Operating Instructions
9
2-8. Controles van elektrische apparaten
•
Bij reparatie en onderhoud aan elektrische onderdelen
moeten veiligheidscontroles en procedures voor inspectie
van onderdelen worden uitgevoerd.
•
De eerste veiligheidscontroles houden onder andere
in dat:-
-
De condensatoren ontladen zijn; dit moet op een
zodanig veilige manier gebeuren dat er geen vonken
ontstaan.
-
Er geen elektrische onderdelen en bedrading onder
spanning staan tijdens het vullen, terugwinnen of
doorspoelen van het systeem.
-
Er doorlopend verbinding met de aarde is.
•
De onderhoudsrichtlijnen van de fabrikant moeten te allen
tijde worden opgevolgd.
•
Bij twijfel kunt u contact opnemen met de technische
dienst van de fabrikant voor hulp.
•
Als er een storing is die de veiligheid in gevaar brengt,
mag er geen elektrische voeding worden aangesloten op
het circuit, totdat de storing voldoende is verholpen.
•
Als de storing niet onmiddellijk kan worden verholpen
maar het nodig is dat de apparatuur blijft werken, moet er
een afdoende tijdelijke oplossing worden gebruikt.
•
De eigenaar van de apparatuur moet worden ingelicht,
zodat alle partijen hierover zijn geïnformeerd.
3. Gesealde elektrische onderdelen
•
Gesealde elektrische onderdelen mogen niet worden
gerepareerd.
4. Bekabeling
•
Controleer dat de bekabeling niet wordt blootgesteld aan
slijtage, corrosie, overmatige druk, trillingen, scherpe
randen of andere negatieve eff ecten uit de omgeving.
•
De controle moet ook rekening houden met het eff ect van
veroudering of doorlopende trillingen van bronnen zoals
compressoren of ventilatoren.
5. Detectie van brandbare koelmiddelen
•
Onder geen enkele omstandigheid mogen mogelijke
ontstekingbronnen worden gebruikt bij het zoeken naar of
detecteren van lekkages van koelmiddel.
•
Een halogenide fakkel (of elke andere detector met een
onafgeschermde vlam) mag niet worden gebruikt.
6. De volgende methodes voor lekdetectie zijn
toegestaan voor alle koelsystemen
•
Er mag geen lekkage worden gedetecteerd bij gebruik
van testapparatuur met een gevoeligheid van 5 gram
koelmiddel per jaar of beter, bij een druk van tenminste
0,25 maal de maximaal toelaatbare druk (>1,04 MPa,
max. 4,15 MPa), bijvoorbeeld een standaard lekdetector.
•
Er kunnen elektronische lekdetectoren worden gebruikt
voor het detecteren van brandbare koelmiddelen, maar
de gevoeligheid kan onvoldoende zijn of opnieuw moeten
worden gekalibreerd.
(Detectieapparatuur moet worden gekalibreerd in een
ruimte zonder koelmiddel.)
•
Zorg ervoor dat de detector niet een mogelijke
ontstekingsbron is en geschikt is voor het gebruikte
koelmiddel.
•
Detectieapparatuur voor lekkages moet worden ingesteld
op een percentage van de brandbaarheidsgrens-laag
van het koelmiddel en moet worden gekalibreerd op
het gebruikte koelmiddel met toepassing van het juiste
percentage gas (25% maximaal).
•
Vloeistoff en voor lekkagedetectie zijn ook geschikt
om met de meeste koelmiddelen te gebruiken,
bijvoorbeeld middelen voor de bellenmethode
of de fl uorescentiemethode. Het gebruik van
reinigingsmiddelen met chloor moet worden vermeden
omdat de chloor kan reageren met het koelmiddel en de
koperen leidingen kan corroderen.
•
Als er een lek wordt vermoed, moeten alle
onafgeschermde vlammen worden verwijderd/gedoofd.
•
Als er een lekkage van koelmiddel is ontdekt waarvoor
soldeerwerk nodig is, moet alle koelmiddel uit het
systeem worden verwijderd of afgescheiden (d.m.v.
afsluitventielen) in een deel van het systeem dat van
het lek verwijderd is. De voorzorgsmaatregelen in #8
moeten voor de verwijdering van het koelmiddel worden
opgevolgd.










