Operation Manual

29
Beeldinstellingen
Picture Mode
U kunt overschakelen op de optimale beeldfunctie voor de
videobron en de omgeving.
Monitor
Normal
Cinema
Dynamic
Normal:
Voor het kijken in een normale omgeving
(avondverlichting).
Dit menu stelt de normale niveaus voor de helderheid en
het contrast in.
Dynamic:
Voor het kijken in een heldere omgeving.
Dit menu stelt de helderheid en het contrast hoger dan
normaal in.
Cinema:
Bij uitstek geschikt voor speel lms.
Monitor:
Voor gebruik bij het maken van uitzendingen of
speel lmmateriaal.
Voor dit beeld geldt dat zelfs als het algemene
beeldniveau (APL) verandert, toch de helderheid
van de gebieden met hetzelfde signaalniveau niet
verandert.
Opmerkingen:
Wanneer “Monitor” is gekozen voor de “Picture Mode” beeldfunctie, kunnen de volgende menu-onderdelen niet
worden ingesteld.
Picture-menu: Contrast
Screensaver-menu: Peak limit (zie pagina 49)
Setup-menu: Power save (zie pagina 43)
Als u de beeld- of kleurinstelling op het gekozen “Picture” menu wilt wijzigen, kunt u dit doen met behulp van de
betreffende menu-opties in het “Picture” menu. (zie de volgende pagina)
Contrast
Voor het instellen van een juist
beeldcontrast.
Minder
Meer
Brightness
Voor een meer duidelijke weergave
van donkere beelden zoals avond- of
nachtscènes.
Darker
Lichter
Colour
Voor het versterken of verzwakken van de
kleuren.
Minder
Meer
Hue
Voor het instellen van een mooie
huidskleur.
Roodachtig
Groenachtig
Sharpness
Voor het instellen van de beeldscherpte.
Minder
Meer
White balance
Hiermee schakelt u tussen verschillende
schermkleurtonen.
Normal: Gemiddelde kleurtemperatuur.
Warm: Kleuren met een rode tint.
Warm2: Kleuren met een rode tint (6100K).
Warm3: Kleuren met een rode tint (5600K).
Studio: Optimale kleurtemperatuur voor studioweergave
(3200K).
Cool: Kleuren met een blauwe tint.
* “Studio” kan worden gewijzigd als
“Studio mode” in het menu Options is
ingesteld op “On”. (zie pagina 53)
Opmerkingen:
U kunt het niveau van iedere functie (Contrast, Brightness, Colour, Hue en Sharpness) voor ieder
“Beeldfunctie” instellen.
De instellingen voor “Normal”, “Dynamic”, “Cinema” en “Monitor” worden voor iedere ingangssignaalfunctie
afzonderlijk in het geheugen vastgelegd.
Er is weinig verandering als de helderheid van een helder beeld wordt verhoogd of de helderheid van een
donker beeld wordt verzwakt.
Warm2
Warm3
WarmNormal
Studio*
Cool