Operating Instructions
2.1 Programmeringsinstructies
2-2 Toestelprogrammering
(— basis-programmeermodus
op display)
Toestelprogrammering stelt u in staat om functies op uw systeemtoestel te programmeren, die
bestemd zijn voor eigen gebruik. Om te kunnen programmeren moet u het toestel in de
programmeermodus zetten. Wanneer het toestel in deze modus staat, kunt u niet worden
gebeld. Als u zelf wilt telefoneren, dan moet u eerst de programmeermodus beëindigen.
Programmeermodus
Als u de modus toestelprogrammering activeert, toont het display de volgende boodschap:
ST-Prog Stand
Het display geeft ook handige informatie tijdens het programmeren. In dit deel wordt bij de
stappen die u moet uitvoeren, een voorbeeld van de informatie op het display gegeven. U
kunt ook “Voorbeelden display-informatie” (Deel 8/Appendix) raadplegen.
Activeren programmeermodus
Voorwaarde: hoorn op de haak/toestel vrij.
1. Druk op de PROGRAM-toets.
2. Kies 99.
U moet binnen de 5 seconden nadat u op de PROGRAM-toets hebt
gedrukt “99” kiezen. Anders wordt de programmeermodus
geannuleerd.
• Het display toont:
ST-Prog modus
• De OPSLAG-indicator brandt.
• Voert u binnen 1 minuut geen programmeringsfunctie uit, dan
wordt de programmeermodus beëindigd en kunt u weer
telefoneren.
Verlaten programmeermodus
Wanneer de programmeermodus op het display verschijnt:
1. Druk op de PROGRAM-toets of neem de hoorn op.
• De programmeermodus is beëindigd en u kunt weer telefoneren.
• Als u tijdens het programmeren de hoorn opneemt, wordt de
modus beëindigd en u kunt weer telefoneren.
2
1
PROGRAM
9 9
1
of
PROGRAM










