Operating Instructions

3-2 Programmering voor de gebruiker (Programmering voor de systeembeheerder)
De gebruiker (systeembeheerder) van de systeemtelefoon kan de volgende systeemfuncties
vanaf het eigen telefoontoestel programmeren.
Instellen datum en uur
Instellen nummers voor Snelkiezen via Systeemgeheugen
Instellen namen voor Snelkiezen via Systeemgeheugen
Instellen toestelnummer
Instellen toestelnaam
Toewijzen flexibele CO-toets
Toewijzen toestel telefonist(e)/systeembeheerder — Dag/Nacht
• Toewijzen DSS-Console Poort en toestel dat op DSS-Console is aangesloten
Afwezigheidsberichten
Instellen Noodnummers
Budget Management
Limiet Gesprekskosten en Gesprekstarief
Instellen ISDN-toestelnummer
Instellen ISDN-toestelnaam
Budget Management via ISDN-poort
Om te kunnen programmeren dient u uw telefoontoestel eerst om te schakelen naar de
programmeermodus voor de gebruiker. In de programmeermodus is uw toestel bezet voor
wie u probeert op te bellen. Als u uw toestel weer normaal wilt gebruiken, moet u de
programmeermodus eerst verlaten.
Standaardinstellingen
Het systeem heeft standaardinstellingen meegekregen. Schrijf de veranderingen die u eraan
aanbrengt op de “Programmeertabellen”.
Vereist telefoontoestel
De gebruiker (systeembeheerder) heeft één van de volgende telefoontoestellen nodig om te
kunnen programmeren:
Systeemtelefoon: KX-T7235, KX-T7230
Soft-toetsen en SHIFT-toets op display Systeemtelefoon
Net onder het display van de Systeemtelefoons staan drie soft-toetsen. De functies van deze
soft-toets wijzigen overeenkomstig de stappen in de programmeerprocedures. De functies die
in een bepaalde stap aan de soft-toetsen toegewezen zijn, ziet u op de onderste lijn van het
display. Als de SHIFT-indicator aanstaat, zijn aan elke soft-toets twee functies toegewezen.
Om te wisselen tussen de twee functies moet u op de SHIFT-toets (rechts van het display)
drukken.
3.1 Algemene programmeerinstructies