.
7. RESOLUTION
Wordt gebruikt om de resolutie in te stellen:
Standaard, Fijn, Superfijn en Halftoon.
(Zie pagina 33)
8. CONTRAST
Wordt gebruikt om het contrast in te stellen:
Normaal, Donkerder of Lichter. (Zie pagina 33)
9. CLEAR
Wordt gebruikt om de ingevoerde gegevens te
wissen.
10. DIRECTORY SEARCH
Wordt gebruikt om de naam van een
communicatiepartner op te zoeken.
11. VOL. (VOLUME)
Wordt gebruikt om het volume van de monitor, de
bel, de melodie en de berichten in te stellen.
12. FUNCTION/EDIT
Wordt gebruikt om een functie te selecteren of te
activeren. Deze functie wordt verderop in de
handleiding meer gedetailleerd uitgelegd.
13. REPLAY
Wordt gebruikt om alle soorten opgeslagen
berichten af te spelen.
14. OUT/2WAY REC
Wordt gebruikt wanneer de gebruiker niet in de buurt
is, en dus geen oproepen kan beantwoorden. Wordt
ook gebruikt om telefoongesprekken op te nemen.
15. REDIAL/PAUSE
Wordt gebruikt om een pauze in te voegen
wanneer u een telefoonnummer invoert of het
laatst gedraaide nummer opnieuw draait.
16. HOLD
Wordt gebruikt om tijdens een gesprek een pauze
in te lassen.
17. SPEAKERPHONE
Wordt gebruikt om telefoongesprekken te voeren
zonder dat u de hoorn in de hand hoeft te nemen,
of om bij het inschrijven van een telefoonnummer
een spatie in te voeren.
18. Toetsenpaneel
Wordt gebruikt om telefoonnummers in te schrijven,
en tekens in te voeren voor de naam van een
communicatiepartner. Wordt gebruikt om functies
voor binnenkomende berichten (BB's) te selecteren.
19. TONE-toets
Dient om de kiesmode tijdelijk te wijzigen in
toonmode, als deze op impuls stond ingesteld.
20. INTERNET
Wordt gebruikt om een inbelverbinding tot stand te
brengen met de internetaanbieder (Internet Service
provider = ISP) zodat u e-mails en faxen kunt ontvangen.
21. ABBR
Wordt gebruikt om een telefoonnummer of e-
mailadres snel via een code te kiezen.
22. FLASH
Wordt gebruikt voor sommige functies van uw PBX.
23. COPY/SET
Wordt gebruikt om fotokopieën (Zie pagina 46) te
maken en bewerkingen in te stellen.
24. START
Wordt gebruikt om de bewerking uit te voeren.
25. STOP
Wordt gebruikt om een bewerking te annuleren of het
toestel gereed te zetten voor een volgende taak.